id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.569 Rolnummer: A. 222338/VII-40009 Zaak: Arrest 247569 - Dierenwelzijn - 18/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-18 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-26 03:30 Fiche Arrest nr 247.569 van 18 mei 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.569 van 18 mei 2020 in de zaak A. 222.338/VII-40.009 In zake : Abdelhamid BUSIF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siefried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 6 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Dienst Inspectie Dierenwelzijn van de Vlaamse overheid van 4 april 2017, genomen in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: dierenwelzijnswet) houdende de definitieve bestemming van de op 17 maart 2017 in beslag genomen dieren. Verzoeker vordert eveneens een schadevergoeding tot herstel ten bedrage van 2.500 euro vermeerderd met de gerechtelijke interestvoet vanaf datum van de bestreden beslissing van 4 april 2017 tot algehele betaling. VII-40.009-1/13 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 239.068 van 14 september 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’, waarvan de termijn is verlengd bij koninklijk besluit van 4 mei 2020. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 5 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.009-2/13 III. Feiten 3.1. Op 21 april 2009 wordt er een proces-verbaal opgemaakt ten laste van verzoeker waarbij vier overtredingen van artikel 4 en één overtreding van artikel 3 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: dierenwelzijnswet) worden opgesomd. 3.2. Er volgen meerdere controles en vaststellingen. 3.3. Bij vonnis van 1 oktober 2015 van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, Strafzaken, wordt aan verzoeker, onder meer, een verbod opgelegd om pluimvee te houden gedurende één jaar. 3.4. Er wordt nadien nogmaals proces-verbaal opgesteld op 18 maart 2017 naar aanleiding van een ambtshalve controle met inbeslagname van weidedieren tot gevolg. 3.5. Op 21 maart 2017 wordt verzoeker verhoord. 3.6. Op 22 maart 2017 heeft de dierenarts een verslag opgemaakt met betrekking tot de gezondheidstoestand van de in beslag genomen dieren. 3.7. In toepassing van artikel 42, § 2, van de dierenwelzijnswet worden de inbeslaggenomen dieren op 4 april 2017 definitief in volle eigendom gegeven aan de dierenasielen die daarmee instemmen. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd: “Gelet op de vaststellingen en overtredingen vermeld in PV 001558/2017: VII-40.009-3/13 - er is geen drinkwater aanwezig voor de dieren; - de weide ligt vol met rommel; - er hangt een overweldigende stank in de stallen; - verschillende dieren zijn ziek, gewond en mager; - de weide en het bos liggen bezaaid met kadavers; Gelet op het feit dat er een herhaling is van de vastgestelde feiten: - sinds 2010 heeft de politie al 14 processen-verbaal opgesteld op basis van de dierenwelzijnswet; - sinds 2009 heeft onze dienst al meerdere klachten ontvangen over de verzorging en huisvesting van de dieren. Er werden in totaal 3 processen-verbaal en 3 waarschuwingen opgesteld. Telkens worden soortgelijke maatregelen opgelegd, nl. weide opruimen, kadavers verwijderen, hokken reinigen, aangepast voeder geven aan de dieren, …. Gelet op het feit dat er reeds eerder een verbod werd uitgesproken op het houden van pluimvee Gelet op de dierenartsverslagen waaruit blijkt dat: - ezels: • merrie was mager, hengstenveulen was in goede conditie; • beide dieren hebben een erge worminfestatie; • merrie heeft verwaarloosde hoeven; • de merrie is geïdentificeerd en geregistreerd; • hengstenveulen is enkel geïdentificeerd. - dieren in VZW Kalmoes: • 3 dieren worden behandeld voor een longontsteking; • Alle dieren wordt behandeld tegen schurft en wormen; • De horens van 2 geiten groeien in de schedels; • Het gebit van het paard is slecht verzorgd waardoor het moeilijk kan eten. - dieren in Ark van Pollare: • Eén geit is gestorven, was al ziek op moment van inbeslagname; • Mannelijke lama heeft doorgroeiende tanden; • Vrouwelijke lama is mager; • Beide lama’s zijn behandeld tegen schurft en wormen; • Kippen, hanen en kalkoenen zijn vrij mager; • Barberie-eenden bevinden zich in een vrij goede conditie. Gelet op het verhoor van betrokkene op 21/03/2017 waaruit blijkt dat: - betrokkene levert geen bewijzen aan waaruit blijkt dat hij de nodige kennis heeft om de dieren te zorgen; - betrokkene niet erg meewerkend is en ontwijkende, vage of geen antwoorden geeft op de gestelde vragen - betrokkene de vaststellingen betwist waaruit geconcludeerd kan worden dat hij over onvoldoende kennis beschikt aangaande het houden en verzorgen van dieren waardoor de dieren niet de gepaste diergeneeskundige zorgen kregen; indien betrokkene effectief niet op de hoogte was van de gedane vaststellingen wijst dit op onvoldoende toezicht op zijn dieren waardoor eveneens de nodige diergeneeskundige verzorging niet tijdig gegeven kon worden Gelet op het feit dat de verzorging en huisvesting van zoveel dieren VII-40.009-4/13 een constante dagtaak is; Gelet op het feit dat teruggave van de dieren onverantwoord zou zijn omwille van de onzekerheid over de verzorging en voeding van de dieren aangezien betrokkene de vaststellingen betwist en dus niet erkent of er zich niet van bewust is dat er wel degelijke dierenwelzijnsproblemen zijn die een oplossing vragen waardoor er geen garanties zijn dat het dierenwelzijn in de toekomst gegarandeerd kan worden Gelet op het feit dat de dieren geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde hebben die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig zijn ethologische en fysiologische behoeften”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker 4. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht. Hij betoogt eveneens dat de overheid onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens verzoeker is de bestreden beslissing vaag, onjuist en onvoldoende gemotiveerd. Een eerste kritiek heeft betrekking op de mate waarin de motivering naar de processen-verbaal uit het verleden verwijst. Verzoeker meent dat uit de motivering niet blijkt wat de relevantie is van deze processen-verbaal, wanneer deze werden uitgeschreven en welke gevolgen hieraan zijn gegeven. De verzoeker stelt dat hij deze processen-verbaal niet "kent". Hij uit dezelfde kritiek ten aanzien van de klachten die sinds 2009 door de verwerende partij werden ontvangen: dit onderdeel licht de huidige omstandigheden niet toe. Hij betwist vervolgens de vaststellingen die werden weergegeven in het PV 001558/2017. De verzoeker voert een attest van een dierenarts aan, betwist het gebrek aan voeder en drinkwater, nuanceert dat er VII-40.009-5/13 slechts enkele kadavers aanwezig waren, en meent dat de motivering te vaag is omtrent het aantal zieke gewonde en magere dieren. Dit motiveert volgens hem niet waarom de herbestemming van alle dieren noodzakelijk zou zijn. Verzoeker stelt eveneens dat hij niet weet naar welke dierenartsenverslagen wordt verwezen in de bestreden beslissing en betwist de gedane vaststellingen met verwijzing naar de attesten van zijn dierenarts en van het FAVV. Hij zet voorts uiteen dat dit onderdeel van de motivering contradictorisch, vaag en onduidelijk is. Hij besluit met betrekking tot het verhoor van 21 maart 2017: “Aan verzoeker wordt verweten niet te bewijzen de nodige kennis te hebben om voor de dieren te zorgen; niet meewerkend te zijn; de vaststellingen te betwisten zodat volgens verweerster geconcludeerd zou moeten worden dat verzoeker over onvoldoende kennis beschikt voor de verzorging van zijn dieren, en onvoldoende toezicht uit te oefenen. Voorts stelt verweerster dat de teruggave onverantwoord zou zijn nu verzoeker de vaststellingen betwist. Het beslag op alle (meer dan 110) dieren van verzoeker vormt een ernstig ingrijpen op zijn eigendomsrecht, en het rustig genot van zijn dieren. Dat verzoeker hier niet gelukkig mee is en weinig meewerkend is, kan hem niet worden verweten in de gegeven omstandigheden. Verzoeker is niet weerspannig geweest, en heeft geantwoord op alle vragen. Verzoeker is daarnaast reeds sinds zijn jeugd betrokken bij het huisvesten en verzorgen van dieren, en heeft dit van kleins af aan steeds gedaan. Het feit dat verzoeker de vaststellingen betwist is geenszins onredelijk gelet op het frequente bezoek van zijn dierenarts. Het loutere betwisten kan niet in het nadeel van verzoeker worden aangewend: het betwisten van deze beschuldigingen, indien verzoeker er werkelijk van overtuigd is dat deze niet juist zijn, is een grondrecht en geenszins onredelijk. Verweerster hanteert een redenering waarbij geen enkele burger in dezelfde omstandigheden in haar ogen correct zou kunnen handelen: ofwel betwist men de vaststellingen niet en erkent men niet over de nodige kennis en middelen te beschikken om voor zijn dieren te zorgen, ofwel betwist men de vaststellingen en acht verweerster dit voldoende bewijs om te besluiten dat men de nodige kennis ontbreekt om de dieren te VII-40.009-6/13 verzorgen. De motivatie van verweerster is dan ook niet pertinent, en kan de bestreden beslissing niet verantwoorden”. 5. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat pas in het kader van huidige procedure door verweerster werd verduidelijkt dat het zou gaan om processen-verbaal in het kader van een correctionele procedure lastens hem, die resulteerde in een vonnis van 1 oktober 2015. Deze informatie werd niet opgenomen in de bestreden beslissing en volgens verzoeker kon hij hieruit niet met zekerheid opmaken dat de beslissing verwees naar de inhoud van de veertien bepaalde processen-verbaal. Voorts meent verzoeker dat het advies van de dierenarts om minder dieren te houden, niet inhoudt dat de dieren niet voldoende verzorgd zouden zijn. 6. In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat het attest van de dierenarts van 15 maart 2017 en diens verklaring "in zijn geheel gelezen" "niet verenigbaar (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.