id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.550 Rolnummer: A. 230440/XII-8886 Zaak: Arrest 247550 - Overheidsopdrachten - 14/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-14 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-26 03:29 Fiche Arrest nr 247.550 van 14 mei 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 247.550 van 14 mei 2020 in de zaak A. 230.440/XII-8886 In zake: de NV MONUMENT VANDEKERCKHOVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Eva Roels en Aurora Hoet kantoor houdend te 8500 Kortrijk Spinnerijstraat 99/22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de KERKFABRIEK SINT-HERMES TE RONSE met zetel te 9600 Ronse Sint-Hermesstraat 2 Tussenkomende partij: de BV G. BOSCH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bettina Poelemans kantoor houdend te 9051 Sint-Denijs-Westrem Kortrijksesteenweg 1144 G bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 30 maart 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “gunningsbeslissing van de Kerkraad van de Kerkfabriek Sint-Hermes te Ronse van 16 februari 2020 betreffende de overheidsopdracht voor de uitvoering van werken met als titel ‘Restauratiedossier. Restauratie van de daken en goten van de Sint-Hermesbasiliek te Ronse (fase 3)’ houdende de niet gunning van de opdracht XII-8886-1/15 aan […] de nv Monument Vandekerckhove, en houdende gunning van de opdracht aan de bv G. Bosch”. II. Verloop van de rechtspleging
- Er is toepassing gemaakt van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. De verwerende partij heeft een nota en het administratief dossier ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De verzoekende partij heeft een zittingsnota ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een zittingsnota ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend schriftelijk advies gegeven, dat de partijen met een e-mailbericht ter kennis werd gebracht. Het debat is gesloten op 5 mei 2020 om 12.00 uur. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XII-8886-2/15 III. Feiten 3.
- De Kerkfabriek Sint-Hermes te Ronse schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp “Restauratiedossier. Restauratie van de daken en goten van de Sint-Hermesbasiliek te Ronse (fase 3)” en met 13 september 2019 als datum voor de opening van de offertes. 3.
- De Kerkfabriek beslist om deze procedure stop te zetten en een nieuwe procedure op te starten. De opdracht wordt vervolgens een tweede maal gepubliceerd, op 12 november 2019 in het Bulletin der Aanbestedingen, ditmaal met 19 december 2019 als datum voor de opening van de offertes. Het betreft een openbare procedure met als enig criterium de prijs. 3.
- Het bestek bepaalt in Deel 1 – Algemene bepalingen dat “de verbetering van de vermoedelijke hoeveelheden […] niet [is] toegestaan.” 3.
- Zeven inschrijvers dienen een offerte in, waaronder de verzoekende partij en de bv G. Bosch. Bij de opening van de offertes werden de volgende prijzen, btw inbegrepen, genoteerd: de nv Arthur Vandendorpe 1.328.387,28 euro de bv Bouwwerken De Ruyck 1.064.287,89 euro de bv Petrus De Vos & Zoon 1.079.082,77 euro de bv G. Bosch 999.851,62 euro de nv Monument Vandekerckhove 1.042.075,68 euro Van Loy en Cie 1.277.539,04 euro de nv Verstraete & Vanhecke 1.486.528,23 euro 3.
- Op 5 februari 2020 maakt het studiebureau van de verwerende partij een verslag op. Bij het rekenkundig nazicht wordt hierbij onder het XII-8886-3/15 randnummer 4.1.4 bij de offerte van inschrijver G. Bosch de volgende opmerking gemaakt: “De ontwerper maakt de volgende opmerkingen:
- Wat betreft de artikels 12.A, 12.B, 12.C en 12.D hanteerde de inschrijver andere hoeveelheden, echter zonder motivering. → De ontwerper past de hoeveelheden aan gezien het bestek vermeldt dat vermoedelijke hoeveelheden niet mogen worden aangepast, echter zonder invloed op de rangschikking.” Het gevolg daarvan is dat de prijs van de bv G. Bosch 1.003.106,59 euro, btw inbegrepen, bedraagt in plaats van de in haar offerte opgegeven prijs van 999.581,82 euro, btw inbegrepen. 3.
- Op 16 februari 2020 beslist de kerkraad, die zich aansluit bij de bevindingen van het verslag, om de opdracht te gunnen aan de bv G. Bosch voor de prijs van 829.013,71 euro, btw niet inbegrepen of 1.003.106,59 euro, btw inbegrepen. Bij aangetekende brief gedateerd van 16 maart 2020, wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de opdracht niet aan haar wordt gegund. Een kopie van het gunningsverslag van 5 februari 2020 wordt haar bezorgd. Op 26 maart 2020 wordt haar nog de gunningsbeslissing zelf bezorgd. IV. Tussenkomst
- De bv G. Bosch blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. XII-8886-4/15 V. Schorsingsvoorwaarden 5.
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.
- Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Overeenkomstig artikel 31 gelden deze bepalingen ook voor opdrachten die de drempelbedragen voor Europese bekendmaking niet bereiken. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. XII-8886-5/15 VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van artikel 81, § 1 en § 2, 1°, artikel 83 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), artikel 76, § 1 en § 3, en artikel 79, § 2, 2°, en 86, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ van 18 april 2017 (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder van het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”. Zij acht deze bepalingen en beginselen geschonden doordat de verwerende partij bij de offerte van de gekozen inschrijver een door het bestek niet toegelaten wijziging van de vermoedelijke hoeveelheden heeft rechtgezet, wat niet mag. De verzoekende partij betoogt dat de gekozen inschrijver, door in strijd met het bestek alsnog de vermoedelijke hoeveelheden aan te passen, een onregelmatigheid beging die een rechtstreekse invloed heeft op de prijs en dus per definitie op de vergelijkbaarheid van de offertes, dat deze aanpassing van de vermoedelijke hoeveelheden in min de gekozen inschrijver een concurrentieel voordeel verschaft, aangezien deze een lagere offerte kon indienen en dat het onzeker is of de bv G. Bosch zich heeft verbonden om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren. De verwerende partij had, aldus de verzoekende partij, de offerte van de gekozen inschrijver substantieel onregelmatig moeten verklaren. Zij verwijst ter ondersteuning van dit betoog naar rechtspraak van de Raad van State. Zij merkt ten slotte nog op dat het feit dat de door de verwerende partij doorgevoerde regularisatie van de offerte van de bv G. Bosch geen invloed XII-8886-6/15 heeft op de rangschikking van de verschillende inschrijvers, geen afbreuk doet aan het principieel niet toegelaten zijn van het wijzigen van de vermoedelijke hoeveelheden in de samenvattende opmeting.
- Volgens de repliek van de verwerende en de tussenkomende partij zou het te dezen geen verboden verbetering betreffen van vermoedelijke hoeveelheden van de posten 12.A tot 12.D van de samenvattende opmeting overeenkomstig artikel 79, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, maar wel het verbeteren van een materiële fout in de offerte van de tussenkomende partij op grond van artikel 34, § 2, van dit besluit. De tussenkomende partij heeft immers bij het opstellen van haar offerte per vergissing de initiële versie van de samenvattende opmeting, die maar beperkt verschilt van de tweede toepasselijke versie daarvan, gebruikt en ingevuld. De verzoekende partij brengt daar in haar zittingsnota tegen in dat uit de rechtspraak van de Raad van State voortvloeit dat zowel rekenfouten als materiële fouten moeten worden beschouwd als “fouten waaromtrent nauwelijks discussie mogelijk is en die met een eenvoudige precisering, zoals bijvoorbeeld het verwisselen van een cijfer, kunnen worden rechtgezet”. Met verwijzing naar die rechtspraak benadrukt zij dat de verbetering van een offerte er niet toe mag leiden dat een onregelmatige offerte geregulariseerd wordt en een verbetering enkel mag betrekking hebben op rekenkundige bewerkingen en kennelijk materiële fouten en niet op bijvoorbeeld een “verkeerde interpretatie van de samenvattende opmeting”. Hetzelfde geldt ook voor een inschrijver die voor het invullen van bepaalde posten uit de samenvattende opmeting geen rekening had gehouden met een rechtzettingsbericht. Zij besluit dat aldus duidelijk is dat ook de indiening van een foutieve eerste versie van de samenvattende opmeting geenszins een materiële fout betreft. De verzoekende partij meent voorts dat de tussenkomende partij zelf een onzorgvuldigheid beging door de verkeerde versie in te dienen, wat zij zelf beaamt in haar verzoekschrift tot tussenkomst. Zij merkt op dat álle andere XII-8886-7/15 inschrijvers er wel in zijn geslaagd om de correcte samenvattende opmeting in te dienen. De verzoekende partij verwijst tevens naar het arrest nr. 243.353 van 8 januari 2019 waarin de Raad erop wees dat het wijzigen van de vermoedelijke hoeveelheden een welbewuste keuze van de gekozen inschrijver leek te zijn geweest in het kader van de door hem gekozen uitvoeringswijze van de opdracht en gesteund op een eigen technische en economische logica, wat niet spoort met de definitie van “materiële fout”. Ook te dezen acht de verzoekende partij het niet uitgesloten dat hier een strategische keuze van de tussenkomende partij achter zat, zodat dit haar eigen verantwoordelijkheid uitmaakt. De verzoekende partij betoogt ten slotte dat, indien de verwerende partij van oordeel was geweest dat het daadwerkelijk om een onschuldige vergissing ging die gecorrigeerd mocht worden als een materiële vergissing op grond van artikel 34 van het koninklijk besluit plaatsing 2017, zij deze rechtsgrond geenszins heeft veruitwendigd in het gunningsverslag. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 83 van de wet overheidsopdrachten 2016 onderzoekt de aanbestedende overheid de regelmatigheid van de offertes. Artikel 79 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt: “§
- Indien bij de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting of inventaris is gevoegd, vult de inschrijver deze in en maakt hij de nodige berekeningen. §
- De inschrijver voert, rekening houdende met de opdrachtdocumenten, zijn beroepskennis of persoonlijke vaststellingen, verbeteringen door voor: 1° de fouten die hij ontdekt in de forfaitaire hoeveelheden; 2° de fouten die hij ontdekt in de vermoedelijke hoeveelheden waarvoor de opdrachtdocumenten een dergelijke verbetering toelaten en op voorwaarde dat de voorgestelde verbetering minstens tien percent in meer of in min van de hoeveelheid van de post in kwestie bedraagt; 3° de leemten in de samenvattende opmeting of inventaris. XII-8886-8/15 Hij voegt bij zijn offerte een nota ter verantwoording van deze verbeteringen.” Overeenkomstig dit artikel in zijn paragraaf 2, 2º, mogen de inschrijvers de in de samenvattende opmeting vermelde vermoedelijke hoeveelheden dus enkel wijzigen in zoverre de opdrachtdocumenten dat toestaan. Indien de opdrachtdocumenten het wijzigen van vermoedelijke hoeveelheden niet uitdrukkelijk toestaan, is zulks dus verboden. Voorts bepaalt artikel 76 van hetzelfde besluit: “§
- De aanbestedende overheid gaat na of de offertes regelmatig zijn. De offerte kan substantieel of niet substantieel onregelmatig zijn. Een offerte is substantieel onregelmatig wanneer ze van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken. […] §
- Wanneer gebruik wordt gemaakt van een openbare of niet-openbare procedure, verklaart de aanbestedende overheid de substantieel onregelmatige offerte nietig. Dit is ook het geval voor een offerte die meerdere niet substantiële onregelmatigheden bevat wanneer de cumulatie of combinatie ervan de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengt.” Artikel 34, § 2, van hetzelfde besluit luidt ten slotte: “De aanbestedende overheid verbetert de rekenfouten en zuiver materiële fouten in de offertes, zonder aansprakelijk te zijn voor de niet ontdekte fouten. Ten einde de rekenfouten en de zuiver materiële fouten die door haar vastgesteld worden in de offertes te verbeteren, gaat de aanbestedende overheid de werkelijke bedoeling na van de inschrijver via een globale analyse van de offerte en door deze te vergelijken met de andere offertes en met de marktprijzen. […].” XII-8886-9/15
- Het bijzonder bestek dat de opdracht beheerst, bepaalt dat de verbetering van de vermoedelijke hoeveelheden niet is toegestaan. In het gunningsverslag van 5 februari 2020 wordt bij het rekenkundig nazicht vastgesteld dat de gekozen inschrijver zonder motivering wat de posten 12.A, 12.B, 12.C en 12.D betreft, andere hoeveelheden hanteerde. De verwerende partij en de tussenkomende partij wijzen er in hun repliek op dat de gekozen inschrijver per vergissing de initiële samenvattende opmeting heeft gebruikt en ingevuld en die was gevoegd bij het bestek van de opdracht die werd stopgezet. De samenvattende opmeting van de tweede procedure is slechts licht gewijzigd ten opzichte van de eerste samenvattende opmeting, meer bepaald zijn op bladzijde vier de vermoedelijke hoeveelheden van de posten 12A tot 12 D beperkt aangepast en is op bladzijde 9 in artikel 42 ‘Herstellen en schilderen gevelluiken’, C. Gevelluiken Crypte (zuidgevel), de regel met G.P. geschrapt. Voor de rest zijn de samenvattende opmetingen identiek aan elkaar en dragen ze hetzelfde nummer ‘1153-F3’, zijnde het nummer van het toepasselijke bestek gevolgd door het paginanummer. Het gevolg is dat de gekozen inschrijver prijzen blijkt te hebben opgegeven voor de volgende vermoedelijke hoeveelheden: 49,70 m² (posten 12.A en 12.B); 32 m2 (post 12.C); 168 m2 (post 12.D). De verwerende partij heeft teneinde juist een correcte vergelijking van de offertes mogelijk te maken, die vermoedelijke hoeveelheden gewijzigd overeenkomstig de aangepaste samenvattende opmeting naar 43,82 m² (post 12.A); 95,59 m2 (post 12.B), 61,05 m2 (post 12.C); 122,40 m2 (post 12.D). De vermoedelijke hoeveelheden van die posten werden dus zowel verhoogd als verlaagd.
- Uit de vertrouwelijke stukken die werden voorgelegd, blijkt dat geen nota ter verantwoording van de verbeteringen werd gevoegd bij de offerte. De vermoedelijke hoeveelheden aangewend in de offerte van de gekozen inschrijver wat post 12 betreft, blijken aan de andere kant wel overeen te XII-8886-10/15 stemmen met diegene die waren opgenomen in de initiële samenvattende opmeting. Een feitelijke bijzonderheid die ook lijkt te moeten worden meegenomen in de beoordeling van de zaak, is dat de gekozen inschrijver ook had deelgenomen aan de stopgezette opdracht en ook daarin de eerste samenvattende opmeting had ingevuld.
- Te dezen lijkt met de verwerende en de tussenkomende partij aldus te moeten worden aangenomen dat de gekozen inschrijver niet de bedoeling had om vermoedelijke hoeveelheden te verbeteren, hetgeen te dezen ook lijkt te moeten worden afgeleid uit het gebrek aan nota ter verantwoording van verbeteringen. In het door de verzoekende partij aangevoerde arrest nr. 243.353 van 8 januari 2019 werd daarentegen niet aanvaard dat het een rekenfout of zuiver materiële fout betrof, omdat de keuze van de in die zaak gekozen inschrijver was gemaakt “in het kader van de door hem gekozen uitvoeringswijze van de opdracht en gesteund op een eigen technische en economische logica”, een vaststelling die echter in de huidige zaak niet lijkt te gelden. Bij het beoordelen of er sprake is van een rekenfout of kennelijk materiële fout in de zin van het voormelde artikel 34 van het koninklijk besluit plaatsing 2017, heeft de aanbestedende overheid beoordelingsruimte om uit te maken of in het licht van de omstandigheden deze al dan niet aannemelijk is en of al dan niet duidelijk is wat de werkelijke bedoeling van de inschrijver was bij het begaan van de fout. Het komt daarbij niet aan de Raad van State toe om een eigen beoordeling in de plaats van deze van het bestuur te stellen. Hij kan desgevraagd wel nagaan of de aanbestedende overheid bij deze beoordeling de perken van de zorgvuldigheid en redelijkheid niet te buiten is gegaan, en of de beslissing op aanvaardbare motieven is gesteund. XII-8886-11/15 Het lijkt te dezen niet aangetoond dat de verwerende partij de voornoemde perken te buiten zou zijn gegaan door te oordelen dat het ging om een vergissing in hoofde van de gekozen inschrijver.
- Voorts, in de mate dat de verzoekende partij het niet uitgesloten acht dat hier sprake is van een strategische keuze van de tussenkomende partij dient te worden opgemerkt dat een speculatief oogmerk of kwade trouw in beginsel niet zonder meer mogen worden vermoed. In het dossier is geen spoor van een omkering van dit vermoeden. Vervolgens lijkt vrij eenvoudig te kunnen worden vastgesteld wat door de gekozen inschrijver effectief was bedoeld en tot welke eenheidsprijzen hij zich heeft verbonden. Daarenboven heeft de verbetering door de aanbestedende overheid zelfs geen invloed op de rangschikking, zoals onder meer opgemerkt in het gunningsverslag en niet betwist door de verzoekende partij. 13.
- Wat de aangevoerde schending van “het motiveringsbeginsel” betreft, steunt de verzoekende partij zich in de eerste plaats op een gebrekkige formele motivering, omdat de verwerende partij in de bestreden beslissing niet heeft veruitwendigd dat zij steunde op artikel 34 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 en op een aanname van een materiële vergissing. De verzoekende partij heeft echter in haar geschreven uiteenzettingen uitvoerig kunnen argumenteren, ook in de context van het meervermelde artikel 34 van het koninklijk besluit plaatsing 2017, waarom een verbetering van de vermoedelijke hoeveelheden te dezen had moeten worden opgevat als een onwettige regularisatie van de offerte van de gekozen inschrijver. Er lijkt hier dan ook te zijn voldaan aan de formelemotiveringsplicht, minstens aan de ratio legis ervan. Voorts lijkt uit het gunningsverslag en de samenvattende opmetingen te kunnen en mogen worden afgeleid dat de vermoedelijke hoeveelheden werden aangepast naar die van de samenvattende opmetingsstaat die XII-8886-12/15 was opgenomen bij het bestek van de meest recente aankondiging, omdat de verwerende partij van oordeel was dat de gekozen inschrijver per vergissing de eerste versie had gebruikt. De vaststellingen onder het ‘rekenkundig nazicht’, namelijk dat de gekozen inschrijver voor de artikelen 12A tot 12D andere hoeveelheden hanteerde en ook 800 euro extra toevoegde – aangezien op bladzijde 9 van de initiële samenvattende opmeting in artikel 42 ‘Herstellen en schilderen gevelluiken’, C. Gevelluiken Crypte (zuidgevel), de regel met G.P. nog niet was geschrapt – gebeurden in het kader van het nazicht van mogelijke rekenfouten en zuiver materiële fouten en niet bij het daaropvolgend nazicht van verbeteringen van hoeveelheden en leemtes, zodat minstens hieruit blijkt dat de verwerende partij toepassing heeft gemaakt van het voormelde artikel
- 13.
- De verzoekende partij kan dan ook, waar zij de schending van de materiëlemotiveringsplicht inroept, niet worden bijgevallen in zoverre zij in dat verband doet gelden dat de motieven die de bestreden beslissing dragen en in het kader van het wettigheidstoezicht konden en werden gecontroleerd, niet deugdelijk en draagkrachtig zijn. Er lijkt voor de in het geding zijnde verbetering door de aanbestedende overheid wel degelijk een rechtsgrond voorhanden te zijn, namelijk het voormelde artikel 34, § 2, dat bepaalt dat de aanbestedende overheid de offertes verbetert onder meer wat de zuiver materiële fouten betreft.
- Gelet op de voornoemde overwegingen, moet worden geoordeeld dat geen schending van de in het middel ingeroepen bepalingen en beginselen aannemelijk is gemaakt. Het middel is dan ook niet ernstig. VII. Besluit
- Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. XII-8886-13/15 VIII. Kosten
- De rechtsplegingsvergoeding is luidens artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de voormelde gecoördineerde wetten op de Raad van State een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De verwerende partij is weliswaar de in het gelijk gestelde partij, maar werd niet bijgestaan door een advocaat. Er wordt dan ook niet ingegaan op haar verzoek om haar een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. BESLISSING
- Het verzoek van de bv G. Bosch tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De kennisgeving van dit arrest aan de partijen gebeurt met een e-mailbericht.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. XII-8886-14/15 Dit arrest is uitgesproken op veertien mei tweeduizend twintig door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8886-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.550 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.