id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.579 Rolnummer: A. 221185/IX-8998 Zaak: Arrest 247579 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 19/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-19 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-26 03:31 Fiche Arrest nr 247.579 van 19 mei 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.579 van 19 mei 2020 in de zaak A. 221.185/IX-8998 In zake: Gim STEVENS die woonplaats kiest bij de ACOD gevestigd te 1000 Brussel Fontainasplein 9-11 en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Martens kantoor houdend te 9000 Gent Gustaaf Callierlaan 291 tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 9 – Ringscholen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 januari 2017, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van het college van directeurs van scholengroep 9 – Ringscholen van het Gemeenschapsonderwijs van 11 oktober 2016 waarbij de afwezigheid van Gim Stevens van 29 september 2016 tot 7 oktober 2016 als on- gewettigd wordt beschouwd. IX-8998-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Arne Carton heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeen- komstig artikel 3 van koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Adjunct-auditeur Arne Carton, daartoe gemachtigd bij beslis- sing van de auditeur-generaal van 7 januari 2020, heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 4 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is leraar in het Gemeenschapsonderwijs en geeft les in het Technisch Atheneum Campus Wemmel. 3.
- Op woensdag 28 september 2016 is verzoeker afwezig. IX-8998-2/16 Op dezelfde dag wordt ’s avonds om 19.43 uur vanuit zijn e- mailadres volgende e-mail gestuurd naar de school: “Geachte, Gim Stevens zal afwezig zijn t.e.m. 07/10/2016, het medisch attest zal opgestuurd worden. Met vriendelijke groeten Elke.” Verzoeker blijkt vervolgens inderdaad afwezig te zijn tijdens de periode woensdag 28 september 2016 – vrijdag 7 oktober
- 3.
- Op de tweede dag van zijn afwezigheid (29 september 2016) verstuurt verzoeker een afwezigheidsattest wegens ziekte aan de school, onderte- kend door dokter E. van het UZ Gent. Dit afwezigheidsattest is gedateerd op 28 september 2016 en geldt enkel voor de datum van 28 september
- 3.
- Op 30 september 2016 verstuurt verzoeker een afwezigheidsat- test wegens ziekte aan de school, ondertekend door dokter O. van het UZ Gent. Dit afwezigheidsattest is gedateerd op 30 september 2016 en geldt voor de periode van woensdag 28 september 2016 tot vrijdag 7 oktober
- 3.
- Op 6 oktober 2016 stelt de directrice van Campus Wemmel in een e-mail aan verzoeker: “Ik heb uw afwezigheidsattest uitgeschreven door dokter [O.] ter wetti- ging van uw afwezigheid van 28 september 2016 tot en met 7 oktober 2016 goed ontvangen. Ik stel echter vast dat het attest dat u mij per post toestuurde, geen origi- neel is. Bovendien is het attest geantidateerd: het attest werd uitgeschre- ven op 30 september 2016 en wettigt een afwezigheid die ingaat op 28 september
- IX-8998-3/16 Gelieve mij zo snel mogelijk een correct afgeleverd attest voor uw afwe- zigheid te bezorgen, conform de omzendbrief 13AC/B.Ph./SH/JS van 20/1/1999, artikel 2.1.
- Bij ontstentenis van een correct uitgeschreven attest zal ik aan het College van Directeurs van dinsdag 11 oktober 2016 voorstellen om uw afwezig- heid van 29 september 2016 tot en met 7 oktober 2016 als een onwettige afwezigheid te betitelen.” 3.
- Op dezelfde dag (6 oktober 2016) voert een controlearts in op- dracht van het departement Onderwijs een controle uit van de arbeidsongeschikt- heid van verzoeker. Het advies van de controlearts luidt: “arbeidsongeschikt t/m: 7/10/16 arbeidsgeschikt vanaf: 8/10/16.” 3.
- Op 10 oktober 2016 ontvangt de school nog een afwezigheids- attest. Dit attest is voorgeschreven door dokter S. en gedateerd op 28 september 2016 voor de periode van 29 september 2016 tot 7 oktober
- Op dezelfde dag stuurt verzoeker volgende e-mail aan de direc- trice van de school: “Op 28/09/2016 ben ik op consultatie geweest bij mijn huisarts. Gelieve als bijlage het afwezigheidsattest van 29/09/2016 tot en met 07/10/2016 van mijn huisarts te vinden. Ik heb u het origineel van dit afwezigheidsat- test per post gestuurd. Op 28/09/2016 ben ik ook langsgeweest in het UZ Gent. Dat men daar een laattijdige datum op het afwezigheidsattest vermeld heeft, is buiten mijn weten.” 3.
- Op 11 oktober 2016 beslist het college van directeurs van scho- lengroep 9 om de afwezigheid van verzoeker van 29 september 2016 tot 7 okto- ber 2016 als ongewettigd te beschouwen. IX-8998-4/16 Het feitenrelaas vermeld in de bestreden beslissing stemt over- een met de hiervóór beschreven feiten, behalve de vermelding van het bezoek van de controlearts op 6 oktober 2016, en vermeldt eveneens: “[De directrice] wordt door dokter [O.] telefonisch gecontacteerd. Dokter [O.] kadert de afwezigheid van de heer Stevens en meldt dat betrokkene zich niet effectief voor een consultatie aanbood maar een attest voor de periode van 28 september 2016 tot 7 oktober 2016 vroeg. Op deze vraag werd door dokter [O.] op 30 september 2016 ingegaan.” De beoordeling en motivering van de bestreden beslissing lui- den: “Als het College de uitleg van de heer Stevens vermeld in zijn mail van 10 oktober 2016 goed begrijpt, bezocht betrokkene op 28 september 2016 zijn huisarts, dokter [S.]. Betrokken dokter attesteerde een afwezigheid van 29 september 2016 tot 7 oktober
- Het College van Directeurs wenst bij dit attest op zich geen opmerkingen te formuleren. Of dit document inderdaad op 28 september 2016 door dokter [S.] werd opgesteld of pas later (vermoedelijk op 10 oktober 2016) op verzoek van de heer Stevens werd uitgeschreven, is niet relevant. Het College kan enkel vaststellen dat dit document pas op 10 oktober 2016 door de heer Stevens als aangetekende zending aan de directie van het GO! TA Campus Wemmel werd bezorgd. De regelgeving terzake (OB13/AC/B.Ph/SH/js van 20 januari 1999) be- paalt dat een personeelslid dat afwezig is wegens ziekte onverwijld de no- dige attesten (medisch attest en Pers 16-attest) aan respectievelijk de me- dische controle-instantie en de directie moet bezorgen. Als het personeels- lid hieraan niet voldoet dient zijn afwezigheid voor de geattesteerde peri- ode als ongewettigd te worden betiteld. Cruciaal is hier uiteraard de term ‘onverwijld’. Als dokter [S.] inderdaad op 28 september 2016 door de heer Stevens werd geconsulteerd – dit wordt als dusdanig vermeld op het Pers 16-document – dan had de heer Stevens dit document uiterlijk op 29 september 2016 aan de directie van de school moeten toesturen. Het College van Directeurs akteert dat dit pas gebeurde op 10 oktober 2016, uitermate laattijdig en zelfs na de voorge- schreven ziekteperiode. In zijn mail van 10 oktober 2016 vermeldt de heer Stevens nog dat hij op 28 september 2016 niet alleen zijn huisdokter dokter [S.], bezocht, maar ook het UZ Gent. Het attest dat hem daar werd geschreven werd volgens de heer Stevens door de dokter verkeerd gedateerd. Het College van Directeurs stelt vast dat door de heer Stevens twee attes- ten uitgeschreven door dokters van het UZ Gent werden ingediend. Dok- ter [E.] schreef op 28 september een attest waarbij een afwezigheid op 28 september 2016 werd voorgeschreven. IX-8998-5/16 Dokter [O.] schreef op 30 september 2016 een attest met een afwezigheid van 28 september 2016 tot 7 oktober
- Het College gaat er van uit dat de heer Stevens bedoelt dat dit attest door dokter [O.] verkeerd werd in- gevuld, dat de datum niet 30 september 2016 maar 28 september 2016 moet zijn. Dit houdt in dat de heer Stevens op 28 september 2016 niet minder dan drie dokters consulteerde: - dokter [E.] (attest voor afwezigheid op 28 september 2016 – UZ Gent). - dokter [O.] (attest voor afwezigheid vanaf 29 september 2016 tot 7 ok- tober 2016 – UZ Gent). - dokter [S.] (attest voor afwezigheid vanaf 29 september 2016 tot 7 okto- ber 2016 – huisdokter). Waarom de heer Stevens op 28 september 2016 drie dokters, waarvan twee dokters uit het UZ Gent, en waarbij twee dokters (dokter [O.] en dokter [S.]) dezelfde afwezigheid attesteren, raadpleegde, ontgaat het Col- lege van Directeurs volledig. Wa[t] is hiervan de functionaliteit? Het College weet dat hoe onwaarschijnlijk de handelwijze van de heer Stevens ook moge zijn, betrokkene zoveel dokters kan raadplegen als hij- zelf wil en bij betrokken dokters kan vragen hem een afwezigheid te attes- teren ook al deed een andere dokter dit voorheen al. Het College van Directeurs stelt echter nog iets anders vast. Met name dat dokter [O.] in een telefonisch contact met [...], directeur, uitdrukkelijk stelt voor de heer Stevens, op verzoek een attest te hebben opgesteld, ter- wijl betrokkene zich zelfs niet voor consultatie aanbood. Het attest is dus niet het resultaat van een medisch onderzoek van de heer Stevens, maar van de vraag van betrokkene zijn afwezigheid te motiveren. Een dergelijke handelwijze kan het College van Directeurs niet aanvaar- den. Als een dokter na een medisch onderzoek een personeelslid onge- schikt acht voor de dienst, kan het College het ter zake ingediende attest niet betwisten. Als een dokter toegeeft het personeelslid niet te hebben gezien, maar enkel op zijn verzoek een attest te hebben uitgeschreven moet het College dit attest afwijzen. Het College stelt vast dat
- het attest door dokter [S.] opgesteld en gedateerd op 29 september 2016 pas op 10 oktober 2016 werd ingediend, laattijdig is en daarom niet als motivatie voor de afwezigheid van de heer Stevens vanaf 29 september 2016 kan aanvaard worden;
- het attest door dokter [O.] opgesteld, en gedateerd op 30 september omwille van het feit dat aan dit attest geen onderzoek voorafging maar op simpel verzoek van de heer Stevens werd uitgeschreven, al evenmin kan aanvaard worden. Dit houdt in dat de afwezigheid van de heer Stevens van 29 september 2016 tot 7 oktober 2016 niet gemotiveerd is en dus als ongewettigd moet beschouwd worden.” IX-8998-6/16 IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- Een eerste middel is geput uit de schending van de artikelen 5, 6 en 21 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 december 1993 ‘betreffen- de de controle op de afwezigheid wegens ziekte’ (hierna: ziektecontrolebesluit), de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker argumenteert dat hij de artikelen 5 en 6 van het ziek- tecontrolebesluit heeft nageleefd. Hij heeft het attest van zijn huisarts S. per post naar zijn school gestuurd op 29 september 2016, maar dit attest is blijkbaar niet aangekomen. Dat het origineel attest pas op 10 oktober 2016 is ingediend is correct, maar het be- vestigt de twee andere afwezigheidsattesten van dokter E. en dokter O., zodat er geen reden is om het in vraag te stellen. Zodra hij op 30 september 2016 het attest ontving van dokter O. heeft hij dit aan zijn directeur bezorgd. Er is ook geen reden om dit attest in vraag te stellen. Over dit attest van dokter O. stelt verzoeker: “Dokter [V.] van UZ Gent, Fysische Geneeskunde en Revalidatie, waar hij in behandeling is, heeft Dr [O.] gevraagd een afwezigheid voor te schrijven van 28 september 2016 tot en met 7 oktober 2016 omdat ze de ziektetoestand van verzoeker kennen […]. Men is niet voor niets in reva- lidatie en men gaat niet voor niets regelmatig naar de pijnkliniek.” Verzoeker merkt op dat hij op 6 oktober 2016 bezoek kreeg van de controlearts die zijn arbeidsongeschiktheid heeft goedgekeurd, waaruit “blijkt […] dat zich hierrond geen probleem heeft gesteld”. IX-8998-7/16 Verzoeker betwist dat er een telefonisch contact is geweest tussen de directie en dokter O. Er is wel een contact geweest tussen dokter V. en de directie om toe te lichten waarom het attest op 30 september 2016 is geda- teerd; verzoeker legt hierover een verklaring neer van dokter V. Volgens verzoeker valt het niet toe aan het college van direc- teurs om na te gaan welke medische handelingen al dan niet gesteld werden. Het is voor hem vanzelfsprekend dat gedurende het volgen van een therapie in een revalidatiecentrum niet telkens een nieuw medisch onderzoek moet gebeuren; dit vond immers al plaats op 28 september 2016 bij dokter E. van het UZ Gent. Wanneer de patiënt reeds onderzocht werd, is het aan de artsen om uit te maken of het nodig is dat hij langskomt voor een nieuw onderzoek of niet. De artsen kennen hun patiënt en kunnen perfect beoordelen of een nieuw onderzoek nodig is of niet voor een verlenging van de arbeidsongeschiktheid. In casu werd door de behandelende artsen geoordeeld dat verzoeker tot 7 oktober 2016 arbeidsonge- schikt is en dit werd ook zo medisch geattesteerd en door verzoeker onmiddellijk bezorgd aan zijn werkgever. Verzoeker stelt tot slot nog dat het redelijkheidsbeginsel is ge- schonden door de medische attesten en afwezigheden in vraag te stellen, aange- zien het college van directeurs op de hoogte is van zijn medische situatie en ook de controledokter zijn arbeidsongeschiktheid heeft bevestigd.
- De verwerende partij merkt in de memorie van antwoord voor- af op dat zij in de bestreden beslissing geen opmerkingen heeft geformuleerd over het attest van dokter E., “zodoende dat de arbeidsongeschiktheid van 28 septem- ber 2016 niet betwist is en ook geen voorwerp vormt van onderhavige procedu- re”. Zij herhaalt vervolgens de argumenten die haar tot de verwer- ping van de andere attesten hebben gebracht. IX-8998-8/16 Zij voegt daaraan toe dat nergens uit blijkt dat verzoeker het attest van dokter S. effectief per gewone post zou hebben opgestuurd. In overeenstemming met artikel 21 van het ziektecontrolebe- sluit was zij genoodzaakt om de schending van de artikelen 5 en 6 van dat besluit te beteugelen met de ongewettigde afwezigheid van verzoeker. De verwerende partij gaat in de memorie van antwoord niet in op de verklaringen van dokter V. die verzoeker heeft neergelegd.
- Verzoeker repliceert dat het medisch attest van dokter O. niet geantidateerd is, daar het werd ondertekend op 30 september 2016, wat de datum is waarop het werd opgesteld. Hij merkt op dat nergens in het ziektecontrolebesluit wordt gesteld dat men geen kopie mag bezorgen van een afwezigheidsattest. Hij herhaalt dat hij in het UZ Gent door meerdere artsen wordt behandeld en opgevolgd. Verzoeker betoogt voorts: “[…] dat men van verzending per gewone post nooit een bewijs kan voor- leggen. Dat het afwezigheidsattest met de post verloren is gegaan, kan verzoeker niet verweten worden. Daar kan verzoeker zelf niets aan doen. Wel heeft verzoeker op 28 september 2016 om 19.43 via smartschool de school verwittigd van de verlenging van zijn afwezigheid en meegedeeld dat hij het medisch attest zal opsturen […]. Er is dan ook geen enkele re- den om aan de verklaring van verzoeker te twijfelen. Verzoeker heeft on- middellijk via smartschool verwittigd dat zijn ziekte verlengd is en heeft onmiddellijk kopie van het medisch attest per post overgemaakt zodat verzoeker desbetreffend niets verweten kan worden en hij zijn verplich- tingen overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 december 1993 is nagekomen.”
- In haar laatste memorie plaatst de verwerende partij zich op het standpunt dat het feit dat een controlearts een personeelslid arbeidsongeschikt IX-8998-9/16 verklaart geen afbreuk doet aan de verplichtingen die het personeelslid zelf dient na te leven. De verklaring van de controlearts regulariseert niet automatisch de tekortkomingen die het personeelslid heeft begaan, noch brengt ze met zich mee dat een ongewettigde afwezigheid plots gewettigd is.
- Verzoeker stelt in zijn laatste memorie dat het e-mailbericht van 28 september 2016 het vermoeden creëert, en dus het bewijs levert, dat hij het attest van dokter S. wel degelijk tijdig per post heeft opgestuurd. Regelgevend kader 9.
- Duurt de afwezigheid wegens ziekte slechts één dag, dan is overeenkomstig artikel 4 van het ziektecontrolebesluit “geen afwezigheidsattest noch een medisch attest vereist”. De in het middel aangevoerde bepalingen van het ziektecontro- lebesluit luiden: “Art.
- - Bij een afwezigheid wegens ziekte van meer dan één dag stuurt het personeelslid onmiddellijk een afwezigheidsattest naar de directeur en een medisch attest naar het controleorgaan. Op beide attesten moet ver- meld worden waar men tijdens de afwezigheid verblijft. Elke verandering van verblijfplaats in de loop van de afwezigheid wegens ziekte moet vooraf aan het controleorgaan worden gemeld. Dit geldt eveneens voor personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ziekte. Art.
- – §
- Bij verlenging van het in artikel 4 bedoelde ziekteverlof stuurt het personeelslid zo snel mogelijk een afwezigheidsattest naar de directeur en een medisch attest naar het controleorgaan. §
- Bij verlenging van het ziekteverlof zoals bedoeld in artikel 5 stuurt het personeelslid zo snel mogelijk een nieuw afwezigheidsattest naar de directeur en een nieuw medisch attest naar het controleorgaan. […] Art.
- - Onverminderd de toepassing van artikel 86 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs of van artikel 60 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medische- sociale centra en onverminderd een eventuele tuchtsanctie opgelegd door de bevoegde inrichtende macht heeft het niet naleven van de bepalingen IX-8998-10/16 van de artikelen 5, 6, 7, 8, § 3, 15, § 1, 15bis en 18 van dit besluit tot ge- volg dat het betrokken personeelslid onwettig afwezig is en het recht op wedde of weddetoelage voor de duur van de afwezigheid verliest.” 9.
- Ook de volgende bepaling van hetzelfde besluit verdient ver- melding: “Art.
- - §
- Stelt de controlearts vast dat de afwezigheid wegens ziekte gerechtvaardigd is, dan deelt hij dit onmiddellijk mee aan de betrokkene die kan afwezig blijven voor de duur van het toegestane ziekteverlof. §
- De directeur wordt binnen de 24 uur schriftelijk, telefonisch of per fax op de hoogte gebracht. §
- Het departement onderwijs wordt binnen de 24 uur schriftelijk, tele- fonisch of per fax op de hoogte gebracht voor de controle-onderzoeken die het zelf aangevraagd heeft.” Beoordeling a. vooraf
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat er voor elke admi- nistratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit bete- kent onder meer dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, cor- rect beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Aan de Raad van State als legaliteitsrechter behoort het niet om een onderzoek in te stellen betreffende het zich al dan niet hebben voorgedaan van gebeurtenissen en daarover een oordeel te vellen. Hij mag zich, wat de ap- preciatie van de zaak betreft, niet in de plaats stellen van de administratie. De taak van de Raad van State als legaliteitsrechter is, na te gaan of de overheid naar recht – daarin begrepen: naar redelijkheid – tot haar voorstelling van de feiten is gekomen, meer bepaald met inachtneming van de algemene beginselen van de bewijsvoering. IX-8998-11/16 Indien wordt geoordeeld dat de beslissing steunt op onbestaan- de, onvoldoende bewezen feiten, dan is het materiëlemotiveringsbeginsel ge- schonden. b. het attest van dokter S.
- In de voorliggende zaak ligt slechts bewijs voor dat verzoeker, na de verlenging van zijn eendaagse afwezigheid op 28 september 2016, op 10 oktober 2016 het attest van zijn huisarts S. heeft verstuurd. De verwijzing, door verzoeker, naar het e-mailbericht van 28 september 2016, doet niet anders besluiten. Dit bericht deelt enkel mee dat verzoeker afwezig blijft tot 7 oktober 2016 en dat “het medisch attest zal opge- stuurd worden”. Het stelt dus enkel een opsturen van een attest in het vooruit- zicht. Het “bewijst” helemaal niet, noch moet het zelfs maar doen “vermoeden”, dat er al een attest over de verlenging in bezit van verzoeker is noch dat het daar- na effectief is verstuurd; zeker is enkel dat verzoeker daags nadien het attest van dokter E. heeft verstuurd dat slechts betrekking had op de eerste ziektedag. Bo- vendien heeft verzoeker minstens twee attesten gekregen over de verlenging van zijn ziekteverlof en verschaft de e-mail geen enkele zekerheid over welk van de beide attesten – dat van dokter S. of dat van dokter O. – het dan gaat. De verwerende partij mocht dan ook vaststellen, zonder de ma- teriëlemotiveringsplicht of het ziektecontrolebesluit te schenden, “dat dit [versta: het versturen van het attest van dokter S.] pas gebeurde op 10 oktober 2016, ui- termate laattijdig en zelfs na de voorgeschreven ziekteperiode” en tot het besluit komen dat “het attest door dokter [S.] opgesteld en gedateerd op 29 september 2016 pas op 10 oktober 2016 werd ingediend, laattijdig is”. In zoverre is het middel ongegrond. IX-8998-12/16 c. het attest van dokter O.
- Verzoeker heeft het attest van dokter O. op 30 september 2016 ontvangen en het dadelijk aan de school bezorgd. Voor dit attest treft hem dus geen verwijt dat hij nagelaten zou hebben om het attest “zo snel mogelijk” aan de directeur te bezorgen, zoals voorgeschreven bij artikel 6, § 1, van het ziektecon- trolebesluit.
- Het college van directeurs verwerpt dit attest op grond van en- kele aannames: - verzoeker bedoelt dat de datum op het attest verkeerd werd ingevuld; “dat de datum niet 30 september 2016 maar 28 september 2016 moet zijn”, - dokter O. heeft in een telefonisch contact aan de directeur meegedeeld, op uit- drukkelijk verzoek van verzoeker een attest te hebben opgesteld terwijl verzoeker zich niet voor consultatie aanbood, - het attest is niet het resultaat van een medisch onderzoek maar van de vraag van verzoeker zijn afwezigheid te motiveren.
- De verwerende partij is tot deze aannames gekomen zonder verzoeker zoals het hoort, vooraf in de mogelijkheid te stellen om nuttig voor zijn belangen op te komen. Dat wreekt zich. In de huidige procedure blijkt immers aan de hand van stukken die verzoeker neerlegt samen met zijn verzoekschrift: - dat verzoeker niets beweert over de datum van het opstellen van het attest maar wel over de datum van zijn medisch onderzoek, - dat verzoeker verklaart in het UZ Gent opgevolgd te worden door een team van artsen, - dat één van die artsen de arts E. is bij wie verzoeker alleszins op 28 september 2016 op consultatie is geweest, IX-8998-13/16 - dat verzoeker een verklaring voorlegt van dokter V. waarin zij uitlegt dat zij dokter O. had opgedragen het attest te schrijven, maar dat dokter O. daar pas later tijd voor had, - dat dokter V. verklaart telefonisch contact opgenomen te hebben met de direc- teur, waar verzoeker uit afleidt dat dokter O. niet zou hebben gesproken met de directeur, - dat verzoeker een verklaring geeft waarom – althans naar zijn oordeel – een nieuw fysiek consult en een nieuwe anamnese niet nodig waren nadat hij reeds op 28 september 2016 op consultatie was geweest en het artsenteam met een aanvul- lend telefonisch consult zeer goed op de hoogte is van zijn ziektebeeld voor het stellen van zijn diagnose. Zoals hiervóór al is aangegeven, valt het niet aan de Raad van State toe om zich een oordeel te vormen over de ware toedracht van de zaak. Het staat wel vast dat de verwerende partij haar beslissing over het niet in aanmerking nemen van het attest van dokter O. als een ongeldig dixit-attest of welwillend- heidsattest (certificat de complaisance), niet heeft genomen met volle kennis van zaken. In die mate is de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Om dezelfde reden staat vooralsnog niet vast of verzoeker met betrekking tot dit attest het ziektecontrolebesluit al dan niet heeft nageleefd. d. het attest van de controlearts
- De Raad van State valt de verwerende partij bij in haar lezing van artikel 21 van het ziektecontrolebesluit, namelijk dat de meldingsplicht die het personeelslid overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van dit besluit dient na te leven een op zichzelf staande verplichting is waarvan het veronachtzamen leidt tot ongewettigde afwezigheid – ongeacht dus of het afwezige personeelslid effec- tief ziek is of niet. IX-8998-14/16 Voor zover het middel uitgaat van een tegenovergestelde opvat- ting, faalt het naar recht. Verzoeker betwist voorts niet de wettigheid van het ziektecon- trolebesluit. e. conclusie
- Het middel is in de hiervóór aangegeven mate gegrond. V. Rechtsplegingsvergoeding
- De rechtsplegingsvergoeding een tegemoetkoming zijnde in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij, wordt het bedrag van de door verzoeker gevraagde rechtsplegingsvergoeding bepaald op het minimum van 140 euro, gelet op het gebrek aan complexiteit van de zaak, althans voor de advocaat. Immers heeft verzoekers advocaat zich pas ná de laatste memo- ries gemanifesteerd en was het optreden van de advocaat ertoe beperkt 1° in een nota om een rechtsplegingsvergoeding te vragen en 2° per e-mail in te stemmen met de louter schriftelijke afhandeling van de zaak. IX-8998-15/16 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van het college van directeurs van scholengroep 9 – Ringscholen van het Gemeenschapsonderwijs van 11 oktober 2016 waarbij de afwezigheid van Gim Stevens van 29 september 2016 tot 7 oktober 2016 als ongewettigd wordt beschouwd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8998-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.579 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div