id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.567 Rolnummer: A. 221793/VII-39946 Zaak: Arrest 247567 - Dierenwelzijn - 18/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-18 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-26 03:30 Fiche Arrest nr 247.567 van 18 mei 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.567 van 18 mei 2020 in de zaak A. 221.793/VII-39.946 In zake : de NV EXPORTSLACHTHUIS TIELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Goossens en Bart Martel kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de inspecteur-dierenarts bij de Inspectie Dierenwelzijn van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van 24 maart 2017 waarbij “de productie [van] Exportslachthuis Tielt NV, Hoogserlei 1-3 te Tielt moet worden stopgezet” en waarbij voorwaarden worden verbonden aan het terug opstarten van die productie. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 237.899 van 3 april 2017 worden de verzoeken tot tussenkomst van de VZW Gaia en de VZW Animal Rights afgewezen, wordt het VII-39.946-1/22 debat heropend en wordt de zaak voor verdere behandeling vastgesteld op de openbare terechtzitting van 20 april 2017. Bij arrest nr. 237.983 van 24 april 2017 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’, waarvan de termijn is verlengd bij koninklijk besluit van 4 mei 2020. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 5 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-39.946-2/22 III. Feiten 3.1. De verzoekende partij exploiteert een varkensslachthuis te Tielt met een vergunde slachtcapaciteit van 1.500.000 dieren per jaar. Zij stelt dat zij 54 werknemers in dienst heeft, 17 bedienden en 37 arbeiders. 3.2. Op 23 maart 2017 maakt de dierenrechtenorganisatie Animal Rights een reportage openbaar die met een verborgen camera werd gemaakt in het slachthuis van de verzoekende partij. Deze beelden kennen een ruime verspreiding in de media, wekken beroering bij de publieke opinie en geven aanleiding tot een maatschappelijk debat. Er zijn ook politieke verklaringen waarin de vastgestelde toestanden scherp worden veroordeeld. Diezelfde dag onderwerpen het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen en de Inspectie Dierenwelzijn van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie het bedrijf van de verzoekende partij aan een controle. Die controle, waarbij de verschillende stappen van het slachtproces werden overlopen en gecontroleerd, geschiedt in het bijzijn van de kwaliteitsmanager van de verzoekende partij. 3.3. Op 24 maart 2017 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Deze is als volgt gemotiveerd: “Gelet op het proces verbaal van overtredingen met nummer G-16-899-SAC/AWF dd. 8 maart 2016 ten laste van exportslachthuis Tielt N.v. - Hoogserlei 1/3 - 8700 Tielt. Dit PV werd opgesteld naar aanleiding van het ontvangen van een controleverslag van het FAVV op 23/2/2016 waarin overtredingen tegenover de dierenwelzijnswetgeving werden aangegeven die werden vastgesteld op 16/2/2016 in het slachthuis Export Slachthuis Tielt. Meer bepaald werden volgende overtredingen op het KB van 16/01/1998 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden vastgesteld: VII-39.946-3/22 De infrastructuur voldoet niet opdat voorkomen kan worden dat dieren vallen of zich verwonden. Het ventilatiesysteem voldoet niet. Dit zijn overtredingen van artikel 4 en artikel 5§1 van het KB van 16 januari 1998 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden en punt B3 en B7 van hoofdstuk I van de bijlage Artikel 4, overeenkomend met artikel 3.1. van verordening (EG) nr 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden : doordat de infrastructuur niet voldoet zodat niet voorkomen kan worden dat dieren vallen of zich verwonden en doordat het ventilatiesysteem niet voldoet Artikel 5, § 1, in combinatie met hoofdstuk I, B van de bijlage bij het besluit, intussen vervangen door artikel 8 § 1, en bijlage 2 hoofdstuk hoofdstuk 1, 8 van de bijlage bij het vermelde BVR van 19 februari 2016 : doordat de infrastructuur niet voldoet zodat niet voorkomen kan worden dat dieren vallen of zich verwonden en doordat het ventilatiesysteem niet voldoet Bijlage bij het koninklijk besluit van 16 januari 1998. B. Voorschriften voor niet in container aangevoerde dieren 3. Bij het verplaatsen van de dieren dient behoedzaam te werk worden gegaan. Drijfgangen moeten zo zijn geconstrueerd dat het gevaar voor verwondingen van de dieren zo klein mogelijk wordt en moeten zo zijn aangelegd dat gebruik kan worden gemaakt van het kudde-instinct. 7. Onverminderd de elders in de wetgeving vastgestelde eisen, moeten de stallen beschikken over: - vloeren die zo weinig mogelijk gevaar van uitglijden opleveren en die geen verwondingen veroorzaken wanneer de dieren ermee in contact komen - adequate ventilatie, ook bij voorzienbare extreme omstandigheden qua temperatuur en vochtigheidsgraad. Wanneer ventilatieapperatuur noodzakelijk is, moet worden gezorgd voor noodvoorzieningen die bij eventuele storingen onmiddellijk kunnen worden ingezet. - Kunstlicht dat voldoende intens is om de dieren te allen tijde te kunnen keuren; tevens moet er, zo nodig, een adequate noodverlichting voorhanden zijn; - In voorkomend geval, voorzieningen om de dieren vast te binden; - Indien nodig, voldoende geschikt strooisel voor alle dieren die in de stallen overnachten. Gelet op het proces verbaal van overtredingen met nummer G-16-1732-SAC-AWF dd. 6 juni 2016 ten laste van exportslachthuis Tielt N.V. - Hoogserlei 1/3 - 8700 Tielt. Dit PV werd opgesteld naar aanleiding van een controle door de dienst Dierenwelzijn van het Departement, Leefmilieu Natuur en Energie op 23/052016 waarbij volgende overtredingen werden vastgesteld: 1. een neerzittend varken dat niet vooruit wil, wordt gedwongen vooruit geschoven door een backloader. Ook op 13/5/2016 werd in het bijzijn van een inspecteur dierenarts van het FAVV een varken, dat in de drijfgang naar de gasverdoving, met zijn achterpoot vast zat onder het paneel van de backloader, vooruit geschoven naar de gasverdoving, met zijn achterpoot vast zat onder het paneel van de backloader, VII-39.946-4/22 vooruit geschoven zonder dat daarbij de backloader omhoog werd gedaan door het aanwezige personeel dat hier nochtans op attent werd gemaakt door een inspecteur-dierenarts. - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Art 3.1. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. 2. Voor de toepassing van lid 1 nemen bedrijfsexploitanten met name de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat dieren;
- a)fysiek comfort en fysieke bescherming wordt geboden, met name doordat zij schoon worden gehouden. In een omgeving met adequate thermische omstandigheden die ook bescherming biedt tegen vallen of uitglijden; (…) 3. Voorzieningen voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden zodanig ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt, dat de naleving van de verplichtingen in de leden 1 en 2 overeenkomstig het verwachte activiteitenniveau het hele jaar door gewaarborgd is. - Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren Artikel 1. Niemand mag, uitgezonderd bij overmacht, handelingen plegen die niet door deze wet zijn voorzien en waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak een verminking een letsel of pijn ondergaat. 2. De varkens glijden uit op de vloer omdat deze er te glibberig bij ligt. - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Artikel 14 punt 1. De bedrijfsexploitanten zorgen ervoor dat de indeling en bouw van slachthuizen en de daarin gebruikte apparatuur voldoen aan de voorschriften bijlage II. Bijlage II, punt 2.5. De constructie en het onderhoud van de vloeren zijn zodanig dat het risico dat dieren uitglijden, vallen of letsel aan hun poten oplopen, zoveel mogelijk beperkt is. 3. Niet alle personeel is naar behoren opgeleid, bekwaam en de taal machtig opdat vermijdbare vormen van pijn, spanning of lijden van dieren voorkomen kan worden. - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Artikel 7 punt 1. Het doden van dieren en de daarmee verband houdende activiteiten mogen uitsluitend worden uitgevoerd door personeel dat over het passende vakbekwaamheidsniveau beschikt om dit te kunnen doen zonder enige vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden bij de dieren te voorzaken. 4. Er is onvoldoende personeel aanwezig opdat de varkens naar behoren gedreven kunnen worden - Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren Art. 4. § 1. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen zijn gezondheidstoestand en zijn graad van VII-39.946-5/22 ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. § 2. Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsel is blootgesteld. Gelet op de ontvangen meldingen betreffende non conformiteiten die in 2017 werden ontvangen via het FAVV: Ventilatiesystemen zijn zodanig ontworpen, geïnstalleerd en onderhouden dat het welzijn van de dieren continu is gewaarborgd, rekening houdend met de weersomstandigheden. Bij gebruik van mechanische ventilatiemiddelen is er een waarschuwingssysteem en noodvoorziening beschikbaar : melding op 20/1/2017 - 6/2/2017 - 20/2/2017 - 10/3/2017 Een aangepaste bedwelmingsapparatuur is beschikbaar en gebruiksklaar, evenals reserve gebruiksklare reserveapparatuur: melding op 6/2/2017 - 20/2/2017 - 10/3/2017 Gelet op de overtredingen vastgesteld aan de hand van het filmpje gemaakt door Animal Rights dat op 23/03/2017 in de media werd gebracht en op de website https://www. animalrights.be/animal-rights-filmt-mishandeling-van-varkens-slachthuis-tielt werdt geplaatst. Tijdens lossen/drijven: Een varken dat niet zelfstandig de losbrug kan oplopen, wordt verder gestampt Varkens worden via de oren van de losbrug getrokken, dit gebeurt ook in de stal Een levend varken wordt via takels aan de poten van de losbrug getrokken Een varken met gebroken achterpoot laat men van de losbrug aflopen Een varken met verwonde achterpoot(hoef)laat men zelfstandig lopen naar de stal Varken wordt bij de neus genomen Varken herhaaldelijk kloppen met ‘klapper’ op de kop (gevoelig deel) Varken met hand kloppen Varken oppakken en neergooien Varken met hand aan staart optillen en in de hoogte wegsmijten Varken dat niet recht wil de voeten vooruitduwen Varken met abces/mogelijks gebroken poot, en dat moeilijk te been is, herhaaldelijk op kop slaan met klapper en doen lopen in gang Varken verder duwen met slapoortje Met achterkant klapper in huid porren van dier dat niet vooruit wil Varken dat bedwelmd wordt met penschiettoestel op de losbrug wordt niet onmiddellijk ter plaatse gekeeld maar wordt gerold van transportband - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden VII-39.946-6/22 Art. 3. 1. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. 2. Voor de toepassing van lid 1 nemen bedrijfsexploitanten met name de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat dieren:
- a)fysiek comfort en fysieke bescherming wordt geboden, met name doordat zij schoon worden gehouden. In een omgeving met adequate thermische omstandigheden die ook bescherming biedt tegen vallen of uitglijden;
- b)beschermd zijn tegen letsel; (…)
- d)geen tekenen van vermijdbare pijn, angst, of abnormaal gedrag vertonen; (…) 3. Voorzieningen voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden zodanig ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt, dat de naleving van de verplichtingen in de leden 1 en 2 overeenkomstig het verwachte activiteitenniveau het hele jaar door gewaarborgd is. - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Punt 1.8. Bijlage III Operationele voorschriften voor slachthuizen 1.8. Het is verboden:
- a)de dieren te slaan of te schoppen;
- b)op een bijzonder gevoelig deel van het lichaam op zodanige wijze druk uit te oefenen dat het de dieren vermijdbare pijn of vermijdbaar lijden berokkent;
- c)de dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun pijn of vermijdbaar lijden berokkent; Het verbod dieren bij de poten op te tillen geldt evenwel niet voor pluimvee, konijnen en hazen. (…). Punt 1.11 Bijlage III Operationele voorschriften voor slachthuizen a. Dieren kunnen niet lopen, mogen niet naar de slachtplaats worden gesleept maar moeten ter plaatse worden gedood. - Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren Artikel 1. Niemand mag, uitgezonderd bij overmacht, handelingen plegen die niet door deze wet zijn voorzien en waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak een verminking, een letsel of pijn ondergaat. 2. Tijdens drijven naar CO2 bedwelming Onvoldoende bedwelmd varken (penschiettoestel) wordt gekeeld Niet correct uitvoeren van de elektrische bedwelming Een varken blijft vastzitten met zijn snuit achter het poortje van het drijfsysteem Geen toezicht van personeel bij automatisch drijven van varkens in gaskamers - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden VII-39.946-7/22 Art 3.1. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. 2. Voor de toepassing van lid 1 nemen bedrijfsexploitanten met name de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat dieren;
- a)fysiek comfort en fysieke bescherming wordt geboden, met name doordat zij schoon worden gehouden. In een omgeving met adequate thermische omstandigheden die ook bescherming biedt tegen vallen of uitglijden;
- b)beschermd zijn tegen letsel; (…)
- d)geen tekenen van vermijdbare pijn, angst of abnormaal gedrag vertonen; (…) 3. Voorzieningen voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden zodanig ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt, dat de naleving van de verplichtingen in de leden 1 en 2 overeenkomstig het verwachte activiteitenniveau het hele jaar door gewaarborgd is. - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Art 4. Verdovingsmethoden 1. Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid wordt aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden. De in bijlage I vermelde methoden die niet de onmiddellijke dood tot gevolg hebben (hierna ‘eenvoudige bedwelming’ genoemd), worden zo spoedig mogelijk gevolgd door een methode die de dood garandeert, zoals verbloeden, pithing, elektrocutie of langdurige blootstelling aan zuurstoftekort. - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Art 5 punt 1 De bedrijfsexploitanten zien erop toe dat personen die verantwoordelijke zijn voor de bedwelming of ander aangewezen personeel, periodieke controles uitvoeren om te waarborgen dat de dieren geen tekenen van bewustzijn of gevoeligheid vertonen in de periode gelegen tussen het eind van het bedwelmingsproces en hun dood. Dergelijke controles worden op een representatieve steekproef van dieren uitgevoerd en de frequentie van de controles wordt bepaald aan de hand van de resultaten van eerdere controles en alle andere factoren die van invloed kunnen zijn op de efficiëntie van het bedwelmingsproces. Indien uit het resultaat van de controle blijkt dat een dier niet adequaat is bedwelmd, neemt de met bedwelming belaste persoon onmiddellijk de passende maatregelen als bedoeld in de overeenkomst artikel 6, lid 2, opgestelde standaardwerkwijzen. 3. Na CO2 bedwelming Steken van een onvoldoende bedwelmd varken Steken van een onvoldoende bedwelmd varken dat niet ophangt + valt nadien van de band VII-39.946-8/22 Opgetakeld varken dat duidelijk onvoldoende bedwelmd is en dat niet onmiddellijk bijkomend verdoofd wordt Opgetakeld varken dat nog bij bewustzijn is en nadien bij bewustzijn het broeibad in gaat en verdrinkt Geen toezicht of varkens effectief dood zijn voor ze broeibad in gaan Dierenarts geeft toe dat soms niet volledig bedwelmde dieren na de CO2 worden opgetakeld Te hoge druk van aanvoer varkens in verhouding met aanwezig personeel om dieren na gasverdoving naar behoren electrisch te kunnen verdoven Dierenarts verklaart dat de dieren gemiddeld 10-15 sec spartelen in de CO2 put vooral verdoofd zijn. - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Art 3.1. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. 2. Voor de toepassing van lid 1 nemen bedrijfsexploitanten met name de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat dieren:
- a)fysiek comfort en fysieke bescherming wordt geboden, met name doordat zij schoon worden gehouden, in een omgeving met adequate thermische omstandigheden die ook bescherming biedt tegen vallen of uitglijden;
- b)beschermd zijn tegen letsel; (…)
- d)geen tekenen van vermijdbare pijn, angst of abnormaal gedrag vertonen; (…) 3. Voorzieningen voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden zodanig ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt, dat de naleving van de verplichtingen in de leden 1 en 2 overeenkomstig het verwachte activiteitenniveau het hele jaar door gewaarborgd is. - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Art 5 punt 1 De bedrijfsexploitanten zien erop toe dat personen die verantwoordelijk zijn voor de bedwelming of ander daartoe aangewezen personeel, periodieke controles uitvoeren om te waarborgen dat de dieren geen tekenen van bewustzijn of gevoeligheid vertonen in de periode gelegen tussen het eind van het bedwelmingsproces en hun dood. Dergelijke controles worden op een representatieve steekproef van dieren uitgevoerd en de frequentie van de controles wordt bepaald aan de hand van de resultaten van eerdere controles en alle andere factoren die van invloed kunnen zijn op de efficiëntie van het bedwelmingsproces. Indien uit het resultaat van de controle blijkt dat een dier niet adequaat is bedwelmd, neemt de met bedwelming belaste persoon onmiddellijk de passende maatregelen als bedoeld in de overeenkomstig artikel 6, lid 2, opgestelde standaardwerkwijzen. - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Punt 6.1. Bijlage II indeling, bouw en uitrusting slachthuizen VII-39.946-9/22 6.1. Gasbedwelmingsinstallaties, transportbanden inbegrepen zijn zodanig ontworpen en gebouwd dat:
- a)de methoden voor het bedwelmen met gas optimaal kunnen worden toegepast;
- b)letsel of kneuzingen bij de dieren worden voorkomen, en
- c)eventuele worstelingen om los te komen en het uitbrengen van geluiden tijdens het fixeren van dieren zoveel mogelijk worden beperkt. - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden artikel 15 punt 3 a. De volgende fixatiemethoden zijn verboden:
- a)het ophangen of optakelen van dieren die bij bewustzijn zijn; Gelet op de onderstaande overtredingen vastgesteld naar aanleiding van een controle door de dienst Dierenwelzijn van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie op 23/03/2017 1. Dieren glijden uit ter hoogte van de laadbruggen wegens defecte vloer - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Art 3.1. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. 2. Voorde toepassing van lid 1 nemen bedrijfsexploitanten met name de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat dieren:
- a)fysiek comfort en fysieke bescherming wordt aangeboden, met name doordat zijn schoon worden gehouden, in een omgeving met adequate thermische omstandigheden die ook bescherming biedt tegen vallen of uitglijden;
- b)beschermd zijn tegen letstel; (…) 3. Voorzieningen voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden zodanig ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt, dat de naleving van de verplichtingen in de leden 1 en 2 overeenkomstig het verwachte activiteitenniveau het hele jaar door gewaarborgd is. 2. Geen toezicht van personeel bij automatisch drijven van varkens in gaskamer - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Art 3.1. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. 2. Voor de toepassing van lid 1 nemen bedrijfsexploitanten met name de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat dieren:
- a)fysiek comfort en fysieke bescherming wordt geboden, met name doordat zij schoon worden gehouden, in een omgeving met adequate thermische omstandigheden die ook bescherming biedt tegen vallen of uitglijden;
- b)beschermd zijn tegen letsel; (…) 3. Voorzieningen voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden zodanig ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt dat VII-39.946-10/22 de naleving van de verplichtingen in de leden 1 en 2 overeenkomstig het verwachte activiteitenniveau het hele jaar door gewaarborgd is. 3. Incorrect gebruik van de backloader : varkens worden naar voren geduwd waarbij ze op elkaar geduwd worden in plaats van voorzichtig aangespoord te worden om zich voort te bewegen - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Art. 3.1. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. 2. Voor de toepassing van lid 1 nemen bedrijfsexploitanten met name de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat dieren:
- a)fysiek comfort en fysieke bescherming wordt geboden, met name doordat zij schoon worden gehouden, in een omgeving met adequate thermische omstandigheden die ook bescherming biedt tegen vallen of uitglijden;
- b)beschermd zijn tegen letsel; (…) 3. Voorzieningen voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden zodanig ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruik, dat de naleving van de verplichtingen in de leden 1 en 2 overeenkomstig het verwachte activiteitenniveau het hele jaar door gewaarborgd is. 4. Afwezigheid van een functionaris voor het dierenwelzijn - Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Artikel 17 punt 1. De bedrijfexploitanten benoemen voor elk slachthuis een functionaris voor het dierenwelzijn om hen bij te staan bij de naleving van de voorschriften van de verordening. OM DEZE REDENEN wordt in toepassing van art. 22 punt 1
- a)van de Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden besloten dat de standaardwerkwijzen moeten aangepast worden en meer in het bijzonder dat de productie Exportslachthuis Tielt NV, Hoogserlei 1-3 te Tielt moet worden stopgezet. De productie van het Exportslachthuis Tielt NV, Hoogserlei 1-3 te Tielt kan pas terug opgestart worden na het voorleggen aan de dienst Dierenwelzijn van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van een gemotiveerd actieplan met een gedetailleerde beschrijving van de acties die genomen zullen worden opdat er geen overtredingen zoals hiervoor vermeld meer kunnen worden gepleegd en dat een oplossing biedt voor de vastgestelde overtredingen en na goedkeuring van dit actieplan door de dienst Dierenwelzijn van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie. (…)”. 3.4. De beslissing is ondertekend door een inspecteur-dierenarts. De verzoekende partij erkent dat zij deze heeft ontvangen op 24 maart 2017. VII-39.946-11/22 3.5. In een brief aan de verwerende partij van 29 maart 2017 schrijft de verzoekende partij zelf: ‘[…] De inhoud van de beelden laat niks tot de verbeelding over, en we begrijpen maar al te goed dat de publieke opinie de vaststellingen veroordeelt. […] Ik besef dan ook dat de groeipijnen waar ons bedrijf op vandaag mee wordt geconfronteerd, mede de oorzaak kunnen zijn van het gebrek aan toezicht en opleiding op de werkvloer, wat finaal zijn uitwerking heeft gevonden in het dierenleed, […]. De inbreuken op dierenwelzijn die op film werden vastgelegd, konden duidelijk worden vermeden mits gekwalificeerd en geschikt personeel […]. Hier zijn dan ook fouten gebeurd die een oorzakelijk verband kunnen leggen met opleiding en het respecteren van de regels in het kader van dierenwelzijn. […]’.”. 3.6. De verzoekende partij dagvaardt op 4 april 2017 de verwerende partij voor de Voorzitter van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg in Brussel, zetelend in kort geding. 3.7. Zij wordt op 5 april 2017 via mailbericht formeel in kennis gesteld van de beslissing van de inspecteur-dierenarts, om een actieplan goed te keuren en de productie met ingang van 6 april 2017 opnieuw te laten opstarten. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de verwerende partij 4. Volgens de verwerende partij kan de verzoekende partij haar belang niet voor het eerst uiteenzetten in de memorie van wederantwoord. Zij stelt dat het beroep onontvankelijk is wegens gebrek aan belang omdat het verzoekschrift werd ingediend nadat het actieplan van de verzoekende partij werd goedgekeurd en de activiteiten werden heropgestart. De verzoekende partij zou op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift geen nadeel lijden ten gevolge van de bestreden beslissing. Na de hervatting van de activiteiten had de bestreden beslissing volgens de VII-39.946-12/22 verwerende partij geen rechtsgevolgen meer. Het nadeel zou verdwenen zijn op het ogenblik dat de verzoekende partij haar activiteiten kon hervatten. Volgens de verwerende partij kan de verzoekende partij ook geen enkel voordeel halen uit de vernietiging van de bestreden beslissing. Voorts meent de verwerende partij dat de verzoekende partij heeft berust in de bestreden beslissing of ermee heeft ingestemd, hetgeen zou blijken uit de houding die zij heeft aangenomen, onder meer door een brief die de verzoekende partij op 29 maart 2017 aan de verwerende partij heeft overgemaakt. Ook om die reden zou de verzoekende partij geen belang hebben bij huidig verzoekschrift tot nietigverklaring. Aangezien de verzoekende partij de feiten nooit heeft betwist, kan er volgens de verwerende partij ook geen sprake zijn van een moreel nadeel. Dat nadeel zou volgens de verwerende partij volgen uit de eigen communicatie en houding van de verzoekende partij. Verder heeft zij een actieplan opgesteld waaruit kan blijken dat zij haar fout erkent en hieraan tegemoet dient te worden gekomen. Ten slotte zou het verkrijgen van een schadevergoeding het enige oogmerk van de verzoekende partij zijn. Beoordeling 5. Een verzoekende partij is niet verplicht haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Indien dit belang wordt in twijfel getrokken, moet zij wel bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering verschaffen en haar belang staven. Te dezen heeft de verzoekende partij dit gedaan in haar memorie van wederantwoord. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State VII-39.946-13/22 bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing moet aan de verzoeker ook enig voordeel verschaffen. De beslissing tot stopzetting van de activiteit met onmiddellijke ingang schept een vermoeden dat de verzoekende partij onregelmatigheden heeft begaan die een dergelijk verregaande beslissing noodzakelijk maken. Gelet ook op de ruchtbaarheid die hieraan werd gegeven, werd het imago en de reputatie van de verzoekende partij aangetast. Dit vormt een moreel nadeel in haren hoofde. De verzoekende partij heeft minstens een moreel belang bij het beroep dat ertoe strekt deze beslissing uit de rechtsorde te doen verdwijnen. De enkele omstandigheid dat de beslissing geen uitwerking meer heeft sinds 6 april 2017 doet de verzoekende partij haar belang bij het beroep niet verliezen. Beslissingen met een in de tijd beperkte geldingsduur zijn immers niet uit de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State gesloten. De morele genoegdoening die een vernietigingsarrest kan verschaffen is te dezen een voldoende voordeel dat de vernietiging aan de verzoekende partij verschaft. Zoals de verzoekende partij uiteenzet kan haar wat zij noemt constructieve houding en haar medewerking aan de door het Vlaamse Gewest gewenste aanpassing van haar productieproces en de heropstart van haar activiteiten bezwaarlijk zo begrepen worden dat zij zich akkoord zou hebben verklaard met de maatregel die ten aanzien van haar is genomen. De exceptie is niet gegrond. VII-39.946-14/22 V. Onderzoek van het eerste middel, eerste onderdeel Standpunten van de partijen 6. In een eerste middel voert de verzoekende partij machtsoverschrijding aan, wegens de onbevoegdheid van de steller van de handeling, en een gebrek aan rechtsgrond, de schending van het legaliteitsbeginsel, van artikel 2, tweede lid, artikel 4, tweede en vierde lid, artikel 5 en artikel 54 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europese Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn, van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, en van artikel 34 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: Dierenwelzijnswet) en van de formelemotiveringsplicht. Het eerste middelonderdeel heeft betrekking op de onbevoegdheid van de dierenarts om de “maatregel” bedoeld in artikel 22 van Verordening 1099/2009 te nemen. Indien de bestreden beslissing op een andere rechtsgrond zou steunen staat volgens haar meteen vast dat de bestreden beslissing de formelemotiveringsplicht schendt. De verzoekende partij betoogt dat Verordening 1099/2009 niet bepaalt welke overheid volgens het interne recht van de lidstaten over de bevoegdheid beschikt om de maatregelen te nemen die op grond van de verordening kunnen worden genomen. Die bevoegdheidstoewijzing aan een autoriteit van een lidstaat is volgens haar uitsluitend een zaak van intern recht van elke lidstaat. In het interne recht is er geen bepaling voorhanden op grond waarvan kan worden aangenomen dat aan de betrokken inspecteur-dierenarts van VII-39.946-15/22 het Departement LNE de bevoegdheid werd toegewezen of behoorlijk werd gedelegeerd om de maatregelen te nemen als bedoeld in artikel 22 van Verordening 1099/2009. Aangezien de bestreden maatregel niet werd genomen door een bevoegde autoriteit, ligt een schending van artikel 22 van deze Verordening voor. Zij besluit dat het uitsluitend aan de gewesten toekomt om de bevoegde autoriteit aan te duiden, hetgeen vooralsnog niet is gebeurd in het Vlaamse Gewest. 7. Wat de bevoegdheidsverdeling betreft zet de verwerende partij uiteen dat bij de laatste staatshervorming de bevoegdheid voor dierenwelzijn van de federale overheid naar de gewesten werd overgeheveld. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt volgens haar dat zowel de bevoegdheid inzake het vaststellen van de regels als de controle ervan volledig werd overgedragen aan de gewesten. Op het ogenblik van de staatshervorming behoort het uitvoerende en controlerende beleid tot de bevoegdheid van de gewesten. Artikel 94, § 1, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna: BWHI) heeft betrekking op de procedures en geeft aan de gemeenschappen en de gewesten de mogelijkheid om gebruik te maken van de procedurele regels die in de wetten werden opgenomen, en dit tot het ogenblik dat er op Vlaams niveau een eigen regelgeving hieromtrent gemaakt wordt. De bevoegde instanties op Vlaams niveau mogen hun bevoegdheden uitoefenen overeenkomstig de Dierenwelzijnswet, ondanks het feit dat dit een gewestelijke materie betreft. De vermelding van de bevoegdheid van het FAVV in artikel 34 van de Dierenwelzijnswet heeft volgens de verwerende partij dan ook enkel betrekking op het aspect dierengezondheid en de kwaliteit van dierlijke producten, maar niet op dierenwelzijn. Dat het FAVV ook niet meer de bevoegde instantie is, blijkt volgens de verwerende partij ook uit het besluit van de Vlaamse regering van VII-39.946-16/22 25 juli 2014 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, wat betreft de verdeling van de bevoegdheden, overgedragen in het kader van de zesde staatshervorming. Ten gevolge van deze wijziging is het beleidsdomein leefmilieu, natuur en energie uitdrukkelijk bevoegd voor dierenwelzijn. Wat de bevoegdheid tot het nemen van de bestreden beslissing betreft, refereert de verwerende partij aan artikel 4, § 5, van de Dierenwelzijnswet, dat bepaalt dat de in artikel 34 bedoelde overheidspersonen gemachtigd zijn om de nodige maatregelen te treffen of op te leggen om de verplichtingen voortvloeiend uit de §§ 1, 2, 3 en 4 onverwijld te doen naleven. Dit zijn onder meer de maatregelen bedoeld in artikel 22 van de Verordening. Volgens artikel 34 zijn de bevoegde overheidspersonen onder meer de statutaire en contractuele dierenartsen van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilileu. Ten gevolge van de zesde staatshervorming zijn het, steeds volgens de verwerende partij, uiteraard niet meer de statutaire en contractuele dierenartsen die door de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu tewerkgesteld zijn, die hiervoor bevoegd zijn, maar wel deze die op vandaag bij het Departement Omgeving zijn tewerkgesteld. De betrokken dierenarts is één van de statutaire dierenartsen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie en beschikt volgens de verwerende partij zodoende over de bevoegdheid om maatregelen te nemen. Van enige delegatie is er dan ook geen sprake, en die delegatie is ook niet noodzakelijk. 8. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij toe dat uit de parlementaire voorbereiding van de Dierenwelzijnswet blijkt dat artikel 4, § 5, van die wet het mogelijk maakt “dringend maatregelen op te leggen ten einde het lot der dieren te verbeteren zonder een vonnis van een rechtbank te moeten afwachten, VII-39.946-17/22 bijvoorbeeld in geval teveel dieren per oppervlakteëenheid worden gehouden; in dat geval zou de verbaliserende overheid de houder kunnen bevelen onmiddellijk deze toestand te verhelpen”. Aangezien te dezen de bestreden beslissing werd genomen door de verbaliserende overheid, is er volgens de verwerende partij geen sprake van onwettigheid “in de mate de beslissing werd genomen door de inspecteur dierenarts”. Beoordeling 9. Artikel 22, lid 1, a), van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (hierna: Verordening (EG) nr. 1099/2009) bepaalde ten tijde van de bestreden beslissing dat voor de toepassing van artikel 54 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (hierna: Verordening (EG) nr. 882/2004), de bevoegde autoriteit van bedrijfsexploitanten kan verlangen dat zij hun standaardwerkwijzen aanpassen en meer in het bijzonder hun productie vertragen dan wel stopzetten. Artikel 2, q), van Verordening (EG) nr. 1099/2009 definieerde ten tijde van de bestreden beslissing de "bevoegde autoriteit" als “de centrale autoriteit van een lidstaat die bevoegd is om ervoor te zorgen dat aan de vereisten van deze verordening wordt voldaan, of elke andere autoriteit waaraan die centrale autoriteit deze bevoegdheid heeft gedelegeerd”. Sinds 1 juli 2014 behoort het dierenwelzijn tot de bevoegdheid van de gewesten (artikel 6, § 1, XI, BWHI). De toelichting bij het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de zesde staatshervorming vermeldt: “Dit voorstel van bijzondere wet hevelt de bevoegdheid inzake het VII-39.946-18/22 vaststellen van regels met betrekking tot het dierenwelzijn en de controle ervan over naar de gewesten (nieuwe bepaling onder XI in artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen). Het begrip 'dierenwelzijn' is zeer ruim en betreft de aangelegenheden geregeld door of krachtens de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren”. Artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, zoals vervangen bij artikel 95 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 februari 2017 tot wijziging van diverse besluiten, wat betreft het beleidsdomein Omgeving, bepaalt: “§ 1. Het beleidsdomein Omgeving heeft betrekking op de volgende aangelegenheden: […] 8° het dierenwelzijn, vermeld in artikel 6, § 1, XI, van de bijzondere wet. § 2. Dit beleidsdomein omvat de volgende beleidsvelden: […] 6° dierenwelzijn”. Artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering luidt: “De leden van de Vlaamse Regering kunnen hun bevoegdheden, gedelegeerd overeenkomstig hoofdstuk 2, delegeren aan personeelsleden van de diensten van de Vlaamse Regering en de instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest. Ze kunnen die personeelsleden machtigen om, als ze daarvan kennis geven, die bevoegdheden verder te delegeren en te laten subdelegeren aan personeelsleden die onderworpen zijn aan hun hiërarchisch gezag. […] De delegaties die aan personeelsleden zijn verleend in aangelegenheden die aan de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest zijn overgedragen, blijven gelden tot ze gewijzigd of opgeheven worden, binnen de grenzen bepaald door dit besluit”. In uitvoering van deze bepaling is het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 tot regeling van de delegatie van VII-39.946-19/22 beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen aangenomen, dat in zijn artikel 17 bepaalt: “Het hoofd van het departement of agentschap heeft delegatie om beslissingen te nemen over: […] 6° toezichts-, controle- en inspectietaken; […]”. Verder wordt in de mogelijkheid voorzien om deze bevoegdheden te subdelegeren. "Art. 20 § 1 Met het oog op een efficiënte en resultaatgerichte interne organisatie kan het hoofd van het departement of agentschap een deel van de gedelegeerde aangelegenheden verder subdelegeren aan personeelsleden van het departement of agentschap die onder zijn hiërarchisch gezag staan, tot op het meest functionele niveau. § 2 Met betrekking tot de mogelijkheid om gedelegeerde aangelegenheden te subdelegeren kan in beperkingen worden voorzien, door middel van de besluiten, vermeld in artikel 23, § 2. Art. 21 De subdelegaties worden vastgelegd in een besluit van de secretaris-generaal of van de administrateur-generaal, naargelang het geval. Het besluit wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Een afschrift van het besluit wordt aan de minister bezorgd". De controle op het dierenwelzijn is sinds de zesde staatshervorming een bevoegdheid van het departement Omgeving, waarbij aan het hoofd van dat departement delegatie is verleend met betrekking tot die taak. Die taak houdt voor het departementshoofd in dat hij kan beslissen over de wijze waarop die taak moet worden volbracht; het hoofd mag beslissen aangaande een controle die verband houdt met zijn departement, volgend op opsporingen en vaststellingen van overtredingen op Verordening (EG) nr. 1099/2009. Te dezen werd de bestreden beslissing echter niet genomen door het hoofd van het departement maar wel door de “Teamleider, Inspecteur dierenarts A. L.”. Hoewel het hoofd van het departement zijn bevoegdheid kan VII-39.946-20/22 subdelegeren blijkt te dezen niet dat dit is gebeurd. Overeenkomstig het hogervermelde artikel 21 dient zulk een besluit te worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. In het Belgisch Staatsblad is geen besluit bekend gemaakt waarbij aan de betrokken inspecteur-dierenarts de bevoegdheid wordt gedelegeerd om in toepassing van artikel 22, punt 1, a), van Verordening (EG) nr. 1099/2009 te beslissen dat de standaardwerkwijzen moeten worden aangepast en meer in het bijzonder dat de productie moet worden stopgezet. De bestreden beslissing werd bijgevolg genomen door de Teamleider inspecteur-dierenarts die hiervoor niet bevoegd is. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de inspecteur-dierenarts bij de Inspectie Dierenwelzijn van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van 24 maart 2017 waarbij “de productie [van] Exportslachthuis Tielt NV, Hoogserlei 1-3 te Tielt moet worden stopgezet” en waarbij voorwaarden worden verbonden aan het terug opstarten van die productie. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. VII-39.946-21/22 Dit arrest is uitgesproken op achttien mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.946-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.567 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.899 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.983 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div