← België

Arrest 247691 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 02/06/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.691 Rolnummer: A. 220340/IX-8933 Zaak: Arrest 247691 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 02/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-02 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-26 03:38 Fiche Arrest nr 247.691 van 2 juni 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.691 van 2 juni 2020 in de zaak A. 220.340/IX-8933 In zake: Rudy VAN COSTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Vandromme kantoor houdend te 8500 Kortrijk Nelson Mandelaplein 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 23 september 2016, strekt tot de nie- tigverklaring van de beslissing van het bestuurscollege van de Universiteit Gent van 8 juli 2016 om A.R. vanaf 1 oktober 2016 aan te stellen als voltijds hoogle- raar in de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. IX-8933-1/18 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeen- komstig artikel 3 van koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 11 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker is buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit Gent. In de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen is vanaf 1 oktober 2016 een voltijds ambt in het tenure track stelsel te begeven bin- nen de vakgroep Pediatrie en Genetica, voor een opdracht omvattend academisch onderwijs, wetenschappelijk onderzoek, wetenschappelijke en klinische dienst- verlening in het vakgebied pediatrie. Verzoeker en A.R. zijn kandidaat. IX-8933-2/18 De facultaire beoordelingscommissie beslist op 12 mei 2016 om A.R. als eerste en verzoeker als tweede te rangschikken. De faculteitsraad sluit zich hierbij aan en draagt op 8 juni 2016 A.R. voor aanstelling voor aan het bestuurscollege. Het bestuurscollege beslist op 8 juli 2016 om A.R. aan te stel- len als voltijds hoogleraar, vanaf 1 oktober
  5. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  6. De verwerende partij werpt op dat het beroep, voor zover het is gericht tegen de impliciete weigering om verzoeker aan te wijzen, onontvankelijk is. Verzoeker toont niet aan dat er in hoofde van de overheid een rechtsplicht zou bestaan om hem te benoemen.
  7. In de memorie van wederantwoord verklaart verzoeker dat hij zich naar de wijsheid van de Raad schikt, wat de omvang van het beroep betreft. Beoordeling
  8. De exceptie gaat uit van een verkeerde lezing van het inleidend verzoekschrift. Verzoeker merkt weliswaar op dat met de beslissing van 8 juli 2016 “bijgevolg ook wordt beslist om Verzoekende partij niet aan te stellen”. Dit is slechts een feitelijke vaststelling. Hij stipt immers aan: “Verzoekende partij vecht aldus terecht de aanstellingsbeslissing aan van [A.R.] en de bijhorende rangschikking die daartoe zou moeten hebben ge- leid. Zowel de aanstelling van [A.R.] als de niet-aanstelling van Verzoe- kende partij zelf zitten in een en dezelfde, hierbij bestreden, beslissing vervat” IX-8933-3/18 en hij besluit het inleidend verzoekschrift met de vraag om “de Bestreden Beslis- sing” te vernietigen. Uit niets blijkt, met andere woorden, de wens – laat staan een vraag – van verzoeker om de impliciete weigeringsbeslissing afzonderlijk tot tweede voorwerp van zijn beroep te rekenen en deze ook uitdrukkelijk en afzon- derlijk nietig te verklaren. De exceptie die ten onrechte uitgaat van een andere lezing van het verzoekschrift, is ongegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  9. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke moti- vering van de bestuurshandelingen’ (hierna ook: formelemotiveringswet), van artikel V.27 van de Codex Hoger Onderwijs (hierna ook: VCHO) en van de zorg- vuldigheidsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens verzoeker is de bestreden beslissing gebrekkig gefor- muleerd en respecteert de verwerende partij de formelemotiveringsplicht niet die op haar rust ingevolge de voormelde formelemotiveringswet en artikel V.27 VCHO. Nazicht van de bestreden beslissing leert dat de beslissing zelf geen mo- tieven bevat. De ‘Voorbereiding’ van de bestreden beslissing, “voor de volledig- heid door Verzoekende partij overigens zelf toegevoegd [als] stuk 1”, is verzoe- ker “uiteraard […] welbekend, net als de betrokken adviezen”. Uit de bestreden beslissing blijkt echter niet dat het universiteitsbestuur deze motivering ook on- dersteunt en zich eigen maakt. IX-8933-4/18
  10. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de ‘Voorbereiding’ kennen, niet betekent dat hij er niet mag van uitgaan dat het universiteitsbestuur zelf ook zijn beslissing motiveert. Beoordeling
  11. Het bestuurscollege van de UGent heeft zich aangesloten bij de bevindingen van de beoordelingscommissie en de betrokken faculteitsraad en zich die motieven onbetwistbaar eigen gemaakt. Ze zijn immers geciteerd in de voorbereidende nota die in het uittreksel uit de notulen van het bestuurscollege van 8 juli 2016 van agendapunt IV/DPO/ZAP/GE/6, zoals dat aan verzoeker is bezorgd, is opgenomen. Ze vormen samen met de beslissing één document met een doorlopende paginanummering, wat ook aangeeft dat ze als één geheel zijn opgevat. Die notulering stelt voorts ook dat de bijlagen integraal deel uitmaken van de beslissing. Het middel mist aldus feitelijke grondslag. Hoe dan ook, en zoals verzoeker zelf aangeeft, zijn die motieven hem “welbekend”. In ieder geval is het doel van de formelemotiveringsplicht bereikt en is het middel in zoverre zelfs onontvankelijk, bij gebrek aan belang. Aan de aangevoerde schending van de zorgvuldigheidsplicht geeft verzoeker in de toelichting bij het middel geen draagwijdte die een afzon- derlijk antwoord behoeft.
  12. Het eerste middel wordt verworpen. IX-8933-5/18 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  13. Een tweede middel is geput uit de schending van artikel V.27 van de Codex Hoger Onderwijs en van het onpartijdigheidsbeginsel en het zorg- vuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker betoogt dat de beoordelingscommissie niet aan de nodige objectiviteit of onpartijdigheid kan voldoen, minstens een schijn van par- tijdigheid heeft doen ontstaan door haar concrete samenstelling tot het beoordelen van de kandidaten. Zo blijken twee leden van die commissie bijzonder nauw sa- men te werken met de verkozen kandidate – P.H. als voorzitter van de medische raad van het UZ Gent en J.V.W. als voorzitter van de betrokken vakgroep. Vol- gens verzoeker kan een en ander worden aangetoond door de kandidatuurstelling van A.R. zelf, die bijna uitsluitend bestaat uit publicaties, internationale congres- sen en lezingen samen met deze professoren. Het gaat om een jarenlange intense samenwerking. Op die manier is de beoordeling van de beoordelingscommissie zelf behept met een onwettigheid door haar onzorgvuldig en ondeugdelijk ver- loop, wat een cascade-effect creëert ten aanzien van de bestreden beslissing zelf, die er integraal op steunt. Verzoeker stelt nog de vraag op welke wijze de beoordelings- commissie is samengesteld aangezien hem opvalt dat de samenstelling steeds wijzigde en dat bij toelichting van de visie leden werden toegevoegd die in hoofdzaak focussen op onderwijs en minder op wetenschappelijk onderzoek. Volgens verzoeker leek deze focus bovendien onterecht de bovenhand te halen.
  14. In zijn memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat uit het verslag van de beoordelingscommissie niet valt af te leiden wanneer IX-8933-6/18 J.V.W. wel of niet aanwezig was bij de geplande onderdelen van de selectie (eer- ste selectie, proefles, visie, gesprek) en bij de beoordeling van de onderdelen zo- als afgelegd door de kandidaten. Er kan bovendien bezwaarlijk worden gesteld dat zijn aanwezigheid bij de diverse onderdelen van de selectie, met name door de functie van de betrokkene, geen impact zou veroorzaken op het verloop en de beoordeling van de kandidaten. Beoordeling
  15. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op het optreden van de organen van de verwerende partij als actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de leden van de beoordelingscommis- sie die in het kader van de selectieprocedure een beslissing nemen, als de functio- nele of structurele onpartijdigheid van dat orgaan of één of meer leden ervan, op het vlak van zijn organisatie, het verloop van de procedure en het tot stand komen van zijn beslissingen. Luidens artikel V.27 VCHO leeft het universiteitsbestuur de objectiviteit bij de selectie na.
  16. Verzoeker beweert niet dat J.V.W. of P.H. animositeit koesteren jegens hem, dat zij een persoonlijk, rechtstreeks belang hebben bij de uitkomst van de zaak of dat zij anderszins blijk gegeven hebben van een eigen vooroordeel. Verzoeker beweert inzonderheid niet dat zij zich vooraf persoonlijk geëngageerd zouden hebben in zoverre dat zij geacht moeten worden er minstens een moreel belang bij te hebben dat de eindbeslissing in een welbepaalde richting gaat. Een subjectieve partijdigheid brengt verzoeker bijgevolg niet ter sprake. Subjectieve partijdigheid wordt overigens niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bij- gebracht die deze partijdigheid aantonen. IX-8933-7/18 15.
  17. In zoverre verzoeker aanvoert dat getwijfeld kan worden aan de objectiviteit en de onpartijdigheid van de beoordelingscommissie ingevolge de samenstelling ervan met professoren die nauw bekend zijn met één van de kandi- daten en er zelfs mee hebben samengewerkt, gaat het om de functionele of struc- turele onpartijdigheid van (leden van) de beoordelingscommissie, los van de per- soonlijke onpartijdigheid van het orgaan of de leden ervan. In die situatie moet worden onderzocht of er voldoende waarborgen zijn om objectief gewettigde twijfels over de onpartijdigheid uit te sluiten. Zulke twijfels kunnen rijzen ten gevolge van vaststelbare feiten, waarbij in bepaalde gevallen zelfs de gewekte schijn belang kan hebben. De toetsing aan het onpartijdigheidsbeginsel kan in deze situatie een “objectieve” toetsing genoemd worden. De onpartijdigheid van J.V.W. en P.H. dient alzo vanuit dit objectief oogpunt te worden beoordeeld. 15.
  18. Bij de beoordeling of er verifieerbare gegevens zijn die ten minste een schijn van verdenking kunnen wettigen ten aanzien van de leden van de beoordelingscommissie, moet weliswaar de optiek van de rechtzoekende in aanmerking worden genomen, maar speelt ze geen doorslaggevende rol. Door- slaggevend is of de beweerde vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid als ob- jectief verantwoord kan worden beschouwd. Om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbe- ginsel aannemelijk te maken, volstaat bijgevolg geen louter subjectieve indruk van verzoeker, maar moet hij die indruk objectief kunnen rechtvaardigen, reke- ning houdend met de concrete elementen van de zaak. 15.
  19. Uit het verslag van de beoordelingscommissie blijkt dat vak- groepvoorzitter J.V.W. niet aan “de beraadslaging en finale besluitvorming” par- ticipeert “gezien hij momenteel afdelingshoofd is van één van de kandidaten en op die manier elke vorm van conflict of interest vermeden wordt”. IX-8933-8/18 De beoordelingscommissie heeft bijgevolg kunnen beraadsla- gen en beslissen buiten eventuele druk vanwege J.V.W. om. 15.
  20. Het loutere bestaan van een professionele relatie tussen een lid van de beoordelingscommissie en een kandidaat volstaat niet om te doen veron- derstellen dat het jurylid niet meer met de vereiste afstandelijkheid en onpartij- digheid over de verdiensten van de kandidaten kan oordelen. De beoordelingscommissie heeft voorts een zeer ruime samen- stelling – onder meer de decaan, de vicedecanen, de voorzitter van de betrokken opleidingscommissie, de betrokken vakgroepvoorzitter, de hoofdarts, de voorzit- ter van de medische raad, vertegenwoordigers van AAP, ATP en studenten en externe experts. Die samenstelling was aan verzoeker tijdig bekend, zonder dat hij er enige kanttekening bij heeft gemaakt tijdens de selectieprocedure. De commissie heeft bij unanimiteit beslist. Ten slotte heeft ook verzoeker reeds ge- publiceerd in samenwerking met leden van de beoordelingscommissie, onder wie J.V.W. Welk belang ook gehecht mag worden aan elk van die afzonderlijke vast- stellingen, zeker is dat ze de beweerde schijn van partijdigheid van de beoorde- lingscommissie niet bevestigen. De werkrelatie tussen J.V.W. of P.H. en A.R. vormt weliswaar een objectief gegeven, maar alle gegevens samen in acht genomen daarom nog geen voldoende objectief gewettigde aanwijzing of grond om de door verzoeker gevreesde partijdigheid, of zelfs maar de schijn ervan, aan te tonen. Verzoeker toont niet naar genoegen van recht aan dat hij een gerechtvaardigde vrees mocht koesteren, dat de beoordelingscommissie niet met de vereiste objectiviteit en onpartijdigheid over zijn kandidaatstelling kon oorde- len. 15.
  21. In zoverre is het middel ongegrond. IX-8933-9/18
  22. In zoverre verzoeker zich afvraagt of de samenstelling van de beoordelingscommissie is gewijzigd, vraagt de Raad zich op zijn beurt af hoe deze “vraag” past in het aangevoerde middel. Hoe dan ook blijkt uit het administratief dossier dat de samenstelling van de beoordelingscommissie in de loop van de procedure aan verzoeker is meegedeeld en dat ze niet is gewijzigd. De samenstelling maakte reeds melding van experts. Dat niet bij ieder onderdeel van de procedure alle leden aanwezig zijn, betekent op zich niet dat de samenstelling is gewijzigd. In die mate mist de grief feitelijke grondslag. Verzoeker lijkt overigens samenstelling met aanwezigheid te verwarren, maar werkt het middel in die zin niet nader uit, zodat het in die mate alleszins niet ontvankelijk is.
  23. Voor zover verzoeker meent dat de focus bij de beoordelings- commissie te veel op het aspect ‘onderwijs’ lag en hij dit “onterecht” noemt, is die grief vreemd aan het aangevoerde onpartijdigheidsbeginsel of de objectivi- teitsregel en verzuimt verzoeker de bepaling of het beginsel aan te voeren dat volgens hem “onterecht” geschonden is. In die mate is het middel niet ontvanke- lijk obscuri libelli.
  24. Verzoeker geeft bij het middel geen afzonderlijke toelichting over de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel die hiervóór geen antwoord zou hebben gekregen.
  25. Het tweede middel wordt verworpen. IX-8933-10/18 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  26. Het derde middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel V.27 van de Codex Hoger Onderwijs en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “met name de materiële motive- ringsplicht, het redelijkheidsbeginsel (daarin begrepen het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel) en de zorgvuldigheidsplicht”. Tevens wordt de schen- ding van het vermoeden van onschuld aangevoerd. Verzoeker “is ermee bekend dat het aan [de] Raad binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toekomt om zelf een opportuniteitsoordeel te vellen, maar [hij] is wél bevoegd om na te gaan of Verwerende partij is uitge- gaan van de juiste feitelijke gegevens, zij deze correct heeft beoordeeld, haar be- slissing deugdelijk en afdoende heeft gemotiveerd en of zij, minstens op grond daarvan binnen de contouren van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen”. Volgens verzoeker is dat niet het geval. Hij argumenteert dat de verwerende partij niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens. In de eerste plaats, zo stelt verzoeker, is het manifest zo dat het curriculum vitae van beide kandidaten niet correct werd beoordeeld en aldus geen voldoende doorslaggevende factor heeft gespeeld bij het beoordelen van de kan- didaturen. De publicatie-output in het verslag van de beoordelingscommissie is onjuist aangezien er voor hem 166 A1-publicaties zijn en niet 154, het aantal A1- publicaties waar hij als laatste auteur werd aangegeven niet 33 maar 37 is en het aantal A1-publicaties waar hij als eerste auteur staat vermeld, 10 in plaats van 9 is. Ook blijkt het aantal A1-publicaties behorende tot het hoogste kwartiel voor hem niet 14 maar 24 te zijn. De cijfers van de verkozen kandidate zijn ook foutief IX-8933-11/18 en maken net een omgekeerde beweging. Het aantal A1-publicaties waar A.R. als laatste auteur wordt aangeduid, is niet 7 maar
  27. Verzoeker meent dat de beoorde- lingscommissie ook erg makkelijk de relevantie van het onderscheid wegwuift. Als het onderscheid dan des te groter is, dan komt die motivering, die op zichzelf reeds betwistbaar is, enkel nog meer onder druk te staan. Bovendien klopt het niet dat er enkel een kwantitatief verschil is tussen de kandidaten, wat hun publicatiedossier betreft. Er is onmiskenbaar tevens sprake van een kwaliteitsverschil, hetgeen verzoeker wil aantonen met grafieken aangaande de “impact factor per publicatie” (in totaal en als laatste au- teur), de Hirsch Index en de “impact factor als laatste auteur” en met een verge- lijking van het aantal citaten door andere auteurs. Volgens verzoeker toont dit alles genoegzaam aan dat de beoordelingscommissie geen correcte beoordeling maakt en niet louter de factor ‘tijd’ tot het relativeren van het grote onderscheid kan dienen. Dit motief is niet draagkrachtig en niet afdoende. Overigens werd de verkozen kandidaat als hoogleraar aangesteld, wat op basis van het reglement van de verwerende partij eens te meer het belang van wetenschappelijk werk bena- drukt. Ten tweede stelt verzoeker dat onterecht verregaand werd gefo- cust op het onderdeel ‘onderwijs’ en al te gemakkelijk het onderdeel ‘weten- schappelijk onderzoek’ onder de mat werd geschoven. In het kader van de beoor- deling van de beoordelingscommissie sijpelen er vaak subjectieve elementen door, die dan nog eens in erg veel algemeenheden worden aangeduid. Als expli- ciet wordt gesteld dat verzoeker “het voltijdse ZAP-ambt als een blijk van waar- dering voor zijn wetenschappelijke carrière” ziet, dan moet dit ook juist zijn en kunnen worden gestaafd. Geen enkel stuk van het administratief dossier onder- steunt die stelling; ze klopt ook niet. Ook tast verzoeker in het duister waarom de beoordelingscommissie stelt dat zij “twijfelt of hij de eigen onderzoekslijnen kan overstijgen in het breder belang”. IX-8933-12/18 Ten derde blijft ook belangrijke informatie uit het curriculum vitae van de kandidaten onbesproken. In de vacature staat te lezen dat er ‘interna- tionale mobiliteit’ wordt verwacht en bij de verkozen kandidaat lijkt dergelijke bijkomende langdurige opleiding te ontbreken. Als besluit stelt verzoeker dat de motivering niet afdoende is en zelfs foutief op vele punten. Een gebrekkige motivering is bijgevolg ook onzorg- vuldig. Indien de Raad toch zou oordelen dat de bestreden beslissing over deug- delijke motieven zou beschikken, dan is er ondergeschikt sprake van een schen- ding van het redelijkheidsbeginsel, aangezien de beoordeling van het universi- teitsbestuur “minstens als kennelijk onredelijk” moet worden beschouwd. Beoordeling
  28. Verzoeker zet op geen enkele wijze uiteen op welke wijze de bestreden beslissing een schending inhoudt van het vermoeden van onschuld, zodat het middel in die mate niet ontvankelijk is.
  29. Bij de bespreking van het eerste middel is de schending van de formelemotiveringsplicht niet aangenomen. Verzoeker voert de schending van de formelemotiveringswet in het derde middel opnieuw aan, maar onderbouwt dit in de toelichting bij het derde middel niet met nieuwe gegevens. In die mate is het middel eveneens onontvankelijk. Uit zijn toelichting blijkt overigens – andermaal – dat het doel van de formelemotiveringsplicht bereikt is aangezien verzoeker de motieven kent en hij in staat is kritiek hierop te formuleren uit het oogpunt van de eveneens in het middel aangevoerde materiëlemotiveringsplicht.
  30. De conclusie over A.R. en verzoeker in het advies van de be- oordelingscommissie luidt: IX-8933-13/18 “Beide kandidaten hebben een zeer goed publicatiedossier dat garanties biedt naar de toekomst. Een vergelijking van beide publicatiedossiers leert dat het kwantitatieve publicatieprofiel van R. Van Coster wat [betreft] A1-artikels dat van A.[R.] overtreft. De commissie beseft wel dat de post- doctorale ervaring van R. Van Coster 14 jaar langer is dan deze van A.[R.] Beide kandidaten hebben een vergelijkbare ervaring met het wer- ven van externe fondsen en het begeleiden van Phd-studenten in de rol van (co-)promotor. Beiden halen een uitstekend wetenschappelijk niveau wat ook resulteerde in hun huidige deeltijdse ZAP-aanstelling. Rekening houdend met de tijdsfactor (cfr. hierboven) is het wetenschappelijk dos- sier bijgevolg een weinig discriminerende factor. De visie van A.[R.] op onderzoek is breder en concreter dan deze van R. Van Coster. Deze laatste formuleert enerzijds een nogal vrijblijvende visie en neemt hier in zekere zin zijn persoonlijke ervaringen en carrière als referentie. Anderzijds komt hij weinig los van zijn eigen onderzoeks- lijnen waardoor hij slechts in beperkte mate een actieve brug slaat naar andere onderzoeksgroepen. A.[R.] zet sterk in op het maken van strategi- sche keuzes, samenwerking met andere onderzoeksgroepen en coachen van jonge onderzoekers. De benadering van A.[R.] getuigt van een ruimer perspectief waarbij ze het strikte niveau van haar onderzoeksgroep en in- teressegebied ruim overstijgt en handelt in het breder belang van de vak- groep en faculteit. Beide kandidaten hebben relevante onderwijservaring, maar A.[R.] is be- ter vertrouwd met verschillende didactische werkvormen. Een duidelijk verschilpunt tussen de kandidaten is hun visie op onderwijs en affiniteit met het universitaire en facultaire onderwijsbeleid. A.[R.] getuigt van een grondige kennis hiervan wat resulteert in een coherente visie die ze ver- taalt op een macro- en microniveau in functie van de noden en opportuni- teiten. Ook haar brede klinische ervaring ziet de commissie als een uitge- sproken meerwaarde voor de invulling van het voorliggend ambt in de pediatrie in de ruime zin. Dit weerspiegelde zich ook in de proefles waar- bij A.[R.] het onderwerp ‘huilbaby’ vanuit een breder klinisch perspectief benaderde en zich optimaal aanpaste aan de doelgroep en beoogde leerre- sultaten. A.[R.] heeft in tegenstelling tot R. Van Coster een goed zicht op de verdere implementatie en verwachtingen van de master na master Spe- cialistische geneeskunde. R. Van Coster is niet op de hoogte van het mas- ter na master opleidingsgebeuren en formuleert bepaalde voorstellen die niet stroken met de visie van de faculteit en de betrokken opleidingscom- missie. De visie van A.[R.] toont een uitgesproken evenwicht tussen het algemeen belang en de eigen loopbaan. Ze wil duidelijk tijd en energie investeren in het behartigen en gestalte geven van doelstellingen op de drie pijlers bin- nen het domein van de pediatrie. Ze zal ervoor zorgen dat individuen kunnen excelleren en aangemoedigd worden om kansen te benutten. Daarnaast wil zij ook verder werken aan haar eigen carrière waarin ze uit- dagende, maar realistische doelstellingen beschrijft binnen de 3 pijlers. Deze loyale ingesteldheid zonder in te boeten op ambitie weet de com- missie sterk te appreciëren. Deze boodschap is bij R. Van Coster minder IX-8933-14/18 duidelijk. Hij ziet het voltijdse ZAP-ambt als een blijk van waardering voor zijn wetenschappelijke carrière. Hij benadert zijn opdracht minder generalistisch en coachend. De commissie heeft grote waardering voor de grote expertise van R. Van Coster in de kinderneurologie en voor zijn functioneren binnen zijn huidige onderzoeksgroep en de klinische staf. De visie die hij heeft neergeschreven en becommentarieerd tijdens het inter- view staat minder garant voor een succesvolle transitie naar een voltijds ZAP-ambt met een majeure onderwijsopdracht, gekoppeld aan elementen van management en participatie aan facultaire en universitaire structuren. Uit het dossier en gesprek blijkt dat A.[R.] een beter inzicht heeft in de ziekenhuisstructuren en meer affiniteit heeft met het ondersteunen en uit- bouwen van een netwerk in functie van academische performantie. De visie van A.[R.] reikt een reeks concrete en flexibele recepten aan voor een beleid dat vlot aansluiting vindt bij de strategische krachtlijnen van de faculteit. Zij is in staat nieuwe initiatieven te nemen en opportuniteiten te benutten. De complementariteit en inzetbaarheid van A.[R.] zijn groter en zij zal vanuit een voltijds ZAP-ambt de cohesie binnen de vakgroep ver- sterken. R. Van Coster focust uitgesproken op onderzoek, en onderwijs lijkt eerder ondergeschikt. A.[R.] staat voor een project met een meer evenwichtige verdeling tussen onderzoek en onderwijs. Wat de graad van aanstelling betreft voor [A.R.], stelt de commissie una- niem de graad van hoogleraar voor op basis van haar excellent weten- schappelijk curriculum, haar expertise en haar capaciteiten tot het leiden van wetenschappelijk onderzoek. Zij beantwoordt aan de reglementaire eisen en geldende facultaire criteria, zowel op het vlak van onderzoek als op het vlak van onderwijs. Haar CV toont aan dat zij actief is op hoog we- tenschappelijk niveau en dat zij daarbij een ruime ervaring heeft in het leiden van dit onderzoek. Zij bezit een ruime onderwijservaring die vol- doet aan de nodige vereisten onder meer wat actualiteit en moeilijkheids- graad betreft. Wat de graad van aanstelling betreft voor de heer Rudy Van Coster, stelt de commissie unaniem de graad van gewoon hoogleraar voor op basis van zijn excellent wetenschappelijk curriculum, zijn expertise en zijn capaci- teiten tot het leiden van wetenschappelijk onderzoek. Hij beantwoordt aan de reglementaire eisen en geldende facultaire criteria. Zijn CV toont aan dat hij actief is op het hoogste wetenschappelijk niveau en dat hij daarbij een ruime ervaring heeft in het leiden van dit onderzoek. Hij bezit een ruime onderwijservaring die voldoet aan de nodige vereisten onder meer wat actualiteit en moeilijkheidsgraad betreft.”
  31. Die motivering brengt het auditoraat tot de volgende beoorde- ling van de kritiek die verzoeker formuleert over de afweging van de beide kan- didaten: IX-8933-15/18 “Verzoeker voert vooreerst aan dat er een kwantitatief en kwalitatief ver- schil is in de publicatiedossiers en dat de weergegeven cijfers qua publica- tie-output niet correct zijn. Indien het inderdaad juist is dat de weergegeven cijfers niet kloppen, en dat het aantal A1 publicaties, met inbegrip van deze behorende tot het hoogste kwartiel, voor verzoeker in realiteit een stuk hoger liggen, brengt dit de wettigheid van de bestreden beslissing niet in het gedrang. In het advies van de beoordelingscommissie worden geen cijfers weergegeven maar wordt wel toegegeven dat ‘een vergelijking van beide publicatiedos- siers leert dat het kwantitatieve publicatieprofiel van R. Van Coster wat A1 artikels dat van A.[R.] overtreft’. In haar slotbewoordingen stelt de commissie trouwens dat verzoeker actief is op het ‘hoogste’ wetenschap- pelijk niveau en de verkozen kandidaat op ‘hoog’ wetenschappelijk ni- veau. De commissie erkent bijgevolg dat er zowel een kwantitatief als kwalitatief verschil is wat betreft de publicatie-output. Bovendien gebeurde de vergelijking van de wetenschappelijke kwaliteiten niet enkel op basis van het publicatiedossier maar werd er tevens gekeken naar het werven van externe fondsen en het begeleiden van PhD-studenten in de rol van (co-)promotor. De beoordelingscommissie stelt hierover dat de ervaring van de kandidaten ‘vergelijkbaar’ is en ze beiden een ‘uitste- kend wetenschappelijk niveau (halen) wat ook resulteerde in hun huidige deeltijdse ZAP-aanstelling’. Verzoeker betwist geenszins de juistheid van deze motieven. De commissie wijst erop, [zowel] wat betreft de publicatie-output als wat betreft het werven van externe fondsen en het begeleiden van Phd- studenten, dat ‘de postdoctorale ervaring van R. [Van] Coster 14 jaar lan- ger is dan deze van A.[R.]’ zodat rekening houdend met de tijdsfactor het wetenschappelijk dossier een weinig discriminerende factor is. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de commissie door rekening te houden met de factor tijd een onredelijke beoordeling heeft gemaakt. Verder betoogt verzoeker dat onterecht te verregaand gefocust werd op het onderdeel ‘onderwijs’ en het wetenschappelijk luik onder de mat werd geschoven. Uit het vacaturebericht blijkt inderdaad dat het vacaturebericht melding maakte dat het ambt de opdracht ‘academisch onderwijs, wetenschappe- lijk onderzoek, wetenschappelijke en klinische dienstverlening in het vak- gebied pediatrie van docent in het vakgebied Pediatrie’ omvat. In het pro- fiel bij dit vacaturebericht is dan weer sprake van een ‘substantiële on- derwijsopdracht’. Bovendien mag de benoemende overheid bepalen welk belang zij hecht aan de verschillende profielvereisten. Verzoeker toont niet aan waarom niet méér belang zou mogen worden gehecht aan het criterium op het vlak van onderwijsopdracht. De pertinentie van criterium kan ook moeilijk worden betwijfeld. Artikel V.27 van de Codex Hoger Onderwijs bepaalt dat er een vergelijking van de wetenschappelijke en de onderwijskundige kwaliteiten moet zijn, maar geeft niet aan welk criterium van doorslagge- vende aard dient te zijn. IX-8933-16/18 De overwegingen van de beoordelingscommissie dat ‘verzoeker het vol- tijds ambt als een blijk van waardering voor zijn wetenschappelijke carriè- re ziet’ en dat ‘zij twijfelt of hij de eigen onderzoekslijnen kan overstijgen in het breder belang’ vormen een oordeel van de commissie, gebaseerd op de gegevens van de zaak en kaderend binnen haar appreciatievrijheid. Verzoeker gaat er trouwens aan voorbij dat de commissie ook de beleidvi- sie op het ambt van de kandidaten heeft onderzocht en de verkozen kandi- daat hierop ook beter wordt beoordeeld. Volgens de beoordelingscommis- sie biedt de visie van [A.R.] op het ambt een reeks concrete en flexibele recepten aan voor een beleid dat vlot aansluiting vindt bij de strategische krachtlijnen van de faculteit, dat haar complementariteit en inzetbaarheid groter zijn en zij vanuit een voltijds ambt de cohesie binnen de vakgroep versterken en zij staat voor een project met een meer evenwichtige verde- ling tussen onderwijs en onderzoek. De beoordeling van het criterium internationale mobiliteit, dat volgens het vacaturebericht slechts tot aanbeveling strekt, is niet van aard de betere beoordeling wat betreft onderwijs en visie op het ambt te neutraliseren. Het valt niet in te zien hoe een nog betere score voor internationale mobi- liteit voor verzoeker ertoe zou kunnen leiden dat de betere beoordeling voor onderwijs en beleidsvisie worden geneutraliseerd. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker niet aantoont dat de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten op een willekeurige of on- zorgvuldige wijze zou zijn geschied. De bestreden beslissing is op deug- delijke motieven gesteund en met de nodige zorgvuldigheid genomen.”
  32. In zijn laatste memorie schrijft verzoeker dat het auditoraat het middel onterecht verwerpt. Meer niet. Hij laat na om zijn laatste memorie aan te grijpen voor datgene waarvoor ze bij uitstek haar nut heeft, namelijk als gelegen- heid om het zo-even weergegeven beredeneerde standpunt van het auditoraat te weerspreken.
  33. In die omstandigheden mag het volstaan dat de Raad van State, na eigen onderzoek van het middel en de stukken, vaststelt dat er geen reden is om het anders te zien dan het auditoraat. Om de hiervóór sub 24 aangehaalde redenen, die de Raad bijvalt, is het middel ongegrond voor zover het de schen- ding aanvoert van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel V.27 VCHO.
  34. Verzoeker voert in ondergeschikte orde nog een schending aan van het redelijkheidsbeginsel, omdat de beoordeling van het universiteitsbestuur IX-8933-17/18 minstens als “kennelijk onredelijk” moet worden beschouwd. Verzoeker laat evenwel na concreet uiteen te zetten waarom de beslissing als onredelijk moet worden beschouwd – dit wil zeggen als een beslissing waarvan het ten enenmale ondenkbaar is dat enig andere zorgvuldig handelende overheid geplaatst in de- zelfde omstandigheden ertoe zou besluiten. Deze grief is niet ontvankelijk.
  35. Het derde middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. BESLISSING
  36. De Raad van State verwerpt het beroep.
  37. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8933-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.691 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.