id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.690 Rolnummer: A. 220857/IX-8976 Zaak: Arrest 247690 - Examens (onderwijs) - 02/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-02 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-26 03:38 Fiche Arrest nr 247.690 van 2 juni 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.690 van 2 juni 2020 in de zaak A. 220.857/IX-8976 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Raeymaekers kantoor houdend te 2270 Herenthout Bouwelse Steenweg 80 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de examencommissie van het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts van 4 oktober 2016 waarbij het beroep van XXXX ongegrond wordt verklaard. De verzoekende partij vraagt in fine van haar verzoekschrift tevens aan de Raad van State om “de Examencommissie arts en tandarts te verplichten binnen de door [de] Raad bepaalde termijn een nieuwe beslissing te nemen”. IX-8976-1/20 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeenkomstig artikel 3 van koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 8 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelgeving en feiten Voorafgaande opmerking
- Wanneer hierna wordt gerefereerd aan de toepasselijke regelgeving, namelijk de bepalingen van artikel II.187 van de Codex Hoger IX-8976-2/20 Onderwijs en van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 ‘houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts’, moet daarin een verwijzing worden gelezen naar die bepalingen zoals ze luidden ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing. Uiteenzetting 4.
- Ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing organiseert de Vlaamse Regering telkens vóór de aanvang van het academiejaar tweemaal een toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts. De eerste keer in de periode van 1 tot 15 juli, de tweede keer in de periode van 25 augustus tot 7 september (artikel II.187, § 2, 1°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 ‘houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts’). Dat toelatingsexamen omvat twee gedeelten: vooreerst ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, namelijk de vakken biologie, fysica, scheikunde en wiskunde, en voorts ‘informatie verwerven en verwerken’ betreffende thema’s die aansluiten bij de beroepspraktijk van artsen of tandartsen (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het laatstgenoemde gedeelte bestaat uit een communicatieproef en een stilleestekstproef die deels mét teksten, deels zonder teksten wordt afgelegd (artikel 33 van het ‘Werkingsreglement toelatingsexamen arts en tandarts 2016’). Om te slagen voor dat examen moet de kandidaat ten minste 10 op 20 punten behalen voor het examengedeelte ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, ten minste 10 op 20 punten voor het examengedeelte ‘informatie verwerven en verwerken’ en ten minste 22 op 40 punten voor beide examengedeelten samen (artikel II.187, § 2, 5°, van de Codex Hoger Onderwijs). IX-8976-3/20 De examencommissie past een giscorrectie toe. Een juist antwoord levert één punt op; een fout antwoord levert negatieve punten op (- 1/3 punt); geen antwoord levert nul punten op (artikel 37 van het ‘Werkingsreglement toelatingsexamen arts en tandarts 2016’). 4.
- Verzoekster neemt op 30 augustus 2016 deel aan het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts. 4.
- Met een e-mailbericht van 1 september 2016 gericht aan de examencommissie van het toelatingsexamen reageert verzoekster op “het verloop van de proef” als volgt: “Tijdens het eerste deel van de stilleesteksten (16u05 – 16u45), deed er zich een incident voor met een studente. Ze kreeg een of andere aanval, met het nodige lawaai en tumult als gevolg. Het meisje bleef liggen tussen de tafels in blok
- Ze is geholpen door een hulpverlener ter plaatse en na een 20 à 30 tal minuten weggevoerd met een brancard. Door dit voorval werden we uit onze concentratie gebracht en verliep de test niet zoals gehoopt. Bestaat er eventueel een mogelijkheid dit gedeelte opnieuw te doen daar de mensen in blok 43 benadeeld zijn tegenover de mensen in andere blokken.” Op 2 september 2016 vergadert de examencommissie. In de notulen van die vergadering is omtrent verzoeksters melding het volgende opgenomen: “Na het examen ontving de examencommissie melding van een incident in één blok. Een deelnemer was tijdens de stilleestekstproef van het IVV onderdeel onwel geworden en werd ter plaatse verzorgd wat volgens de melding met enig lawaai gepaard ging. Na vergelijking bleken de IVV scores (zowel totaal, als voor de onderdelen communicatie en stilleestekstproef) van het betreffende blok nagenoeg identiek te zijn aan de overeenkomstige scores van alle deelnemers. Er is dus geen aanwijzing dat het voorval een grote impact op de resultaten van de deelnemers van het betreffende blok heeft gehad.” IX-8976-4/20 Met een e-mailbericht van 5 september 2016 wordt namens de examencommissie aan verzoekster meegedeeld: “Het voorval is een overmacht waarop de organisatie van het toelatingsexamen arts en tandarts niet kan anticiperen. Helaas heeft dit voorval langer geduurd dan andere gelijkaardige situaties, aangezien de kandidate zich niet zelfstandig kon verplaatsen. De secretaris was ook aanwezig ter plaatse en heeft bevestigd dat het voorval zich heeft voorgedaan, maar ook dat het voorval relatief rustig is verlopen. De resultaten van alle deelnemers uit blok 43 werden vergeleken met de resultaten van alle deelnemers. De behaalde resultaten voor IVV en de stilleestekstproef liggen in de lijn met de behaalde resultaten van alle deelnemers samen. Op basis daarvan heeft de commissie beslist dat er geen reden toe is om de deelnemers uit blok 43 te compenseren of een nieuwe proef af te leggen.” 4.
- Verzoekster neemt naar eigen zeggen op 6 september 2016 kennis van haar resultaten op het toelatingsexamen van 30 augustus
- Zij behaalt – na toekenning aan alle kandidaten van drie bijkomende punten “[o]m de uitzonderlijk hoge moeilijkheidsgraad te compenseren” – 10,6 op 20 punten voor het examengedeelte ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 10,4 op 20 punten voor het examengedeelte ‘informatie verwerven en verwerken’ en 21 op 40 punten in totaal. Verzoekster is aldus “niet geslaagd”. 4.
- Met een daaropvolgend e-mailbericht van 6 september 2016 richt verzoekster zich opnieuw tot de examencommissie: “[I]k kreeg net mijn resultaten onder ogen. Als ik deze bekijk vind ik het toch wel spijtig dat er geen oor is naar mijn eerste mail. Als we de resultaten van juli bekijken, was het onderdeel van stillezen wel goed en als ik nu deze resultaten had behaald zou ik wel aan mijn toekomst kunnen werken in een richting die ik wil volgen. Ik zou dan met glans geslaagd zijn. Ik blijf van oordeel dat het geen stillezen was omdat er door het voorval wel degelijk lawaaihinder was waardoor de concentratie gestoord werd. IX-8976-5/20 Het voorval duurde 30 minuten daar waar je 40 minuten ter beschikking krijgt. In mijn geval zou het een belangrijk punt schelen … een punt tussen geneeskunde of niet … Kunnen jullie dit a.u.b. bekijken en bespreken.” Dezelfde dag deelt de “organisator” van het toelatingsexamen het volgende mee aan verzoekster: “Ik begrijp dat een tekort van een punt op het totaal frustrerend is en vragen oproept, zeker omwille van het voorval dat zich heeft voorgedaan. Zoals eerder gecommuniceerd hebben wij de gemiddelden van elk onderdeel uit blok 43 vergeleken met de gemiddelden voor de hele groep deelnemers. Het verschil in de gemiddelden tussen de hele groep en blok 43 is verwaarloosbaar (zowel voor IVV als totaal als voor beide onderdelen van de stilleestekstproef afzonderlijk) en komt dit niet in de buurt van het tekort van 1 punt voor IVV. Het toekennen van een extra punt aan blok 43 zou een oneigenlijk voordeel betekenen ten opzichte van alle andere kandidaten en zou een inbreuk zijn op het gelijkheidsbeginsel. De commissie heeft dit voorval vrijdag besproken op de deliberatievergadering en heeft beslist dat er geen reden is om extra punten toe te kennen of het onderdeel opnieuw af te nemen.” 4.
- Met een e-mailbericht van 23 september 2016 stelt de examencommissie verzoekster ervan in kennis dat zij, naar aanleiding van “het inzagemoment” en alle daaruit voortkomende opmerkingen van de kandidaten, opnieuw heeft beraadslaagd over de resultaten en dat zij heeft beslist om twee vragen – respectievelijk vraag 3 over het vak wiskunde en vraag 27 van de stilleestekstproef – te neutraliseren en “aan alle deelnemers van het augustusexamen het maximale punt voor elke geneutraliseerde vraag” toe te kennen. Dat levert voor verzoekster de volgende resultaten op: 10,6 op 20 punten voor het examengedeelte ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 10,9 op 20 punten voor het examengedeelte ‘informatie verwerven en verwerken’ en 21,5 op 40 punten in totaal. IX-8976-6/20 Verzoekster blijft aldus “niet geslaagd”. 4.
- Met een aangetekende brief van 4 oktober 2016 stelt verzoekster bij de voorzitter van de examencommissie een beroep in zoals bedoeld in artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 ‘houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts’. Zij verwijst daarbij naar het “incident” dat zich in haar blok tijdens de stilleestekstproef heeft voorgedaan, waardoor “(onvermijdelijk) rumoer en tumult in de zaal [ontstond]”. Verzoekster voert aan dat zij “door deze omstandigheden in haar concentratie [werd] gestoord, met direct gevolg op haar resultaten en op de onderdelen ‘stilleestekstproef 1’ en ‘stilleestekstproef 2’”. Zij stelt dat “[d]e negatieve impact [...] een feit [is]”. Zij benadrukt dat zij in tempore non suspecto van dit voorval melding heeft gemaakt bij de examencommissie en zij stelt de vraag of zij “geen oneigenlijk nadeel en een ongelijke kans bij het afleggen van de examens [had]”. Volgens haar “[d]uidelijk […] wel”. Zij noemt het voorts “kennelijk onredelijk en bovendien flagrant in strijd met het […] gelijkheidsbeginsel” om haar geen compensatie toe te kennen, noch haar toe te laten het toelatingsexamen – “of minstens de beide stilleestekstproeven” – opnieuw af te leggen; “[i]mmers dienden de studenten uit blok 43 de eerste stilleestekstproef af te leggen in andere omstandigheden dan alle overige deelnemende studenten”. Verzoekster stipt tot slot nog aan dat “er wel degelijk enig verschil in resultaten bestaat (hetgeen slechts te wijten kan zijn aan het [...] incident)”, dat haar “geen concrete gemiddelde cijfers ter kennis werden gebracht (en zij tot op heden ook niet kan/kon beoordelen of het verschil werkelijk ‘verwaarloosbaar’ is)”, dat zij “voor de beide onderdelen KIW en IVV afzonderlijk en zodus ook in totaliteit een positief cijfer […] behaalde” en maar “uiterst nipt niet slaagde voor het examen”, dat zij ook aan de examensessie van juli 2016 deelnam en toen “een geruim voldoende cijfer behaalde op de (beide) stilleestekstproeven” en dat “de resultaten op de stilleestekstproeven […] voor méér dan 2/3e meetellen voor het resultaat voor het onderdeel IVV, en zodus voor IX-8976-7/20 méér dan 1/3e meetellen voor het totale eindresultaat”. Verzoekster vraagt aan de examencommissie om haar niet-slagen “te willen heroverwegen en haar minstens toe te laten het examen (en minstens de beide stilleestekstproeven) opnieuw af te leggen”. 4.
- Op 4 oktober 2016 verklaart de examencommissie het beroep van verzoekster ongegrond. Dit is de thans bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd: “Wat betreft de feiten ontkennen wij geenszins dat deze hebben plaatsgevonden. Het is inderdaad zo dat tijdens de stilleestekstproef een kandidate onwel is geworden en dat zij na 20 minuten per brancard is weggevoerd. Wij willen echter benadrukken dat dit in alle rust is gebeurd en dat er van tumult geen sprake was. Wij menen dan ook dat dit voorval niet van die omvang was dat dit effect kon hebben op de scores van de kandidaten. Tijdens de 20 minuten dat het voorval heeft geduurd heeft de onwel geworden kandidate zich op de grond gelegd en heeft zij daar gerust in de hoop dat haar toestand zou verbeteren. Aangezien er geen verbetering merkbaar was, heeft zij de examenhal per brancard verlaten. Dit alles is gebeurd in alle sereniteit. Een statistische analyse van de resultaten van blok 43 op beide onderdelen van de stilleestekstproef ten opzichte van de resultaten van de ganse populatie toont aan dat er geen statistisch significante afwijking is. Zoals uit bijlage bij deze brief blijkt wijken zowel de mediaan als de gemiddelde score van het bewuste blok nauwelijks af van de rest van de deelnemers (resp. 0,09 punt en 0,05 punt). Wanneer we het gemiddelde van alle blokken naast elkaar in een grafiek zetten zien we ook geen opvallende resultaten en past blok 43 mooi in het rijtje. Er is dus geen enkele aanwijzing dat het incident een impact heeft gehad op de resultaten van de kandidaten.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel en het fairplaybeginsel. IX-8976-8/20 Zij betoogt dat de verwerende partij niet betwist dat tijdens stilleestekstproef 1 van het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts van augustus 2016 zich een incident heeft voorgedaan “waarbij een medestudente in de onmiddellijke omgeving van verzoekster (m.n. in blok 43) een (epilepsie)aanval kreeg en bezweek”, waarna “de betrokken studente een 20- tal minuten op de grond heeft gelegen ‘in de hoop dat haar toestand zou verbeteren’, en uiteindelijk per brancard de examenhal verliet”. Volgens verzoekster had “[é]én en ander […] sowieso effect op het verloop van het examen, wat [de verwerende partij] ook moge beweren in de bestreden beslissing” en “valt bezwaarlijk te betwisten [versta: staande te houden] dat het bezwijken van de betrokken studente, het toedienen van de medische zorgen […] en het afvoeren per brancard niet het minste tumult of rumoer [zouden] hebben veroorzaakt”. Verzoekster stelt dat zij door deze omstandigheden “in haar concentratie [werd] gestoord, met direct gevolg op haar examenresultaten”. De negatieve impact op de stilleestekstproeven is volgens haar “een feit”, “[s]pecifiek en des te meer omdat één en ander zich voordeed tijdens het afleggen van een stilleestekstproef, waarvoor [...] concentratie en bijhorende stilte een absolute vereiste zijn”. “[M]aar liefst 20 à 30 minuten werden benomen/verstoord” en “[e]r is dus een nefaste impact op de maximale examentijdspanne van 40 minuten”. Verzoekster kon zich “niet ten volle/optimaal concentreren tijdens de eerste stilleestekstproef, hetgeen onvermijdelijk implicaties heeft gehad naar de behaalde resultaten op de beide stilleestekstproeven toe”, aangezien tussen beide proeven “een onlosmakelijk verband” bestaat. Verzoekster merkt op dat zij van dit feit al melding heeft gemaakt aan de examencommissie vooraleer zij kennis had van haar resultaten, wat volgens haar aantoont dat er “effectieve hinder” is geweest en zij geen excuus aanvoert voor haar niet-slagen. De examencommissie heeft vervolgens het voorval bevestigd en verduidelijkt dat er een “verschil” in de resultaten van de kandidaten uit blok 43 merkbaar was, al was dat “verwaarloosbaar”. Dit bevestigt, zo stelt verzoekster, wel degelijk de impact van het incident op de IX-8976-9/20 resultaten. Dat dit verschil niet “statistisch significant” is, is volgens haar “irrelevant”. Zij wijst er daarbij op dat de door de verwerende partij aangebrachte statistische gegevens slechts betrekking hebben op de resultaten van alle kandidaten uit blok 43 versus de resultaten van alle andere kandidaten en dus niets zeggen over de individuele examenresultaten en de impact op de individuele student uit blok
- Volgens verzoekster staat het echter vast dat “de studenten uit blok 43 [...] een oneigenlijk nadeel en een ongelijke kans hebben ondervonden bij het afleggen van het toelatingsexamen”. Verzoekster besluit dat zij door het incident werd benadeeld tegenover de kandidaten uit de andere blokken en dat zij het examen heeft moeten afleggen in omstandigheden die “geheel anders” waren dan deze van de andere kandidaten.
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat de door de verwerende partij gemaakte vergelijking van de gemiddelde examenresultaten van de deelnemers uit blok 43 met deze van de andere examinandi, niets zegt over de mate waarin verzoekster en de overige kandidaten uit blok 43 al dan niet werden beïnvloed door het voorval. Volgens haar zou het interessanter geweest zijn om een vergelijking te maken tussen de resultaten van de kandidaten uit blok 43 voor de stilleestekstproeven en hun resultaten voor de andere examenonderdelen. Indien zou worden vastgesteld dat deze kandidaten opvallend minder goed scoorden voor de stilleestekstproeven dan voor de andere examenonderdelen, dan is het duidelijk dat zij door het incident in negatieve zin werden beïnvloed. De vergelijking die door de verwerende partij werd uitgevoerd, is volgens verzoekster dan ook “compleet irrelevant”. Verzoekster stelt voorts dat de mate waarin een kandidaat wordt beïnvloed door een incident tijdens het examengebeuren een “zuiver subjectief gegeven” is en derhalve “individueel te benaderen”. Daarbij moet, aldus verzoekster, worden vastgesteld dat zij bij het toelatingsexamen in juli 2016 wél slaagde voor de beide stilleestekstproeven en dat zij onmiddellijk na het examen in augustus melding maakte van het incident precies omdat zij in haar concentratie werd gestoord. IX-8976-10/20
- In haar laatste memorie doet verzoekster nog gelden dat van een kandidaat-arts toch niet kan worden verwacht dat zij bij het neervallen en onwel worden van een medekandidaat volledig onberoerd blijft en totaal geen interesse toont in de medische toestand van het slachtoffer. Een dergelijke houding zou zelfs een risico inhouden op het plegen van een strafbaar feit. Voor zover ervan wordt uitgegaan dat zij niet aantoont dat het niet mogelijk was zich alleen op het examen te concentreren, wordt volgens verzoekster een negatief bewijs verlangd dat zij onmogelijk kan leveren. Voorts argumenteert verzoekster dat uit de omstandigheid dat zij daags na het examen melding heeft gemaakt van het voorval, moet worden afgeleid dat dit voor haar bovenmatige overlast heeft veroorzaakt. Indien zij zich louter had laten afleiden of geen (bovenmatige) overlast had ondervonden, dan had zij logischerwijze geen melding van het voorval gemaakt bij de examencommissie. Verzoekster merkt ook op dat zij zich niet heeft laten afleiden door het voorval. Zij was bezorgd om haar medekandidaat en zij kon vanop haar plaats niet goed inschatten hoe het met haar ging. Het ter plaatse komen van hulpverlening en het afvoeren met een draagberrie kunnen niet worden beschouwd als een alledaags verschijnsel. Het gevoel van ongerustheid over de medische toestand van de medekandidaat kan je niet zomaar wegfilteren en als onbestaande beschouwen, net zomin als “het geluid dat de hulpverleners ongetwijfeld veroorzaakt hebben bij de benadering [en] het brancarderen van het slachtoffer”. Verzoekster besluit dat het voorval aanleiding heeft gegeven tot tumult en geluid en dat dit de grenzen van de redelijkheid oversteeg. Beoordeling
- Verzoekster heeft haar grieven in verband met het voorval met één van de kandidaten in haar blok tijdens de stilleestekstproeven, in haast identieke bewoordingen in haar beroepschrift voorgelegd aan de examencommissie. IX-8976-11/20 De examencommissie schetst het voorval in de bestreden beslissing als volgt: - tijdens de stilleestekstproef is een kandidate in blok 43, waarin ook verzoekster aanwezig was, onwel geworden; - deze kandidate heeft zich vervolgens op de grond gelegd en daar gerust in de hoop dat haar toestand zou verbeteren; - aangezien na twintig minuten geen verbetering merkbaar was, werd zij met een draagberrie uit de examenhal afgevoerd. De examencommissie benadrukt in de bestreden beslissing dat “dit in alle rust is gebeurd en dat er van tumult geen sprake was”.
- Het komt de Raad van State niet toe om in het kader van zijn wettigheidstoezicht het feitenonderzoek in de plaats van het bestuur over te doen. Hij vermag alleen na te gaan of het bestuur op grond van de hem voorliggende gegevens redelijkerwijze tot zijn vaststelling en beoordeling van de feiten is kunnen komen. Bovendien, als een verzoekende partij de vaststelling van de feiten zoals ze door het bestuur is gedaan wil betwisten, staat het aan haar om de nodige bewijzen daarvan bij te brengen.
- Ter weerlegging van de feiten zoals die door de examencommissie in de bestreden beslissing worden uiteengezet, voert verzoekster alleen aan dat de verklaring van de examencommissie “volkomen ongeloofwaardig” is en dat het voorval “(onvermijdelijk) rumoer en tumult in de zaal” deed ontstaan.
- De vanzelfsprekendheid waarvan verzoekster uitgaat, ziet de Raad van State evenwel niet. IX-8976-12/20 Een examen zal immers nooit in een steriele omgeving plaatsvinden. Dit geldt nog des te meer voor het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts waaraan enkele duizenden studenten terzelfder tijd en op dezelfde locatie deelnemen. Gelet op dit gegeven is het niet onredelijk ervan uit te gaan dat niet elke verstoring van het examengebeuren van aard is een impact te hebben op de resultaten van de examinandi. Een deelnemer aan het toelatingsexamen moet worden geacht ertoe in staat te zijn zich voor de duur van het examen af te sluiten van omgevingsgeluiden of -situaties, althans voor zover ze de grenzen van het normaal verdraagbare niet te buiten gaan, met andere woorden voor zover ze niet substantieel hinderlijk van aard zijn. Een examinandus die meent dat in zijn geval die grenzen overschreden zijn, moet daarvan het bewijs leveren. Hij moet elementen aanbrengen die toelaten om de concrete examenomstandigheden op een objectieve wijze vast te stellen, het substantiële karakter van de verstoring te onderkennen en de impact ervan op de resultaten – minstens als aannemelijk – te doen inzien.
- Als een kandidate onwel wordt en daarom op de grond gaat liggen, terwijl leden van de organisatie aanwezig zijn om hulp te bieden en de gepaste verdere stappen te zetten, kan niet zonder meer worden aangenomen dat dit voorval op zich en noodzakelijk zodanig “tumult” of “rumoer” met zich meebrengt dat de andere kandidaten niet meer op een ordentelijke wijze hun examen zouden kunnen afleggen. Als verzoekster van het tegendeel wil overtuigen, dan valt het haar toe om daarvan het bewijs te leveren. Anders dan zij beweert, wordt van haar geen negatief bewijs gevraagd, maar integendeel het positief bewijs dat het voorval objectief gezien een substantiële verstoring van de toelatingsproef teweegbracht, waarvan in redelijkheid moet worden aangenomen dat ze een bepalende impact moet hebben gehad op de resultaten van de kandidaten. Verzoekster levert dat bewijs echter niet. Zij beweert alleen dat het voorval hoe dan ook niet zonder tumult of rumoer kon verlopen. IX-8976-13/20
- Dat het voorval niet geruisloos is verlopen, wordt in de bestreden beslissing niet tegengesproken, maar er is geen enkele aanwijzing dat de examencommissie de grenzen van haar beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan wanneer zij heeft geoordeeld dat het gebeuren zonder impact op het examen en de resultaten is gebleven. Daarbij dient ook rekening ermee te worden gehouden dat in dit geval geen enkele handeling of tussenkomst vanwege de kandidaten in het betrokken blok 43 werd verwacht. Zij mochten en konden zich concentreren op het examen. Dat dit niet mogelijk zou zijn geweest, toont verzoekster niet aan.
- Dat verzoekster zich mogelijk de facto heeft laten afleiden, is voorzeker niet onbegrijpelijk, maar neemt niet weg dat niet is aangetoond dat het voorval vanuit objectief oogpunt als substantieel hinderlijk moet worden aangemerkt. Het is met andere woorden een zaak van verzoekster dat zij zich verstoord heeft gevoeld, maar het kan niet aan de examencommissie worden verweten dat zij daaraan is voorbijgegaan bij de beoordeling van verzoeksters grief en vraag om het examen(onderdeel) opnieuw te mogen afleggen. In dat licht moet ook de melding van verzoekster daags na het toelatingsexamen worden gezien. Ze doet blijken dat verzoekster zich ervan bewust was dat zij zich had laten afleiden, maar daarmee bewijst ze nog niet dat het gemelde voorval objectief gezien bovenmatige overlast heeft veroorzaakt. In tegenstelling tot wat verzoekster in haar laatste memorie laat uitschijnen, wordt dit bewijs niet geleverd door de loutere melding van het voorval op zich. Het blijkt overigens ook niet dat andere deelnemers aan het examen een gelijkaardige klacht hebben bezorgd aan de examencommissie.
- Wat voorafgaat wordt ook niet weersproken door het feit dat verzoekster in een eerdere sessie van het toelatingsexamen wél geslaagd was voor de stilleestekstproeven. Iedere examensessie is één en ondeelbaar. Verzoekster kan dan ook geen aanspraken putten uit punten die zij heeft behaald op onderdelen van een vorige sessie van het toelatingsexamen. IX-8976-14/20
- De examencommissie heeft ook een statistische analyse uitgevoerd. Zij heeft de gemiddelde resultaten op beide onderdelen van de stilleestekstproef van de kandidaten uit blok 43 geplaatst tegenover de resultaten van alle deelnemers van het toelatingsexamen in augustus
- De commissie heeft daarbij “geen statistisch significante afwijking” vastgesteld: “zowel de mediaan als de gemiddelde score van het bewuste blok [wijken] nauwelijks af van de rest van de deelnemers (resp. 0,09 punt en 0,05 punt).” De examencommissie heeft “het gemiddelde van alle blokken naast elkaar in een grafiek [gezet]” en daarbij “geen opvallende resultaten [gezien]”: “blok 43 [past] mooi in het rijtje.” Verzoekster stelt daartegenover dat er wel een afwijking van de gemiddelde scores is en dat er dus een impact is geweest. Daarmee slaagt zij er echter wederom niet in de onredelijkheid van het oordeel van de examencommissie aan te tonen. Dat de gemiddelde scores voor een examenonderdeel van alle deelnemers, eensdeels, en van een beperkte groep van die deelnemers, anderdeels, niet volledig identiek zijn, wijst op zich niet op een onregelmatigheid. Wanneer daarentegen bij een vergelijking van die gemiddelde scores “geen statistisch significante afwijking” wordt vastgesteld, mag dit zeker wel als relevant worden beschouwd. Het bevestigt immers dat er geen indicaties zijn dat niet alle kandidaten het examen in wezenlijk dezelfde omstandigheden hebben afgelegd.
- Dat verzoekster andere vergelijkingen “interessanter” acht, mag zij thans niet voor het eerst voor de Raad van State aanvoeren. Zij had zulks in het kader van haar administratief beroep moeten voorleggen aan de examencommissie die daarvoor bevoegd is. Zij mag er thans de examencommissie geen verwijt over maken. Zij mag ook niet van de Raad van State vragen om zelf andere vergelijkingen te maken, want dan zou de Raad zich in de plaats van het bestuur stellen, wat hij niet vermag te doen. IX-8976-15/20
- Wat voorafgaat doet besluiten dat verzoekster niet aantoont dat zij het toelatingsexamen in wezenlijk andere omstandigheden heeft moeten afleggen dan de andere kandidaten.
- Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, doordat de bestreden beslissing niet correct in rechte is gemotiveerd met betrekking tot de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel. Verzoekster argumenteert dat het motief van de bestreden beslissing dat de afwijking in de scores niet statistisch significant is, volkomen irrelevant is bij de beoordeling van de opgeworpen discriminatie en dan ook niet volstaat ter weerlegging daarvan. Volgens verzoekster is het een feit dat zij het toelatingsexamen in geheel andere omstandigheden heeft afgelegd dan de studenten uit de andere blokken en vormt deze vaststelling, samen met het potentiële puntenverlies als gevolg van het incident, een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel, minstens het fairplaybeginsel, en dit ongeacht de eventuele impact ervan op de examenresultaten. Een statistisch significante afwijking is, aldus verzoekster, uiteraard geen conditio sine qua non opdat er sprake zou kunnen zijn van een discriminatie. De verwerende partij gaat in de bestreden beslissing echter volkomen voorbij aan verzoeksters betoog en zij beperkt zich tot een loutere verwijzing naar een niet statistisch significante afwijking in de gemiddelde scores ter weerlegging van verzoeksters argumentatie. Verzoekster merkt daarbij ook nog op dat zij er het raden naar heeft vanaf wanneer er wél sprake zou zijn van een afwijking die statistisch significant zou zijn. IX-8976-16/20
- In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster nog dat “uit de bijgebrachte gemiddelde examenresultaten overduidelijk blijkt dat er wel een (beperkt) verschil bestaat tussen de gemiddelde resultaten van de studenten uit blok 43 t.o.v. de overige studenten”. Zij doet andermaal gelden dat “[d]e cijfermatige vergelijking van verweerster niets zegt over de mate waarin [zij] beïnvloed werd door het betrokken voorval”. Verzoekster acht “[d]e cijfers die verweerster bijbrengt […] niet van tel” en volgens haar weerleggen ze haar standpunt niet. Een relevantere vergelijking werd dan weer niet onderzocht. Ten slotte herhaalt verzoekster dat de vraag of een kandidaat negatief werd beïnvloed door een incident “een zuiver subjectief gegeven” betreft. Zelfs indien uit de gemiddelde resultaten geen verschil zou blijken, dan mag volgens haar daaruit niet worden afgeleid dat het incident geen invloed heeft gehad op haar als individu. Zij vestigt er nogmaals de aandacht op dat zij tijdens een eerdere examensessie wel slaagde voor de stilleestekstproeven en dat zij van het voorval al in tempore non suspecto melding maakte aan de examencommissie. Beoordeling
- Verzoekster steunt het tweede middel eveneens op het voorval dat zich in haar blok tijdens de stilleestekstproeven van het toelatingsexamen heeft voorgedaan. In dit verband is bij de beoordeling van het eerste middel reeds vastgesteld dat verzoekster er niet in slaagt het oordeel van de examencommissie dat er geen impact is geweest op het examen te weerleggen. Die vaststelling volstaat om ook het tweede middel te verwerpen.
- Het tweede middel is niet gegrond. IX-8976-17/20 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Zij betoogt dat zij slechts “nipt onvoldoende” scoorde en “op het totaalcijfer van 40 punten amper 0,5 punt tekort komt om te slagen in het examen”, dat zij ook deelnam aan het toelatingsexamen in juli 2016 en toen “een geruim voldoende cijfer” behaalde op de beide stilleestekstproeven en dat de resultaten op de stilleestekstproeven voor meer dan 2/3 meetellen in het resultaat van het onderdeel ‘informatie verwerven en verwerken’ en dus voor meer dan 1/3 in het eindresultaat. Volgens verzoekster heeft de examencommissie in de bestreden beslissing bevestigd dat er een afwijking bestaat tussen de gemiddelde scores van de kandidaten uit blok 43 en deze van de andere deelnemers aan het toelatingsexamen. Het incident heeft, aldus verzoekster, “onbetwist een (zekere) impact gehad op de rust en concentratie van de studenten uit blok 43 en zodus ook op hun resultaten” en de mate waarin dit het geval is geweest, is een “subjectief/persoonlijk gegeven”. Verzoekster stelt dat de verwerende partij er niet in slaagt aan te tonen “dat [zij] evenmin geslaagd zou zijn geweest indien het betrokken incident zich niet zou hebben voorgedaan”. Door haar in deze omstandigheden niet toe te laten het toelatingsexamen of minstens de beide stilleestekstproeven opnieuw af te leggen, heeft de examencommissie het redelijkheidsbeginsel geschonden. IX-8976-18/20 Beoordeling
- Ook voor het derde middel zoekt verzoekster aansluiting bij de vooronderstelling dat het door haar beschreven voorval een impact moet hebben gehad op haar resultaten. Zoals uiteengezet bij de beoordeling van het eerste middel, levert zij echter niet het bewijs dat, objectief gezien, een dergelijke impact zich heeft voorgedaan en slaagt zij er niet in het oordeel van de examencommissie daarover te weerleggen. Zij overtuigt dan ook niet van een schending van het redelijkheidsbeginsel doordat de examencommissie haar “in deze omstandigheden” heeft geweigerd (een onderdeel van) het toelatingsexamen opnieuw te laten afleggen.
- Dat verzoekster slechts “nipt onvoldoende” scoorde, verandert niets daaraan. Zoals vermeld, moet de kandidaat om te slagen voor het toelatingsexamen ten minste 10 op 20 punten behalen voor elk van beide examengedeelten – ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ en ‘informatie verwerven en verwerken’ – én ten minste 22 op 40 punten voor beide examengedeelten samen (artikel II.187, § 2, 5°, van de Codex Hoger Onderwijs). Het ingeroepen redelijkheidsbeginsel laat niet toe van deze decretaal vastgestelde slaagnormen af te wijken.
- Het derde middel is niet gegrond. V. Verzoek tot het geven van een injunctie aan de verwerende partij
- Verzoekster vraagt in fine van haar verzoekschrift aan de Raad van State om “de Examencommissie arts en tandarts te verplichten binnen de door [de] Raad bepaalde termijn een nieuwe beslissing te nemen”. IX-8976-19/20 De verwerping van het annulatieberoep heeft ook tot gevolg dat verzoeksters vraag om met toepassing van artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de verwerende partij een bevel op te leggen, moet worden afgewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8976-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.690 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.