id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.565 Rolnummer: A. 228304/VII-40561 Zaak: Arrest 247565 - Milieuvergunningen - 18/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-18 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-26 03:30 Fiche Arrest nr 247.565 van 18 mei 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.565 van 18 mei 2020 in de zaak A. 228.304/VII-40.561 In zake :
- de GEMEENTE BEERSEL
- het COLLEGE VAN BURGEMEESER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE BEERSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV ELECTRABEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tangui Vandenput en Patrik De Maeyer kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 31 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0883 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna : RvVb) van 16 april 2019 in de zaak 1718-RvVb-0404-A. VII-40.561-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 27 juni
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 26 augustus
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 maart
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benjamin d’Hollander, die loco advocaat Sven Boullart verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jutte Nijs, die loco advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Antoinette Spreutels, die loco advocaat Patrik De Maeyer verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.561-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 19 december 2017 verleent de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw aan de nv Electrabel een milieuvergunning voor het exploiteren van twee windturbines en twee transformatoren. 3.
- De RvVb verwerpt met het bestreden arrest de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van voormelde milieuvergunning na de conclusie dat “de bestreden beslissing een milieuvergunningsbeslissing is waarvoor hij niet bevoegd is”. IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 2, 7°, artikel 2, 8°, artikel 5 en artikel 105, § 1 van het Vlaamse decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: OVD) en artikel 5.2.1, §§ 1 tot en met 3 van het Vlaamse decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), artikel 387, eerste lid OVD, artikel 397, § 2 OVD en artikel 388, § 3 OVD. Het bestreden arrest dat de RvVb onbevoegd verklaart grieft de verzoekende partijen om volgende redenen: “Vooreerst oordeelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen zonder meer dat de overgangsbepalingen van artikel 387, eerste lid en artikel 397, § 2 VII-40.561-3/14 eerste en zesde lid OVD wél degelijk betrekking hebben op de administratieve als de jurisdictionele beroepsprocedure. Daarbij poneert de Raad voor Vergunningsbetwistingen zonder meer dat het gegeven dat in die artikelen geen sprake is van de 'jurisdictionele beroepen', niet betekent dat deze overgangsregeling niet op deze beroepen van toepassing zou zijn. Waarom dit zo zou zijn, wordt door de Raad echter op geen enkele wijze verduidelijkt. Een dergelijke algemene stellingname, zonder enige toelichting, voldoet niet aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht, zodat artikel 149 G.W. is geschonden. Bovendien gaat het bestreden arrest - overigens zonder enige motivering - voorbij aan de duidelijke bewoordingen van artikel 387, eerste lid OVD, dat stelt dat ‘aanvragen’ worden ‘behandeld’ op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Het is evident dat enkel een vergunningverlenende overheid aanvragen ‘behandelt' (administratieve procedure) en niet de rechter die later een verzoek tot vernietiging ontvangt tegen de beslissing over zo'n aanvraag (jurisdictionele procedure), zodat artikel 387, eerste lid OVD, duidelijk geen betrekking heeft op de jurisdictionele procedure. Het bestreden arrest gaat aldus in tegen de duidelijke tekst van artikel 387, eerste lid OVD, zodat het deze bepaling schendt. Vervolgens past het bestreden arrest ook artikel 397, § 2 eerste en zesde lid OVD toe. Echter is die bepaling slechts van toepassing op aanvragen waarvoor het College van Burgemeester en Schepenen de bevoegde overheid is én die bovendien zijn 'ingediend of opgestart vanaf 23 februari 2017’ (artikel 397, eerste lid OVD). De voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen aangevochten milieuvergunning: -diende in eerste administratieve aanleg behandeld te worden door de Deputatie. Het College van Burgemeester en Schepenen was dus helemaal niet de bevoegde overheid. -werd al aangevraagd op 3 februari 2017, zodat het evenmin ging om een aanvraag ‘ingediend of opgestart vanaf 23 februari 2017’. Artikel 397, § 2 OVD was dus helemaal niet van toepassing op de bestreden milieuvergunning. Door niettemin artikel 397, § 2 OVD toe te passen teneinde zich onbevoegd te verklaren, heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen deze bepaling miskend. [...] Vervolgens hadden de verzoekende partijen er ook nog op gewezen dat, in ieder geval, elke milieuvergunning verleend in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, voor de toepassing van het OVD beschouwd wordt als een omgevingsvergunning (artikel 388, § 3 OVD), zodat ook om die reden de Raad voor Vergunningsbetwistingen bevoegd is overeenkomstig artikel 105 OVD. De Raad voor Vergunningsbetwistingen gaat echter aan die duidelijke tekst voorbij onder verwijzing naar de parlementaire werken, waaruit dan zou moeten blijken dat het helemaal niet de bedoeling was van de decreetgever om de Raad voor Vergunningsbetwistingen meteen bevoegd te maken om te oordelen over milieuvergunningen die na de inwerkingtreding van het OVD. Nochtans vermag de rechter onder de verwijzing naar parlementaire werken VII-40.561-4/14 geen andere invulling te geven aan de inhoud van een duidelijke wettekst. Dit alles nog daargelaten dat de parlementaire werken evenmin enige duidelijkheid scheppen: er wordt ook daar immers met geen woord gerept over de overgangsregeling die men voor de jurisdictionele procedure op het oog had. Door aldus te oordelen, heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen de draagwijdte van de nochtans duidelijke tekst van artikel 388, § 3 OVD ten onrechte beperkt, zodat ook die bepaling is geschonden. [...] Vervolgens stelt men vast dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen op geen enkel ogenblik ingaat op de argumentatie die de verzoekende partijen hadden aangevoerd inzake artikel 105 OVD, in samenhang gelezen met artikel 2, 7°-8° en 5 OVD, alsook artikel 5.2.1, §§1 t.e.m. 3 DABM. De verzoekende partijen hadden immers aangetoond dat ook een milieuvergunning, verleend overeenkomstig de ‘oude’ administratieve procedure (zijnde dus overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en zijn uitvoeringsbepalingen) beantwoordt aan de definitie van een ‘omgevingsvergunning’, zodat om die reden alleen al - zonder de omweg van artikel 388, §3 OVD - de Raad voor Vergunningsbetwistingen overeenkomst artikel 105 OVD bevoegd is. In het bestreden arrest wordt er over dit argument met geen woord gerept, zodat ook op dit punt de rechterlijke motiveringsplicht (artikel 149 G.W.) niet is nageleefd. Bovendien is het duidelijk dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen overeenkomstig artikel 105 OVD wel degelijk bevoegd was om te oordelen over de voor hem aangevochten milieuvergunning. lmmers voldoet ook een milieuvergunning, verleend op grond van de ‘oude’ administratieve procedure, aan de definitie van een omgevingsvergunning. Door zich niettemin onbevoegd te verklaren, heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen ook artikel 105 OVD, in samenhang gelezen met artikel 2, 7°-8° en 5 OVD, alsook artikel 5.2.1, §§1 t.e.m. 3 DABM, geschonden”. Zij lichten toe: “Aldus beantwoordt de voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen bestreden milieuvergunning ook aan de definitie van een Omgevingsvergunning in de zin van artikel 105 OVD, zodat het bestreden arrest artikel 105 OVD, in samenhang gelezen met artikel 2, 7°-8° en 5 OVD, alsook artikel 5.2.1, §§1 t.e.m. 3 DABM, schendt. Bovendien moet worden vastgesteld dat er in het bestreden arrest helemaal geen aandacht wordt besteed aan bovenstaande vaststellingen: het bestreden arrest geeft een uitvoerige argumentatie waarom een milieuvergunning niet overeenkomstig artikel 388, § 3 OVD als een Omgevingsvergunning moet worden aanzien. Dat een verleende milieuvergunning echter ook op grond van de decretale definities als een "omgevingsvergunning" moet worden aanzien, daar besteedt het arrest geen enkele aandacht aan. Het is voor de VII-40.561-5/14 verzoekende partijen aldus volstrekt niet duidelijk wat het standpunt van de Raad voor Vergunningsbetwistingen ter zake is, zodat de rechterlijke motiveringsplicht is geschonden: er is immers niet op deze argumentatie geantwoord. [...] Wel oordeelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen zonder meer dat de overgangsbepalingen van artikel 387, eerste lid en artikel 397, § 2 eerste en zesde lid OVD wél degelijk betrekking hebben op de administratieve als de jurisdictionele beroepsprocedure. Daarbij poneert de Raad voor Vergunningsbetwistingen zonder meer dat het gegeven dat in die artikelen geen sprake is van de ‘jurisdictionele beroepen’, niet betekent dat deze overgangsregeling niet op deze beroepen van toepassing zou zijn. Waarom dit zo zou zijn, wordt door de Raad echter op geen enkele wijze verduidelijkt. Een dergelijke algemene stellingname, zonder enige toelichting, voldoet niet aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht, zodat artikel 149 G.W. is geschonden. Bovendien gaat het bestreden arrest voorbij aan de duidelijke bewoordingen van deze artikelen. [...] Het is evident dat enkel een vergunningverlenende overheid aanvragen ‘behandelt’ (administratieve procedure) en niet de rechter die later een verzoek tot vernietiging ontvangt tegen de beslissing over zo'n aanvraag (jurisdictionele procedure), zodat artikel 387, eerste lid OVD duidelijk geen betrekking heeft op de jurisdictionele procedure. Het bestreden arrest gaat aldus in tegen de duidelijke tekst van artikel 387, eerste lid OVD, zodat het deze bepaling schendt. [...] Het is juist dat de verzoekende partijen er in hun verzoek tot vernietiging op hadden gewezen dat geen enkele overgangsbepaling van het OVD iets zegt over de jurisdictionele procedure. Ten titel van voorbeeld werd daarbij ook verwezen naar artikel 397 OVD. Echter oordeelt het bestreden arrest dat beide overgangsbepalingen (en dus ook artikel 397, § 2, eerste en zesde lid OVD) betrekking zouden hebben op ‘zowel de administratieve ais de jurisdictionele beroepsprocedure’ en dat om die reden de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet bevoegd zou zijn. Het bestreden arrest steunt dus mede op artikel 397, § 2 OVD. Nochtans is die bepaling hier helemaal niet van toepassing. [...] Daaruit kan men dus onmogelijk - in weerwil van de duidelijke tekst van artikel 388, § 3 OVD - afleiden dat die bepaling niet zou moeten gelden bij de toepassing van artikel 105 OVD. Meer nog, door aldus te oordelen voegt de Raad voor Vergunningsbetwistingen een onderscheid toe aan die wettekst die er in werkelijkheid niet in voorkomt. Dit alles geldt overigens ook voor de hele uiteenzetting in het bestreden arrest onder verwijzing naar de ‘impliciete bevoegdheden’. Immers zegt het bestreden arrest niet dat artikel 10 BWHI rechtstreeks tot een restrictieve interpretatie van haar bevoegdheden zou moeten leiden, maar enkel dat uit de parlementaire werken, in de passages waar de decreetgever toelicht waarom gebruik kon gemaakt worden van de regeling inzake impliciete bevoegdheden, niet blijkt dat de decreetgever uitdrukkelijk de Raad voor Vergunningsbetwistingen bevoegd wilde maken voor milieuvergunningen VII-40.561-6/14 die werden verleend na de inwerkingtreding van het OVD. Ook die redenering is dus niets meer of minder dan het anders interpreteren van de duidelijke tekst van artikel 388, § 3 OVD onder verwijzing naar parlementaire werken. Door aldus te oordelen, heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen de draagwijdte van de nochtans duidelijke tekst van artikel 388, § 3 OVD ten onrechte beperkt, zodat ook die bepaling is geschonden. Het enig cassatiemiddel is dan ook gegrond”. Beoordeling
- Artikel 105, § 1 OVD bepaalt: “§
- De uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning, genomen in laatste administratieve aanleg, of de aktename van een melding, vermeld in artikel 111, kan bestreden worden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk VIII, van de VCRO”. Deze bepaling is naar luid van artikel 397, § 1 OVD in werking getreden op 23 februari
- Luidens artikel 2, eerste lid 7°, en 8°, OVD is een omgevingsvergunning de schriftelijke beslissing van de vergunningverlenende overheid houdende toelating voor een vergunningsplichtig project dat het geheel vormt van onder andere stedenbouwkundige handelingen en de exploitatie van ingedeelde inrichtingen, of minstens één van die elementen, die onderworpen zijn aan een vergunningsplicht.
- De RvVb heeft onaantastbaar vastgesteld dat: -“de aanvraag voor voorliggend project, zijnde een milieuvergunningsaanvraag voor het exploiteren van twee windturbines […] op 3 februari 2017 werd ingediend bij de deputatie van de provincie”; -de bestreden milieuvergunningsbeslissing werd genomen “met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning”; VII-40.561-7/14
- Luidens het op 23 februari 2017 opgeheven artikel 4.8.2, 1° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening doet de RvVb als administratief rechtscollege, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tot vernietiging van vergunningsbeslissingen, “zijnde uitdrukkelijke of stilzwijgende bestuurlijke beslissingen, genomen in laatste administratieve aanleg, betreffende het afgeven of weigeren van een vergunning”. Een vergunning in voormelde bepaling is luidens het op 23 februari 2017 opgeheven artikel 4.1.1, 13° een stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning.
- Luidens artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij wijze van arresten uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring “[i]ndien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend”. De bevoegdheid van de RvVb vormt een uitzondering op de algemene bevoegdheid van de Raad van State. De bevoegdheid van de RvVb is beperkt tot de beroepen tegen de door bevoegde Vlaamse decreetgever bepaalde bestuurlijke beslissingen.
- In de parlementaire voorbereiding van het OVD (Parl.St. Vl.Parl. 2013-2014, nr. é4/1, 67-70) werd gesteld: “De RvVb is momenteel bevoegd om zich uit te spreken over vergunningsbeslissingen betreffende het afgeven of weigeren van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning (artikel 4.8.2 VCRO), [...]. Voorliggend decreet integreert zowel aspecten van stedenbouw en ruimtelijke ordening - die vroeger deel uitmaakten van de stedenbouwkundige vergunning /verkavelingsvergunning - als milieukundige aspecten - die vroeger deel uitmaakten van de milieuvergunning - in één vergunning, nl. de omgevingsvergunning. Hierdoor zal voortaan één omgevingsvergunning worden verleend die drie types van projecten kan omvatten: VII-40.561-8/14 -projecten waarvoor nu alleen een stedenbouwkundige vergunning noodzakelijk is; -projecten waarvoor nu alleen een milieuvergunning vereist is; -projecten die zowel een stedenbouwkundige vergunning als een milieuvergunning vereisen, de gemengde projecten. De RvVb bevoegd maken voor het contentieux inzake de omgevingsvergunning komt dus neer op het uitbreiden van zijn bevoegdheid met het contentieux inzake de omgevingsvergunning, voor wat betreft de milieukundige aspecten. […] De noodzaak tot oprichting van een bijzonder gespecialiseerd rechtscollege voor de legaliteitsbeoordeling van stedenbouwkundige vergunningen, in casu de RvVb [...] kan worden doorgetrokken naar het milieuvergunningscontentieux dat een toetsingskader gebruikt dat minstens zo complex is als hetgeen dat gebruikt wordt voor de stedenbouwkundige vergunningen. Door de integratie van zowel aspecten van stedenbouw en ruimtelijke ordening - die deel uitmaakten van de stedenbouwkundige vergunning/verkavelingsvergunning - als milieukundige aspecten - die vroeger deel uitmaakten van de milieuvergunning - in één vergunning, nl. de omgevingsvergunning, is de nood aan een gespecialiseerd rechtscollege, bestaande uit deskundigen gespecialiseerd in het ruimtelijkeordeningsrecht én milieurecht des te groter, omdat het toetsingskader van beide vergunningsstelsels voortaan gecombineerd en geïntegreerd zal moeten worden aangewend en toegepast. Het integratieproces dat is voorzien in de vergunningsprocedure (zowel qua voorbereiding als totstandkoming van de vergunningsbeslissing) vereist met andere woorden ook een integratie en bijzondere specialisatie in de legaliteitsbeoordeling. De RvVb voldoet als bijzonder gespecialiseerd administratief rechtscollege aan deze noodzaak. […] Naar aanleiding van de toewijzing van het vernietigings- en schorsingscontentieux inzake de omgevingsvergunning aan de RvVb worden tegelijkertijd de benoemingsvoorwaarden van de nieuw aan te stellen raadsleden die zijn opgesomd in de VCRO, aangevuld in die zin dat de raadsleden voortaan deskundig moeten zijn in het omgevingsrecht, namelijk het ruimtelijkeordeningsrecht én milieurecht (zie artikel 349 dat artikel 4.8.34 VCRO wijzigt). […] De hierboven geschetste integratie en specialisatie laat toe om de integrale beoordeling, die thans reeds voorzien is in de administratieve (beroeps)procedure, te continueren in de legaliteitsbeoordeling en wettigheidstoets. Hierdoor wordt een kwalitatief goede en efficiënte rechtsbescherming geboden aan de rechtzoekende, die beter is dan de bestaande toestand waarbij het vergunningscontentieux m.b.t. ruimtelijke ordening en milieu wordt gespreid over twee rechtscolleges, nl. de RvVb en de Raad van State. […] VII-40.561-9/14 Voor een aantal projecten is thans een milieuvergunning én een stedenbouwkundige vergunning vereist. De rechtspraak en rechtsvorming terzake berust thans bij twee afzonderlijke administratieve rechtscolleges, de Raad van State en de RvVb. Door de integratie van beide vergunningen in één omgevingsvergunning en de toekenning van het schorsings- en vernietigingscontentieux ervan aan één rechtscollege dat gespecialiseerd is in het milieu- en ruimtelijkeordeningsrecht, wordt ook gewaakt over de eenheid van de rechtspraak en rechtsvorming, wat op zich ook bijdraagt tot de rechtszekerheid in hoofde van de burger.”
- Artikel 387, eerste lid, OVD bepaalt: “Een aanvraag van een milieuvergunning [...] wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend”. Uit deze overgangsmaatregel volgt dat een aanvraag van een milieuvergunning leidt tot een beslissing bij toepassing van het milieuvergunningsdecreet. Deze overgangsmaatregel is geen decretale bepaling die een geschil over een milieuvergunning toekent aan een ander administratief rechtscollege, de RvVb, dan de Raad van State.” Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- De verwijzing in het bestreden arrest naar artikel 397, § 2, eerste en zesde lid OVD is ter beantwoording van de verwijzing door de verzoekende partijen naar deze bepaling en behelst een bijkomende reden voor de conclusie dat de jurisdictionele beroepsmogelijkheid tegen de bestreden milieuvergunning bepaald wordt door de procedureregels die van toepassing waren in eerste administratieve aanleg,. VII-40.561-10/14 Het middel dat, al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, heeft geen belang en is derhalve niet ontvankelijk.
- Artikel 388, § 2 OVD bepaalt onder meer dat de milieuvergunning die werd of nog wordt verleend op grond van de bepalingen van het milieuvergunningsdecreet “worden voor de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het DABM beschouwd als de omgevingsvergunning”. Deze bepaling is een overgangsmaatregel voor milieuvergunningen verleend met toepassing van het milieuvergunningsdecreet. Deze overgangsmaatregel is bijgevolg geen decretale bepaling die een geschil over een milieuvergunning toekent aan een ander administratief rechtscollege, de RvVb, dan de Raad van State. Het middel dat ervan uitgaat dat de RvVb door deze bepaling “bevoegd is overeenkomstig artikel 105 OVD”, faalt naar recht.
- Het arrest van de RvVb moet met redenen worden omkleed. De aan de RvVb grondwettelijk opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. VII-40.561-11/14
- De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- De RvVb besluit tot de onbevoegdheid op grond van -samengevat- volgende overwegingen: -de milieuvergunningsaanvraag werd op 3 februari 2017 ingediend; -gelet op het bepaalde in voormeld artikel 4.8.2 VCRO was de RvVb op het moment van de aanvraag niet bevoegd om uitspraak te doen over een jurisdictioneel beroep tegen een milieuvergunning, -de RvVb is vanaf 23 februari 2017 op grond van artikel 105 OVD bevoegd voor jurisdictionele beroepen tegen beslissingen betreffende een omgevingsvergunning, -de overgangsbepalingen van artikel 387, eerste lid en artikel 397, § 2, eerste en zesde lid OVD hebben betrekking op zowel de administratieve als de jurisdictionele beroepsprocedure, -artikel 388, § 3 OVD is gericht op het behoud van de geldigheid van bestaande vergunningen, werd niet opgemaakt met de intentie om invloed uit te oefenen op de bevoegdheid van de RvVb, -de interpretatie door verzoekende partijen van artikel 388, § 3 OVD is niet te rijmen met de bevoegdheden van de RvVb die moeten “worden begrepen in de context van de impliciete bevoegdheden”, -uit de verantwoording in de parlementaire voorbereiding van het OVD blijkt “nergens dat de decreetgever de [RvVb] ook bevoegdheid wenste te geven in het contentieux van de milieuvergunningsbeslissingen die genomen zijn met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning”.
- Het middel dat het bestreden arrest een gemis aan motivering aanwrijft, mist feitelijke grondslag. VII-40.561-12/14
- Met de aangehaalde motieven heeft de RvVb in het bestreden arrest op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze de redenen uiteengezet die hem ertoe gebracht heeft zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van het ingestelde beroep en de exceptie gegrond te verklaren.
- Het middel wordt in al zijn onderdelen verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, elk voor de helft, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.561-13/14 Dit arrest is uitgesproken op achttien mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.561-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.565 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div