id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.554 Rolnummer: A. 222659/XIV-37469 Zaak: Arrest 247554 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 15/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-15 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-26 03:29 Fiche Arrest nr 247.554 van 15 mei 2020 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.554 van 15 mei 2020 in de zaak A. 222.659/XIV-37.469 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie De Meulenaere kantoor houdend te 9000 Gent Rabotstraat 109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 16 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Gent van 11 mei 2017 waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.469-1/27 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annik Haegeman, die loco advocaat Sofie De Meulenaere verschijnt voor verzoekster, en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven behoudens wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is agent van politie bij de lokale politiezone Gent (PZ 5415). 3.
- Met het inleidend verslag van 26 oktober 2016 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, omstandigheden en de gevolgen, van de datum van kennisneming van de feiten, van het vaststaan, de kwalificatie en van de toerekening ervan. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. XIV-37.469-2/27 3.
- Op 5 december 2016 stelt de hogere tuchtoverheid voor om aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Tegen dit voorstel dient verzoekster een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
- Op 8 december 2016 beslist de commissie voor Geschiktheid van het Personeel van de Politiediensten (hierna: CGPP) dat verzoekster tijdelijk ongeschikt is voor de dienst voor een periode van 12 maanden ingaande op 1 januari 2017, bij toepassing van artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 ‘voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel’ (hierna: de wet van 14 februari 1961). 3.
- Op 4 april 2017 adviseert de Tuchtraad “dat de tuchtvordering en dus ook het verzoek tot heroverweging, op heden zonder voorwerp is geworden om reden dat verzoekster op heden (en minstens tot 1 januari 2018) niet meer onder het toepassingsgebied van de tuchtwet valt.” In punt 4.
- van het advies betreffende de procedure stelt de Tuchtraad het volgende: “Terecht stelde de Inspecteur-generaal op zitting van 22 februari 2017 van de Tuchtraad dat door de tijdelijke ongeschiktheid vanaf 1 januari 2017 de verzoekster geen personeelslid meer is in de zin van artikel 2 van de tuchtwet. Door dit gegeven valt zij op heden niet meer onder het toepassingsgebied van de tuchtwet en is de tuchtvordering op heden zonder voorwerp. In geval de Commissie voor Geschiktheid van het Personeel van de Politiediensten de verzoekster na deze periode van één jaar opnieuw medisch geschikt zou verklaren en zij het werk zou hervatten kan de tuchtoverheid deze procedure opnieuw activeren.” Voor het overige beperkt het advies zich tot het aanhalen van de feiten zoals die door de hogere tuchtoverheid zijn uiteengezet in het inleidend verslag. XIV-37.469-3/27 3.
- Op 25 april 2017 beslist de hogere tuchtoverheid om af te wijken van het advies van de Tuchtraad en verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Het voorstel is ter kennis gebracht van verzoekster, die vervolgens tegen dat voorstel een verweerschrift indient. 3.
- De hogere tuchtoverheid legt op 11 mei 2017 aan verzoekster de zware tuchtstraf op van het ontslag van ambtswege. Die beslissing steunt op de volgende motivering: “[…] Overwegende dat het pensioen slechts tijdelijk is en tegen 1 januari 2018 zal herbekeken worden door de medische commissie tenzij betrokkene zelf, voor deze datum een heroverweging vraagt. Dat een heropname in het korps dan tot de mogelijkheden behoort. Overwegende dat betrokkene al meerdere keren voor de medische commissie werd opgeroepen: - Op 7 februari 2006 – definitief ongeschikt voor de dienst vanaf 1/3/2006 - Op 26 april 2006 – CBGPP: geschikt voor de dienst vanaf 1-6-2006 - Op 29 september 2009 – beraad - Op 29 januari 2010 – definitief ongeschikt voor de dienst vanaf 1-2-2010 - Op 19 maart 2010 CBGPP – geschikt voor de dienst vanaf 1-4-2010 - Op 18 juni 2015 – vaststelling werkhervatting op 19-5-2015 - Op 20-09-2016 – beraad Overwegende dat betrokkene ook zelf kan vragen voor een herziening, zoals reeds twee keer eerder is gebeurd na een definitief ongeschikt verklaren door de medische commissie. Overwegende dat de Tuchtraad in haar advies stelt dat bij een eventuele hervatting de tuchtoverheid deze tuchtprocedure opnieuw kan activeren (blz. 5). Overwegende het verweer van betrokkene waarbij wordt gesteld dat nu geen enkele tuchtsanctie kan uitgesproken worden gezien de tuchtprocedure is geschorst om reden van (tijdelijke) pensionering van [verzoekster]. Overwegende dat een tijdelijk pensioen nergens is opgenomen in de wetgeving. Dat door het tijdelijk karakter van deze beslissing de band met de werkgever niet volledig is verbroken. Overwegende dat het schorsen van de tuchtprocedure niet voorzien is in de wetgeving. Overwegende de regels van behoorlijk bestuur, de redelijke termijn, waarbij de tuchtoverheid zo vlug als mogelijk duidelijkheid wil bieden aan de betrokkene. Overwegende dat wegens de redenen omschreven in het voorlopige besluit de tuchtoverheid van mening is dat een terugkeer van betrokkene niet meer mogelijk is gezien de imagoschade die ze heeft aangericht aan de politie en het vertrouwen dat volledig is verloren gegaan in [verzoekster]. Overwegende dat de tuchtoverheid niet de intentie heeft om betrokkene te schaden in haar pensioenrechten in geval van definitieve op pensioen stelling om medische XIV-37.469-4/27 redenen; [….].” Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid
- De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord het belang van verzoekster in de mate dat haar beroep tot nietigverklaring is gericht tegen de artikelen 3 en 4 van de bestreden beslissing.
- Als de verwerende partij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze exceptie moet worden verworpen en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in haar laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet wat die bepalingen van de bestreden beslissing betreft. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in het eerste middel in het verzoekschrift onder het kopje “de tuchtvordering is zonder voorwerp”, de schending aan van “onder meer” de artikelen 2 en 54 de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), en van de motiveringsplicht. Met verwijzing naar het advies van de Tuchtraad stelt verzoekster dat zij minstens tot 1 januari 2018 niet onder de toepassing van de tuchtwet valt, zodat de hogere tuchtoverheid haar op 11 mei 2017 geen tuchtstraf kon opleggen. De verduidelijking in de bestreden beslissing dat het ontslag van XIV-37.469-5/27 ambtswege pas uitwerking heeft wanneer verzoekster heropgenomen wordt in de dienst, doet hieraan geen afbreuk. Pas wanneer verzoekster terug medisch geschikt wordt verklaard kan de tuchtprocedure gereactiveerd worden, kan volgens haar worden beslist over het al dan niet opleggen van een tuchtstraf en kan de Tuchtraad advies verlenen over de grond van de zaak. Voorts doet verzoekster gelden dat het advies van de Tuchtraad door de tuchtoverheid op geen enkele wijze concreet wordt beantwoord of weerlegd. Dat het schorsen van de tuchtprocedure in de wetgeving niet is voorzien, is niet relevant vermits de tuchtvordering actueel geen voorwerp (meer) heeft. Pas wanneer verzoekster terug onder de toepassing van de tuchtwet valt is een tuchtvordering opnieuw mogelijk.
- In de memorie van wederantwoord herneemt verzoekster in essentie haar middel en gaat zij verder in op de schending van artikel 54 van de tuchtwet. In de laatste memorie blijft verzoekster bij haar standpunt dat zij, zoals de Tuchtraad en de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie stellen, niet onder het toepassingsgebied van de tuchtwet valt en dat de tuchtvordering zonder voorwerp is. Voors herhaalt verzoekster, “voor zoveel als nodig”, in het eerste middel de schending van artikel 54 van de tuchtwet “zoals vermeld in het tweede middel.” Beoordeling De schending van artikel 2 van de tuchtwet
- Luidens artikel 2 van de tuchtwet is die wet van toepassing op de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de politiediensten bedoeld in artikel 116 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee XIV-37.469-6/27 niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998), met uitzondering van de personeelsleden in dienst genomen bij een arbeidsovereenkomst. Ratione personae is aldus vereist dat op het ogenblik van het nemen van de tuchtbeslissing, het personeelslid de hoedanigheid heeft van statutair personeelslid van een van beide kaders van de politiediensten, opdat het onderworpen kan zijn aan de bepalingen van de tuchtwet. Heeft het personeelslid die hoedanigheid niet meer, dan is de tuchtbevoegdheid uitgeput en valt het niet langer onder de bepalingen van de tuchtwet.
- Aan de tewerkstelling van een personeelslid dat in statutair verband tewerkgesteld is, kan slechts een einde worden gemaakt in de gevallen door de wetten en reglementen bepaald of door de afschaffing van de betrekking. De mogelijkheden om op een definitieve wijze het ambt van een statutair personeelslid te beëindigen zijn aldus limitatief bepaald en moeten derhalve beperkend worden geïnterpreteerd. Tot die door de wet bepaalde gevallen behoren de gevallen van definitieve ambtsontheffing opgesomd in de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’ (hierna: de wet van 26 april 2002), die op grond van artikel 80 van diezelfde wet enkel van toepassing zijn op de statutaire personeelsleden. Luidens artikel 81, 2° van de wet van 26 april 2002 maakt het personeelslid “dat ambtshalve op rust wordt gesteld wegens lichamelijke ongeschiktheid” - of met toepassing van het voor de voorliggende zaak niet relevante artikel 82 - ambtshalve en zonder opzegtermijn, het voorwerp uit van een definitieve ambtsontheffing. Met toepassing van de voormelde beginselen betreffen deze bepalingen uitdrukkelijk alleen de definitieve ambtsontheffing XIV-37.469-7/27 waarbij derhalve de arbeidsrelatie van het statutair personeelslid met de overheid op definitieve wijze wordt beëindigd.
- Verzoekster is agent van politie. Op grond van artikel 117, eerste lid, van de wet van 7 december 1998 maakt zij deel uit van het operationeel kader. Op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing heeft de CGPP beslist (zie supra, punt 3.4.) dat verzoekster tijdelijk medisch ongeschikt is voor de dienst voor een periode van twaalf maanden, ingaande op 1 januari 2017 en dit bij toepassing van artikel 117 van de wet van 14 februari
- Onderzocht moet worden of deze beslissing een toestand inhoudt van opruststelling wegens lichamelijke ongeschiktheid als bedoeld in artikel 82, 1° van de wet van 26 april
- De te dezen relevante voorschriften van artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 luiden: “Art.
- §
- Het vroegtijdig pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid mag definitief toegekend worden indien de in § 2 bedoelde medische instanties oordelen dat het personeelslid definitief ongeschikt is om op een regelmatige wijze zijn functies of andere functies ingevolge wedertewerkstelling of wederbenuttiging, krachtens de reglementen van toepassing in de verschillende openbare diensten, in een ander ambt dat beter met zijn lichamelijke geschiktheid overeenkomt, te vervullen. In alle andere gevallen, met uitzondering van dat bedoeld in § 3, derde lid, wordt het pensioen tijdelijk toegekend voor een maximumduur van twee jaar. De voormelde medische instanties mogen op elk tijdstip beslissen de betrokkene aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. Zij moeten hem ten minste eenmaal opnieuw onderzoeken tussen de derde en de zesde maand vóór de datum van het verstrijken van de periode van het tijdelijk pensioen. De betrokkene van zijn kant mag steeds een nieuw geneeskundig onderzoek aanvragen op voorwaarde dat er ten minste zes maanden zijn verstreken sinds het vorige onderzoek. Het tijdelijk pensioen wordt definitief wanneer het personeelslid, vóór het verstrijken van de periode van twee jaar, definitief ongeschikt wordt verklaard. In elk geval wordt het tijdelijk pensioen definitief : 1° hetzij bij het verstrijken van de voormelde periode indien het betrokken personeelslid niet opnieuw in dienst werd genomen of niet wedertewerkgesteld of wederbenuttigd kan worden; 2° hetzij zodra het personeelslid de leeftijd bereikt voorzien bij artikel 115 voor de XIV-37.469-8/27 categorie waartoe het behoort. Het definitief pensioen blijft in elk geval berekend op de grondslagen die bestaan op het ogenblik van de toekenning van het tijdelijk pensioen. Indien de gerechtigde op het tijdelijk pensioen daadwerkelijk opnieuw in dienst wordt genomen gedurende ten minste een jaar, komt de tijd gedurende welke hij zijn tijdelijk pensioen heeft genoten in aanmerking voor de toekenning en de berekening van een nieuw pensioen. Het bedrag van dit laatste pensioen mag niet lager zijn dan dat van het tijdelijk pensioen, berekend op grond van de op de ingangsdatum van het nieuwe pensioen van kracht zijnde weddeschalen. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op de leden van de rechterlijke orde. §
- De ongeschiktheid die rechten op een definitief of tijdelijk voortijdig pensioen ten laste van de Staat, de provinciën, de gemeenten, de agglomeraties van gemeenten, de federaties van gemeenten, de commissies voor de cultuur, de commissies van openbare onderstand, de inrichtingen van openbaar nut beoogd bij de wet van 15 maart 1954, en de provinciale en gemeentelijke instellingen van openbaar nut openstelt, mag, naar gelang van het geval, slechts worden vastgesteld door: […]; de Commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten, voor de leden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; […]. §
- De administratieve, of gerechtelijke beslissing of die uitgaande van enige andere overheid bevoegd tot het benoemen tot een ambt dat een recht op pensioen ten laste van een in § 2, eerste lid, vermelde macht doet ontstaan, die tot het pensioen wegens ongeschiktheid toelaat, heeft uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de in eerste aanleg gewezen beslissing van het bevoegd medisch overheidsorgaan aan de betrokkene bekend werd gemaakt wanneer het een beslissing betreft waartegen geen hoger beroep is ingesteld, of wanneer deze, na beroep, is bevestigd of op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de beslissing van het medisch overheidsorgaan van hoger beroep aan de betrokkene bekend werd gemaakt wanneer deze de beslissing in eerste aanleg gewezen te niet doet. In de gevallen waarin de titularis van een ambt, ten gevolge van bijzondere omstandigheden, dat ambt voort is blijven uitoefenen, zonder daarbij de wet te overtreden, mag de beslissing tot op pensioenstelling echter geen uitwerking hebben op een datum vóór die waarop de betrokkene in feite opgehouden heeft zijn ambt uit te oefenen. Dit geldt eveneens indien het een persoon betreft die beroep heeft ingesteld tegen een beslissing van lichamelijke ongeschiktheid en aan wie door de overheid waarvan hij afhangt, geen verbod werd opgelegd om zijn ambt voort te zetten, zonder dat de oppensioenstelling later mag zijn dan de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking aan de betrokkene van de in beroep gewezen beslissing. […].” Deze bepaling houdt in dat de definitieve lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid een recht opent op een definitief vroegtijdig pensioen om gezondheidsredenen. Volgens het aangehaalde artikel 117, § 2, kan die ongeschiktheid slechts worden vastgesteld door, te dezen, de CGPP. Het definitief XIV-37.469-9/27 toekennen van een dergelijk vroegtijdig pensioen is voorbehouden voor het geval dat de CGPP vaststelt dat het personeelslid definitief ongeschikt is om op regelmatige wijze zijn vroegere, ofwel andere functies te vervullen, die hem via wedertewerkstelling of wederbenuttiging kunnen worden opgelegd in een ander ambt dat beter in overeenstemming is met zijn fysieke geschiktheid, en met toepassing van de geldende reglementen ter zake (art. 117, § 1, eerste lid). In de andere gevallen wordt een tijdelijk pensioen wegens gezondheidsredenen toegekend voor zes tot achttien maanden, binnen een maximumduur van twee jaar of 24 maanden (art. 117, § 1, eerste lid). Het voornoemde tijdelijk pensioen wordt pas definitief wanneer het personeelslid, vóór het verstrijken van de periode van twee jaar, definitief ongeschikt wordt verklaard (art. 117, § 1, vierde lid, eerste zin), indien het personeelslid na afloop van die tijdspanne van twee jaar niet opnieuw in dienst werd genomen of niet kon worden weder tewerkgesteld of weder benuttigd (art. 117, § 1, vierde lid, 1°) en in elk geval zodra het personeelslid de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd bereikt (art. 117, § 1, vierde lid, 2°). Hetzelfde geldt vanaf de eerste dag van de maand waarin betrokkene 365 dagen afwezigheid telt wegens ziekte na de leeftijd van, te dezen, 62 jaar en 6 maanden te hebben bereikt (art. 83, §§ 3 en 4, van de wet van 5 augustus 1978 ‘houdende economische en budgettaire hervormingen’). Vervolgens wordt in artikel 117, § 1, vierde lid beschreven hoe dat tijdelijk pensioen definitief kan worden. Uit wat voorafgaat volgt dat het tijdelijk vroegtijdig pensioen waartoe verzoekster door de beslissing van de CGPP is toegelaten, voor haar geen definitieve ambtsbeëindiging tot gevolg heeft totdat de medische ongeschiktheid definitief is geconsolideerd, tenzij in het te dezen op verzoekster niet toepasselijke geval waarin het personeelslid bovendien voldoet aan de voorwaarden om voortijdig op pensioen te gaan (cfr. artikel 82 van de wet van 26 april 2002). De beslissing van de CGPP heeft derhalve een tijdelijk en omkeerbaar karakter en dit totdat deze voortijdige opruststelling definitief is geworden in haar hoofde. De CGPP kan het personeelslid immers op elk ogenblik oproepen voor een nieuw medisch onderzoek (art. 117, § 1, tweede lid) en ook het personeelslid van haar kant mag steeds een nieuw medisch onderzoek aanvragen. XIV-37.469-10/27 In acht genomen de hiervoor nader bepaalde beperkende interpretatie van de gronden tot definitieve ambtsontheffing die een definitieve beëindiging inhouden van de arbeidsrelatie met de werkgever-overheid, houdt de statutaire toestand waarin verzoekster verkeerde op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, geen definitieve ambtsontheffing in als bedoeld in het voornoemde artikel 81, 2°, van de wet van 26 april
- Aangezien aldus in hoofde van verzoekster geen wettelijke of reglementaire grond bestaat waaruit een definitieve beëindiging van het ambt blijkt, volgt dat verzoekster de hoedanigheid van personeelslid van het operationeel kader niet had verloren op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen. De omstandigheid dat de Tuchtraad en de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie een ander standpunt aanhielden leidt niet tot een andere conclusie. Het middel is in die mate ongegrond. De schending van artikel 54 van de tuchtwet en de motiveringsplicht
- In de mate dat verzoekster in de aanhef van het eerste middel de schending aanvoert van artikel 54 van de tuchtwet, zet zij in het verzoekschrift niet uiteen op welke wijze die bepaling zou zijn geschonden door de bestreden beslissing. Met uiteenzettingen en toevoegingen ter zake in latere procedurestukken mag geen rekening worden gehouden nu verzoekster niet aantoont dat zij deze niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Het eerste middel is in die mate niet-ontvankelijk.
- In de mate dat verzoekster tot slot nog een schending van de motiveringsplicht aanvoert doordat het advies van de Tuchtraad niet concreet werd beantwoord, valt deze kritiek samen met wat wordt aangevoerd in het tweede XIV-37.469-11/27 middel. Er wordt naar verwezen en om dezelfde reden wordt ook deze grief ongegrond bevonden. Conclusie
- Het eerste middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In het tweede middel voert verzoekster in het verzoekschrift de schending aan van artikel 54 van de tuchtwet en van de motiveringsplicht. Zij doet gelden dat, indien de hogere tuchtoverheid wenst af te wijken van het advies van de Tuchtraad, zij dat uitdrukkelijk dient te motiveren. Te dezen vermeldt de hogere tuchtoverheid ten gronde geen enkele motivering en verwijst zij louter naar haar voorlopig besluit.
- In de memorie van wederantwoord herneemt verzoekster het middel. Zij voegt eraan toe dat, indien wordt geoordeeld dat de Tuchtraad geen werkelijk advies (in de zin van artikel 52 van de tuchtwet) heeft verleend, dit niet tot gevolg heeft dat de hogere tuchtoverheid niet tot motivering is gehouden, maar wel dat de tuchtprocedure niet verder gezet kon worden. In haar laatste memorie is verzoekster van oordeel dat het incorrect is om uit het standpunt van de Tuchtraad af te leiden dat de Tuchtraad voorstelt om af te zien van straf. Voorts blijft zij op haar standpunt dat de motiveringsplicht overeenkomstig artikel 54 van de tuchtwet is geschonden en dat deze schending wel degelijk een invloed heeft gehad op de draagwijdte van de bestreden beslissing en dat haar hierdoor een waarborg werd ontnomen. XIV-37.469-12/27 Beoordeling
- Luidens artikel 39 van de tuchtwet spreekt de Tuchtraad zich uit over procedures van verzoek tot heroverweging tegen de voorstellen van zware tuchtstraffen uitgesproken overeenkomstig artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet. Wanneer zulk een verzoek wordt ingesteld, verstrekt overeenkomstig artikel 52, eerste lid, van de tuchtwet de Tuchtraad een met redenen omkleed advies omtrent de volgende punten: “1° de uiteenzetting van de feiten en de toerekening ervan aan het betrokken personeelslid; 2° het antwoord op de vraag of de feiten een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 uitmaken voor zover zij bewezen worden geacht; 3° het voorstel af te zien van een straf, het voorstel om een zware straf op te leggen of het voorstel om een lichte straf op te leggen.” Artikel 54 van de tuchtwet luidt: “Art.
- Wanneer de hogere tuchtoverheid (...) beoogt af te wijken van het advies, dan moet zij de redenen hiertoe aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis brengen van de betrokkene. Deze kan een schriftelijk verweer indienen binnen de tien dagen na de kennisgeving, op straffe van verval. Het personeelslid kan een verweerschrift indienen, binnen dezelfde termijn, wanneer de hogere tuchtoverheid instemt met de door de tuchtraad voorgestelde strafverzwaring.” Op grond van deze bepaling is de hogere tuchtoverheid op geen enkele wijze gebonden door het advies van de Tuchtraad, noch wat de uiteenzetting van de feiten en de toerekening ervan aan het betrokken personeelslid betreft, noch wat de kwalificatie van die feiten als tuchtvergrijp betreft, noch wat de voorgestelde tuchtstraf betreft. Wanneer de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies, moet zij wel de redenen hiertoe aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis brengen van het betrokken personeelslid (GwH 28 februari 2013, nr. 25/2013, punt B.7.) Het betreft derhalve een specifieke pleegvorm die enkel bestaat wanneer wordt afgeweken van het advies, zijnde het gemotiveerd advies dat de Tuchtraad overeenkomstig artikel 52 van de tuchtwet heeft verstrekt inzake de XIV-37.469-13/27 uiteenzetting van de feiten en de toerekening ervan aan het betrokken personeelslid, de kwalificatie van die feiten als tuchtvergrijp en de voorgestelde tuchtstraf, waarbij die Tuchtraad onder meer de mogelijkheid heeft om een andere tuchtstraf voor te stellen dan die welke oorspronkelijk door de hogere tuchtoverheid werd voorgesteld dan wel om af te zien van een straf.
- Het advies van de Tuchtraad is hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.5.). Het verleent geen advies noch wat de uiteenzetting van de feiten en de toerekening ervan aan het betrokken personeelslid betreft, noch wat de kwalificatie van die feiten als tuchtvergrijp betreft, noch wat de voorgestelde tuchtstraf betreft. Het beperkt zich, enerzijds, tot een uiteenzetting van de feiten die evenwel bestaat uit het louter aanhalen van de feiten zoals die in het inleidend verslag zijn uiteengezet door de hogere tuchtoverheid, zonder enig onderzoek of bespreking van de toerekening ervan aan verzoekster en anderzijds tot het eigen standpunt dat verzoekster volgens hem niet meer onder het toepassingsgebied van de tuchtwet valt en de tuchtvordering zonder voorwerp is. De specifieke punten waarop de Tuchtraad op grond van artikel 52 van de tuchtwet moest advies verstrekken, komen in het advies niet aan de orde. In wezen beperkt de Tuchtraad zich te dezen tot het eigen standpunt dat naar zijn mening, de gevoerde tuchtprocedure zonder voorwerp is gevallen zonder dat hij, desgevallend in ondergeschikte orde, uitvoering geeft aan zijn wettelijke toegewezen opdracht advies te verlenen over de in artikel 52 van de tuchtwet vermelde aangelegenheden. Aldus is de Tuchtraad voorbijgegaan aan de eis van artikel 52 van de tuchtwet. Artikel 52 noch enige andere bepaling van de tuchtwet verlenen de Tuchtraad immers bevoegdheid om het advies ratione materiae te beperken tot een advies omtrent de regelmatigheid van de aanhangige tuchtprocedure die - onder toezicht van de Raad van State - uitsluitend ter beoordeling staat van de hogere tuchtoverheid. Aangezien de Tuchtraad geen advies heeft uitgebracht inzake één van de op grond van artikel 52 van de tuchtwet verplichte aangelegenheden, kan van de hogere tuchtoverheid niet worden geëist dat zij formeel motiveert waarom zij de intentie heeft ervan af te wijken. De in artikel 54 van de tuchtwet XIV-37.469-14/27 vervatte eis tot het aangeven van de redenen waarom de hogere tuchtoverheid afwijkt van het advies gaat voorts niet zover dat ze van de hogere tuchtoverheid zou vereisen dat die ten aanzien van de standpunten en beschouwingen in het advies inzake aangelegenheden die niet zijn bepaald in artikel 54 van de tuchtwet, motiveert waarom zij die niet bijvalt en ervan afwijkt. In de mate dat verzoekster uitgaat van een ander standpunt, faalt het middel naar recht, zulks nog los van de vraag of verzoekster belang heeft bij het middel of dat, te dezen, de gegeven motivering niet afdoende zou zijn. Het middel is in die mate ongegrond.
- Verzoekster voert in het middel ook de schending aan van de “motiveringsplicht”. Uit de lezing van het middel doelt zij op de formelemotiveringsplicht. Dit is geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zodat de plicht tot formele motivering steeds moet zijn vervat in een materiële wet. In de mate dus dat verzoekster de volgens haar geschonden motiveringsplicht duidt in artikel 54 van de tuchtwet, moet deze grief worden geacht samen te vallen met wat hiervóór al is besproken. In de mate dat verzoekster de geschonden geachte motiveringsplicht duidt in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ is de grief niet ontvankelijk. Het in artikel 54 van de tuchtwet vervatte voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad heeft immers de draagwijdte van een niet-bindend voorstel. Het is derhalve een louter voorbereidende handeling tot de definitieve beslissing, die de rechtstoestand van verzoekster niet nadelig raakt noch een zeker en definitief schadelijk gevolg heeft. Hieruit volgt dat het niet binnen het toepassingsgebied van de voornoemde wet van 29 juli 1991 valt. Het middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
- Het tweede middel kan niet tot vernietiging leiden. XIV-37.469-15/27 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In het derde middel voert verzoekster in het verzoekschrift de schending aan van artikel 3 van de tuchtwet, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de motiveringsplicht, doordat de haar verweten feiten haar niet toerekenbaar zijn. Zij zet uiteen dat de haar verweten feiten onmiskenbaar een gevolg zijn van haar gezondheidstoestand zodat deze haar niet kunnen worden toegerekend en geen tuchtvergrijp kunnen uitmaken. Zij verwijst naar het inleidend verslag waarin is vermeld dat verzoekster sinds midden december 2015 onafgebroken afwezig is wegens ziekte en dat zij reeds twee keer voor de medische commissie diende te verschijnen. Er wordt ook op gewezen dat verzoekster regelmatig in een psychiatrische instelling verblijft en dat ze wordt opgevolgd door het mobiel crisisteam. Evenwel wordt in het inleidend verslag zonder meer gesteld dat uit het vooronderzoek is gebleken dat de feiten aan verzoekster kunnen worden toegerekend. Uit het “beperkt onderzoek” dat werd gevoerd blijkt volgens verzoekster dat de feiten het gevolg zijn van haar geestelijke gezondheidstoestand, waaronder ernstige psychische problemen, met name een zware depressie met randfenomenen als psychoses. Die gezondheidstoestand werd niet in aanmerking genomen, hetgeen de onzorgvuldigheid van de tuchtoverheid aantoont. Verzoekster is voorts op 8 december 2016 verschenen voor de CGPP die haar tijdelijk ongeschikt heeft verklaard vanaf 1 januari 2017 voor een periode van één jaar, zodat het feit dat haar gezondheidstoestand ernstig is bijgevolg vaststaat. Het is volgens verzoekster ondenkbaar dat een personeelslid tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd omwille van feiten die plaatsvonden tijdens die periode van arbeidsongeschiktheid en die ook verband houden met de onderliggende medisch-psychische problematiek en arbeidsongeschiktheid. Het is volgens verzoekster evenmin correct te stellen dat zij louter middelen- en alcoholmisbruik kent. Dit misbruik is een gevolg van haar ernstige psychische problematiek, hetgeen bevestigd wordt door een recent psychiatrisch verslag van 23 juni 2017 XIV-37.469-16/27 waarin gesteld wordt dat verzoekster alcohol niet gebruikte als genotsmiddel doch als “contraproductief therapeutisch copingmechanisme”. Door in die omstandigheden aan verzoekster toch de zware tuchtsanctie op te leggen, schendt de tuchtoverheid het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 3 van de tuchtwet.
- In de memorie van wederantwoord herneemt verzoekster het middel. Zij wijst er voorts op gedetailleerde wijze op dat het standpunt van de verwerende partij dat die geen kennis had van de medische problematiek, onverzoenbaar is met de stukken van het dossier. In de laatste memorie benadrukt verzoekster vooreerst dat het dossier niet kan worden beperkt tot de drie haar ten laste gelegde feiten - hetgeen zij detailleert - en dat de conclusie in het psychiatrisch verslag de verwerende partij niet onbekend is. Voorts betwist zij, ten tweede dat de door haar aangereikte feiten ontoereikend zouden zijn en zet zij, ten derde, de volgens haar correcte draagwijdte uiteen van het psychiatrisch verslag van 23 juni
- Beoordeling
- Artikel 3 van de tuchtwet definieert het begrip ‘tuchtvergrijp’ als volgt: “Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.” Tuchtmaatregelen zijn erop gericht een ambtenaar te bestraffen voor een schuldige gedraging of tekortkoming. Het element schuld is bijgevolg een wezenlijk gegeven van elke tuchtvordering, zonder hetwelk geen tuchtstraf opgelegd kan worden. Feiten die in beginsel aanleiding kunnen geven tot een tuchtrechtelijk optreden, kunnen worden verschoond. De gezondheidstoestand van XIV-37.469-17/27 de betrokkene op het ogenblik van de ten laste gelegde feiten kan een verschoningsgrond opleveren. Indien immers blijkt dat de feiten te verklaren zijn door de gezondheidstoestand van de betrokkene, of met andere woorden dat de betrokkene omwille van zijn gezondheidstoestand niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor de feiten, kan de tuchtoverheid hem daarvoor geen tuchtstraf opleggen. De tuchtoverheid beschikt over een discretionaire beoordelingsruimte bij haar beoordeling of de gezondheidstoestand van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid al dan niet een verschoningsgrond vormt voor de aan betrokkene ten laste gelegde tuchtvergrijpen. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het al dan niet verschoonbaar karakter van de gepleegde feiten. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- Verzoekster voert in het middel ook de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Toegespitst op het voorliggende middel, impliceert het zorgvuldigheidsbeginsel dat, als het tuchtdossier aanwijzingen bevat dat de betrokkene omwille van zijn gezondheidstoestand niet verantwoordelijk zou XIV-37.469-18/27 kunnen zijn voor zijn daden, de tuchtoverheid dit gegeven met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt.
- Op verzoekster rust de aanvoeringslast om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat zij voor de haar ten laste gelegde feiten omwille van haar gezondheidstoestand niet verantwoordelijk gesteld kan worden. Voorts dient de Raad van State bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing rekening te houden met de op het ogenblik van de besluitvorming, dit is op 17 mei 2017, beschikbare gegevens waarover de verwerende partij vermocht te beschikken. Zulks betekent dat, in de mate dat verzoekster zich ter adstructie van haar standpunt steunt op het voor het eerst bij het verzoekschrift gevoegde “klinisch-forensisch diagnostisch onderzoek” van 23 juni 2017, de Raad van State dit niet mag betrekken bij zijn navolgende beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing. Verzoekster maakt afdoende aannemelijk dat haar gezondheidstoestand reeds geruime tijd vaststaat, waarbij zij kan worden bijgevallen in haar standpunt dat de hogere tuchtoverheid haar ziektebeeld en gezondheidstoestand kent of moest kennen. Gelet op de op haar rustende aanvoeringslast, houdt zulks evenwel op zich niet in dat de haar ten laste gelegde feiten “onmiskenbaar” daarvan het gevolg zijn en haar dus niet kunnen worden toegerekend. De feiten die als tuchtvergrijp gekwalificeerd zijn, betreffen 1.) openbare dronkenschap buiten dienstverband (5 september 2015), 2.) rijden onder invloed van alcohol buiten dienstverband (31 december 2015) en 3.) een motorvoertuig besturen tijdens het verval het recht op sturen buiten dienstverband (8 april 2016). Naar verzoekster stelt, zijn die “onmiskenbaar een gevolg van haar gezondheidstoestand.” Uit de gegevens van de zaak en in het bijzonder uit het voorstel van de hogere tuchtoverheid van 5 december 2016 om aan verzoekster de zware XIV-37.469-19/27 tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen en waarbij de bestreden beslissing zich aansluit, blijkt dat de hogere tuchtoverheid de tuchtfeiten los ziet van de medische pathologie van verzoekster, stellend dat zij wel wil aannemen dat, “mocht [verzoekster] zich houden aan de vooropgestelde en opgestarte behandelingen, deze feiten konden voorkomen worden” en “dat [verzoekster] schuld heeft aan de […] feiten door haar problemen niet te erkennen”. Voorts wordt gesteld dat verzoekster “reeds lange tijd opgevolgd wordt door onze dienst personeelszorg doch [dat] ze zich niet houdt aan de aanbevelingen.” Hieruit blijkt dat het omwille van het niet-volgen van de aanbevelingen en behandelingen van haar ziekte is dat de hogere tuchtoverheid oordeelde dat de feiten niet te verklaren zijn door verzoeksters gezondheidstoestand. In deze context die verzoekster niet betrekt in haar middel, doet verzoekster weliswaar blijken van een eigen feitelijke beoordeling van de weerslag van haar gezondheidstoestand op de toerekenbaarheid van de gepleegde feiten, maar maakt zij evenwel niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid de perken van haar hiervoor geschetste beoordelingsruimte te buiten is gegaan door te oordelen dat de feiten niet het gevolg zijn van verzoeksters gezondheidstoestand en ze haar toe te rekenen. Met de nieuwe argumenten in de laatste memorie mag, tot slot, geen rekening worden gehouden. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat de hogere tuchtoverheid haar gezondheidstoestand niet correct heeft beoordeeld door te oordelen dat de haar tenlastegelegde feiten los te zien zijn van haar medische pathologie. Het middel is in die mate ongegrond.
- Inzake de kritiek in het verzoekschrift dat de hogere tuchtoverheid een onzorgvuldigheid begaat omdat ze niet de gezondheidstoestand van verzoekster en het verband met de haar verweten feiten verder heeft XIV-37.469-20/27 onderzocht, beperkt verzoekster zich tot een blote bewering die geen steun vindt in de stukken van het dossier. Het middel is in die mate ongegrond.
- Wat de in het verzoekschrift ook aangevoerde schending van de motiveringsplicht betreft, wordt er geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grief geacht moet worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet-ontvankelijk te zijn.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het derde middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In het vierde middel voert verzoekster in het verzoekschrift - en dat zij in de memorie van wederantwoord herneemt - de schending aan van het redelijkheids- en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de opgelegde sanctie disproportioneel is. Zij doet vooreerst gelden dat de feiten die haar worden verweten verband houden met haar gezondheidstoestand en haar derhalve niet kunnen worden toegerekend, minstens dat diende rekening te worden gehouden met de specifieke concrete omstandigheden. Haar schrijnende gezondheidstoestand en de aanhoudende problemen bij de uitoefening van haar functie door het pestgedrag van bepaalde collega’s, diende mee in aanmerking genomen te worden bij het bepalen van de strafmaat. Ten tweede wijst zij erop dat de feiten werden begaan buiten dienstverband, en zelfs in een periode van arbeidsongeschiktheid. Zij wijst erop dat zij haar functie correct uitoefende en zij werd daarvoor meermaals geprezen. Deze positieve elementen dienden eveneens in aanmerking genomen te worden bij het bepalen van de strafmaat. Voorts is volgens haar het argument dat haar terugkeer niet meer mogelijk is omwille van de XIV-37.469-21/27 imagoschade, niet correct. Tot slot is volgens verzoekster een ontslag van ambtswege voor feiten buiten dienstverband, terwijl verzoekster haar werk als politieagente steeds gemotiveerd en correct heeft uitgevoerd, onmiskenbaar disproportioneel, zeker wanneer rekening wordt gehouden met de gezondheidstoestand van verzoekster en de concrete omstandigheden. In ieder geval is een ontslag van ambtswege niet noodzakelijk en de impact van een dergelijke sanctie is voor verzoekster onmiskenbaar dramatisch. In de laatste memorie volhardt verzoekster in het middel. Beoordeling De schending van de zorgvuldigheidsplicht
- Anders dan hoe verzoekster het ziet, blijkt uit de gegevens van de zaak en in het bijzonder uit het voorstel van de hogere tuchtoverheid van 5 december 2016 om aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen en waarbij de bestreden beslissing zich aansluit, dat de hogere tuchtoverheid te dezen bij haar beoordeling de gezondheidstoestand van verzoekster heeft betrokken, alsook haar professionele situatie en verhoudingen met andere collega’s en dat zij ter zake een afweging heeft gemaakt van alle gegevens en betrokken belangen die volgens haar relevant zijn voor de bepaling van de strafmaat. Voorts blijkt uit de behandeling van het derde middel dat haar grief dat de haar ten laste gelegde feiten het gevolg zijn van haar gezondheidstoestand en haar niet toerekenbaar zijn, feitelijke grondslag mist. De omstandigheid dat verzoekster het anders ziet, maakt op zich het middel niet gegrond. Hieruit volgt dat het voorliggende middel, in de mate dat het is gesteund op de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, faalt in de feiten.
- Het middel is in die mate ongegrond. XIV-37.469-22/27 De schending van het redelijkheidsbeginsel
- Verzoekster voert in het middel ook de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het redelijkheidsbeginsel schendt. Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoekster de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoekster in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoekster doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel miskent.
- Voor de drie feiten die een tuchtvergrijp uitmaken, wordt aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd. De drie tuchtfeiten zijn hiervoor opgesomd (zie supra, punt 26). Anders dan hoe verzoekster het ziet, is in het licht van verzoeksters ambt, de aard van de feiten en de omstandigheden waarin die zich voordeden, het oordeel van de hogere tuchtoverheid dat die feiten imagoschade veroorzaakten aan de lokale politie te Gent, niet onredelijk. XIV-37.469-23/27 Maakt evenmin de strafmaat onredelijk het gegeven dat de feiten zich buiten dienstverband “en zelfs in een periode van arbeidsongeschiktheid” voltrokken. Verzoekster is politieagent en behoort aldus tot het operationeel kader van de politiediensten. Dat betekent dat kan worden aangenomen dat de hogere tuchtoverheid hoge eisen kan stellen aan verzoeksters integriteit en dus ook aan haar (voorbeeld)gedrag buiten de dienstcontext. De hogere tuchtoverheid kent een zwaarder gewicht toe dan verzoekster aan het gegeven dat de feiten buiten dienstverband zijn gepleegd. Enkel uit deze vaststelling blijkt echter niet dat de hogere tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsruimte te buiten is gegaan, dit gelet op de door de hogere tuchtoverheid beoordeelde ernst van de feiten, de publieke en interne weerslag ervan op het imago van de (eigen) politiedienst en het herhaald karakter van de opeenvolgende tuchtstraffen. Verzoekster betwist overigens niet dat zij het voorwerp is van andere tuchtstraffen wegens alcoholgerelateerde feiten, noch dat dit gegeven mee mag worden genomen. Eenzelfde redenering en conclusie geldt wat het in rekening brengen betreft van haar wijze van dienen en haar gezondheidstoestand bij het bepalen van de strafmaat. Het argument tot slot dat de tuchtstraf voor verzoekster een ernstige impact heeft, is een gegeven dat eigen is aan het bestraffende karakter van de opgelegde tuchtstraf. Zulks doet, gelet op de door de hogere tuchtoverheid beoordeelde ernst van de feiten en haar appreciatieruimte inzake de daarvoor op te leggen tuchtstraf, op zich niet besluiten dat het veroorzaakte leed van die aard is dat de hogere tuchtoverheid hierdoor de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsruimte inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster weliswaar blijk geeft van een eigen feitelijke beoordeling van de strafmaat die verschilt van die van de hogere tuchtoverheid, maar door het standpunt van verzoekster niet bij te vallen, is de hogere tuchtoverheid bij de beoordeling van de strafmaat, de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid niet te buiten gegaan, waaruit de schending van het redelijkheidsprincipe moet blijken. XIV-37.469-24/27
- Het vierde middel is ongegrond. VI. Rechtsplegingsvergoeding Standpunt van de partijen
- De verwerende partij verzoekt de kosten ten laste te leggen van verzoekster, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding die zij begroot op het basisbedrag van 700 euro. Verzoekster van haar kant, stelt in haar laatste memorie dat zij thans in een precaire financiële situatie verkeert die maakt dat zij werkelijk in de onmogelijkheid verkeert om een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro te voldoen. Ter adstructie van haar standpunt legt zij verschillende stukken voor. Zij vraagt de rechtsplegingsvergoeding kwijt te schelden, minstens te verminderen tot het minimum.
- De verwerende partij gaat in haar laatste memorie niet in op de argumentatie van verzoekster en handhaaft haar verzoek. Beoordeling
- Er is te dezen grond om overeenkomstig artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verwerende partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu deze als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. Wat de begroting van de omvang van de rechts- plegingsvergoeding betreft, somt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. XIV-37.469-25/27 Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag.
- Verzoekster heeft om redenen die haar eigen zijn, niet om rechtsbijstand verzocht wat het verrichten van de proceshandelingen voor de Raad van State betreft, zoals bedoeld in de artikelen 78 tot 80 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Het komt aldus aan verzoekster toe aannemelijk te maken dat haar financiële draagkracht van die aard is dat de Raad van State ermee rekening dient te houden om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verlagen. Te dezen legt verzoekster ter adstructie hiervan verschillende stukken over die niet door de verwerende partij worden betwist, waaronder een beslissing van het bureau voor Juridische Bijstand van de orde van advocaten te Gent van 13 juli
- Hieruit blijkt dat het bureau voor een procedure voor een rechtscollege van de rechterlijke macht heeft beslist tot gedeeltelijke kosteloosheid van de voor die procedure aangestelde advocaat. Aldus maakt verzoekster enerzijds aannemelijk dat haar financiële toestand van die aard is dat zij haar aandeel in het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding niet ten volle kan dragen, zonder dat, anderzijds, evenwel is aangetoond - nu zij voor de Raad van State geen rechtsbijstand geniet - dat zij niet een bepaald aandeel erin groter dan het minimumbedrag kan dragen. Er zijn derhalve redenen om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verlagen tot de helft van het basisbedrag.
- De door de verwerende partij gevorderde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro wordt met toepassing van artikel 30/1, § 2, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gematigd en bepaald op 350 euro. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. XIV-37.469-26/27
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 350 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.469-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.554 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.