id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.685 Rolnummer: A. 227193/XIV-37919 Zaak: Arrest 247685 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-29 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-26 03:38 Fiche Arrest nr 247.685 van 29 mei 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.685 van 29 mei 2020 in de zaak A. 227.193/XIV-37.919 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1400 Nijvel rue des Brasseurs 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 januari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 213.752 van 11 december 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.205 van 26 februari
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.919-1/10 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pauline Delgrange, die loco advocaat Julien Hardy verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tine Bricout, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker heeft op 9 januari 2015 een verblijfskaart gevraagd als familielid van een burger van de Unie, met name in functie van zijn echtgenote van Duitse nationaliteit. Op 13 juli 2015 is verzoeker in het bezit gesteld van een F-kaart, geldig tot 9 juli
- 3.
- Op 2 augustus 2018 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie een beslissing tot beëindiging van verblijf in hoofde van verzoeker. XIV-37.919-2/10 Verzoeker stelt op 3 september 2018 tegen die beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 11 december 2018 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunten van de partijen
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van artikel 41 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (hierna: de bestuurstaalwet) en van “de bewijskracht van de akten en van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek”. Verzoeker betwist de motieven van het bestreden arrest die aan de basis liggen van het oordeel dat de aanvankelijk bestreden beslissing de taalwetgeving niet schendt. Hij voert in een eerste middelonderdeel aan dat artikel 41 van de bestuurstaalwet, naar luid waarvan de centrale diensten voor hun betrekkingen met particulieren gebruik maken van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend, niet van toepassing is op bevelen om het grondgebied te verlaten die ambtshalve worden genomen ten aanzien van XIV-37.919-3/10 vreemdelingen die op illegale wijze op het grondgebied verblijven. Volgens het bestreden arrest is de aanvankelijk bestreden beslissing een “ambtshalve beslissing die werd genomen om redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid”, zodat de verwerende partij niet de taal hoefde te gebruiken die verzoeker had gebruikt voor zijn aanvraag die heeft geleid tot de erkenning van zijn verblijfsrecht. Verzoeker zet uiteen dat hij zijn aanvraag tot erkenning van verblijf in het Frans had ingediend en dat ook de beslissing dienaangaande en zijn F-kaart in het Frans zijn opgesteld. Verzoeker begrijpt en spreekt Frans doch geen Nederlands, hetgeen hij aan de verwerende partij heeft laten weten voordat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen. De aanvankelijk bestreden beslissing, die in het Nederlands is opgesteld, is een met toepassing van artikel 44bis van de vreemdelingenwet genomen beslissing tot beëindiging van het verblijf, waarbij het niet gaat om een ambtshalve uitgeoefende gebonden bevoegdheid doch waarbij de verwerende partij beschikt over een zekere beoordelingsmarge. Volgens verzoeker blijkt dit uit § 4 van deze bepaling. Verzoeker is van oordeel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de taalwetgeving heeft geschonden door het toepassingsgebied van artikel 41 van de bestuurstaalwet op onwettige wijze te beperken. Tot slot acht verzoeker zich ook slechter behandeld dan vreemdelingen die de beslissingen van het bestuur wel krijgen in de taal waarvan ze hebben gebruikgemaakt, en dit zonder legitiem doel, objectieve criteria of evenredigheidsverhouding ter verantwoording van het verschil in behandeling. Hij leidt hieruit tevens een schending af van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het fundamenteel recht op gezinsleven. In ondergeschikte orde stelt verzoeker hieromtrent een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor.
- De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat uit de motieven van het bestreden arrest blijkt dat de aanvankelijk bestreden XIV-37.919-4/10 beslissing een ambtshalve beslissing is die is genomen om redenen van openbare orde en nationale veiligheid en die dus niet het gevolg is van een in het Frans opgestelde voorafgaande verblijfsaanvraag van verzoeker. Voorafgaand aan de aanvankelijk bestreden beslissing is ook geen administratieve procedure gevolgd tijdens dewelke verzoeker zich van het Frans zou hebben bediend. Er werd integendeel een Nederlandstalige vragenlijst aan verzoeker voorgelegd die in het Nederlands werd ingevuld. De verwerende partij laat gelden dat uit de vermelding in artikel 41 van de bestuurstaalwet van “de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend” blijkt dat het moet gaan om een voorafgaande aanvraag die de betrokkene heeft ingediend, minstens om een voorafgaande administratieve procedure tijdens dewelke de betrokkene zich van een landstaal heeft bediend. In dat geval moeten de centrale diensten voor hun betrekkingen met de rechtsonderhorige inderdaad gebruikmaken van de taal waarvan deze laatste zich heeft bediend. A contrario kan deze taalvereiste geen toepassing vinden indien ten aanzien van de betrokkene een beslissing wordt genomen die niet het gevolg is van een aanvraag en evenmin wordt voorafgegaan door een administratieve procedure. Volgens de verwerende partij heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen terecht geoordeeld dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet het gevolg is van een aanvraag van verzoeker noch een antwoord inhoudt op een vraag van verzoeker, zodat de artikelen 40 en 41 van de bestuurstaalwet te dezen niet van toepassing zijn. De verwerende partij zet uiteen dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet is genomen met toepassing van de artikelen 42bis tot en met 42quater van de vreemdelingenwet omdat de verblijfsvoorwaarden niet meer zouden zijn vervuld maar op grond van artikel 44bis als zijnde een noodzakelijke maatregel ter bescherming van de openbare orde en ter preventie van strafbare feiten. Daarom is er volgens de verwerende partij te dezen geen verband met de door verzoeker ingediende verblijfsaanvraag maar gaat het om een bevoegdheid die ambtshalve kan worden uitgeoefend. Overeenkomstig de rechtspraak van de XIV-37.919-5/10 Raad van State is artikel 41 van de bestuurstaalwet niet van toepassing op dergelijke ambtshalve beslissingen. Dat met toepassing van artikel 44bis, § 4, van de vreemdelingenwet rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de zaak, doet aan het voorgaande niet af. De verwerende partij merkt op dat ook artikel 7, eerste lid van de vreemdelingenwet een discretionaire beoordelingsmarge inhoudt. Wat het gelijkheidsbeginsel betreft, is de verwerende partij van oordeel dat verzoeker niet aantoont zich in een volstrekt gelijkaardige situatie te bevinden als eender welke andere vreemdeling die een beslissing tot beëindiging van verblijf ontvangt in een taal die de betrokkene begrijpt.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat artikel 41, § 1, van de bestuurstaalwet verwijst naar de taal “waarvan de betrokkenen zich hebben bediend”. Het gaat dus om de taal die de betrokkene heeft gebruikt in zijn contacten met de federale overheid, waarbij niet als beperking geldt dat het enkel gaat om beslissingen die het antwoord zouden uitmaken op een voorafgaande verblijfsaanvraag. Verzoeker acht het door de verwerende partij gemaakte onderscheid tussen enerzijds artikel 44bis van de vreemdelingenwet en anderzijds de artikelen 42bis tot en met 42quater van die wet niet pertinent. In alle gevallen van beëindiging van een voordien erkend verblijfsrecht, ook om redenen van openbare orde, moeten immers een belangenafweging en een bepaalde administratieve procedure plaatsvinden. Volgens verzoeker is het onjuist dat een beslissing tot beëindiging van verblijf met toepassing van artikel 44bis van de vreemdelingenwet geen verband zou houden met de aard van een gebeurlijk verblijfsrecht, daar op grond van de artikelen 43 en 45 van de vreemdelingenwet voor de erkenning van XIV-37.919-6/10 het verblijfsrecht reeds als voorwaarde geldt dat de betrokkene geen gevaar vormt voor de openbare orde. Beoordeling
- In het bestreden arrest wordt de door verzoeker voorgehouden schending van artikel 41bis van de bestuurstaalwet verworpen omdat “de beslissing tot beëindiging van het verblijf […] in casu een ambtshalve beslissing [is] die werd genomen om redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid” en “deze beslissing […] niet het gevolg [is] van een voorafgaande aanvraag die in het Frans werd gesteld, zodat verzoeker zich niet kan beroepen op de artikelen 40 en 41 van de [bestuurstaalwet]”.
- Uit de gegevens waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat verzoeker op 9 januari 2015 een aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf heeft ingediend, dat de verwerende partij deze aanvraag heeft ingewilligd en dat verzoeker op 13 juli 2015 in het bezit werd gesteld van een F-kaart. De aanvraag, de beslissing en de F-kaart zijn opgesteld in het Frans. Verder blijkt dat met de aanvankelijk bestreden beslissing een einde wordt gesteld aan verzoekers recht op verblijf “krachtens artikel 44bis, § 1, van de [vreemdelingenwet]”. Deze beslissing is opgesteld in het Nederlands.
- Artikel 41, § 1, van de bestuurstaalwet bepaalt dat de centrale diensten voor hun betrekkingen met de particulieren gebruikmaken van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend. Naar luid van artikel 44bis, § 1, van de vreemdelingenwet, zoals het gold bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing, “[…] kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de burgers van XIV-37.919-7/10 de Unie en hun familieleden en hun het bevel geven het grondgebied te verlaten om redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid”. Op grond van § 4 van dit artikel houdt de minister of zijn gemachtigde, indien hij overweegt dergelijke beslissing te nemen, “rekening met de duur van het verblijf van de burger van de Unie of zijn familielid op het grondgebied van het Rijk, zijn leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong”.
- Het gaat te dezen derhalve niet om de ambtshalve vaststelling van een onwettig verblijf, maar om een beslissing die door de verwerende partij kan worden genomen om een einde te stellen aan een door de betrokkene gevraagd en verkregen verblijfsrecht. Verzoeker heeft zich voor de erkenning van het verblijfsrecht, waaraan met de aanvankelijk bestreden beslissing een einde is gesteld, bediend van het Frans. Derhalve diende de verwerende partij voor de beëindiging van dat verblijfsrecht eveneens het Frans te gebruiken. Anders dan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest aanneemt, is het hierbij niet relevant dat de aanvankelijk bestreden beslissing zelf niet het gevolg is van een door verzoeker ingediende aanvraag. Het indienen van een aanvraag is op zich immers geen toepassingsvoorwaarde voor artikel 41 van de bestuurstaalwet. Het feit dat de aanvankelijk bestreden beslissing betrekking heeft op een eerdere beslissing waarvoor verzoeker zich van het Frans heeft bediend, volstaat voor de toepassing van deze laatste bepaling. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat verzoeker, waarvan in het bestreden arrest wordt gesteld “dat hij noch het Frans noch het Nederlands machtig is”, de in het Nederlands opgestelde vragenlijst van 13 maart 2018 heeft ingevuld. Deze vragenlijst ging immers uit van de verwerende partij en niet van verzoeker, zodat het gaat om de taal waarvan niet verzoeker doch XIV-37.919-8/10 de verwerende partij zich heeft bediend en waarvan in het licht van het voorgaande blijkt dat dit onwettig was.
- Het eerste onderdeel van het enige middel is gegrond wat de aangevoerde schending van artikel 41 van de bestuurstaalwet betreft en deze vaststelling volstaat voor de vernietiging van het bestreden arrest. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het arrest nr. 213.752 van 11 december 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-37.919-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.919-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.685 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div