← België

Arrest 247610 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 20/05/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.610 Rolnummer: A. 221386/X-16853 Zaak: Arrest 247610 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 20/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-20 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-06-28 02:59 Fiche Arrest nr 247.610 van 20 mei 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 247.610 van 20 mei 2020 in de zaak A. 221.386/X-16.853 In zake : de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering en door de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Laura Janssens kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van: “de beslissing van 2 december 2016 van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, waarbij als volgt werd beslist: ‘Het beroepschrift van mr. Vermeire d.d. 21 oktober 2016 tegen de gedeeltelijke weigering van de stad GENT om een afschrift te bezorgen van de overeenkomsten, concessies of hoe dan ook de samenwerking ad hoc werd bewerkstelligd tussen de stad GENT, NV S&R en de NV Farys m.b.t. de bouw en exploitatie van het nieuw opgerichte sportcomplex NV S&R aan de Rozebroeken te Gent en van het verslag van de GAS- bemiddelaar wordt als ontvankelijk en deels gegrond, deels ongegrond beschouwd. Bijgevolg dienen de volgende bestuursdocumenten (gedeeltelijk) openbaar te worden gemaakt door er een afschrift van te verstrekken: X-16.853-1/16 - De onderhandse overeenkomst tussen TMVW en S&R Gent NV tot vestiging van een opstalrecht (definitief ontwerp van 4/11/2010), met weglating van de bijzonder voorwaarden; - Bevestiging van de overdracht van een opstalrecht tussen TMVW en S&R Gent NV (ontwerp 2011); - De PPS-overeenkomst tussen enerzijds TMVW en anderzijds Artabel BVBA, Vanhout NV, Ach NV, Gegelec NV, Lotec BV en Innopa NV, met weglating van de volgende onderdelen: ° Artikel 3 oprichting van S&R Gent met verdeling van de aansprakelijkheden; ° Artikel 6 verzekering en aansprakelijkheid; ° Artikel 8 borgtocht; ° Artikel 21 nieuwe investeringen en bijkomende impulsen; ° Hoofdstuk IV Financiële bepalingen; ° Artikel 26 Ontbinding. - Het verslag van de GAS-bemiddelaar.’” II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Arne Carton heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart
  3. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laura Janssens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-16.853-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. J.C. is een buurtbewoner van een sportcomplex gelegen aan de Rozebroeken (deels gelegen in Gent, deels gelegen in Destelbergen), dat door de nv S&R Gent wordt geëxploiteerd. 3.
  6. In het kader van klachten die J.C. in verband met nachtlawaai afkomstig van het cafetaria van het sportcomplex heeft geuit, wordt begin 2016 tussen hemzelf en de nv S&R Gent een bemiddelingsprocedure op grond van de wet van 24 juni 2013 ‘betreffende de gemeentelijke administratieve sancties’ (hierna: de GAS-wet) opgestart. Die procedure verloopt middels een bemiddelaar (hierna: de GAS-bemiddelaar). 3.
  7. Op 26 mei 2016 stelt de GAS-bemiddelaar, Gent, een verslag op (hierna: het GAS-bemiddelingsverslag), waarbij het falen van de voormelde bemiddelingspoging wordt vastgesteld. 3.
  8. Op 3 juni 2016 legt de sanctionerend ambtenaar van de gemeente Destelbergen (hierna: de sanctionerend ambtenaar) aan de nv S&R Gent een administratieve geldboete van 100 euro wegens nachtlawaai op. 3.
  9. Op 16 augustus 2016 vraagt J.C. aan de stad Gent om hem op grond van het toenmalige decreet van 26 maart 2004 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ (hierna: het openbaarheidsdecreet) een afschrift van de volgende documenten te bezorgen: - de overeenkomst(en), concessies of hoe dan ook de samenwerking ad hoc tussen de stad Gent, de nv S&R Gent en de nv Farys met X-16.853-3/16 betrekking tot de bouw en exploitatie van het sportcomplex nv S&R aan de Rozebroeken te Gent; en - het GAS-bemiddelingsverslag. 3.
  10. Op 15 september 2016 willigt de stad Gent het voormelde verzoek gedeeltelijk in. Zij weigert gedeeltelijk de openbaarmaking van de overeenkomst(en), concessies of hoe dan ook de samenwerking ad hoc tussen de Stad Gent, de nv S&R Gent en de nv Farys met betrekking tot de bouw en exploitatie van het nieuw opgerichte sportcomplex nv S&R aan de Rozebroeken te Gent. Ook weigert de stad Gent elke openbaarmaking van het GAS- bemiddelingsverslag, wat zij als volgt motiveert: “Bij onderzoek van het gevraagde document werd vastgesteld dat dit document uitsluitend ten behoeve van de vorderingen van een administratieve sanctie werd opgesteld. In die zin is de uitzonderingsgrond, opgenomen in artikel 13, 4° van het Decreet van 26 maart 2004, van toepassing.” 3.
  11. Op 21 oktober 2016 dient J.C. bij de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur (hierna: de beroepsinstantie) een beroepsschrift tegen de voormelde beslissing van 15 september 2016 tot gedeeltelijke openbaarmaking in. 3.
  12. Op 25 oktober 2016 vraagt de beroepsinstantie aan de stad Gent om toelichting bij haar meer vermelde beslissing van 15 september
  13. 3.
  14. Op 10 november 2016 motiveert de stad Gent op meer uitgebreide wijze waarom zij de openbaarmaking van het verslag van de GAS- bemiddelaar op grond van artikel 13, 4°, van het openbaarheidsdecreet heeft geweigerd. De stad Gent stelt tevens dat uit artikel 28 van de GAS-wet voortvloeit dat het bemiddelingsverslag onder de vereiste van vertrouwelijkheid valt en argumenteert dat de GAS-bemiddelaar zelf op grond van de voormelde bepaling van de GAS-wet de gegrondheid van de vraag tot openbaarheid moet beoordelen. X-16.853-4/16 3.
  15. Op 2 december 2016 verklaart de beroepsinstantie het beroep van J.C. ontvankelijk en deels gegrond. Dit is de bestreden beslissing. De bestreden beslissing bepaalt onder meer dat de beroepsinstantie geen uitzonderingsgronden van toepassing acht om de openbaarmaking van het GAS-bemiddelingsverslag te weigeren. 3.
  16. De bestreden beslissing wordt op 5 december 2016 aan de stad Gent ter kennis gebracht. 3.
  17. Op 23 december 2016 geeft de stad Gent deels uitvoering aan de beslissing van de beroepsinstantie. Met name bezorgt zij J.C. alle stukken waarvan de beroepsinstantie beslist heeft dat deze openbaar moeten gemaakt worden, met uitzondering van het GAS-bemiddelingsverslag. 3.
  18. Bij e-mailbericht van 17 februari 2017 verantwoordt de stad Gent de niet-overmaking van het verslag van de GAS-bemiddelaar op grond van de overweging dat “[het] beroep strekkende tot nietigverklaring bij de Raad van State concreet gericht is op de beslissing dat het verslag van de GAS-bemiddelaar door de Stad Gent openbaar dient te worden gemaakt door er zelf een afschrift van te verstrekken”. In afwachting van een uitspraak over dit beroep kan volgens de stad Gent aan de vraag tot overmaking van het GAS-bemiddelingsverslag geen gevolg gegeven worden. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4.
  19. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat de verzoekende partij enkel een belang bij een vernietiging van de bestreden beslissing heeft, in zoverre deze tot de openbaarmaking van het GAS- bemiddelingsverslag verplicht, nu alle andere documenten openbaar zijn gemaakt X-16.853-5/16 en de verzoekende partij enkel tegen de verplichte openbaarmaking van het GAS- bemiddelingsverslag middelen formuleert. 4.
  20. In haar memorie van wederantwoord bevestigt de verzoekende partij dat haar belang “betrekking [heeft] op de (weigering tot) openbaarheid van de bemiddelingsakte”. Beoordeling 5.
  21. De verzoekende partij heeft op 23 december 2016 inzage gegeven van alle documenten die het voorwerp van de procedure bij de beroepsinstantie uitmaakten, met uitzondering van het GAS-bemiddelingsverslag. Derhalve heeft zij alleen nog belang bij de gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing in zoverre deze tevens tot de openbaarmaking van het GAS- bemiddelingsverslag verplicht. 5.
  22. De exceptie is gegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het tweede middel 6.
  23. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ en het daarin vervatte beginsel van medebewind, de artikelen 4, § 1, 3°, en 22, van het openbaarheidsdecreet, artikel 8 van de GAS-wet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet), alsook van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. X-16.853-6/16 Zij meent dat de beroepsinstantie onbevoegd was om de bestreden beslissing te nemen. Op grond van artikel 22, eerste lid, van het openbaarheidsdecreet is een beroep bij de beroepsinstantie alleen mogelijk tegen beslissingen van “een in artikel 4, §1, bedoelde instantie”. De GAS-bemiddelaar is geen instantie waarop het openbaarheidsdecreet van toepassing is. Deze functie behoort in het kader van het medebewind tot de federale bevoegdheidsuitoefening. 6.
  24. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat de GAS-bemiddelaar te dezen is opgetreden als “instantie die ontsnapt aan de bevoegdheid van de Vlaamse en gemeenschappelijke decreetgever, en dus ook aan het Vlaams Openbaarheidsdecreet”. De stad Gent zou te dezen niet als een “instantie” in de zin van het openbaarheidsdecreet te kwalificeren zijn. Zelfs “indien men aanvaardt dat de GAS-bemiddelaar handelt als een orgaan van de publiekrechtelijke overheid waaronder hij ressorteert”, moet vastgesteld worden dat de taken die de stad Gent te dezen heeft uitgevoerd, taken van medebewind in opdracht van, en gesubsidieerd door, de federale overheid betreffen, en dus binnen de federale bevoegdheidssfeer vallen. Voorts leidt de verzoekende partij ook uit artikel 8, § 1, van het openbaarheidsdecreet af dat de beroepsinstantie als onbevoegde overheid een beslissing heeft genomen. 6.
  25. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat de GAS- bemiddelaar geen personeelslid van de stad Gent is en dat de stad Gent met het GAS-dossier geen uitstaans heeft. De GAS-bemiddelaar werkt in dit dossier voor de provinciaal sanctionerend ambtenaar, en de opvraging van het GAS- bemiddelingsverslag moet door laatstgenoemde ambtenaar beoordeeld worden, wat de dienst Bestuursondersteuning van de stad Gent middels een mail van 23 september 2016 aan de raadsman van J.C. heeft laten weten. Beoordeling 7.
  26. Artikel 4, § 1, 3°, van het openbaarheidsdecreet bepaalt: X-16.853-7/16 “§
  27. Dit decreet is van toepassing op de volgende instanties : […] 3° de gemeenten en de districten;”. Artikel 8, § 1, van het openbaarheidsdecreet luidt: “Een bestuursdocument in het bezit van een personeelslid van een instantie wordt geacht toe te behoren aan de instantie voorzover het bestuursdocument betrekking heeft op de uitoefening van de functies van de instantie.”. Artikel 22, eerste lid, van het openbaarheidsdecreet bepaalt: “De aanvrager kan beroep instellen tegen een beslissing van een in artikel 4, § 1, bedoelde instantie, of na het verstrijken van de termijn waarbinnen de beslissing moest worden genomen, of in geval van een onwillige uitvoering van een beslissing. Hij stelt dat beroep in bij een beroepsinstantie die is samengesteld uit ambtenaren en die door de Vlaamse regering is aangewezen.” 7.
  28. De stad Gent heeft op 15 september 2016 in eerste administratieve aanleg een beslissing over de aanvraag tot openbaarmaking van J.C. genomen (zie randnummer 3.6). De stad Gent moet als een in artikel 4, § 1, bedoelde instantie begrepen worden. Met toepassing van artikel 22, eerste lid, van het openbaarheidsdecreet vermocht de aanvrager J.C. een administratief beroep tegen de voormelde beslissing van de stad Gent in te stellen, en was de beroepsinstantie bevoegd om daarvan kennis te nemen. 7.
  29. Het betoog van de verwerende partij dat de GAS-bemiddelaar in het kader van het medebewind optreedt en voor de provinciaal sanctionerend ambtenaar werkt, vermag aan het duidelijk bepaalde in de artikelen 4, § 1, en 22 van het openbaarheidsdecreet, geen afbreuk te doen. Hetzelfde geldt voor verzoeksters verwijzing naar artikel 8, § 1, van het openbaarheidsdecreet, nu deze bepaling in essentie wil vermijden “dat een document aan de openbaarmaking wordt onttrokken louter door het feit dat een personeelslid zou beweren dat bepaalde gegevens zijn persoonlijk bezit zijn of zich bij hem thuis bevinden” (Parl.St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1732, 21). X-16.853-8/16 7.
  30. Het middel is ongegrond. B. Eerste middel Standpunt van de partijen 8.
  31. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van artikel 12 van het openbaarheidsdecreet, de artikelen 1 en 6, § 2, 2°, van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ (hierna: de openbaarheidswet, artikel 8 van de GAS-wet, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, artikel 458 van het Strafwetboek, artikel 9 van het koninklijk besluit van 28 januari 2014 ‘houdende de minimumvoorwaarden en modaliteiten voor de bemiddeling in het kader van de wet betreffende de Gemeentelijke Administratieve Sancties’ (hierna: het koninklijk besluit van 28 januari 2014), alsook van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij meent dat de beroepsinstantie de openbaarmaking van het GAS-bemiddelingsverslag had moeten weigeren, omdat de toepassing van één van de uitzonderingsgronden van de federale openbaarheidswetgeving vereist was. Volgens de verzoekende partij legt artikel 6, § 2, 2°, van de openbaarheidswet in geval van een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting een absolute verplichting op om de openbaarmaking te weigeren, zonder enige mogelijkheid tot belangenafweging. Volgens de verzoekende partij zou de GAS-bemiddelaar zich op grond van artikel 9 van het koninklijk besluit van 28 januari 2014 aan het vertrouwelijkheidsbeginsel moeten houden, dat volgens haar “de GAS- bemiddelaar een autonome zwijgplicht oplegt”. Ter zake merkt de verzoekende partij op dat het verslag aan de Koning bij deze bepaling naar artikel 3ter van het Wetboek van Strafvordering verwijst, dat op haar beurt door artikel 555 van het Wetboek van Strafvordering is uitgewerkt. Voorts meent zij dat de GAS- X-16.853-9/16 bemiddelaar op basis van artikel 458 van het Strafwetboek aan een geheimhoudingsplicht onderworpen is. Naar de mening van de verzoekende partij kon de beroepsinstantie als gevolg van de voormelde wettelijke en reglementaire regels, en in het bijzonder de door artikel 458 van het Strafwetboek gesanctioneerde verplichting tot het naleven van het beroepsgeheim, niet aan de toepassing van de uitzonderingsgrond van een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting voorbijgaan. Naast de schending van artikel 6, § 2, 2°, van de openbaarheidswet, zou in dit verband van een niet-afdoende motivering sprake zijn. 8.
  32. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat de omstandigheid dat de beroepsinstantie in de bestreden beslissing heeft vastgesteld dat de inhoud van het bemiddelingsverslag in een ander document is hernomen, voor de vaststelling van een schending van de geheimhoudingsplicht niet ter zake doet. Ook dan is er volgens haar nog steeds sprake van een onwettige beslissing tot het verplichten tot bekendmaking van feiten die gedekt zijn door een geheimhoudingsplicht op grond van artikel 458 van het Strafwetboek. 8.
  33. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat een schending van de motiveringswet voorligt. Een substitutie van motieven vermag dat niet te remediëren. Zij stelt verder dat zij “weldegelijk” de vertrouwelijkheid van het GAS-bemiddelingsverslag uitdrukkelijk heeft opgeworpen en betoogt “dat de “relevante juridische overwegingen niet [worden] vermeld”. Minstens is onduidelijk op welke wijze de bestreden beslissing “zich verhoudt tot art. 6, § 2, 2° van de Openbaarheidswet”. De verzoekende partij geeft verder een nadere toelichting over bemiddeling zoals die in de GAS-wet is begrepen. Zij wijst erop dat een klager op grond van artikel 28 van de GAS-wet geen kopie van het GAS- bemiddelingsverslag kan opvragen. De verzoekende partij wijst op het principe van de vertrouwelijkheid zoals bepaald in artikel 9 van het koninklijk besluit van 28 januari 2014 en betoogt dat noch de nv S&R Gent noch de bemiddelaar met de vrijgave van het GAS-bemiddelingsverslag akkoord zijn gegaan. Voorts stelt zij X-16.853-10/16 dat aan de verwijzing naar artikel 3ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering in het verslag aan de Koning bij voormeld koninklijk besluit van 28 januari 2014 een zinvolle lezing moet gegeven worden, en meent zij dat artikel 458 van het Strafwetboek op de Gas-bemiddelaar toepassing vindt. Ten slotte verwijst de verzoekende partij naar het arrest nr. 127/2013 van het Grondwettelijk Hof, en stelt zij in dit verband dat indien “het GAS- bemiddelaarsverslag op verzoek van de ‘klager’ openbaar gemaakt moet worden, […] de ‘overtreder’ [riskeert] te worden geconfronteerd met het openbaar maken van mogelijkerwijze zelf-incriminerende informatie”. Voorts meent zij, onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat de geheimhoudingsplicht “niet plots ophoudt te bestaan, omdat de betrokken informatie intussen niet langer een geheim karakter heeft”. Beoordeling 9.
  34. Artikel 32 van de Grondwet bepaalt: “Ieder heeft het recht elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de regel bedoeld in artikel 134.” Het Grondwettelijk Hof heeft uit de algemene omschrijving die artikel 32 van de Grondwet hanteert, afgeleid dat de grondwetgever het recht op openbaarheid van de bestuursdocumenten heeft ingeschreven als een grondrecht. Uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten zijn slechts mogelijk onder de voorwaarden vastgesteld door de wet, het decreet of de ordonnantie. Ze moeten worden verantwoord en moeten beperkend worden geïnterpreteerd (GwH 25 maart 1997, nr. 17/97, B.2.1 en 2.2; GwH 15 september 2004, nr. 150/2004, B.3.2). De Raad van State sluit zich hierbij aan. 9.
  35. De beroepsinstantie heeft met betrekking tot het GAS- bemiddelingsverslag geoordeeld “na afweging geen uitzonderingsgronden van X-16.853-11/16 toepassing [te achten] op grond waarvan de openbaarmaking in voorliggend geval alsnog kan geweigerd worden”. 9.
  36. De verzoekende partij stelt, voor het eerst in het kader van huidig beroep, dat de verwerende partij de uitzonderingsgrond van artikel 6, § 2, 2°, van de openbaarheidswet had moeten toepassen. Deze bepaling luidt: “Een federale of niet-federale administratieve overheid wijst de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument, die met toepassing van deze wet is gedaan, af, wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet: […] 2° aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting;”. 9.
  37. Artikel 9 van het koninklijk besluit van 28 januari 2014 bepaalt: “De uitvoering van de bemiddeling is geïnspireerd op de volgende principes: […] - Vertrouwelijkheid: de bemiddelaar moet op gepaste wijze en in overleg met de partijen gebruik maken van de informatie die tijdens een bemiddeling tevoorschijn komen; […]. 9.
  38. De Raad van State is binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht bevoegd om na te gaan of de beroepsinstantie is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 9.
  39. De bestreden beslissing overweegt onder meer wat volgt: “Betreffende het verslag van de GAS-bemiddelaar […] dat het K.B. van 28 januari 2014 houdende de minimumvoorwaarden en modaliteiten voor de bemiddeling in het kader van de wet betreffende de Gemeentelijke Administratieve Sanctie (GAS) weliswaar in artikel 9 stelt dat de uitvoering van de bemiddeling geïnspireerd is op o.a. het principe van vertrouwelijkheid, namelijk dat de bemiddelaar op gepaste wijze en in overleg met de partijen gebruik moet maken van de informatie die tijdens X-16.853-12/16 een bemiddeling tevoorschijn komt; dat op basis van rechtspraak uit de inhoud van een bemiddelingsgesprek geen bewijswaarde mag worden geput omdat een bemiddelingsgesprek in essentie vertrouwelijk is (zie o.m. Jeugdrb. Antwerpen 19 september 2012, R.W. 2012-13,1714); dat dit principe van de vertrouwelijkheid van het verloop van de bemiddeling de openbaarmaking volgens de beroepsinstantie in casu echter niet in de weg staat; dat, gelet op de inhoud van het bemiddelingsverslag en de reeds opgelegde sanctie naar aanleiding van de veroorzaakte overlast, de beroepsinstantie na afweging geen uitzonderingsgronden van toepassing acht op grond waarvan de openbaarmaking in voorliggend geval alsnog kan geweigerd worden; dat daarom het beroep voor dit onderdeel als gegrond moet worden beschouwd;[…]” 9.
  40. Waar artikel 6, § 2, 2° van de openbaarheidswet de beroepsinstantie ertoe verplicht om een vraag tot inzage of afschrift in het geval van een geheimhoudingsplicht af te wijzen, kan deze verplichting evenwel geen toepassing vinden indien geen door een geheimhoudingsplicht te beschermen geheim voorligt. 9.
  41. Zelfs indien aangenomen wordt dat op de GAS-bemiddelaar een geheimhoudingsplicht in de zin van artikel 458 van het Strafwetboek toepassing vindt, moet vastgesteld worden dat de verwerende partij in de bestreden beslissing met het bestaan van de geheimhoudingsverplichting rekening heeft gehouden. Gezien de inhoud van het GAS-bemiddelingsverslag en de door de sanctionerend ambtenaar aan de nv S&R Gent opgelegde administratieve geldboete, blijkt zij evenwel te besluiten dat het GAS-bemiddelingsverslag geen door de geheimhoudingsplicht te beschermen geheim bevat dat de openbaarmaking van dit verslag vermag te verhinderen. 9.
  42. De verwerende partij wijst er in dit verband terecht op dat “een uitvoerige samenvatting van het verslag van de GAS-bemiddelaar […] in de beslissing van de sanctionerende ambtenaar van 3 juni 2016 [werd] opgenomen”, dat het GAS-bemiddelingsverslag “voor het overige louter algemene informatie over het verloop van de bemiddelingspoging bevat, waarvan beide partijen, door hun deelname aan die bemiddeling, reeds op de hoogte zijn”, en dat “[u]it de inhoud van het bemiddelingsverslag […] [niet blijkt] dat daarin bepaalde X-16.853-13/16 ‘verklaringen’, ‘toegevingen’ of mededelingen werden gedaan door S&R Gent NV of [J.C.] die enkel in de beslotenheid van de vertrouwelijke bemiddeling zouden zijn gedaan en die de partijen bovendien niet zouden kennen, te meer omdat beide partijen bij de bemiddeling telkens op elkaars, in het bemiddelingsverslag hernomen, standpunten hebben gereageerd en te meer omdat deze standpunten nadien nog eens tot uiting zijn gekomen in de sanctioneringsbeslissing”. Dat de aanvrager tot openbaarmaking, J.C., in de beslissing van de sanctionerend ambtenaar als klager is aangewezen, is van aard te dezen nog meer te doen aannemen dat het GAS-bemiddelingsverslag niet verondersteld kan worden ten aanzien van hem een geheim te bevatten. In de bestreden beslissing wordt op deze hoedanigheid van J.C. gewezen. 9.
  43. De verzoekende partij overtuigt er gezien het voormelde niet van dat de verwerende partij met haar beoordeling de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan. Haar betoog dat de inhoud van de GAS-boete voor de beoordeling van de geheimhoudingsplicht irrelevant zou zijn, kan geen bijval vinden. De verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie nr. P.11.1750.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1 van 13 maart 2012, dat het geheim van het rechterlijk beraad betreft, kan in dit verband niet overtuigen. 9.
  44. Het standpunt van de verzoekende partij dat zonder de toestemming van de nv S&R Gent “de vertrouwelijkheid niet [kan] worden geheven”, wordt niet aangetoond, en kan geen bijval vinden. De door deze partij aangevoerde omstandigheid dat artikel 28 van de openbaarheidswet er niet in voorziet dat de sanctionerend ambtenaar een kopie van het GAS- bemiddelingsverslag betekent “aan elke partij die hierbij een rechtmatig belang heeft en die hem voorafgaand een schriftelijk en met reden omkleed verzoek heeft overgezonden”, toont verder nog niet aan dat ten onrechte tot de openbaarmaking van het GAS-bemiddelingsverslag zou zijn besloten. X-16.853-14/16 9.
  45. Het betoog in de laatste memorie van de verzoekende partij dat het Grondwettelijk Hof met zijn arrest nr. 127/2013 van 26 september 2013 artikel 6 van de wet van 30 november 2011 ‘tot wijziging van de wetgeving wat de verbetering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie betreft’, dat artikel 485bis van het Strafwetboek heeft vervangen, heeft vernietigd “in zoverre zij van toepassing is op de advocaat die houder is van vertrouwelijke informatie van zijn cliënt, dader van het misdrijf dat is gepleegd in de zin van dat artikel, wanneer die informatie mogelijkerwijs incriminerend is voor die cliënt”, doet evenmin aannemen dat te dezen ten onrechte tot de openbaarmaking van het GAS-bemiddelingsverslag zou zijn besloten. De verzoekende partij maakt allerminst aannemelijk dat het GAS- bemiddelingsverslag “mogelijkerwijze zelf-incriminerende informatie” voor de nv S&R Gent zou bevatten. 9.
  46. Anders dan de verzoekende partij dit ten slotte ziet, diende de beroepscommissie “de vertrouwelijkheid, waaraan de GAS-bemiddelaar zich heeft te houden” niet te onderzoeken “in het licht van” artikel 3ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering. De enkele omstandigheid dat de principes vermeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 28 januari 2014 – te dezen in het bijzonder het principe van vertrouwelijkheid – luidens het verslag aan de Koning bij dit besluit “worden ingegeven” door die bepaald in voormeld artikel 3ter, is daartoe geenszins voldoende. 9.
  47. Gelet op wat voorafgaat, toont de verzoekende partij geen schending van de motiveringswet of enig andere door haar aangevoerde rechtsregel aan. 9.
  48. Het middel is ongegrond. BESLISSING
  49. De Raad van State verwerpt het beroep. X-16.853-15/16
  50. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.853-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.610 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.