id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.532 Rolnummer: A. 223577/IX-9160 Zaak: Arrest 247532 - Examens (onderwijs) - 12/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-12 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-26 03:28 Fiche Arrest nr 247.532 van 12 mei 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.532 van 12 mei 2020 in de zaak A. 223.577/IX-9160 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK SECUNDAIR ONDERWIJS MOL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luc Forier en Frank Goossens kantoor houdend te 3680 Maaseik Bleumerstraat 48 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 oktober 2017, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Se- cundair Onderwijs Mol van 25 augustus 2017 waarbij aan XXXX een oriënte- ringsattest B wordt toegekend, met clausulering voor de onderwijsvorm ASO en voor de studierichtingen met vijf of meer uren wiskunde in de onderwijsvorm TSO. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9160-1/13 Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. Op voorstel van de kamervoorzitter is met akkoord van alle partijen de zaak behandeld overeenkomstig artikel 3 van koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de za- ken’. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 29 april 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is voor het schooljaar 2016-2017 ingeschreven als leerling in het tweede leerjaar van de tweede graad ‘economie’ (ASO) in het Sint- Jan Berchmanscollege te Mol. 3.
- Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker een jaartotaal van 55%, met jaartekorten voor godsdienst (45%), Frans (47%) en wiskunde (49%). IX-9160-2/13 De over verzoeker delibererende klassenraad beslist om hem een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering voor het ASO. Op 7 juli 2017 stelt verzoeker, na vergeefs overleg met de di- rectie, beroep in bij het schoolbestuur. Op 25 augustus 2017 beslist de beroepscommissie, verzoeker gehoord, om aan verzoeker een B-attest toe te kennen “met clausulering voor de onderwijsvorm ASO en een clausulering voor de richtingen met 5 of meer uren wiskunde in de onderwijsvorm TSO”. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- In een enig middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke moti- vering van de bestuurshandelingen’ en van “het motiveringsbeginsel” als alge- meen beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoeker betoogt dat hij slechts twee jaartekorten heeft be- haald – Frans en godsdienst. Voor “het vermeende tekort van 49% voor het vak Wiskunde” zou de directeur erkend hebben “dat deze een afrondingsfout betrof” en dat hij “weldegelijk 50% behaalde”. Op geen enkele manier maakt de bestre- den beslissing duidelijk op welke wijze de twee tekorten in verband staan met het B-attest of de ongenuanceerde clausulering. Verzoeker benadrukt vervolgens dat hij de beroepscommissie uitdrukkelijk heeft gevraagd “om een economie richting met minder wiskunde open te laten – net zoals humane wetenschappen”. Voor economie is verzoeker geslaagd en hij leest daarover niets in de bestreden beslissing. IX-9160-3/13 Het ontgaat verzoeker voorts hoe de zeer lage jaarcijfers voor andere vakken – informatica, fysica, biologie, geschiedenis en chemie – in ver- band staan met de clausulering. Het zijn immers slaagcijfers voor niet- richtingspecifieke vakken. Het is ook slechts voor deze laatstgenoemde vakken dat verzoeker in juni “een minimaal tekort” liet optekenen. “[T]al van uitzonder- lijke en positieve elementen” blijven dan weer onbesproken in de bestreden be- slissing, zo besluit verzoeker. Ook de beroepsargumenten voor het vak wiskunde blijven on- besproken, net als de impact van de “leerkrachtwissel”, zo stelt verzoeker nog. Volgens verzoeker ontbreken in de bestreden beslissing “zeer overtuigende motieven die moeten aantonen dat [zijn] kansen tot slagen [in een volgend leerjaar] quasi onmogelijk zijn”. Verzoeker leest wel in de bestreden beslissing dat “het verwerken van grote hoeveelheden [leerstof] problematisch zou zijn”. Daarbij wordt verwezen naar de derde proefwerkenreeks, maar verzoe- ker ziet niet in waarom de derde proefwerkenreeks een grotere hoeveelheid leer- stof zou omvatten dan de eerste. Voorts wordt volgens verzoeker “in vage ter- men” gesteld dat van een leerling van de tweede graad ASO een bepaalde graad van zelfdiscipline, persoonlijke verantwoordelijkheid en engagement mag worden verwacht, maar wat dit te maken heeft met de vraag van verzoeker om een studie- richting ‘economie’ met minder wiskunde te mogen studeren is voor hem niet duidelijk. Dat argument druist trouwens in tegen het feit dat verzoeker “uit eigen beweging” tijdens de vakantie bijlessen Frans en wiskunde heeft gevolgd én aan een taalkamp heeft deelgenomen. Dat in de bestreden beslissing alleen wordt ge- zegd dat daarvan geen objectieve bewijzen voorliggen, betreurt verzoeker. Daar- naar had de beroepscommissie tijdens de hoorzitting kunnen vragen. Ook met de bijzondere familiale omstandigheden waaraan ver- zoeker had gerefereerd, werd volgens hem geen rekening gehouden. Verzoeker betoogt dat deze omstandigheden net verband houden met de derde proefwerken- reeks, waaraan de beroepscommissie zo zwaar tilt. IX-9160-4/13 Het argument met betrekking tot de “willekeur” werd eveneens onbesproken gelaten. De bestreden beslissing toont volgens verzoeker alleszins niet aan hoe de niet-behaalde leerplandoelstellingen voor Frans en godsdienst “pro- blematisch verband” houden met de derde graad. Evenmin wordt aannemelijk gemaakt dat verzoeker niet zou kunnen slagen in een volgend leerjaar, zelfs niet in een richting ‘economie’ met minder wiskunde of humane wetenschappen. Tot slot merkt verzoeker nog op dat ook “minder verregaande maatregelen” niet werden overwogen. De bestreden beslissing stelt wel dat “men voldoende informatie heeft om geen bijkomende proef toe te staan”, maar ver- zoeker “heeft ook expliciet gevraagd naar een bijkomende remediëring of vakan- tie/schooljaartaak voor het komende jaar”.
- In zijn memorie van wederantwoord blijft verzoeker erbij dat hij voor wiskunde geen jaartekort heeft behaald. Hij betoogt dat uit de notulen van de hoorzitting van de beroepscommissie van 25 augustus 2017 blijkt dat de directeur én de commissie hebben “erkend” dat zijn jaarcijfer voor wiskunde moest worden “omgezet” naar 50%. Dat betekent dat de bestreden beslissing steunt op incorrecte gegevens. Verzoeker herhaalt dat de verwijzing naar de “lage jaarcijfers” voor andere vakken niet dienstig is omdat “een slaagcijfer nog steeds betekent dat de leerplandoelstellingen in voldoende mate zijn behaald en men dus dient aan te tonen hoe deze slaagcijfers in concreto problematisch [zijn] voor het clausuleren van de volledige derde graad ASO en al zeker voor de door verzoeker geambi- eerde richting”. Een motivering die voor de toekenning van een B-attest verwijst naar slaagcijfers kan “[o]p geen enkele wijze […] als redelijk worden aanzien”. IX-9160-5/13 Dat hij heeft gevraagd om een andere clausulering blijkt uit de notulen van de hoorzitting van de beroepscommissie en daarop is de commissie niet ingegaan. Verzoeker wijst er tot slot nog op dat de verwerende partij “zelfs tijdens huidige procedure […] nalaat te motiveren waarom zij [hem] geen bijkomende proef heeft toegestaan”, hoewel hij dit in zijn bezwaarschrift, tijdens de hoorzitting van de beroepscommissie én in zijn verzoekschrift voor de Raad van State heeft gevraagd. Ook “[d]e piste van humane wetenschappen of econo- mie is uitgebreid besproken geweest tijdens de interne beroepscommissie”, maar ook daarvan is niets terug te vinden in de bestreden beslissing.
- In zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat de directeur lid is van de beroepscommissie. Dat verzoeker voor het vak wiskunde 50% behaalde, werd tijdens de zitting van de beroepscommissie onmiddellijk erkend door de directeur. Verzoeker verwijst opnieuw naar de notulen van de hoorzitting. Hij merkt nog op dat “heel duidelijk de vraag werd gesteld waarom er geen alternatieve maatregelen werden overwogen”. Beoordeling
- Aan verzoeker is een oriënteringsattest B toegekend. Voor de toekenning van dit attest vindt de beroepscommissie blijkens de bestreden beslissing steun in de jaartekorten voor Frans, wiskunde en godsdienst, in de “zeer lage jaarcijfers” voor informatica, fysica, biologie, ge- schiedenis en chemie en in de vaststelling dat uit de resultaten voor de derde proefwerkenreeks blijkt, dat het verwerken van grotere gehelen leerstof – wat als een “belangrijke competentie voor het welslagen in de derde graad ASO” wordt aangemerkt – voor verzoeker problematisch is. IX-9160-6/13 Anders dan verzoeker het ziet, zijn het dus niet alleen de jaarte- korten voor Frans en godsdienst die de beslissing schragen.
- Het motief dat “[v]an een leerling van de tweede graad ASO […] een bepaalde graad van zelfdiscipline, persoonlijke verantwoordelijkheid en engagement [mag] verlangd worden”, is dan ook geen decisief motief. Kritiek hierop is niet-ontvankelijk.
- Eveneens anders dan verzoeker het ziet, is er sprake van drie jaartekorten en geen twee. Uit de notulen van de hoorzitting van de beroepscommissie blijkt geenszins dat deze commissie zou hebben “erkend” dat zijn resultaat voor wiskunde naar 50% moest worden “omgezet”. Verzoeker verwart de notulering van de bespreking tijdens de hoorzitting met de motivering in de bestreden beslis- sing. In het verslag van de hoorzitting is onder de rubriek ‘Bespreking’ kriskras genotuleerd wat door diverse deelnemers aan de vergadering is opgemerkt. Zelfs al wordt daar genoteerd dat een “afronding van 49,55%” naar 50% “wordt beves- tigd door de directeur” en zelfs al wordt dit opgevat als de persoonlijke opvatting van één lid van de beroepscommissie (de directeur), dan nog kan dit niet vooruit- lopen op de beraadslaging en de beslissing van de beroepscommissie, die collegi- aal beslist. Wat de directeur daar individueel van vindt, is dus niet relevant. Het valt immers, gelet op de devolutieve werking van het beroep, aan de beroeps- commissie toe om het dossier en dus ook de resultaten van verzoeker te beoorde- len. Uit de bestreden beslissing blijkt – impliciet, maar ondubbel- zinnig en duidelijk – dat de beroepscommissie het jaarcijfer voor wiskunde han- teert zoals het op het jaarrapport is verschenen, namelijk 49%. Verzoeker geeft geen andere reden dan de hiervóór vermelde – en onjuist bevonden – argumentatie waarom de beroepscommissie niet van dat IX-9160-7/13 bekendgemaakte jaarcijfer zou mogen uitgaan en, bijvoorbeeld, verplicht zou zijn om bepaalde afrondingsregels toe te passen. Hij toont evenmin de onredelijkheid ervan aan. Het middel faalt derhalve ook in de mate dat erin wordt aange- voerd dat de bestreden beslissing steunt op verkeerde cijfers en dat verzoeker voor het vak wiskunde geslaagd is. 10.
- Op wezenlijke en fundamentele beroepsargumenten – dit wil zeggen grieven die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leer- ling gunstiger resultaat leiden – mag verzoeker in de bestreden beslissing een uitdrukkelijk antwoord verwachten. 10.
- De argumenten die verzoeker in verband met het vak wiskunde in zijn beroepschrift heeft aangehaald, vertonen niet dat wezenlijke en fundamen- tele karakter. Immers, verzoeker verwijt de school dat hij niet correct werd voor- bereid op de examens – een taak werd niet teruggegeven, zodat hij niet kon zien welke fouten hij gemaakt had en over bepaalde leerstof werd “pas twee weken vóór het examen les gegeven”. Een dergelijk gebrek in begeleiding kan hoogstens erop wijzen dat de school (mede) schuld draagt voor het minder gunstige resultaat van een leerling, maar het gegrond bevinden van die grief kan er niet toe leiden het resul- taat van de betrokken leerling in gunstige zin bij te stellen. Deze grief, daargela- ten of ze in feite juist is, faalt in rechte. Aldus kan ook niet nuttig aan de beroepscommissie worden verweten dat zij op die grieven geen uitdrukkelijk antwoord heeft gegeven. 10.
- Dat geldt ook voor de “leerkrachtwissel”, waarover verzoeker overigens in zijn beroepschrift zelf alleen maar aanvoert dat deze “zeker ook een IX-9160-8/13 impact [heeft] gehad die niet onderschat mag worden”, zonder verder enige ver- duidelijking te geven, laat staan enige concrete inschatting te maken.
- Dat de beroepscommissie met de “bijzondere omstandigheden” die verzoeker heeft aangevoerd, geen rekening heeft gehouden, strijdt met de bestreden beslissing. Verzoeker had in dat verband verwezen naar twee operaties die gezinsleden van hem in de loop van de maand mei hadden ondergaan. De commissie heeft daarover geoordeeld dat “de familiale toe- stand op het einde van het schooljaar weliswaar niet bevorderlijk was voor [ver- zoeker] maar niet in die mate belastend, in het licht van het globale dossier, dat het de zeer lage punten van PW3 kan verantwoorden”. Verzoeker plaatst daar in zijn verzoekschrift voor de Raad van State alleen tegenover dat deze “bijzondere omstandigheden” “toch net een ver- band houden met PW3”. Daarmee legt verzoeker alleen een chronologisch ver- band tussen de door hem aangevoerde omstandigheden en zijn resultaten voor de derde proefwerkenreeks, terwijl de beroepscommissie net van oordeel is dat zij geen voldoende inhoudelijk verband ziet. Het betoog van verzoeker slaagt er derhalve niet in om het oor- deel van de commissie te weerleggen.
- Van een verzoeker die wil doen aannemen dat hij “willekeurig” werd behandeld, mag worden verwacht dat hij daarvan zelf de nodige concrete gegevens en ondubbelzinnige bewijsstukken bijbrengt. Dat doet verzoeker evenwel niet. Hij poneert in het algemeen dat “er” leerlingen zijn “op SJB Mol” “waarvoor de klassenraad milder is ge- weest”, terwijl deze leerlingen “hogere onvoldoendes (lagere percentages) voor IX-9160-9/13 hoofdvakken [hebben]” en toch “een waarschuwing of een vakantietaak of hele- maal niets” kregen. Daarmee laat verzoeker de beroepscommissie volstrekt in het ongewisse over welke leerlingen het gaat. Verzoeker verduidelijkt niet eens of het om leerlingen van zijn klas gaat of niet. In die omstandigheden mag het verzoeker dan ook niet verba- zen dat hij op een dergelijke niet nader onderbouwde grief, die zich op geen enkel vlak onderscheidt van een gratuite bewering, geen uitdrukkelijk antwoord krijgt.
- Verzoeker benadrukt in zijn procedurestukken voor de Raad van State meermaals dat hij de beroepscommissie “uitdrukkelijk” en “expliciet” heeft gevraagd “om een economie richting met minder wiskunde open te laten – net zoals humane wetenschappen” en dat daarop geen antwoord is gekomen. Lezing van het beroepschrift van verzoeker leert dat hij echter “uitdrukkelijk” heeft gevraagd om “de beslissing te herzien en dat een A-attest zou worden toegekend”. Aldaar is dus geen sprake van een herformulering van het door de klassenraad toegekende B-attest. Aangenomen kan worden dat verzoeker zijn standpunt in de loop van de procedure voor de beroepscommissie kan bijstellen of herformuleren. Dan mag wel worden verwacht dat die nieuwe eis ook concreet wordt toegelicht of onderbouwd. Verzoeker doet blijkens het verslag van de hoorzitting bij de be- roepscommissie echter niet meer dan de vraag stellen of “er een meer genuan- ceerde clausulering [kan] komen”. Op zich volstaat dat niet om de beroepscom- missie ertoe te dwingen de verschillende mogelijkheden van clausulering uit- drukkelijk na te gaan en in de evaluatiebeslissing te expliciteren. IX-9160-10/13 Overigens heeft de beroepscommissie aangegeven waarom ASO hoe dan ook niet tot de mogelijkheden behoort. Verzoeker kan, zo zal hier- na nog blijken, niet van het tegendeel overtuigen. De richtingen die verzoeker stelt te ambiëren, situeren zich in het ASO, zodat hij voorts geen belang heeft bij kritiek op de uitsluiting van zeke- re TSO-richtingen. 14.
- Verzoeker neemt er ook aanstoot aan dat “minder verregaande maatregelen” niet werden overwogen, ondanks zijn “expliciete vraag”. In zijn beroepschrift heeft verzoeker er inderdaad bij de be- roepscommissie “met aandrang” voor geijverd dat hem één of meerdere bijko- mende proeven zouden worden opgelegd. Dat de beroepscommissie hem deze proeven niet heeft toegekend, bestrijdt verzoeker in zijn verzoekschrift niet. Dat doet hij wel in zijn memorie van wederantwoord, maar middelen moeten nu een- maal in beginsel in het inleidend verzoekschrift worden aangevoerd. Verzoeker toont niet aan dat hij dat middel niet eerder kon aanvoeren en dus moet het als onontvankelijk worden verworpen. 14.
- Wel stelt verzoeker in het inleidend verzoekschrift dat hij “ook expliciet [heeft] gevraagd naar een bijkomende remediëring of vakan- tie/schooljaartaak voor het komende jaar”. Het beroepschrift van verzoeker besluit inderdaad met de op- merking dat verzoeker “geen bezwaar [heeft] om indien de interne beroepscom- missie dit nodig acht een alternatieve maatregel uit te voeren teneinde alle twijfel over het kunnen van verzoeker weg te nemen (vakantietaak, bijkomende proef, literatuurstudie, .…)”. Zo geformuleerd, is het niet meer dan een aanbod van de zijde van verzoeker voor het geval “de […] beroepscommissie dit nodig acht […] ten- IX-9160-11/13 einde alle twijfel over het kunnen van verzoeker weg te nemen”, en géén eis. Bo- vendien heeft de beroepscommissie aangegeven waarom zij geen twijfel had over de kennis en kunde van verzoeker. Ook in die mate is het middel niet gegrond.
- Dat de slaagkansen van verzoeker in de derde graad ASO en bepaalde studierichtingen in het TSO als onbestaande worden ingeschat, ligt in het feit dat verzoekers resultaten ervan doen blijken dat hij ernstige moeilijkhe- den ondervindt om grote gehelen leerstof te verwerken. Dat oordeel tracht verzoeker te weerleggen door te stellen dat de periode januari-juni niet wezenlijk langer is dan de periode september- december, gelet op de vakantieperiodes en “allerlei projecten”. Ook daarin kan verzoeker niet worden gevolgd. Het eerste semester telt, zonder herfstvakantie, vijftien lesweken en het tweede semester telt er, zonder krokus- en paasvakantie, tweeëntwintig, ofwel bijna 50% meer. Dat die extra weken alle opgaan aan “aller- lei projecten” – waarvan verzoeker overigens andermaal geen enkel concreet element bijbrengt – beweert verzoeker niet, laat staan dat hij zulks aantoont. De vaststelling van verzoeker dat hij voor de vakken informati- ca, fysica, biologie, geschiedenis en chemie slaagcijfers heeft gehaald weer- spreekt dan weer niet dat het bijzonder lage slaagcijfers zijn die in samenhang met de drie vastgestelde jaartekorten mede het onvermogen van verzoeker kun- nen illustreren om grotere gehelen te verwerken. In die optiek kan verzoeker er niet van overtuigen dat de be- roepscommissie met haar oordeel de motiveringsplicht heeft geschonden.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. IX-9160-12/13
- Het beroep kan dan ook niet slagen, ongeacht of verzoeker zelfs nog over een voldoende actueel belang beschikt, wat in het auditoraatsver- slag ambtshalve wordt betwist. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9160-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.532 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.