← België

Arrest 247555 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/05/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.555 Rolnummer: A. 226654/XIV-37869 Zaak: Arrest 247555 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-15 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-26 03:29 Fiche Arrest nr 247.555 van 15 mei 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.555 van 15 mei 2020 in de zaak A. 226.654/XIV-37.869 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bertrand Vrijens kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 641 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 7 november 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 211.263 van 19 oktober 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.147 van 25 januari 2019. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.869-1/12 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annik Haegeman, die loco advocaat Bertrand Vrijens verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tine Bricout, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker, van Chileense nationaliteit, dient op 7 november 2017 een aanvraag in voor het verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, met name als wettelijk geregistreerd partner van M.L., die de Belgische nationaliteit heeft. Op 3 mei 2018 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden zonder bevel om het grondgebied te verlaten. XIV-37.869-2/12 Verzoeker stelt op 29 mei 2018 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt het beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing van 3 mei 2018 met een arrest van 19 oktober 2018. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunten van de partijen 4. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 3, § 2, b), van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: richtlijn 2004/38), van artikel 40bis, § 2, 2°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, evenals een “manifeste beoordelingsfout”. Verzoeker voert aan dat het volgens het bestreden arrest niet kennelijk onredelijk is de door artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet vereiste “partnerrelatie” gelijk te stellen met een “liefdesrelatie” en dat daardoor, eveneens volgens het bestreden arrest, geen voorwaarde wordt toegevoegd aan de vreemdelingenwet. XIV-37.869-3/12 Verzoeker laat gelden dat uit de voorbereidende werken bij het ontwerp dat heeft geleid tot de wet van 25 april 2007 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de wet van 25 april 2007) niet blijkt dat (het aantonen van) een liefdesrelatie een absolute voorwaarde is voor een “duurzame relatie”, een “huwelijk” of een “wettelijke samenwoning”, zoals bedoeld in artikel 3, § 2, b), van richtlijn 2004/38 of in artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet, dat de omzetting vormt van deze richtlijnbepaling. Er bestaat ook geen unierechtelijke beschrijving van het in artikel 3, § 2, b), van de voornoemde richtlijn vermelde begrip “duurzame relatie”. Hoe dan ook mag dit begrip volgens verzoeker niet restrictief worden uitgelegd. Verzoeker vervolgt dat volgens de Belgische rechtspraak en rechtsleer een huwelijk (of een wettelijke samenwoning) niet steeds mag worden geassocieerd met een liefdesrelatie. Een zakelijk of een verstandshuwelijk is ook een geldig huwelijk. Verzoeker merkt verder op dat artikel 1475, § 1, van het burgerlijk wetboek wat de wettelijke samenwoning betreft een toestand van samenleven tussen twee personen beoogt. Er zijn geen verdere beperkingen zodat bloed- of aanverwantschap de wettelijke samenwoning vooralsnog niet in de weg staat. Verzoeker is dan ook van oordeel dat zijn aanvraag niet mocht worden afgewezen omdat de referentiepersoon en hijzelf elkaar zien als moeder en zoon en zij derhalve geen blijk zouden geven van een liefdesrelatie. Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorwaarden toegevoegd aan artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet door te stellen dat verzoekers aanvraag terecht werd geweigerd bij gebrek aan een liefdesrelatie tussen verzoeker en zijn wettelijk samenwonende partner, terwijl het voornoemde artikel 40bis geenszins een “liefdesrelatie” doch enkel een “duurzame en stabiele partnerrelatie” als voorwaarde stelt. Verzoeker besluit dat de door hem XIV-37.869-4/12 aangehaalde bepalingen en beginselen op die manier zijn geschonden in het bestreden arrest. 5. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat de aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund op het motief dat verzoeker en de referentiepersoon geen liefdesrelatie onderhouden – hetgeen niet wordt betwist – en zij bijgevolg ook geen partnerrelatie onderhouden in de zin van artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet. In het bestreden arrest wordt het niet onredelijk geacht om de door dit artikel vereiste partnerrelatie, die duurzaam en stabiel moet zijn, gelijk te stellen met een liefdesrelatie. Volgens de verwerende partij blijkt uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot de wet van 25 april 2007 heeft geleid, dat de wetgever met het invoegen van het begrip “wettelijk samenwonende partner in het kader van een duurzame en stabiele relatie” duidelijk de bedoeling heeft gehad het toepassingsgebied van de gezinshereniging uit te breiden tot de niet-gehuwde partner van een Unieburger dan wel tot de partner wiens partnerschap niet gelijkwaardig is met het huwelijk. Naast een juridische band, waarvoor de wetgever verwijst naar de verklaring van samenwoonst in de zin van de artikelen 1475 tot 1479 van het burgerlijk wetboek en die een louter formeel aspect is, dient ook een partnerrelatie te bestaan in de zin van een liefdesrelatie. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft meermaals bevestigd dat er sprake moet zijn van een liefdesrelatie. De verwerende partij benadrukt dat in de voormelde memorie van toelichting voor het begrip “duurzame en stabiele relatie” in de zin van artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet uitdrukkelijk wordt verwezen naar de omzendbrief van 30 september 1997 ‘betreffende het verlenen van een verblijfsmachtiging op basis van samenwoonst in het kader van een duurzame relatie’ (hierna: de omzendbrief van 30 september 1997). Uit deze omzendbrief blijkt dat het begrip “duurzame en stabiele relatie” moet worden begrepen als een liefdesrelatie doch dat een louter vriendschappelijke relatie niet volstaat. XIV-37.869-5/12 Wat verzoekers verwijzing naar richtlijn 2004/38 betreft, merkt de verwerende partij op dat de referentiepersoon een Belg is die haar recht van vrij verkeer in de Europese Unie niet heeft uitgeoefend, zodat het een zuiver interne situatie betreft waarop het Unierecht niet van toepassing is. In de mate dat verzoeker verwijst naar artikel 1475 van het burgerlijk wetboek, laat de verwerende partij gelden dat artikel 40bis van de vreemdelingenwet, dat als lex specialis specifiek de voorwaarden regelt die gelden voor gezinshereniging, voorrang heeft op de bepalingen van het burgerlijk wetboek. Aan de in het voornoemde artikel 40bis voorziene voorwaarde van een stabiele en duurzame partnerrelatie wordt geen afbreuk gedaan door de bepalingen van het burgerlijk wetboek, die immers een andere finaliteit hebben. 6. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij benadrukt dat in de omzendbrief van 30 september 1997 nergens wordt vermeld dat een “duurzame relatie” moet worden begrepen als een “liefdesrelatie”. Voorts betwist verzoeker dat artikel 40bis van de vreemdelingenwet als lex specialis voorrang zou hebben op de bepalingen van het burgerlijk wetboek. Hij merkt op dat bovendien ook uit dit artikel 40bis niet blijkt dat een “duurzame relatie en stabiele relatie” automatisch als een “liefdesrelatie” moet worden begrepen. Beoordeling 7. In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat met de aanvankelijk bestreden beslissing “de aanvraag van een verblijfskaart wordt geweigerd omdat de gemachtigde oordeelt dat verzoekende partij en mevrouw M.L. geen liefdespartners zijn en derhalve geen partnerrelatie onderhouden in de zin van artikel 40bis, § 2, 2° van de vreemdelingenwet”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht “het niet kennelijk onredelijk […] om de door XIV-37.869-6/12 artikel 40bis, § 2, 2° van de vreemdelingenwet vereiste ‘partnerrelatie’, die duurzaam en stabiel moet zijn, gelijk te stellen met een ‘liefdesrelatie’.” Hij overweegt dat, “naast een juridische band, tot stand gebracht door een verklaring van wettelijke samenwoonst, wat een louter formeel aspect betreft, […] er ook nog een partnerrelatie [dient] te bestaan, in de zin van een liefdesrelatie” en dat de verwerende partij geen voorwaarde heeft toegevoegd aan de wet door een “liefdesrelatie” te eisen. 8. Uit de gegevens waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt dat het bestreden arrest betrekking heeft op een beslissing aangaande een aanvraag voor een F-kaart, ingediend door een derdelander als wettelijk geregistreerd partner van een Belgische, die geen gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer en verblijf in de lidstaten van de Unie. Artikel 40ter, § 2, 1°, van de vreemdelingenwet, dat betrekking heeft op gezinshereniging tussen een derdelander en een zogenaamde statische Belg en dus te dezen van toepassing is, verwijst naar artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°. Wat de gezinshereniging met een wettelijk geregistreerde partner betreft, luidt deze laatste bepaling: “§ 2. Als familielid van de burger van de Unie worden beschouwd : 1° […] 2° de partner, die hem begeleidt of zich bij hem voegt, met wie de burger van de Unie overeenkomstig een wet een geregistreerd partnerschap heeft gesloten. De partners moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :

  1. a)bewijzen een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele partnerrelatie te onderhouden. Het duurzaam en stabiel karakter van deze relatie is aangetoond : - indien de partners bewijzen gedurende minstens één jaar, voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken in België of een ander land te hebben samengewoond; - ofwel indien de partners bewijzen dat zij elkaar sedert ten minste twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag, kennen en het bewijs leveren dat zij regelmatig, telefonisch, via briefwisseling of elektronische berichten met elkaar contact onderhielden en dat zij elkaar in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag drie maal ontmoet hebben en dat deze ontmoetingen in totaal 45 of meer dagen betreffen; - ofwel indien de partners een gemeenschappelijk kind hebben;
  2. b)met elkaar komen samenleven;
  3. c)beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. De minimumleeftijd van de partners wordt teruggebracht tot achttien jaar wanneer zij het bewijs leveren van een samenwoning van ten minste een jaar voordat de vreemdeling bij wie men zich XIV-37.869-7/12 voegt, in het Rijk aankwam;
  4. d)ongehuwd zijn en geen duurzame en stabiele partnerrelatie hebben met een andere persoon;
  5. e)geen personen zijn bedoeld in artikelen 161 tot 163 van het Burgerlijk Wetboek.
  6. f)ten aanzien van geen van beiden is een definitieve beslissing genomen tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek.” 9. Met de wet van 25 april 2007 werden de artikelen 40bis en 40ter ingevoegd in de vreemdelingenwet om het toepassingsgebied van de gezinshereniging uit te breiden, meer bepaald voor respectievelijk de burger van de Unie of de Belg met de wettelijk geregistreerde partner die hem begeleidt of zich bij hem voegt. Naar luid van het aldus ingevoegde artikel 40bis gold deze mogelijkheid “voorzover het gaat om een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele relatie”, en met een aantal bijkomende voorwaarden. In de memorie van toelichting kan hierover het volgende worden gelezen: “Om het recht op gezinshereniging te kunnen genieten moet de bedoelde vreemdeling door middel van een geregistreerd partnerschap verbonden zijn en met die persoon een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele relatie van minstens een jaar hebben. De criteria inzake het stabiel karakter van de relatie zullen bepaald worden bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Verder zal dit besluit geen afbreuk doen aan de criteria voorzien in de bovenvermelde omzendbrief van 30 september 1997, zoals toegepast door de administratie. Het betreft dezelfde regels als voorzien in het kader van de gezinshereniging van de partner van een vreemdeling die geen burger van de Unie is. Het geregistreerd partnerschap is een nieuw begrip in het vreemdelingenrecht. Hiervoor kan worden verwezen naar de definitie van de relatie van samenleven in de voornoemde omzendbrief van de minister van Justitie van 23 september 2004 (punt M.1): het gaat om een relatie van samenleven tussen personen van een verschillend of van hetzelfde geslacht die in toepassing van de Belgische wet of een buitenlandse wet formeel werd geregistreerd door een overheid. In ons land gaat het om de wettelijke samenwoning die wordt voorzien in artikelen 1475 tot 1479 van het Burgerlijk Wetboek. Het begrip van een duurzame en stabiele relatie wordt momenteel reeds gebruikt in het kader van de voornoemde omzendbrief van 30 september 1997. Het kan gaan om een relatie die begon op het moment dat beide partners nog in het buitenland verbleven, om een in België bestaande relatie of een combinatie van beide.” (Parl. St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2845/001, 40) In het voormelde citaat is sprake van een “relatie van samenleven tussen personen van een verschillend of van hetzelfde geslacht”. Noch XIV-37.869-8/12 in de wettekst zelf, noch in de memorie van toelichting wordt een “liefdesrelatie” vermeld. Dit is evenmin het geval in de omzendbrief van 30 september 1997, waarin wordt vereist dat een “duurzame relatie” wordt bewezen “o.a. op basis van betrouwbare getuigen, een gemeenschappelijke huishouding, de samenwoonst, fotografisch materiaal, facturen en dergelijke” en dat “er geen duidelijke en ondubbelzinnige elementen aanwezig zijn die wijzen op een schijnrelatie”. Ook de artikelen 1475 e.v. van het burgerlijk wetboek bevatten geen vereiste van een “liefdesrelatie”. Het in ministerraad overlegd koninklijk besluit, waarvan sprake is in het voormelde citaat uit de memorie van toelichting, is genomen op 17 mei 2007 doch vernietigd met ’s Raads arrest nr. 201.374 van 26 februari 2010. 10. Met de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging’ worden de bijkomende voorwaarden voor gezinshereniging met de wettelijk geregistreerde partner van een Belg of een Unieburger aanzienlijk uitgebreid. Ook is in artikel 40bis van de vreemdelingenwet voortaan sprake van een naar behoren geattesteerde en duurzame “partnerrelatie” in plaats van “relatie”. Een definitie of een nadere toelichting van het begrip “partnerrelatie” wordt niet gegeven in de wet. Wel wordt in de verantwoording van het amendement nr. 147 op het wetsvoorstel dat, weliswaar na vervanging door de subamendementen nr. 162 tot en met 174, heeft geleid tot het gewijzigde artikel 40bis van de vreemdelingenwet, het volgende gesteld: “De derde reeks wijzigingen vloeit voort uit verschillende arresten van de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De criteria op basis waarvan vastgesteld wordt of de partners een duurzame en stabiele relatie onderhouden werden geregeld in artikel 11 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dit artikel werd echter vernietigd door de Raad van State met het arrest nr. 201 374 dd. 26 februari 2010. Bovendien verwees ook de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar het principe van de hiërarchie der rechtsnormen XIV-37.869-9/12 en merkte op dat bepaalde elementen niet via koninklijk besluit zouden kunnen worden geregeld. Bijgevolg wordt met dit amendement voorzien in een wettelijke regeling. Concreet worden de oude criteria voortaan overgenomen in de wet. Daarbij wordt voortaan duidelijker geëxpliciteerd dat de voorwaarde van het elkaar sedert ten minste 2 jaar kennen moet zijn voldaan voorafgaand aan het aanvragen van een verblijf in België. Daarnaast wordt in dit artikel de wettelijke samenwoning preciezer gekaderd. In de context van de verblijfsregelgeving kunnen enkel de partnerrelaties (dit zijn de relaties waarin er een wens bestaat als koppel samen te leven) in overweging worden genomen voor gezinshereniging. Er is enkel sprake van een partnerrelatie wanneer deze relatie er niet enkel op gericht is een verblijfsrechtelijk voordeel te verwerven. Bovendien kan worden opgemerkt dat, door het recht op gezinshereniging te openen voor vreemdelingen met een wettelijk geregistreerd partnerschap er een bescherming werd beoogd voor de personen die een samenlevingsproject hebben dat lijkt op dat van echtgenoten maar voor wie het huwelijk niet mogelijk is, omdat ze dat niet wensen of omdat hun nationaal recht dat niet toestaat. Zij dienen in aanmerking te kunnen komen voor een gelijkaardige bescherming als die verleend wordt aan de personen die met elkaar zijn gehuwd. Dergelijke toepassing bleek reeds uit de aanvullende vereisten die werden gesteld: het niet-gehuwd zijn, het hebben van een duurzame en stabiele partnerrelatie en de afwezigheid van een duurzame en stabiele partnerrelatie met een andere persoon dan de persoon met wie hij een partnerschap heeft gesloten. Bedoeling van deze wetswijziging is om dit duidelijker weer te geven en toepassingsproblemen in de praktijk verder uit te sluiten. Bijgevolg worden de situaties van huwelijksbeletselen (vb. uitsluiting huwelijk tussen broer en zus) voortaan ook uitdrukkelijk uitgesloten. Ook zal wie niet kon huwen omdat er sprake was van een schijnhuwelijk, daarna niet meer in aanmerking komen voor een verblijf op basis van een partnerschapsrelatie.” (Parl. St. Kamer 2010-2011, nr. 53-443/014, 25) Tijdens de voorbereidende werkzaamheden heeft de hoofdindienster van het wetsvoorstel nog verduidelijkt “dat met het verbod onder punt d van een duurzame en stabiele partnerrelatie met een andere persoon wordt bedoeld dat het moet gaan om een één-op-één-relatie, niet om het louter bieden van onderdak” (Parl. St. Kamer 2010-2011, nr. 53-443/018, 65). Ook hier wordt nergens aangegeven dat het om een “liefdesrelatie” moet gaan. 11. Uit het voorgaande blijkt dat voor een toelating tot verblijf op grond van een wettelijk geregistreerd partnerschap met toepassing van artikel 40bis van de vreemdelingenwet het bewijs van een “naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele partnerrelatie” moet worden geleverd en dat het duurzaam en stabiel karakter wordt aangetoond indien de partners hetzij één jaar samenwoonst XIV-37.869-10/12 voorafgaand aan de aanvraag bewijzen, hetzij bewijzen elkaar twee jaar te kennen, voorafgaand aan de aanvraag en met een aantal specifiek te bewijzen elementen, hetzij een gemeenschappelijk kind hebben. Verder moeten de partners een minimumleeftijd van, naargelang het geval, 21 of 18 jaar hebben, moeten zij ongehuwd zijn en geen duurzame en stabiele partnerrelatie hebben met een andere persoon, zijn de personen bedoeld in de artikelen 161 tot 163 van het burgerlijk wetboek uitgesloten en mag ten aanzien van geen van beiden een definitieve beslissing zijn genomen tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het burgerlijk wetboek. Wat de aard van de (partner-)relatie betreft, blijkt enkel dat het, naast de concreet opgesomde voorwaarden, om een relatie van samenwonen en een één-op-één-relatie moet gaan en niet om het louter aanbieden van onderdak. Het moet dus gaan om een werkelijk samenlevingsproject als koppel en in geen geval om een schijnrelatie met het oog op het verwerven van een verblijfsrecht in België. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet vaststelt dat verzoekers aanvraag met de aanvankelijk bestreden beslissing werd afgewezen op grond van één van de supra vermelde elementen doch wel aanvaardt dat die aanvraag wordt afgewezen, enkel omdat geen “liefdesrelatie” zou zijn bewezen, voegt hij een voorwaarde toe aan artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet die de afwijzing van de aanvraag niet vermag te gronden. 12. Het enige middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de vernietiging van het bestreden arrest. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 211.263 van 19 oktober 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-37.869-11/12 2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. 3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.869-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.555 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.