id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.555 Rolnummer: A. 226654/XIV-37869 Zaak: Arrest 247555 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-15 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-26 03:29 Fiche Arrest nr 247.555 van 15 mei 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.555 van 15 mei 2020 in de zaak A. 226.654/XIV-37.869 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bertrand Vrijens kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 641 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 7 november 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 211.263 van 19 oktober 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.147 van 25 januari 2019. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.869-1/12 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annik Haegeman, die loco advocaat Bertrand Vrijens verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tine Bricout, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker, van Chileense nationaliteit, dient op 7 november 2017 een aanvraag in voor het verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, met name als wettelijk geregistreerd partner van M.L., die de Belgische nationaliteit heeft. Op 3 mei 2018 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden zonder bevel om het grondgebied te verlaten. XIV-37.869-2/12 Verzoeker stelt op 29 mei 2018 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt het beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing van 3 mei 2018 met een arrest van 19 oktober 2018. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunten van de partijen 4. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 3, § 2, b), van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: richtlijn 2004/38), van artikel 40bis, § 2, 2°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, evenals een “manifeste beoordelingsfout”. Verzoeker voert aan dat het volgens het bestreden arrest niet kennelijk onredelijk is de door artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet vereiste “partnerrelatie” gelijk te stellen met een “liefdesrelatie” en dat daardoor, eveneens volgens het bestreden arrest, geen voorwaarde wordt toegevoegd aan de vreemdelingenwet. XIV-37.869-3/12 Verzoeker laat gelden dat uit de voorbereidende werken bij het ontwerp dat heeft geleid tot de wet van 25 april 2007 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de wet van 25 april 2007) niet blijkt dat (het aantonen van) een liefdesrelatie een absolute voorwaarde is voor een “duurzame relatie”, een “huwelijk” of een “wettelijke samenwoning”, zoals bedoeld in artikel 3, § 2, b), van richtlijn 2004/38 of in artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet, dat de omzetting vormt van deze richtlijnbepaling. Er bestaat ook geen unierechtelijke beschrijving van het in artikel 3, § 2, b), van de voornoemde richtlijn vermelde begrip “duurzame relatie”. Hoe dan ook mag dit begrip volgens verzoeker niet restrictief worden uitgelegd. Verzoeker vervolgt dat volgens de Belgische rechtspraak en rechtsleer een huwelijk (of een wettelijke samenwoning) niet steeds mag worden geassocieerd met een liefdesrelatie. Een zakelijk of een verstandshuwelijk is ook een geldig huwelijk. Verzoeker merkt verder op dat artikel 1475, § 1, van het burgerlijk wetboek wat de wettelijke samenwoning betreft een toestand van samenleven tussen twee personen beoogt. Er zijn geen verdere beperkingen zodat bloed- of aanverwantschap de wettelijke samenwoning vooralsnog niet in de weg staat. Verzoeker is dan ook van oordeel dat zijn aanvraag niet mocht worden afgewezen omdat de referentiepersoon en hijzelf elkaar zien als moeder en zoon en zij derhalve geen blijk zouden geven van een liefdesrelatie. Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorwaarden toegevoegd aan artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet door te stellen dat verzoekers aanvraag terecht werd geweigerd bij gebrek aan een liefdesrelatie tussen verzoeker en zijn wettelijk samenwonende partner, terwijl het voornoemde artikel 40bis geenszins een “liefdesrelatie” doch enkel een “duurzame en stabiele partnerrelatie” als voorwaarde stelt. Verzoeker besluit dat de door hem XIV-37.869-4/12 aangehaalde bepalingen en beginselen op die manier zijn geschonden in het bestreden arrest. 5. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat de aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund op het motief dat verzoeker en de referentiepersoon geen liefdesrelatie onderhouden – hetgeen niet wordt betwist – en zij bijgevolg ook geen partnerrelatie onderhouden in de zin van artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet. In het bestreden arrest wordt het niet onredelijk geacht om de door dit artikel vereiste partnerrelatie, die duurzaam en stabiel moet zijn, gelijk te stellen met een liefdesrelatie. Volgens de verwerende partij blijkt uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot de wet van 25 april 2007 heeft geleid, dat de wetgever met het invoegen van het begrip “wettelijk samenwonende partner in het kader van een duurzame en stabiele relatie” duidelijk de bedoeling heeft gehad het toepassingsgebied van de gezinshereniging uit te breiden tot de niet-gehuwde partner van een Unieburger dan wel tot de partner wiens partnerschap niet gelijkwaardig is met het huwelijk. Naast een juridische band, waarvoor de wetgever verwijst naar de verklaring van samenwoonst in de zin van de artikelen 1475 tot 1479 van het burgerlijk wetboek en die een louter formeel aspect is, dient ook een partnerrelatie te bestaan in de zin van een liefdesrelatie. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft meermaals bevestigd dat er sprake moet zijn van een liefdesrelatie. De verwerende partij benadrukt dat in de voormelde memorie van toelichting voor het begrip “duurzame en stabiele relatie” in de zin van artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet uitdrukkelijk wordt verwezen naar de omzendbrief van 30 september 1997 ‘betreffende het verlenen van een verblijfsmachtiging op basis van samenwoonst in het kader van een duurzame relatie’ (hierna: de omzendbrief van 30 september 1997). Uit deze omzendbrief blijkt dat het begrip “duurzame en stabiele relatie” moet worden begrepen als een liefdesrelatie doch dat een louter vriendschappelijke relatie niet volstaat. XIV-37.869-5/12 Wat verzoekers verwijzing naar richtlijn 2004/38 betreft, merkt de verwerende partij op dat de referentiepersoon een Belg is die haar recht van vrij verkeer in de Europese Unie niet heeft uitgeoefend, zodat het een zuiver interne situatie betreft waarop het Unierecht niet van toepassing is. In de mate dat verzoeker verwijst naar artikel 1475 van het burgerlijk wetboek, laat de verwerende partij gelden dat artikel 40bis van de vreemdelingenwet, dat als lex specialis specifiek de voorwaarden regelt die gelden voor gezinshereniging, voorrang heeft op de bepalingen van het burgerlijk wetboek. Aan de in het voornoemde artikel 40bis voorziene voorwaarde van een stabiele en duurzame partnerrelatie wordt geen afbreuk gedaan door de bepalingen van het burgerlijk wetboek, die immers een andere finaliteit hebben. 6. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij benadrukt dat in de omzendbrief van 30 september 1997 nergens wordt vermeld dat een “duurzame relatie” moet worden begrepen als een “liefdesrelatie”. Voorts betwist verzoeker dat artikel 40bis van de vreemdelingenwet als lex specialis voorrang zou hebben op de bepalingen van het burgerlijk wetboek. Hij merkt op dat bovendien ook uit dit artikel 40bis niet blijkt dat een “duurzame relatie en stabiele relatie” automatisch als een “liefdesrelatie” moet worden begrepen. Beoordeling 7. In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat met de aanvankelijk bestreden beslissing “de aanvraag van een verblijfskaart wordt geweigerd omdat de gemachtigde oordeelt dat verzoekende partij en mevrouw M.L. geen liefdespartners zijn en derhalve geen partnerrelatie onderhouden in de zin van artikel 40bis, § 2, 2° van de vreemdelingenwet”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht “het niet kennelijk onredelijk […] om de door XIV-37.869-6/12 artikel 40bis, § 2, 2° van de vreemdelingenwet vereiste ‘partnerrelatie’, die duurzaam en stabiel moet zijn, gelijk te stellen met een ‘liefdesrelatie’.” Hij overweegt dat, “naast een juridische band, tot stand gebracht door een verklaring van wettelijke samenwoonst, wat een louter formeel aspect betreft, […] er ook nog een partnerrelatie [dient] te bestaan, in de zin van een liefdesrelatie” en dat de verwerende partij geen voorwaarde heeft toegevoegd aan de wet door een “liefdesrelatie” te eisen. 8. Uit de gegevens waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt dat het bestreden arrest betrekking heeft op een beslissing aangaande een aanvraag voor een F-kaart, ingediend door een derdelander als wettelijk geregistreerd partner van een Belgische, die geen gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer en verblijf in de lidstaten van de Unie. Artikel 40ter, § 2, 1°, van de vreemdelingenwet, dat betrekking heeft op gezinshereniging tussen een derdelander en een zogenaamde statische Belg en dus te dezen van toepassing is, verwijst naar artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°. Wat de gezinshereniging met een wettelijk geregistreerde partner betreft, luidt deze laatste bepaling: “§ 2. Als familielid van de burger van de Unie worden beschouwd : 1° […] 2° de partner, die hem begeleidt of zich bij hem voegt, met wie de burger van de Unie overeenkomstig een wet een geregistreerd partnerschap heeft gesloten. De partners moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.