← België

Arrest 247557 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 15/05/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.557 Rolnummer: A. 222187/XIV-37419 Zaak: Arrest 247557 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 15/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-15 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 03:30 Fiche Arrest nr 247.557 van 15 mei 2020 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.557 van 15 mei 2020 in de zaak A. 222.187/XIV-37.419 In zake : Kitty VANDEVELDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 10 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de commissie van beroep voor de geschiktheid van het personeel van de politiediensten (CBGPP) dd. 10 maart 2017 waarbij beslist is dat verzoeker definitief ongeschikt is voor de dienst vanaf 01 april 2017 bij toepassing van artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.419-1/12 Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. Op vraag daartoe van de Raad van State, zijn de partijen ermee akkoord gegaan dat de zaak wordt behandeld zonder openbare terechtzitting. Auditeur Wendy Depester heeft vervolgens een geschreven met dit arrest eensluidend advies neergelegd. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 7 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster wordt op 1 oktober 2006 bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen bij de Federale Politie. Ze wordt op 1 februari 2008 als statutair personeelslid benoemd in de graad van consulent en is werkzaam bij DGR/DRP. 3.
  5. Vanaf oktober 2010 bevindt verzoekster zich regelmatig in disponibiliteit wegens ziekte. 3.
  6. Op 12 december 2014 dient hoofdcommissaris van politie (hierna verkort als HCP) J.C. G., DGR a.i., in naam van de commissaris-generaal XIV-37.419-2/12 een aanvraag in om verzoekster te laten verschijnen voor de commissie voor Geschiktheid van het Personeel van de Politiediensten (hierna: de CGPP). Verzoekster is op dat ogenblik immers, over een periode van 365 dagen, meer dan 180 dagen in disponibiliteit wegens ziekte (artikelen VIII.XI.7 en IX.II.6, 1°, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, hierna: het RPPol). 3.
  7. Op 26 maart 2015 beslist de CGPP dat verzoekster lichamelijk tijdelijk ongeschikt is voor de dienst voor een periode van 12 maanden ingaande op 1 mei 2015, bij toepassing van artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 ‘voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel’ (hierna : de wet van 14 februari 1961). 3.
  8. Op 28 januari 2016 verschijnt verzoekster opnieuw voor de CGPP en ditmaal wordt ze fysisch geschikt verklaard voor de dienst vanaf 1 februari
  9. 3.
  10. Op 1 februari 2016 hervat verzoekster het werk niet en stuurt ze een nieuw ziekteattest op waaruit blijkt dat zij niet geschikt is om het werk te hervatten. Om die reden tekent HCP P. V.C., het hoofd van de dienst Loopbaanbeheer, op 26 februari 2016 beroep aan tegen de beslissing van de CGPP van 28 januari 2016 bij de commissie van beroep voor Geschiktheid van het Personeel van de Politiediensten (hierna: de CBGPP). 3.
  11. Op 8 juli 2016 beslist de CBGPP om verzoekster opnieuw tijdelijk ongeschikt voor de dienst te verklaren voor een periode van 9 maanden vanaf 1 augustus 2016, bij toepassing van artikel 117 van de wet van 14 februari
  12. 3.
  13. Op 10 maart 2017 verschijnt verzoekster opnieuw voor de CBGPP en wordt ze definitief ongeschikt verklaard voor de dienst vanaf 1 april 2017, bij toepassing van artikel 117 van de wet van 14 februari
  14. XIV-37.419-3/12 Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt op 15 maart 2017 aan verzoekster betekend. IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
  15. In het tweede middel van haar verzoekschrift voert verzoekster de schending aan van artikel IX.II.14 van het RPPol wegens “niet rechtsgeldige vatting van de commissie van beroep, onbevoegdheid”. Verzoekster meent dat de CBGPP in casu niet kon worden gevat. Zo daarentegen geoordeeld wordt dat de CBGPP wel gevat kon worden, argumenteert zij dat de CBGPP door een onbevoegde overheid werd gevat. Verzoekster zet, samengevat, uiteen dat de overheid slechts hoger beroep kan aantekenen tegen een beslissing van de CGPP die betrekking heeft op het vraagstuk naar de erkenning van een medische kwaal als zijnde een ernstige en langdurige ziekte zoals bepaald in artikel VIII.XI.5 van het RPPol doch niet tegen een beslissing waarbij de CGPP verzoekster geschikt voor de dienst bevindt. In subsidiaire orde werpt verzoekster op dat, ook al zou worden geoordeeld dat de overheid in casu wel degelijk beroep kon aantekenen tegen de beslissing van de CGPP van 28 januari 2016, artikel IX.II.14 van het RPPol in dat geval ook geschonden zou zijn. Het beroep zou immers door een onbevoegde overheid zijn ingesteld nu de bestreden beslissing is genomen door het hoofd van de dienst Loopbaanbeheer in plaats van door “de directeur-generaal Algemene Directie van het Middelenbeheer en de Informatie dan wel de directeur van de directie personeel indien deze daartoe is aangewezen door zijn directeur-generaal”. In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster nog dat ze niet betwist dat tegen elke beslissing van de CGPP beroep kan worden ingesteld maar wel dat tegen de in haar zaak genomen beslissing van de CGPP door de overheid-werkgever een beroep kan worden ingesteld. Artikel IX.II.14 van XIV-37.419-4/12 het RPPol zou volgens haar voorschrijven dat tegen de in haar zaak genomen beslissing van de CGPP enkel zijzelf beroep kan aantekenen bij de CBGPP. Volgens verzoekster moet artikel IX.II.14 van het RPPol zo worden begrepen dat de overheid enkel beroep kan aantekenen in het in artikel IX.II.6, eerste lid, 2° , bedoelde geval omdat “door de verwijzing naar dit artikel niet alleen [is] bedoeld de betreffende gepersonaliseerde overheid maar wel de overheid die in dat artikel is aangeduid om de CGPP te vatten in dat welbepaalde geval”. Dat is volgens verzoekster ook “logisch” aangezien de CGPP een overheidsorgaan is “en de overheid toch bezwaarlijk kan twijfelen aan zichzelf gelet op het vermoeden van rechtmatigheid dat verbonden is aan het overheidsoptreden”. Wat de onbevoegdheid van het hoofd van de dienst Loopbaanbeheer betreft, repliceert verzoekster nog dat, anders dan de verwerende partij voorhoudt, uit stuk nr. 9 van het administratief dossier helemaal niet duidelijk blijkt dat HCP P. V.C. vanaf 1 oktober 2014 te beschouwen is als het hoofd van de dienst Loopbaanbeheer. Dit personeelslid is enkel herplaatst “in een ambt bij de algemene directie van het middelenbeheer en de informatie” met als opdracht de behandeling van dossiers inzake “mobiliteit en personeelsbeheer”. Meer nog, zelfs wanneer HCP P. V.C. inderdaad kan worden beschouwd als het hoofd van de dienst Loopbaanbeheer, dan nog zou hij om beroep te kunnen aantekenen bij de CBGPP daartoe moeten zijn aangewezen door de directeur-generaal van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie (DGR) en dat is te dezen niet gebeurd. Bovendien is HCP P. V.C. geen directeur van een directie (in casu van de directie van het personeel (DGR/DRP)) doch slechts “hoofd van de dienst Loopbaanbeheer”. In haar laatste memorie handhaaft verzoekster haar standpunt dat de overheid niet over een beroepsmogelijkheid beschikt om een beroep in te stellen tegen een beslissing zoals de bestreden beslissing. Verzoekster betwist dat uit het in het auditoraatsverslag vermelde arrest van de Raad van State kan worden afgeleid dat de overheid in dergelijk geval over een beroepsmogelijkheid beschikt. Ook in die zaak was er volgens verzoekster enkel een discussie omtrent de (personele) bevoegdheid van het orgaan dat het beroep heeft ingesteld. XIV-37.419-5/12
  16. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij, met verwijzing naar artikel IX.II.13 van het RPPol, dat tegen elke beslissing van de CGPP beroep kan worden ingesteld bij de CBGPP. Als de regelgever de beroepsmogelijkheden had willen beperken, met name wat de verwerende partij betreft, tot slechts het beroep gericht tegen een beslissing van de CGPP die betrekking heeft op het vraagstuk naar de erkenning van een medische kwaal als zijnde een ernstig en langdurige ziekte (zoals bepaald in artikel VIII.XI.5 RPPol) en niet tegen de beslissing waarbij de CGPP verzoekster geschikt bevindt, dan had hij artikel IX.II.13 van die rechtpositieregeling wel op een andere manier opgesteld en duidelijk afgelijnd tegen welke specifieke beslissingen een beroep bij de CBGPP mogelijk was. Dat de CBGPP wel degelijk bevoegd is om, in beroep, te oordelen over de beslissing van de CGPP betreffende de fysieke geschiktheid van een personeelslid, zou bovendien ook blijken uit rechtspraak van de Raad van State waarnaar de verwerende partij verwijst. De verwerende partij argumenteert voorts, met verwijzing naar de stukken van het administratief dossier, dat het beroep bij de CBGPP tegen de beslissing van de CGPP van 28 januari 2016 door de bevoegde overheid werd ingesteld, namelijk door HCP P. V.C., het hoofd van de dienst Loopbaanbeheer (behorende tot de directie van het Personeel (DGR/DRP)), voorheen directeur van de directie van de Mobiliteit en het Personeelsbeheer (DSP). Dit personeelslid beschikt hiervoor over een delegatie, hem gegeven bij nota van de directeur-generaal van de algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer van 15 december
  17. Volgens de verwerende partij stemt, na een reeks optimalisaties (lees: reorganisaties), "de directeur-generaal van het Personeel" thans in het organogram overeen met in eerste instantie "de directeur-generaal van de Algemene directie van de ondersteuning en het beheer" (DGS) en actueel met "de directeur-generaal van de Algemene directie van het middelenbeheer en de informatie" (DGR). Voorts blijkt uit de akte van herplaatsing van HCP P. V.C. dat die ingevolge die reorganisatie binnen DGR/DRP werd herplaatst als leidinggevende van de dienst Loopbaanbeheer. In concreto oefent hij de taken uit die vóór de reorganisatie toekwamen aan de directeur van de directie van de Mobiliteit en het XIV-37.419-6/12 Personeelsbeheer. Deze functie wordt op het ogenblik van het instellen van het beroep uitgeoefend door het diensthoofd van de dienst Loopbaanbeheer. Gelet op het voorgaande moet de delegatie, gegeven bij nota van 15 november 2010, geacht worden te zijn gegeven aan het diensthoofd van de dienst Loopbaanbeheer van de directie van het Personeel zodat de CBGPP wel degelijk rechtsgeldig werd gevat. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij haar standpunt dat om de redenen uiteengezet in haar memorie van antwoord, HCP P. V.C. op grond van de delegatie van 15 december 2010 rechtsgeldig hoger beroep kon instellen tegen de beslissing van de beroepscommissie. Beoordeling
  18. Krachtens artikel VIII.XI.5 van het RPPol dat deel uitmaakt van Titel XI “Disponibiliteit wegens ziekte” van Deel VIII van datzelfde besluit dat betrekking heeft op “[d]e administratieve standen, de verloven, de dienstvrijstellingen en de non-activiteiten” heeft het personeelslid in disponibiliteit wegens ziekte recht op een maandelijks wachtgeld (dat in beginsel gelijk is aan 60% van zijn laatste activiteitsloon), in afwijking van artikel VIII.XI.4, van het RPPol, dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitsloon “indien de kwaal waaraan het lijdt door de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend”.
  19. De artikelen IX.II.4, IX.II.6, en IX.II.14, maken deel uit van Titel II “De commissies voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten” van Deel IX van datzelfde RPPol dat betrekking heeft op “[d]e definitieve ambtsontheffing, de ambtsneerlegging en heropneming”. Krachtens artikel IX.II. 4, 1° tot 5°, van het RPPol dat de bevoegdheid van (beide) commissies omschrijft, doen de commissies voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten, dit zijn eensdeels de CGPP in eerste aanleg en, anderdeels, de CBGPP, na beroep, uitspraak niet alleen over XIV-37.419-7/12 het al of niet verkrijgen gedurende de disponibiliteitsperiode, van een wachtgeld gelijk aan het volledig loon, bij toepassing van artikel VIII.XI.5 (cfr. artikel IX.II.4, 3°, RPPol), maar evenzo - zoals ten dezen (cfr. de punten 3.7 en 3.8) - over de tijdelijke lichamelijke ongeschiktheid van de personeelsleden, alvorens deze om gezondheidsredenen tijdelijk op pensioen worden gesteld (zie artikel IX, II, 4, 1°) respectievelijk de definitieve lichamelijke ongeschiktheid van de personeelsleden, alvorens deze om gezondheidsredenen definitief op pensioen worden gesteld (zie artikel IX, II, 4, 2°). Krachtens artikel 117, § 2, van de wet van 14 februari 1961 mag de ongeschiktheid die rechten op een definitief of tijdelijk voortijdig pensioen ten laste van de Staat openstelt, voor de leden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, slechts worden vastgesteld door deze commissies. Krachtens artikel IX.II.6, eerste lid, 1° tot 3°, van het RPPol dat betrekking heeft op de procedure in eerste aanleg wordt de CGPP gevat (1°) in het geval bedoeld in artikel VIII.XI.7 van het RPPol (zijnde het geval waarin het personeelslid, na een termijn van zes maanden vanaf zijn indisponibiliteitsstelling, wordt opgeroepen voor de CGPP), naar gelang van het geval, door de korpschef, de commissaris-generaal of door een door hen aangewezen overheid of, in voorkomend geval, op vraag van het betrokken personeelslid, (2°) in het geval bedoeld in het eerdergenoemde artikel VIII.XI.5, naar gelang van het geval, door de directeur-generaal van het personeel of de directeur van de directie van zijn algemene directie die hij aanwijst, of door de korpschef of het door deze aangewezen personeelslid en (3°) in alle andere gevallen, naar gelang van het geval, door de minister, de burgemeester of het politiecollege. De overheden die aldus bevoegd zijn om de CGPP te vatten voegen wanneer zij dat doen, met eerbiediging van het medisch geheim, alle inlichtingen die opheldering kunnen geven omtrent de oorsprong, de aard, de ernst en de bestendigheid van de aangevoerde ongeschiktheid. Art. IX.II.13 van het RPPol dat betrekking heeft op de procedure in hoger beroep, voorziet dat de CBGPP in tweede aanleg kennis neemt van de beslissingen welke de CGPP bij toepassing van artikel IX.II.12 heeft gewezen. In XIV-37.419-8/12 artikel IX.II.14 wordt vervolgens, wat de procedure in het kader van het georganiseerd administratief beroep betreft, bepaald dat de “in artikel IX.II.6, eerste lid, 2°, bedoelde overheid van betrokkene en de betrokkene zelf” hoger beroep kunnen aantekenen bij de commissie van beroep, bij een aangetekende brief en binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing. De in artikel IX.II.6, eerste lid, 2°, van het RPPol bedoelde overheid is - te dezen - de directeur-generaal van het personeel of de directeur van de directie van zijn algemene directie die hij aanwijst”. Artikel IX.II.14 van het RPPol verwijst aldus naar artikel IX.II.6, eerste lid, 2°, om de overheid aan te wijzen die bevoegd is om een beroep bij de beroepscommissie in te leiden tegen (zonder onderscheid) de beslissingen die de CGPP bij toepassing van artikel IX.II.12 bij meerderheid van stemmen heeft gewezen, maar beperkt, anders dan hoe verzoekster dat ziet, de beroepsmogelijkheid van overheidswege niet tot het in artikel VIII. XI.5, van het RPPol bepaalde geval. Een beroepsmogelijkheid bij de CBGPP tegen een beslissing van de CGPP om een personeelslid “fysisch geschikt voor de dienst” te verklaren, staat dus ook open voor de overheid en dit in toepassing van de artikelen IX.II.13 en IX.II.14 van het RPPol.
  20. Het tweede middel is in de aangegeven mate ongegrond.
  21. Wat verzoeksters grief betreft, namelijk dat het beroep bij de CBGPP tegen de beslissing van de CGPP waarbij verzoekster “fysisch geschikt voor de dienst” werd verklaard, niet kon worden ingesteld door HCP P V.C. omdat dergelijk beroep, wat de federale politie betreft, hoe dan ook slechts kan worden ingesteld “door de directeur-generaal van het personeel of de directeur van de directie van zijn algemene directie die hij aanwijst” (artikel IX.II.14 iuncto artikel IX.II.6, eerste lid, 2°, van het RPPol), besluit het auditoraat dat het middel in die mate gegrond is op grond van de volgende overwegingen: “Onder “[d]e in artikel IX.II.6, eerste lid, 2°, [van de RPPol] bedoelde overheid van betrokkene” moet, voor wat betreft de federale politie, inderdaad “de directeur-generaal van het personeel of de directeur van de directie van zijn algemene directie die hij aanwijst” worden begrepen. XIV-37.419-9/12 Uit een arrest RvS nr. 210.801 van 31 januari 2011 blijkt, net zoals beide partijen ook reeds hebben aangegeven, dat voormelde bevoegdheidstoewijzing dynamisch moet worden gelezen, rekening houdend met het organogram van de federale politie, zoals het op het ogenblik van het instellen van het beroep bij de CBGPP van toepassing was. Meer concreet, rekening houdend met het organogram van de federale politie, zoals het begin 2016 van toepassing was (stuk nr. 3 uit de stukkenbundel van verzoekster), betekent dit dat de woorden “de directeur-generaal van het personeel” in casu moeten worden gelezen als “de directeur-generaal van de Algemene directie van het middelenbeheer en de informatie (DGR)” en dat de woorden “de directeur van de directie van zijn algemene directie die hij aanwijst” in casu moeten worden gelezen als hetzij “de directeur van de Directie van het personeel (DRP)” hetzij “de directeur van de Directie van de logistiek (DRL)” hetzij “de directeur van de Directie van de politionele informatie en de ICT-middelen (DRI)” hetzij “de directeur van de Directie van de financiën (DRF)” (artikel 7 van het koninklijk besluit van 14 november 2006 betreffende de organisatie en de bevoegdheden van de federale politie (hierna, “het KB van 14 november 2006”)), op voorwaarde dat deze directeurs daartoe door de directeur-generaal van de Algemene directie van het middelenbeheer en de informatie (DGR) werden aangewezen. 5.1.2.
  22. Welnu, uit stuk nr. 5 van het administratief dossier blijkt dat het beroep tegen de beslissing van de CGPP van 28 januari 2016 werd ingesteld door HCP [P. V.C.], het hoofd van de dienst loopbaanbeheer. De dienst loopbaanbeheer zou, volgens de verklaringen van verweerster, een onderdeel zijn van de Directie van het personeel (DRP). 5.1.2.
  23. Dat HCP [P. V.C.] vóór 1 oktober 2014 als directeur van de Directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer (DSP) bevoegd was om beroep in te stellen bij de CBGPP tegen een beslissing van de CGPP, ingevolge een nota van de toenmalige directeur-generaal van de Algemene directie van de ondersteuning en het beheer (DGS) van 15 december 2010, betekent nog niet dat HCP [P. V.C.] begin 2016 nog steeds over deze bevoegdheid beschikte en/of kon beschikken. 5.1.2.
  24. Vooreerst kan uit stuk nr. 8 van het administratief dossier (d.i. voormelde nota van 15 december 2010) worden afgeleid dat de bevoegdheid om beroep in te stellen bij de CBGPP tegen een beslissing van de CGPP gedelegeerd was aan “de directeur van de directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer”. Deze delegatie van bevoegdheid was dus uitsluitend verbonden aan de hoedanigheid van directeur van de Directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer. Deze delegatie van bevoegdheid was niet gericht aan de persoon van HCP [P. V.C.] als zodanig. HCP [P. V.C.] bezat deze bevoegdheid enkel en alleen omdat hij directeur was van de Directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer. In stuk nr. 8 van het administratief dossier wordt bovendien ook nergens melding gemaakt van “HCP [P. V.C.]”. De hervorming van de federale politie in 2014 zorgde er, vervolgens, voor dat de Directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer (DSP) ophield te bestaan als een “directie van […] [een] Algemene directie”. Uit stuk nr. 9 van het administratief dossier blijkt dat “het mandaat van directeur van de directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer op 1 oktober 2014 wordt afgeschaft en dat hoofdcommissaris [P. V.C.] op 1 oktober 2014 dit mandaatambt derhalve niet meer zal uitoefenen”. XIV-37.419-10/12 Op 1 oktober 2014 kwam er dan ook een einde aan de delegatie van de bevoegdheid om beroep in te stellen bij de CBGPP tegen een beslissing van de CGPP, zoals deze in voormelde nota van 15 december 2010 was opgenomen. 5.1.2.
  25. De taken van de Directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer werden vanaf 1 oktober 2014 uitgeoefend door de Directie van het personeel (DRP). Uit stuk nr. 9 van het administratief dossier blijkt dat HCP [P. V.C.] werd herplaatst “in een ambt bij de algemene directie van het middelenbeheer en de informatie van de federale politie met als opdracht de behandeling van de dossiers inzake ‘mobiliteit en personeelsbeheer’”. Verweerster verklaart dat HCP [P. V.C.] werd herplaatst in de functie van “hoofd van de dienst loopbaanbeheer”; de dienst loopbaanbeheer zou een onderdeel zijn van de Directie van het personeel (DRP). Hoewel hiervan geen bewijs wordt bijgebracht, dient in ieder geval te worden vastgesteld dat HCP [P. V.C.] niet werd herplaatst in de functie van “directeur van de Directie van het personeel (DRP)”. Uit de akte van herplaatsing van 30 september 2014 (die trouwens genomen werd door de minister van Binnenlandse Zaken) kan en mag bovendien niet worden afgeleid – voor zover een dergelijke delegatie van bevoegdheid al toegekend zou kunnen worden aan het hoofd van de dienst loopbaanbeheer - dat “de behandeling van de dossiers inzake ‘mobiliteit en personeelsbeheer’” meteen ook de bevoegdheid tot het instellen van beroep bij de CBGPP tegen een beslissing van de CGPP bevat. Deze laatste bevoegdheid moet immers uitdrukkelijk worden gedelegeerd en kan niet worden vermoed. Bovendien kan deze delegatie van bevoegdheid –zoals blijkt uit randnummer 5.1.2.2.- enkel worden toegekend door de directeur-generaal van de Algemene directie van het middelenbeheer en de informatie (DGR) en niet door de minister van Binnenlandse Zaken. 5.1.2.
  26. Gelet op wat voorafgaat, was HCP [P. V.C.] als hoofd van de dienst loopbaanbeheer begin 2016 niet bevoegd om beroep in te stellen bij de CBGPP tegen de beslissing van de CGPP van 28 januari 2016.”.
  27. De verwerende partij betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft zij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt er zich toe haar standpunt zoals uiteengezet in haar memorie van antwoord te herhalen. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel in de XIV-37.419-11/12 aangegeven mate gegrond, hetgeen volstaat om de bestreden beslissing te vernietigen. BESLISSING
  28. De Raad van State vernietigt de beslissing van de commissie van beroep voor de Geschiktheid van het Personeel van de Politiediensten (CBGPP) van 10 maart 2017 waarbij is beslist dat verzoekster definitief ongeschikt is voor de dienst vanaf 1 april 2017 bij toepassing van artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.
  29. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoekster. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.419-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.557 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.