id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.573 Rolnummer: A. 224946/VII-40247 Zaak: Arrest 247573 - Milieuvergunningen - 18/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-18 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-26 03:30 Fiche Arrest nr 247.573 van 18 mei 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.573 van 18 mei 2020 in de zaak A. 224.946/VII-40.247 In zake :
- Annick MEURANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 bij wie woonplaats wordt gekozen
- Guido Van LOON die woonplaats kiest te 2950 Kapellen Holleweg 34 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoek
- Met een verzoek, ingediend op 7 april 2018, vragen de verzoekende partijen hun bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen naar aanleiding van arrest nr. 240.775 van 22 februari
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.247-1/15 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 januari
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Willem-Jan Ingels, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 8 oktober 2015 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan de vzw Rotonde een milieuvergunning voor het exploiteren van een zorgboerderij en paardenhouderij, gelegen aan de Holleweg 43 te Kapellen. 3.
- Bij arrest nr. 240.775 van 22 februari 2018 vernietigt de Raad van State op vordering van de verzoekende partijen voornoemde vergunningsbeslissing op grond van de volgende overwegingen: VII-40.247-2/15 “Overeenkomstig het van toepassing zijnde gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, is het project gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied waarvoor de bestemmingsvoorschriften neergelegd in de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit gelden. Artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit luidt als volgt: De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. [...] . Artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit bepaalt: De landschappelijk waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen . Uit de samenlezing van deze voorschriften volgt dat de toelaatbaarheid van hinderlijke inrichtingen in landschappelijk waardevolle gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst: ten eerste een planologisch, dat veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen inrichting in overeenstemming is met de bestemming agrarisch gebied, en ten tweede een esthetisch, dat inhoudt dat de inrichting in overeenstemming is met de eisen ter vrijwaring van het landschap. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Uit de voormelde bepalingen volgt dat het bestreden besluit de motieven moet vermelden op grond waarvan de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de zorgboerderij en paardenhouderij verenigbaar zijn met de bestemming van landschappelijk waardevol agrarisch gebied. […] In de bestreden beslissing besluit de verwerende partij dat de inrichting verenigbaar is met de planologische voorschriften op grond van de vaststelling dat er reeds diverse stedenbouwkundige vergunningen werden afgeleverd , de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar (PSA) een gunstig advies uitbracht en de overweging dat het advies van de PSA in aanmerking wordt genomen . […] Het voornoemde advies van de PSA bevat een historiek waarin onder meer de stedenbouwkundige vergunningen van 17 januari 2013 en 13 februari 2014, respectievelijk voor het bouwen van een paardenstal met vrije uitloop en een exploitatiewoning, worden vermeld. Voorts wordt in het advies gesteld dat de aanvraag principieel in overeenstemming is met de planologische bestemming omdat een bezigheidstehuis [...] gelet op de landbouwactiviteiten en aan de landbouw verwante activiteiten als een para-agrarisch bedrijf moet worden aangemerkt. Het advies bevat echter geen VII-40.247-3/15 enkele beoordeling van de esthetische inpasbaarheid van de inrichting in het betrokken landschap. Aangezien de verwerende partij zich louter heeft beperkt tot het in aanmerking nemen van het gunstig advies van de PSA, doet de bestreden beslissing niet blijken van een in concreto onderzoek waarbij wordt nagegaan of de geplande inrichting in overeenstemming is met de eisen ter vrijwaring van het landschap. Dit klemt nog meer nu de stedenbouwkundige vergunning van 17 januari 2013 voor het oprichten van een open paardenstal met open vrijloop, die in de bestreden vergunningsbeslissing wordt aangehaald, bij arrest nr. RvVb/A/1516/1439 van 16 augustus 2016 door de RvVb werd vernietigd omdat de in die stedenbouwkundige vergunning opgegeven motieven niet [kunnen] beschouwd worden als een zorgvuldige en concrete toetsing aan het esthetisch criterium en [...] dan ook niet [volstaan] om aan te tonen dat de schoonheidswaarde van het gebied door de geplande constructies niet in het gedrang wordt gebracht . IV. Gegrondheid van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel Standpunt van de partijen
- In hun verzoekschrift stellen de verzoekende partijen dat de vernietigde milieuvergunning hun woon- en leefklimaat heeft aangetast, dat zij in het bijzonder schade hebben geleden door de verkeers- en geluidshinder die de vergunde activiteiten hebben teweeggebracht, en ook hun landbouwactiviteiten nadeel hebben ondervonden door de exploitatie van de zorgboerderij. Tevens maken zij elk gewag van een morele schade. Eerste verzoekster laat gelden dat zij een erkend paardenfokker is op percelen die gelegen zijn aan de toegangsweg tot de vergunde zorgboerderij, waardoor zij geluids- en verkeershinder heeft moeten ondergaan “7 dagen/7 en 24 u/24” door de verplaatsing van bijna 100 personen per dag. Daarbovenop komen nog de verkeersbewegingen die gerelateerd zijn aan andere media- en public relations-activiteiten, waaronder circusactiviteiten en djembe-lessen. Door die hinder zijn haar dieren, zowel overdag als ’s nachts, onrustig geweest. Zij begroot de door die hinder geleden schade ex aequo et bono op 8.750 euro (berekend als volgt: 10 euro per dag x 875 dagen vanaf de datum van de vernietigde vergunningsbeslissing tot de kennisgeving van het vernietigingsarrest). VII-40.247-4/15 Eerste verzoekster zegt als erkend paardenfokker ook schade te hebben geleden door het verhoogde risico op de insleep van dierziekten. Daardoor moest zij extra waakzaam zijn door meer geld en tijd te besteden aan de preventieve controle van haar dieren. Het verhoogde risico op dierziekten heeft ook voor bijkomende stress gezorgd. Eerste verzoekster begroot die schade ex aequo et bono op 2.625 euro (3 euro per dag x 875 exploitatiedagen). Als derde schadefactor haalt eerste verzoekster een moreel nadeel aan dat erin bestaat dat de bevoegde overheden hebben afgezien van het nemen van handhavingsmaatregelen ten aanzien van de onwettige exploitatie. Zij stelt dat rekening houdend met “dergelijke bijzondere omstandigheden” een vernietigingsarrest geen volledige genoegdoening heeft gegeven. Daarom vordert zij een morele schadevergoeding ex aequo et bono van 875 euro (1 euro per dag x 875 exploitatiedagen). Tweede verzoeker wijst erop dat hij recht tegenover de inrichting woont en dat ook hij, net zoals eerste verzoekster, geluids- en verkeersoverlast heeft ondervonden. Voor die nadelen vraagt hij ex aequo et bono een schadevergoeding van 4.375 euro (5 euro per dag x 875 exploitatiedagen). Voorts meent ook tweede verzoeker aanspraak te kunnen maken op een morele schadevergoeding van 875 euro.
- De verwerende partij betwist in het algemeen dat de verzoekende partijen voor de omvang van de beweerde schade 875 exploitatiedagen in aanmerking zouden kunnen nemen. De exploitatie van de inrichting in kwestie heeft namelijk slechts een aanvang kunnen nemen vanaf de kennisgeving van de vernietigde milieuvergunning op 28 oktober
- Voorts wijst zij erop dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen de stedenbouwkundige vergunningen voor het bouwen van een open paardenstal met open vrijloop, het afbreken van de bestaande woning en het bouwen van een nieuwe conciërgewoning, het uitbreiden van de parking en fietsenstaanplaats en het rooien van bomen bij het dagcentrum de Sterhoeve, heeft vernietigd die betrekking hebben op constructies die essentieel zijn voor de tenuitvoerlegging van de VII-40.247-5/15 vernietigde milieuvergunning. Zonder deze stedenbouwkundige vergunningen was de vernietigde milieuvergunning hoe dan ook niet uitvoerbaar. Voorts merkt de verwerende partij op dat zij onbevoegd was om de beweerde onwettige exploitatie te doen stopzetten. Voor zover er enige schade zou zijn geleden, kon deze enkel voortvloeien uit de periode tussen de kennisgeving van de milieuvergunningsbeslissing op 28 oktober 2015 en het ogenblik waarop de arresten van 16 augustus 2016 ter kennis zijn gebracht van de vergunninghouder. Zijdelings merkt de verwerende partij op dat de verzoekende partijen de schorsing van de tenuitvoerlegging van de vernietigde vergunning niet hebben gevorderd, ondanks de vermeende schade. Zij wijst erop dat op hetzelfde adres ook een dierenopvangcentrum geëxploiteerd wordt en dat de door de verzoekende partijen aangevoerde schade verband houdt met die inrichting. Ten aanzien van de diverse bestanddelen van de aangevoerde schade maakt de verwerende partij gewag van een artificiële en fictieve opsplitsing van de vermeende schade. Specifiek met betrekking tot de schadevergoeding die gevorderd wordt tot herstel van de geleden geluids- en verkeershinder, stelt de verwerende partij dat niet bewezen wordt dat deze hinder het normaal aanvaardbare heeft overschreden, rekening houdend met de hogere tolerantiedrempel die in agrarisch gebied voor dergelijke hinder geldt. Bovendien zou de hinder die specifiek door bijzondere evenementen zou zijn teweeggebracht, niet in aanmerking genomen mogen worden omdat deze evenementen niet het voorwerp waren van de vernietigde milieuvergunning. De gevorderde schadevergoeding voor de beweerd geleden stofhinder is volgens de verwerende partij onredelijk omdat dergelijke hinder, in het licht van de daarvoor vereiste weersomstandigheden, niet wordt aangetoond. Ten aanzien van de beweerd toegenomen stress, werpt zij tegen dat bezorgdheid omtrent de gezondheid van de dieren op een landbouwbedrijf VII-40.247-6/15 eigen is aan het beroep van paardenfokker of veehouder. Daarenboven gaat het volgens de verwerende partij eigenlijk om volstrekt ongegronde angst. Ten slotte zou er ook geen sprake zijn van enige morele schade. In dit verband merkt de verwerende partij op dat zij niet bevoegd is om de stopzetting van de activiteiten te bevelen en dat zij dan ook niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het gebeurlijk wederrechtelijk gedrag van de exploitant. Tweede verzoeker kan hoe dan ook geen stress geleden hebben omdat hij geen landbouwactiviteit uitoefent. Tot slot benadrukt de verwerende partij dat de geleden schade enkel het gevolg kan zijn van de verleende stedenbouwkundige vergunning.
- In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat zij wel degelijk vlakbij de betrokken inrichting wonen en dat de verwerende partij verzwijgt dat de stedenbouwkundige vergunningen van 19 januari 2017 en 2 februari 2017 voor het oprichten van de paardenstal en de exploitatiewoning, worden aangevochten bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Voorts menen de verzoekende partijen dat de verwerende partij ten onrechte beroep doet op omstandigheden van openbaar belang, dat een administratieve rechtshandeling onmiddellijk uitvoerbaar is en de datum van kennisgeving ervan irrelevant is voor het bepalen van de aanvang van periode van schadeloosstelling, dat evenmin rekening moet worden gehouden met de vernietiging van de stedenbouwkundige vergunningen en dat voorliggend verzoek niet afhankelijk is van het instellen van een vordering tot schorsing. De verzoekende partijen ontkennen dat hun verzoek betrekking zou hebben op het ter plaatse gelegen dierenopvangcentrum. Zij wijzen erop dat hun verzoek teruggaat op een vernietigingsarrest van de Raad van State en dat zij de opgelopen schade dan ook volledig mogen eisen. VII-40.247-7/15 In verband met de beweerde verkeersdrukte halen de verzoekende partijen de exploitatiecijfers van de vzw Rotonde aan en beklemtonen zij dat er in dit geval geen sprake is van een inrichting die verenigbaar is met de agrarische bestemming van het gebied. In zake de gevraagde vergoeding voor de bijkomende stress en maatregelen om de insleep van dierziektes te vermijden, herhalen zij dat die schade vergoedbaar is. Zij blijven op het standpunt dat de verwerende partij de exploitatie had kunnen laten stilleggen door de verleende vergunning in te trekken. Ook handhaven zij hun verzoek tot het toekennen van een morele schadevergoeding omdat zij wel degelijk een moreel nadeel hebben geleden door de tenuitvoerlegging van de vernietigde milieuvergunning. Tot slot stellen de verzoekende partijen dat voor de begroting van de schade, de terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest niet mag worden genegeerd.
- In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen nog toe dat de verkeershinder precies het gevolg is van de onwettig vergunde exploitatie, dat de exploitant een fout kan worden verweten omdat hij een onwettige activiteit heeft uitgeoefend, dat uit arrest nr. RvVb/A/1819/1129 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 25 juni 2019 waarbij de stedenbouwkundige vergunning van 19 januari 2017 voor het bouwen van een open paardenstal met open uitloop werd vernietigd, volgt dat er sprake is van een onwettige exploitatie, dat op de inrichting allerhande bijkomende activiteiten werden georganiseerd die “aanvullende” hinder hebben teweeggebracht, dat het risico op de insleep van besmettelijke dierziektes, zoals hersenvliesontsteking bij paarden, wel degelijk aanwezig is “bij alle diersoorten die nuttig zijn voor de landbouw”, dat ook het verkeer van voertuigen dieren kan opjagen en verwonden in de zin van artikel 559 van het Strafwetboek, dat ook het risico op besmetting met botulisme reëel is en dat in 2019 schutkringmaatregelen werden genomen in verband met de vogelgriep waardoor eerste verzoekster een verhoogde waakzaamheid aan de dag heeft moeten leggen. De verzoekende partijen herhalen dat de vergunde inrichting een verhoogde infectiedruk heeft meegebracht die bij de houders van jonge veulens en kalveren stress heeft veroorzaakt en heeft geleid tot kosten voor het uitvoeren van bijkomende controlemaatregelen. VII-40.247-8/15 Met betrekking tot het gevorderde herstel van het moreel nadeel, laten de verzoekende partijen nog gelden dat er sprake is van een “bijzondere fout” van de exploitant omdat hij “een activiteit uitoefent die kennelijk niet wettig was vergund”.
- De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat voor de beweerde aantasting van het woon- en leefklimaat van de verzoekende partijen door het verkeer ter hoogte van de zorgboerderij en paardenfokkerij geen enkel bewijs wordt bijgebracht. Evenmin wordt volgens de verwerende partij bewezen dat er sprake zou zijn van overmatige stofhinder. Zij wijst er ook op dat enige schade door verkeersbewegingen niet kan worden verondersteld, te meer omdat in voorliggende zaak geen sprake is van zwaar vrachtwagenverkeer en de frequentie van het verkeer alles in acht genomen aanvaardbaar is. Voorts beklemtoont de verwerende partij dat niet wordt aangetoond dat de vergunde inrichting gedurende elke dag toegankelijk is geweest, zodat ook niet wordt aangetoond dat het betrokken verkeer, dat traag en sporadisch is, een normaal gebruik van de openbare weg te boven is gegaan. Bijgevolg kunnen de door de verzoekende partijen gehouden dieren ook niet blootgesteld zijn geweest aan bijkomende stress. Tot slot merkt de verwerende partij met betrekking tot deze schadefactor op dat geen causaal verband met de vernietigde milieuvergunning wordt aangetoond. In zake de vrees voor besmetting van de door de verzoekende partijen gehouden dieren, benadrukt de verwerende partij nog dat de verzorging van de dieren in het nabijgelegen vogelopvangcentrum volledig los staat van de vergunde zorgboerderij en paardenhouderij. De verwerende partij herhaalt ten slotte dat een moreel nadeel ingevolge de vernietigde milieuvergunning niet wordt aangetoond. Beoordeling
- Opdat de Raad van State de verzoekende partij een schadevergoeding tot herstel kan toekennen ten laste van de steller van de VII-40.247-9/15 handeling, dient zij aan te tonen dat zij een nadeel heeft geleden als gevolg van de onwettigheid van de vernietigde akte. Uit artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, artikel 25/2, § 2, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement) dat bepaalt dat het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel het bedrag van de gevraagde vergoeding bevat, evenals een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte en, tot slot, artikel 25/2, § 3, van het algemeen procedurereglement dat bepaalt dat de stukken die het verzoek staven, samen met een inventaris bij het verzoekschrift worden bijgevoegd, vloeit voort dat de Raad van State bevoegd is om een schadevergoeding tot herstel te verlenen wanneer de verzoekende partij, in dit geval de begunstigde van een vernietigingsarrest, aantoont dat de daarin vastgestelde onwettigheid de rechtstreekse oorzaak is van het door haar geleden nadeel dat niet (volledig) is hersteld door de tussengekomen vernietiging. Een schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan alleen worden toegekend in zoverre de onwettige bestuurshandeling, ondanks de verwijdering ervan ab initio uit de rechtsordening, schade heeft toegebracht die door de vernietiging niet volledig is hersteld. Het komt een verzoeker toe het bewijs te leveren van het vereiste oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het nadeel dat hij aanvoert waarbij moet blijken dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 11bis werd verduidelijkt onderscheidt “de schadevergoeding tot herstel die wordt toegekend met toepassing van deze bepaling [...] zich dus zowel van het herstel van de schade op basis van de artikelen 1382 tot 1386 van het Burgerlijk Wetboek als VII-40.247-10/15 van de herstelvergoeding ‘naar billijkheid’ van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hoewel ze gemeenschappelijke punten heeft met deze twee begrippen”. Het gaat “om een autonoom begrip waarvan aan de Raad van State de zorg wordt overgelaten om geleidelijk aan de modaliteiten te bepalen in zijn rechtspraak” (Parl.St. Senaat, 2012-2013, nr. 5-2é/1, 7).
- Bij arrest nr. 240.775 van 22 februari 2018 vernietigt de Raad van State de milieuvergunning die de deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 8 oktober 2015 heeft verleend aan de vzw Rotonde voor het exploiteren van een zorgboerderij en paardenhouderij. In dat arrest wordt in essentie geoordeeld dat uit de vergunningsbeslissing niet blijkt dat ze gebaseerd is op een concreet onderzoek van de overeenstemming van de voorgenomen inrichting met de eisen ter vrijwaring van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Aantasting van het woon- en leefklimaat
- In zoverre de verzoekende partijen zeggen schade te hebben geleden door geluids- en verkeershinder van de vergunde exploitatie, wordt niet aangenomen dat het gaat om nadelen die specifiek toe te schrijven zijn aan de onwettigheid van de vernietigde akte. Eerste verzoekster maakt met haar uiteenzetting niet aannemelijk dat door het beweerde aantal bijkomende voertuigbewegingen van “haast 100 personen” per dag en andere “media- en public relations-activiteiten”, de normale draagkracht van de betrokken openbare toegangsweg wordt overschreden. Bovendien voert zij niet aan dat de beweerde overlast het gevolg is van voertuigbewegingen die plaatsvinden op daartoe ongeschikte wegen. Zij slaagt er dan ook niet in om aan te tonen dat de beweerde geluids- en verkeershinder zich niet zouden hebben voorgedaan zonder de vastgestelde onwettigheid. Eerste verzoekster legt ook geen enkel bewijs voor dat zij effectief materiële schade heeft geleden ten gevolge van schrikincidenten met jonge, niet zadelmakke, paarden. VII-40.247-11/15 Voor tweede verzoeker, die woonachtig is recht tegenover de kwestieuze zorgboerderij en paardenhouderij, gelden in wezen dezelfde vaststellingen met betrekking tot de aangevoerde geluids- en verkeershinder. Bovendien neemt de Raad van State niet aan dat er een causaal verband bestaat tussen de stofhinder die zou optreden bij een “zeer lange droge periode” en de vastgestelde onwettigheid. Verhoogd risico op de insleep van dierziektes
- Eerste verzoekster zegt als erkend paardenfokker en houder van vleesschapen en melkgeiten, schade te hebben geleden door het verhoogd risico op de insleep van dierziektes. De geleden schade zou deels verband houden met het uitvoeren van bijkomende controlemaatregelen en deels met de persoonlijke toename van stress. De uiteenzetting in het verzoekschrift wordt niet concreet onderbouwd en is te vaag opdat aangenomen zou kunnen worden dat er sprake is van schade die geleden werd wegens de onwettigheid van de vernietigde milieuvergunning. Eerste verzoekster legt immers geen bewijsstukken voor die aantonen dat zij op haar inrichting effectief bijkomende preventieve controles heeft moeten uitvoeren die specifiek gericht waren op het tegengaan van de besmettingsrisico’s verbonden aan de aanwezigheid van de zorgboerderij en paardenhouderij. Evenmin doet zij er op objectieve gronden van overtuigen dat het beweerde risico op de verspreiding van dierziektes dermate stresserend was om als schade-element in aanmerking genomen te worden. Met de eenzijdige bewering dat het vilbeluik veelvuldig kadavers zou hebben opgehaald bij de zorgboerderij, toont eerste verzoekster niet aan dat haar inrichting werd getroffen door dierziektes die afkomstig waren van die zorgboerderij. Moreel nadeel
- De verzoekende partijen vragen elk een morele schadevergoeding. Zij wijzen op een aantal “bijzondere omstandigheden” die VII-40.247-12/15 meebrengen dat het vernietigingsarrest nr. 240.775 van 22 februari 2018 geen volledige morele genoegdoening heeft verschaft. Zo beklemtonen zij dat de exploitatie “eerst plaatsvond zonder milieuvergunning en vervolgens [...] met een onwettige milieuvergunning”, terwijl men van een overheid die “de wet moet handhaven en laten handhaven” mag verwachten dat zij “met bijzondere zorg motiveert waarom de Rotonde-exploitatie bestemmingsconform zou zijn geweest”.
- Opdat een moreel nadeel aanleiding zou kunnen geven tot het toewijzen van een schadevergoeding tot herstel moet worden aangetoond dat dit nadeel niet of niet volledig door de vernietiging van de onwettig bevonden bestuurshandeling is hersteld. Het komt aan de verzoekende partijen toe dat nog niet-herstelde moreel nadeel te bewijzen aan de hand van concrete gegevens aangezien de nietigverklaring in beginsel de nodige morele genoegdoening verschaft. Met de “bijzondere omstandigheden” waarvan de verzoekende partijen in hun uiteenzetting gewag maken, tonen zij niet aan waarom het vernietigingsarrest, met inbegrip van de motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen, geen volledige morele genoegdoening heeft kunnen bieden. Door het vernietigingsarrest, dat een absoluut gezag van gewijsde erga omnes heeft en waardoor de onwettig bevonden rechtshandeling ab initito uit de rechtsordening werd genomen, staat het nochtans voor eenieder vast dat de griefhoudende milieuvergunning, met de daarin opgegeven motieven, onwettig was. Voorts kan niet worden ingezien hoe er een causaal verband zou kunnen bestaan tussen de vastgestelde onwettigheid en een moreel nadeel dat voortspruit uit het feit de inrichting gedurende enige tijd zonder voorafgaande vergunning in exploitatie was. Er zijn bijgevolg geen redenen om te besluiten dat het beweerde moreel nadeel niet zou zijn hersteld door de kracht zelf van de vernietiging van de onwettig bevonden milieuvergunning. VII-40.247-13/15 V. Kosten
- De kosten dienen ten laste van de verzoekende partijen te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
- Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. VII-40.247-14/15 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. Dit arrest is uitgesproken op achttien mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.247-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.573 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div