id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.684 Rolnummer: A. 222537/XIV-37457 Zaak: Arrest 247684 - Arbeids- en beroepskaarten - 29/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-29 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-26 03:38 Fiche Arrest nr 247.684 van 29 mei 2020 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.684 van 29 mei 2020 in de zaak A. 222.537/XIV-37.457 In zake: Fangfang SU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hoi Lung Leung kantoor houdend te 2000 Antwerpen Karel Rogierstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMS GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport van 14 april 2017, waarmee het beroep van verzoeker tegen de weigeringsbeslissing van het departement Werk en Sociale Economie van 2 augustus 2016 ongegrond wordt verklaard en de gevraagde beroepskaart wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag op- gesteld. XIV-37.457-1/16 Verzoeker heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzet- ting van het geding ingediend en de verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hoi Lung Leung, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Kristof Leconte, die loco advocaat Dirk De Greef verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker dient op 23 februari 2016 een aanvraag in voor een beroepskaart voor vreemdelingen. Het betreft de hernieuwing van zijn beroeps- kaart als zaakvoerder van de bvba Kungfu-cius. Met een beslissing van 2 augustus 2016 weigert het departement voor Werk en Sociale Economie de gevraagde beroepskaart. Op 23 september 2016 stelt verzoeker administratief beroep in tegen de voormelde beslissing. XIV-37.457-2/16 De Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen (hierna: de REOV) geeft op 19 januari 2017 een ongunstig advies. Op 14 april 2017 beslist de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport “om het beroepschrift ongegrond te verklaren en derhalve de gevraagde beroepskaart niet toe te kennen”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de wet van 19 februari 1965 ‘betreffende de zelfstandige beroepsactiviteit der vreemdelingen’ (hierna: de wet van 19 februari 1965), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van “de algemene motiveringsverplichting”, van “het principe van een goede rechtsbedeling en behoorlijk bestuur waaronder de zorgvuldigheidsplicht” en van het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat volgens de bestreden beslissing uit de stukken blijkt dat “de vennootschap voornamelijk omzet genereert uit consultancy-activiteiten van de heer S[…]” en dat de kungfu- en andere activiteiten van verzoeker “beperkt” zijn en enkel “sporadische opdrachten voor één vaste klant, Kombinet”, betreffen. Verzoeker betwist een en ander omdat S. weliswaar een grote omzet haalt binnen de bvba Kungfu-cius, hetgeen echter niet betekent dat de door verzoeker gegenereerde omzet per definitie beperkt is. Voor verzoekers eigen kungfulessen aan het cliënteel van Kombinet wordt ongeveer 10.000 euro per maand gefactureerd op basis van 40 uren per week tegen een vergoeding van 400 euro per dag, exclusief BTW. Het XIV-37.457-3/16 gaat dan ook geenszins om sporadische of beperkte activiteiten. Doordat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met deze elementen, acht verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel geschonden en acht hij de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd. Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat hij volgens de bestreden beslissing geen stukken heeft bijgebracht van “verder marktonderzoek of onderzoek naar nieuwe klanten”, noch van “toekomstige projecten wat betreft de activiteiten van verzoeker” en “behalve een verbouwing aan de gezinswoning van de heer S[…] ook geen toekomstige investeringen” aantoont. Nochtans heeft verzoeker bij de oorspronkelijke aanvraag van een beroepskaart reeds een uitgebreid dossier ingediend met onder meer een businessplan en een beschrijving van het door verzoeker en S. uitgevoerde marktonderzoek waaruit blijkt dat in Vlaanderen wel degelijk een markt bestaat voor zijn activiteiten. Zo heeft verzoeker in zijn administratief beroepschrift gewezen op de omvang van de Chinese gemeenschap in Leuven die verhoudingsgewijs groter is dan in Brussel of Antwerpen, waar wel al kungfuscholen bestonden. Verzoeker heeft de vragenlijst van de administratie ingevuld en er is hem niet gevraagd om nieuwe stukken van een verder marktonderzoek over te leggen, hetgeen hij desgevraagd wel zou hebben gedaan. Ook omwille van deze omstandigheden acht verzoeker de bestreden beslissing onzorgvuldig, onredelijk en niet afdoende gemotiveerd. Ten overvloede merkt verzoeker nog op dat de verbouwing aan de privéwoning van S., waar verzoeker ook woont, onder andere een investering betreft voor verzoekers eigen toekomstige activiteiten binnen de bvba Kungfu-cius. Verzoeker voert in een derde middelonderdeel aan dat het administratief dossier geen enkel stuk bevat ter staving van het motief in de bestreden beslissing dat “er in Vlaanderen vele scholen [zijn] die Kungfu lessen aanbieden, en […] de sportmarkt hiervoor dus reeds in [is] voorzien”. Dit motief vormt een loutere bewering, waarbij geen rekening is gehouden met de argumentatie in verzoekers beroepschrift noch met de overige meegedeelde gegevens. Verzoeker wijst er nogmaals op dat hij reeds in de aanvraag heeft XIV-37.457-4/16 aangegeven dat de Chinese gemeenschap in Leuven voldoende groot is om een authentieke kungfuschool te openen. Verzoeker voert in een vierde middelonderdeel aan dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar het advies van de REOV, die “zich niet van de indruk [kan] ontdoen dat de motieven eerder liggen in een verdoken gezinshereniging”. Volgens verzoeker is dit een subjectieve veronderstelling die niet wordt gestaafd door objectieve feiten en stukken. De verwerende partij houdt er geen rekening mee dat verzoeker wel degelijk regelmatig professionele activiteiten uitoefent in Leuven, namelijk het geven van kungfulessen bij Kombinet, waarvoor hij een mooie vergoeding ontvangt. Verzoeker is dus wel degelijk economisch actief. Verzoeker voert in een vijfde middelonderdeel aan dat volgens de bestreden beslissing “de economische meerwaarde niet meer afdoende is aangetoond”. Hij zet uiteen dat hij de daartoe aangehaalde redenen in de vorige vier middelonderdelen heeft weerlegd. Met verwijzing naar zijn activiteiten voor Kombinet benadrukt verzoeker dat hij op relatief korte tijd heeft gezorgd voor een mooie omzet, dat hij op die inkomsten belastingen betaalt en aldus een economische meerwaarde biedt aan Vlaanderen.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Verzoeker brengt tegen de memorie van antwoord eerst in dat het maatschappelijk doel van de bvba Kungfu-cius veel breder is dan enkel het geven van kungfulessen, lessen over thee, lessen over Chinese kaligrafie en het adviseren van bedrijven, zoals de verwerende partij voorhoudt. De activiteiten zijn geconcentreerd op de vaardigheden van verzoeker en van S., de twee zaakvoerders. Verzoeker heeft terecht beroep aangetekend tegen de weigeringsbeslissing van 2 augustus 2016, volgens welke de financiële leefbaarheid van de bvba onvoldoende zou zijn. XIV-37.457-5/16 Verder is het verzoeker een raadsel waarom de verwerende partij de overweging uit de bestreden beslissing citeert dat verzoeker niet persoonlijk aanwezig was op de zitting van 19 januari 2017, maar vertegenwoordigd was door zijn advocaat en door zijn vertrouwenspersoon, S. Vervolgens laat verzoeker gelden dat de verwerende partij niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en de feiten zeker niet correct heeft beoordeeld in het licht van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij wijst nogmaals op de omzet van 10.000 euro per maand, exclusief BTW, alleen al voor kungfulessen bij Kombinet. Verzoeker is in zijn brief van 30 juni 2016 en nadien in zijn beroepschrift uitgebreid ingegaan op de opmerking dat de kungfulessen pas in april 2016 zijn begonnen. Hoe dan ook heeft de overeenkomst met Kombinet geleid tot een beter resultaat dan voorzien in het financieel plan. Gelet op die grote omzet, acht verzoeker het irrelevant dat hij “slechts” één klant had. Verzoeker heeft in zijn beroepschrift tegen de beslissing van 2 augustus 2016 ook uitgebreid de opmerking van de verwerende partij weerlegd als zou de samenwerking met Kombinet waarschijnlijk niet duurzaam zijn omdat deze laatste onderneming gespecialiseerd is in de herstelling van computers en sedert 2010 verlieslatend is. Verzoeker benadrukt hierna dat de administratie hem nooit heeft gevraagd om stukken van een “verder” marktonderzoek bij te brengen, hetgeen hij zeker zou hebben gedaan indien het hem wel werd gevraagd. De opmerkingen in de beslissing van 2 augustus 2016 kunnen niet als zulke vraag worden geïnterpreteerd. Verzoeker merkt op dat de verwerende partij nog steeds geen enkel stuk bijbrengt waaruit blijkt dat er in Vlaanderen al veel kungfuscholen zijn. Zoals verzoeker reeds heeft toegelicht, bestaat in Leuven een groot potentieel omwille van de grote Chinese gemeenschap en er zijn ook meerdere vormen van kungfu. XIV-37.457-6/16 Verzoeker bevestigt dat de consultancy-activiteiten binnen de bvba Kungfu-cius inderdaad van S. zijn, die met verzoekers dochter is gehuwd. Het kan verzoeker niet verweten wordt dat S. nog meer omzet haalt, naast de mooie omzet van verzoeker zelf.
- In zijn laatste memorie gaat verzoeker nogmaals in op de redenen waarom hij pas in april 2016, na de einddatum van zijn oorspronkelijke beroepskaart, is begonnen met het geven van kungfulessen. Daartoe had hij onder meer eerst Nederlands moeten leren. Verzoeker wijst erop dat Kombinet, dat sinds 2010 verlies zou lijden, in 2016 en 2017 wel degelijk winst heeft geboekt en nog steeds bestaat. Hij heeft enkel in april en in mei 2016 een factuur naar Kombinet gestuurd omdat de samenwerking pas in april 2016 was begonnen. Omdat verzoekers beroepskaart niet werd hernieuwd, kon hij de in juni 2016 geleverde prestaties niet meer factureren. Verzoeker benadrukt dat de samenwerking met Kombinet zeer goed verliep, dat een raamovereenkomst was opgesteld en dat de samenwerking zeker zou worden voortgezet na de hernieuwing van zijn beroepskaart. Verzoeker heeft ook duidelijk aangetoond dat – en waarom – in het Leuvense voldoende vraag is naar een authentieke kungfuschool. Wat betreft de stelling dat verzoekers familiale situatie de voornaamste reden voor de aanvraag van de beroepskaart zou zijn, herhaalt verzoeker dat hij samen met S. een familiebedrijf wilde opstarten, dat zijn dochter inderdaad gehuwd is met S., dat hij in zijn “motivatiebrief” van 30 juni 2016 al heeft meegedeeld dat zijn dochter in België woonde en niet actief was in de bvba Kungfu-cius en dat verzoeker dus niets heeft verzwegen. Beoordeling A. Algemeen XIV-37.457-7/16
- Verzoeker werpt een schending op van de wet van 19 februari 1965, doch hij geeft nergens aan welke bepaling van die wet hij geschonden acht of op welke wijze die wet zou zijn geschonden. De algemene kritiek dat de gevraagde beroepskaart hem ten onrechte zou zijn geweigerd, volstaat niet om een schending van de wet van 19 februari 1965 te staven. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de admini- stratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Aan de formelemotiveringsplicht kan worden voldaan door een verwijzing naar een advies, op voorwaarde dat de inhoud van het advies waarnaar wordt verwezen aan de rechtszoekende ter kennis is gebracht, dat dit advies zelf afdoende is gemotiveerd, dat het wordt bijgevallen in de uiteindelijke beslissing en dat er geen tegenstrijdige adviezen zijn. De bestreden beslissing blijkt te zijn gesteund op het negatieve advies van de REOV, waarvan de motieven zijn weergegeven in die beslissing. Uit het verzoekschrift tot nietigverklaring en zijn memories blijkt dat verzoeker die XIV-37.457-8/16 motieven kent en ze punt voor punt inhoudelijk betwist. Verzoeker houdt wel voor dat die motieven hetzij op onjuiste feitelijke gegevens zijn gesteund, hetzij onredelijk zijn, hetzij op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, doch die kritiek houdt geen verband met de in de voornoemde wet van 29 juli 1991 vervatte formelemotiveringsplicht. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. B. Wat het eerste middelonderdeel betreft
- Bij de beoordeling van een aanvraag tot hernieuwing van een beroepskaart vermag de verwerende partij rekening te houden met de activiteiten XIV-37.457-9/16 van de betrokkene gedurende de geldigheidstermijn van de oorspronkelijke beroepskaart. Verzoeker betwist niet dat hij pas kungfulessen is beginnen geven na de einddatum van zijn oorspronkelijke beroepskaart, namelijk vanaf april 2016 voor rekening van de bvba Kombinet. Verzoeker betwist evenmin dat de enige activiteiten van de bvba Kungfu-cius in 2015 bestonden uit consultancy-activiteiten, die uitsluitend door S. werden uitgevoerd en waarbij verzoeker zelf niet was betrokken. Het wordt niet betwist dat verzoeker geen enkele andere activiteit heeft uitgevoerd gedurende de geldigheidstermijn van zijn oorspronkelijke beroepskaart. Verzoeker mag dan aanvoeren dat hij een omzet van 10.000 euro per maand realiseert, enkel door het geven van kungfulessen voor rekening van de bvba Kombinet, dit doet geen afbreuk aan het feit dat het slechts om een raamovereenkomst gaat en dat hij dergelijke lessen effectief slechts gedurende twee maanden heeft gegeven. Verzoeker deelt mee dat de bvba Kombinet in 2016 en 2017 winst zou hebben gemaakt, doch uit niets blijkt dat de verwerende partij hier reeds bij het nemen van de bestreden beslissing van op de hoogte moest of kon zijn. Hoe dan ook doet dit geen afbreuk aan de niet betwiste gegevens dat de bvba Kombinet vanaf 2010 tot en met 2015 met verlies heeft gewerkt en steeds een beperkte omzet van minder dan 20.000 euro per jaar heeft geboekt. De verwerende partij heeft derhalve niet op grond van onjuiste feitelijke gegevens, onzorgvuldig of onredelijk gehandeld door in die omstandigheden aan te nemen dat geen duurzame samenwerking blijkt met de bvba Kombinet, een kleine onderneming die overigens actief is in de informaticasector.
- Verzoekers verweer in zijn laatste memorie dat hij eerst Nederlands heeft moeten leren alvorens kungfulessen te kunnen geven, doet niet af aan het voorgaande. Deze verantwoording is in die stand van de procedure kennelijk XIV-37.457-10/16 laattijdig, vermits de motieven betreffende het gebrek aan activiteit reeds in de beslissing van 2 augustus 2016 voorkomen. Daarenboven hoeft de verwerende partij niet in redelijkheid te aanvaarden dat de houder van een beroepskaart eerst de volledige termijn van die beroepskaart gebruikt om Nederlands te leren en pas bij de hernieuwing ervan de gevraagde activiteiten zou aanvatten.
- Verzoekers opmerking dat het maatschappelijk doel van de bvba Kungfu-cius ruimer is dan de elementen die in de bestreden beslissing worden opgesomd, doet evenmin af aan de voorgaande concrete vaststellingen betreffende de activiteiten van de bvba en van verzoeker zelf. De weigering van verzoekers beroepskaart is niet gesteund op de omschrijving van het maatschappelijk doel van de bvba Kungfu-cius.
- Verzoeker merkt voor het eerst in de memorie van wederantwoord op dat het advies van de REOV – en daarmee ook de bestreden beslissing – vermeldt dat verzoeker zelf afwezig was op de zitting van de REOV doch er vertegenwoordigd was door zijn raadsman en door S. als zijn vertrouwenspersoon. Er blijkt volstrekt niet dat verzoeker deze kritiek niet in het verzoekschrift tot nietigverklaring kon opwerpen. Bovendien gaat het niet om een weigeringsmotief, maar slechts om een formele vaststelling van het verloop van de procedure, waarin verzoeker zelf met een ter post aangetekende brief was uitgenodigd voor de desbetreffende zitting van de REOV.
- Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. C. Wat het tweede middelonderdeel betreft
- Verzoeker verwijst naar het businessplan en de beschrijving van een eigen marktonderzoek die hij bij de aanvraag van zijn oorspronkelijke beroepskaart had gevoegd en waaruit volgens verzoeker “blijkt dat er wel degelijk XIV-37.457-11/16 een markt is voor de activiteit [in] Vlaanderen”. Hij merkt ook op “dat de Chinese gemeenschap voldoende groot is om een echte authentieke Chinese Kungfu-school te openen” en verwijst daartoe in het bijzonder naar de Chinese gemeenschap in Leuven. Verzoekers beschouwingen doen geen afbreuk aan de vaststelling dat hij, niettegenstaande zijn aanvankelijk marktonderzoek, er niet in is geslaagd zelf ook maar enige activiteit uit te oefenen gedurende de termijn van zijn eerste beroepskaart. Het uitvoeren van een nieuw marktonderzoek is geen formele vereiste die moet worden vervuld bij de aanvraag van de hernieuwing van een beroepskaart. Te dezen blijkt echter dat verzoeker gedurende de looptijd van zijn oorspronkelijke beroepskaart zelf geen activiteiten heeft uitgeoefend en dat dit reeds een weigeringsmotief vormde in de beslissing van 2 augustus
- Het is in die omstandigheden niet onredelijk noch onzorgvuldig te verwachten dat verzoeker, minstens ter staving van zijn administratief beroep, nader onderzoek doet en meer onderbouwde gegevens bijbrengt over de markt in het algemeen en over nieuwe klanten of toekomstige projecten. Zoals uit de behandeling van het eerste middelonderdeel blijkt, heeft de verwerende partij niet op onwettige wijze getwijfeld aan de duurzaamheid van het project voor kungfulessen in opdracht van de bvba Kombinet.
- Het tweede onderdeel van het enige middel is ongegrond. D. Wat het derde middelonderdeel betreft
- Verzoeker richt zich tegen de overweging in het advies van de REOV, overgenomen in de bestreden beslissing, dat er “bovendien” in Vlaanderen veel scholen zijn die kungfulessen geven, zodat de sportmarkt hiervan reeds is voorzien. Deze overweging vormt slechts een overtollig motief na het supra niet onwettig bevonden motief dat verzoeker, niettegenstaande zijn eigen aanvankelijk XIV-37.457-12/16 marktonderzoek, zelf geen enkele activiteit heeft uitgeoefend gedurende de looptijd van zijn oorspronkelijke beroepskaart en dat hij enkel nadien twee maanden kungfulessen heeft kunnen geven in opdracht van één enkele klant, waaruit in casu niet de mogelijkheid van een duurzame activiteit kan worden afgeleid. Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat, zelfs al zouden er weinig of geen kungfuscholen bestaan in Vlaanderen en al zou er een werkelijke vraag naar zijn, verzoeker er niet in is geslaagd tijdens de looptijd van zijn aanvankelijke beroepskaart ook maar enige activiteit in die zin te ontwikkelen.
- Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. E. Wat het vierde middelonderdeel betreft
- Verzoeker richt zich tegen de overweging dat de motieven voor de aanvraag van zijn beroepskaart “eerder liggen in een verdoken gezinshereniging”. In de beslissing van 2 augustus 2016, waartegen verzoeker administratief beroep heeft ingesteld, wordt opgemerkt “dat bij de eerste aanvraag beweerd werd dat de heer S[…] werd samengebracht met [verzoeker] door zijn ervaring als ondernemer, de ervaring van [verzoeker] als Kungfu leraar en de gemeenschappelijke kennis en ervaring met bedrijfsbeheer; dat de heer S[…] echter sinds 2007 gehuwd blijkt met de dochter van [verzoeker]; dat deze familiale relatie bij de eerste aanvraag verzwegen werd en, gezien de geringe realisaties van [verzoeker] in België, wellicht de voornaamste reden vormt voor de aanwending van de beroepskaartenprocedure”. In zijn beroepschrift tegen die beslissing ontkent verzoeker te hebben verzwegen dat zijn dochter reeds in België woont en gehuwd is met S. Hij merkt op dat hij “zelf in zijn motivatiebrief dd. 30.06.2016 ter hernieuwing van zijn beroepskaart [heeft] meegedeeld dat zijn dochter reeds in XIV-37.457-13/16 België woont en niet actief is in Kungfu-cius BVBA” en dat hij “dit nooit meegedeeld zou hebben indien hij dit zou willen hebben verzwijgen”. In verzoekers brief van 30 juni 2016 staat wat zijn dochter betreft enkel te lezen dat deze reeds in België woont en werkt voor de nv Terumo Europe met een netto maandloon van 3.456,60 euro en dat zij dus niet actief is in de bvba Kungfu-cius. Verzoeker vermeldt tevens dat zijn echtgenote nog in China woont, dat “indien mogelijk” gezinshereniging zal worden aangevraagd in de toekomst en dat zijn echtgenote in voorkomend geval “hoogstwaarschijnlijk” zal helpen in verzoekers zaak. Het gaat hierbij om antwoorden op een vragenlijst van de dienst Economische Migratie van het departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse gemeenschap, meer bepaald over “de eventuele verhuis van zijn echtgeno(o)t(e) en kind(eren) naar België, hun mogelijke rol in de onderneming in hun inkomstenbron(nen), indien van toepassing”. Verzoeker heeft dus inderdaad enkel gewezen op een zakelijke samenwerking met S., zonder ooit te vermelden dat zijn dochter is gehuwd met S. Na de overige motieven, die in de vorige middelonderdelen niet onwettig zijn bevonden, komt de door de verwerende partij in de bestreden beslissing gevolgde indruk van de REOV over de werkelijke beweegreden van verzoeker, namelijk een verdoken gezinshereniging, in het licht van de voorgaande elementen niet voor als onzorgvuldig of onredelijk.
- Het vierde onderdeel van het enige middel is ongegrond. F. Wat het vijfde middelonderdeel betreft
- Verzoeker herhaalt in wezen zijn kritiek uit de eerste vier middelonderdelen en stelt, anders dan in de bestreden beslissing wordt aangenomen, “dat de activiteiten van verzoeker integendeel nog wel degelijk een economische meerwaarde bieden”. XIV-37.457-14/16 De eerste vier middelonderdelen zijn echter reeds ongegrond bevonden. Verzoeker kan dan ook niet dienstig opnieuw verwijzen naar zijn activiteiten voor de bvba Kombinet. Dat de bvba Kungfu-cius van juni 2015 tot juni 2016 aan verzoeker 1 500 euro “salaris” per maand zou hebben betaald, vermeerderd met vijf maal 650 euro “tantièmes” in 2016, doet geen afbreuk aan de vaststellingen dat in 2015 alle inkomsten van de bvba Kungfu-cius voortsproten uit consultancy-activiteiten van S., dat verzoeker van juni 2015 tot juni 2016 bij geen enkele activiteit van de bvba Kungfu-cius was betrokken, behalve de reeds aangehaalde kungfulessen voor de bvba Kombinet in april-mei 2016, en dat die kungfulessen geen duurzaam karakter hebben vermits ze slechts aan één klant werden gegeven, namelijk een bedrijf dat zelf actief is in de informaticasector met een beperkte omzet en vijf jaar na elkaar verlies heeft geboekt. Met de stelling dat zijn activiteiten “nog wel degelijk een economische meerwaarde opleveren”, getuigt verzoeker van een andere beoordeling dan de verwerende partij, zonder daarmee echter aannemelijk te maken dat de beoordeling in de bestreden beslissing op onjuiste feitelijke gegevens is gesteund, onzorgvuldig is of onwettig is.
- Het vijfde onderdeel van het enige middel is ongegrond. G. Conclusie
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een XIV-37.457-15/16 rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.457-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.684 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.