id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.571 Rolnummer: A. 230005/VII-40744 Zaak: Arrest 247571 - Natuurbehoud - Vergunningen - 18/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-18 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-26 03:30 Fiche Arrest nr 247.571 van 18 mei 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 247.571 van 18 mei 2020 in de zaak A. 230.005/VII-40.744 In zake:
- Diederik MARIËN
- Lieven MARIËN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Peeters kantoor houdend te 2221 Booischot Lichtelei 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 17 januari 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 8 november 2019 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 25 juli 2019, houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, ongegrond wordt verklaard en de bestuurlijke maatregelen worden bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. VII-40.744-1/7 Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’, waarvan de termijn is verlengd bij koninklijk besluit van 4 mei
- Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 4 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekers zijn eigenaar van enkele percelen grond, gelegen te Booischot, kadastraal gekend 6de afdeling, sectie C, nrs. 77H, 72G en 77G. 3.
- Lastens de verzoekers wordt op 28 mei 2019 een proces-verbaal opgesteld houdende vaststelling van een milieumisdrijf op grond van schendingen van de artikelen 90bis en 96 van het bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna: bosdecreet). 3.
- Op 25 juli 2019 wordt aan de verzoekers een bestuurlijke maatregel opgelegd die erop neerkomt dat over de volledige ontboste oppervlakte van de voornoemde percelen opnieuw bos aangeplant dient te worden: “- Er dient aangeplant te worden met driejarig inheems bosplantsoen van volgende loofboomsoorten: zomereik (Quercus robur), zwarte els (Alnus gluntinosa), ruwe berk (Betula pendula) en wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) VII-40.744-2/7 - Het plantsoen dient aangeplant te worden in een plantverband niet wijder dan 2 x 2,5 meter. - Het plantsoen dient aangekocht te worden bij een erkende boomkweker, de factuur geldt als bewijs. - Indien er meer dan 10% van de aanplant afsterft, dienen de afgestorven planten vervangen te worden in het erop volgende plantseizoen tot de aanplant lukt. - Tussen de planten mag er niet gemaaid worden, er mag geen gazon ontstaan en er mag aan de grond geen andere gebruik gegeven worden dan bos. - Bij de verkoop van de grond dient aan de nieuwe eigenaar meegedeeld te worden dat de betrokken oppervlakte bos is en bos dient te blijven zoals bepaald in art. 91 van het Bosdecreet”. Deze bestuurlijke maatregelen dienen “uiterlijk voor 15 maart 2020” te zijn uitgevoerd. 3.
- Tegen voormelde beslissing stellen de verzoekers bestuurlijk beroep in. In hun beroepschrift betogen zij dat zij in het jaar 1974 uitheemse dennen hebben aangeplant met het oog op de verkoop ervan, maar dat deze bomen zijn blijven staan omdat ze nutteloos waren voor verkoop. Zij hebben deze bomen in 2018 naar eigen zeggen gerooid omdat ze ziek waren en het terrein terug in zijn oorspronkelijke toestand, zoals het “sinds de 18de eeuw” was, hersteld. De verzoekers betwisten dat het gaat om “een ‘bos’ in de echte betekenis van het woord”, zodat het bosdecreet niet van toepassing is en er ook geen (omgevings)vergunning nodig was om de bomen te rooien. Zij beklemtonen dat in de gegeven feitelijke omstandigheden hen geen verplichting kan worden opgelegd om het terrein met (inheemse) bomen te herbeplanten. Tot slot betwisten zij dat het kadastraal perceel nr. 77G ooit beplant is geweest met een bos daar op dat perceel van oudsher een boerderij gevestigd was. 3.
- De afdeling Handhaving van het departement Omgeving adviseert op 11 oktober 2019 om het beroep ongegrond te verklaren en de bestuurlijke maatregelen te bevestigen. 3.
- Met het thans bestreden besluit van 8 november 2019 wijst de bevoegde Vlaamse minister het beroep van de verzoekers als ongegrond af en bevestigt zij de opgelegde bestuurlijke maatregelen. VII-40.744-3/7 Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de verzoekers
- De verzoekers zetten in hun verzoekschrift onder de hoofding “hoogdringendheid & een moeilijk te herstellen nadeel” uiteen dat zij op korte termijn uitvoering moeten geven aan de bestreden beslissing om de opgelegde administratieve dwangsommen te ontlopen. Zij wijzen erop dat een gedane beplanting later niet meer ongedaan kan worden gemaakt “tenzij door opnieuw de bomen te rooien, wat een aanzienlijk werk is, en een ‘verloren voorraad’ bomen van ca 1.400 à 1.700 stuks oplevert, afgezien van de kost die dit met zich meebrengt, niet alleen omwille van het rooien van de aanplant, maar ook en vooral door de aankoop en het planten van de bomen, wat dan als een verloren en niet te recupereren kost moet aanzien worden”. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in VII-40.744-4/7 artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een -voortdurende- tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, p. 13).
- Een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing beoogt te verkrijgen, is ertoe gehouden in haar verzoekschrift een op de omstandigheden van haar zaak betrokken uiteenzetting op te nemen die ziet op de voorwaarde van de spoedeisendheid en waarin zij aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens uitlegt in welke mate zij onherroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
- In zoverre de verzoekers verwijzen naar de datum waarop de bestreden bestuurlijke maatregel uiterlijk dient te worden uitgevoerd, meer bepaald tegen 15 maart 2020, geldt dat de spoedeisendheid niet kan voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de annulatieprocedure de verzoekers niet toelaat een arrest te verkrijgen vóór de in de bestreden handeling vermelde uitvoeringstermijn. Het tijdspad dat door de bestreden beslissing wordt vooropgesteld staat niet gelijk met een toestand met VII-40.744-5/7 “onherroepelijke schadelijke gevolgen” en zegt op zich niets over de gevolgen die de verzoekers zouden ondervinden bij een voorlopige tenuitvoerlegging in afwachting van een uitspraak ten gronde.
- Waar in de uiteenzetting van de verzoekers gewag wordt gemaakt van de mogelijkheid tot het opleggen van bestuurlijke dwangsommen, betreft het een op dit ogenblik louter hypothetische veronderstelling waardoor de spoedeisendheid van de zaak evenmin wordt aangetoond. In dit verband kan er overigens aan herinnerd worden dat een nieuwe vordering tot schorsing mag worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State).
- Een financieel verlies kan, behoudens tegenbewijs, in principe worden hersteld na een vernietigingsarrest. Om de spoedeisendheid aan te tonen moet het beweerd financieel verlies, zo dit met overtuigende gegevens wordt aangetoond, onomkeerbare gevolgen teweegbrengen. De omvang van een financieel nadeel moet dus, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate ingrijpend zijn dat de verzoekende partij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Een verzoekende partij kan er zich niet toe beperken, wat dat betreft, te stellen dat zij een dergelijk nadeel lijdt, zonder enig inzicht te verschaffen in de precieze omvang van het beweerde financiële verlies. Te dezen kan uit de door de verzoekers verstrekte toelichting, die in algemene bewoordingen is gesteld en niet gestaafd wordt met concrete gegevens, niet op aannemelijke wijze worden afgeleid dat de bestreden beslissing voor hen onomkeerbare en onherstelbare financiële gevolgen met zich zal meebrengen.
- Om voormelde redenen wordt besloten dat de verzoekers met de uiteenzetting in het verzoekschrift niet aantonen dat hun vordering spoedeisend is. VII-40.744-6/7
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken op achttien mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.744-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.571 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.982 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div