← België

Arrest 247620 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 26/05/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.620 Rolnummer: A. 230719/X-17716 Zaak: Arrest 247620 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 26/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-26 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-26 03:34 Fiche Arrest nr 247.620 van 26 mei 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK DE Xe KAMER nr. 247.620 van 26 mei 2020 in de zaak A. 230.719/X-17.

  1. In zake :
  2. XXXX
  3. XXXX
  4. XXXX
  5. XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2560 Nijlen Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens, Nicolas Bonbled en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  6. De vordering, ingesteld op 19 mei 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de artikelen 5 en 8 van het Ministerieel besluit van 15 mei 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID 19 te beperken (BS 15 mei 2020) en andere bepalingen uit de actuele versie van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID 19 te beperken (BS 23 maart 2020) voor zover en in de mate deze bepalingen een verbod inhouden om zich te begeven naar een tweede verblijf X-17.716-1/4 en/of in dat tweede verblijf te verblijven welk verbod geldt tot en met 7 juni 2020”. II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn overeenkomstig artikel 16, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ door de Voorzitter van de Xe Kamer te zijnen huize bijeen geroepen voor een virtuele terechtzitting via Skype, die heeft plaatsgevonden op maandag 25 mei 2020, om 14 uur. Zoals op de website van de Raad van State aangekondigd, konden ook derden, op hun aanvraag, de zitting bijwonen. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die loco advocaat Stijn Verbist verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaten Thomas Eyskens en Nicolas Bonbled, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Beoordeling
  9. Het bestreden verbod is door het ministerieel besluit van 20 mei 2020 ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 X-17.716-2/4 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ met onmiddellijke ingang ongedaan gemaakt. In de aanhef wordt onder meer overwogen: “dat de evolutie van de cijfers inzake nieuwe besmettingen het mogelijk maakt om thans ook het verblijf in een tweede verblijfplaats en de verplaatsingen om ernaartoe te gaan en ervan terug te keren, toe te laten vanuit handhavingsoogpunt.”
  10. Het ministerieel besluit komt, objectief, tegemoet aan de verzuchtingen van verzoekers. Het verschaft hen het voordeel dat zij met de voorliggende vordering beoogden en ontneemt hen daardoor het vereiste belang bij die vordering. In de gegeven omstandigheden past het de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen. De omstandigheid dat zij zich in de formele motivering van het ministerieel besluit onder meer op de hiervoor geciteerde overweging beroept, is niet van aard daar anders over te doen oordelen. BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt de vordering.
  12. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 800 euro, op een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partijen gezamenlijk.
  13. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partijen niet bekendgemaakt. X-17.716-3/4 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.716-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.620 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.