← België

Arrest 247700 - Plannen van aanleg - 03/06/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:A

§2.12 van toepassing.” 7.4.

Uit het administratief dossier blijkt dat het volgende bezwaar tijdens het openbaar onderzoek werd aangevoerd: “Volgens bezwaarindiener kan een RUP, krachtens art. 4.4.10, § 2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, slechts strengere voorwaarden dan deze van de basisrechten van afdeling 2 bepalen, voor zover deze betrekking hebben op de maximaal toegelaten volumes bij herbouw. Indien het ontworpen stedenbouwkundig voorschrift van art. 2.12.

  1. en 2.12.
  2. (de ‘afwijkingen van de planvoorschriften’) de bedoeling hebben strengere beoordelingscriteria vast te leggen, stelt de bezwaarindiener vast dat dit geschiedt in strijd met art. 4.4.10, § 2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Tevens stelt bezwaarindiener dat de betreffende ontworpen voorschriften in strijd zijn met de art. 4.4.16, 4.4.17 en 4.4.18 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, nl. omdat het geldende bestemmingsvoorschrift precies wel een weigeringsgrond is volgens het ontwerp-RUP. Het gaat volgens bezwaarindiener niet op om omtrent ingewikkelde zaken zoals zonevreemde vergunningsregels een ad hoc stelsel uit te werken in een RUP, zonder enige toelichting, en zeker niet wanneer de overeenstemming met de decretale zonevreemde vergunningsregels niet blijkt.” 7.
  3. In antwoord hierop heeft de Gecoro de stad Leuven geadviseerd om de relevantie van het bezwaar juridisch uit te klaren en desgevallend in het plan te verduidelijken. De plannende overheid heeft in navolging van dit advies de artikelen 2.12.1 en 2.12.2 uit het bestreden gemeentelijk RUP geschrapt. 7.
  4. Gezien dit laatste, heeft de plannende overheid er duidelijk voor geopteerd om niet van de basisrechten van de VCRO af te wijken, hetgeen ook uitdrukkelijk uit artikel 2.11 van de stedenbouwkundige voorschriften blijkt. Dit laatste bepaalt dat “[d]e bestemmingsvoorschriften van het RUP [...] geen afbreuk X-17.271-10/18 [doen] aan de zonevreemde basisrechten volgend uit de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”. 7.
  5. De verwijzing naar §2.12 in de onder randnummer 7.3 geciteerde bepaling is zinledig, nu het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP geen dergelijke paragraaf bevat. Gelet op wat voorafgaat, moet met de verwerende partij aangenomen worden dat het louter om een materiële misslag gaat. 7.
  6. In de gegeven omstandigheden is er op grond van het besproken middel alleen reden om ten behoeve van de duidelijkheid in het rechtsverkeer de zin “Bij

§2

.12 van toepassing.” in het stedenbouwkundig voorschrift 2.9 van het bestreden gemeentelijk RUP te vernietigen. Met de verwerende partij dient vastgesteld dat deze gedeeltelijke vernietiging de rest van het bestreden gemeentelijk RUP allerminst aantast. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel

  1. De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van artikel 2.2.2, § 1, 2°, VCRO, alsook van het rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 8.
  2. In een eerste middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat artikel 3.1.1 van de stedenbouwkundige voorschriften onvoldoende duidelijk is. Deze bepaling voorziet dat in de zone voor gemengde functies enkel “plaatsgebonden bedrijvigheid” is toegestaan, terwijl deze term niet wordt verduidelijkt in de definities/begrippenlijst van het bestreden gemeentelijk RUP. Ook zijn de criteria die in de toelichting bij de stedenbouwkundige voorschriften zijn weergegeven volgens de verzoekende partij onduidelijk en is de toepassing ervan niet voorspelbaar. X-17.271-11/18 8.
  3. In een tweede middelonderdeel werpt de verzoekende partij op dat, in zoverre aangenomen zou worden dat de term “plaatsgebonden bedrijvigheid” overeenkomstig de toelichting geïnterpreteerd moet worden, de daarin omschreven criteria met het redelijkheids- en gelijkheidsbeginsel in strijd zijn. Dat, volgens de verzoekende partij, gelijke gevallen zonder redelijke verantwoording ongelijk behandeld zullen worden, staaft zij in het verzoekschrift met de volgende twee voorbeelden. “[B]edrijven die voornamelijk Leuvense werknemers tewerkstellen, doch [geen] werknemers uit de knelpuntsectoren zoals [in de toelichting is] aangegeven”, zouden zich niet op het terrein mogen vestigen, ook al is er “een duidelijke band met de stad”. Hetzelfde geldt voor bedrijven waarvan de werknemers “niet in de meerderheid woonachtig zijn in Leuven maar in een naburige gemeente”. Ook zij zouden zich ter plaatse niet kunnen vestigen. De verzoekende partij is van oordeel dat het bestreden plan “het Leuvense belang”, en niet het algemeen belang, dient. Beoordeling 9.
  4. In de beide middelonderdelen vertrekt de verzoekende partij van de premisse dat het begrip “plaatsgebonden bedrijvigheid” in de verordenende stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP niet wordt gedefinieerd, en bekritiseert zij de omschrijving ervan in de toelichting bij deze voorschriften. In het eerste middelonderdeel acht de verzoekende partij de omschrijving van het begrip “plaatsgebonden bedrijvigheid” in de toelichting onduidelijk. In haar tweede middelonderdeel acht zij deze omschrijving “niet enkel zeer onduidelijk [...], doch evenzeer in strijd [...] met het gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel”. 9.
  5. Vastgesteld moet echter worden dat het begrip “plaatsgebonden bedrijvigheid”, anders dan de verzoekende partij in haar verzoekschrift voorhoudt, wel degelijk op verordenende wijze in de stedenbouwkundige X-17.271-12/18 voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP, meer bepaald in artikel 2.2 (definities) ervan, is gedefinieerd. Deze definitie verschilt van de toelichting die bij artikel 3.1.1 van de stedenbouwkundige voorschriften wordt verstrekt, en waarop de verzoekende partij zich in haar verzoekschrift uitsluitend steunt. Zo maakt artikel 2.2 van de stedenbouwkundige voorschriften geen melding van “werknemers uit knelpuntsectoren” zoals aangegeven in de toelichting en de uiteenzetting van verzoeksters middel. Evenmin vereist artikel 2.2 van de stedenbouwkundige voorschriften dat “de meerderheid” van de werknemers van een bedrijf “woonachtig in Leuven” is. 9.
  6. Gezien het voormelde gaan de beide middelonderdelen van een feitelijk onjuiste premisse uit. Dit volstaat om het middel in zijn geheel te verwerpen. 9.
  7. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  8. De verzoekende partij roept in een derde middel de schending in van artikel 2.2.2, § 1, 2°, VCRO, alsook van het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij voert aan dat artikel 3.4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP bepaalt dat in de gearceerde zone op het grafisch plan minstens één dwars groen lint voorzien dient te worden, maar dat er geen concrete bepalingen worden opgenomen over de exacte locatie van het lint, noch over het ogenblik waarop het lint gerealiseerd dient te worden, noch over wie het lint dient te realiseren. Zodoende is het volgens de verzoekende partij onduidelijk hoe, wanneer en door wie het groene lint gerealiseerd moet worden en is het als eigenaar van een perceel in de gearceerde zone onmogelijk in te schatten welke concrete gevolgen het bestreden gemeentelijk RUP zal hebben. X-17.271-13/18 Beoordeling 11.
  9. De verzoekende partij acht de onder randnummer 3.9 vermelde voorschriften voor haar perceel rechtsonzeker. Zij heeft een gelijkaardige kritiek reeds tijdens het openbaar onderzoek aangevoerd en de Gecoro heeft verzoeksters bezwaar als volgt beantwoord: “De Gecoro acht het bezwaar niet gegrond. Eigenaars kunnen zelf bepalen waar in de zone een lint te realiseren volgens het voor hen meest wenselijke scenario. Bovendien is er de mogelijkheid om de oppervlakte die effectief ingenomen is door het groene lint te compenseren in bijkomende bebouwbare oppervlakte op het perceel en/of bijkomende bouwmogelijkheden in de hoogte. Het bezwaar geeft geen aanleiding tot aanpassingen. [...] De Gecoro acht het bezwaar niet gegrond. Dit zijn normale gebruiksbeperkingen in het kader van de ruimtelijke planning, die geen quasi-onteigening uitmaken maar die ook als redelijke last bij een vergunning kunnen worden opgelegd. De stad heeft ook een compensatieregeling voorzien in het RUP zodat het niet enkel om lasten gaat. De percelen zijn niet opgenomen in het register van planschade gezien de hoofdbestemmingscategorie niet wijzigt. Zie ook behandeling van bezwaar 2.B. Het bezwaar geeft geen aanleiding tot aanpassingen. Eventueel kan in het RUP [...] wel nog extra benadrukt worden waarom deze zones als strategisch worden beschouwd voor de aanleg van dwarse groene linten. [...] Het voorschrift biedt de mogelijkheid om de lasten evenredig te verdelen tussen de eigenaars die een perceel hebben binnen de overdrukzone. Het feit dat mogelijks de eigenaar die eerst een vergunning aanvraagt, geconfronteerd wordt met dit voorschrift, zonder dat de naburige eigenaar waarop een deel van de zone voor dwarse woonlinten is gelegen zich mee engageert, is geen abnormaal gegeven. De plannende overheid kan niet verplicht worden om zich te conformeren aan de perceelsgrenzen. De Gecoro wijst erop dat het voorschrift niet enkel lasten genereert maar ook lusten; nl. de mogelijkheid om de oppervlakte die ingenomen is door het groene lint te compenseren in bebouwbare oppervlakte op het perceel en/of bijkomende bouwmogelijkheden in de hoogte. Het betreft aldus geen onevenredige of onrechtvaardige bezwaring van het perceel, maar een randvoorwaarde die de overheid wil stellen aan eigenaars om daarmee maatschappelijke doelen te realiseren. Gezien het voorschrift enige flexibiliteit toelaat in de realisatie van deze doelen, kunnen eigenaars zelf bepalen hoe dat gebeurt volgens het voor hen meest wenselijke scenario. Dat kan voor eigenaars een stimulans betekenen om X-17.271-14/18 een globaal scenario uit te werken voor gewenste ontwikkelingen op hun percelen, en dus niet ad-hoc te werk te gaan. Het bezwaar geeft geen aanleiding tot aanpassingen.” 11.
  10. Luidens het te dezen toepasselijke artikel 2.2.5, § 1, VCRO bevat een ruimtelijk uitvoeringsplan een grafisch plan en “de bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting of het beheer”. Het grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften hebben verordenende kracht. Volgens het beginsel van de rechtszekerheid moet de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. Dit impliceert onder meer dat stedenbouwkundige voorschriften op voldoende duidelijke wijze moeten worden geformuleerd. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de betrokken belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit. De aangehaalde bepaling en beginselen impliceren evenwel niet dat de overheid die een ruimtelijk uitvoeringsplan vaststelt, alle aspecten van de betrokken regeling op een precieze en gedetailleerde wijze moet regelen. Het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften verhindert niet dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat. 11.
  11. In de mate dat de verzoekende partij aanvoert dat de exacte locatie van het groene lint in de stedenbouwkundige voorschriften niet wordt bepaald, blijkt uit het advies van de Gecoro dat de indicatieve aanduiding ervan X-17.271-15/18 de mogelijkheid aan de eigenaars wil bieden om hun terreinen volgens het voor hen meest wenselijke scenario in te richten. 11.
  12. Het feit dat de aanduiding op het grafische plan indicatief is, brengt nog niet met zich mee dat het bestreden gemeentelijk RUP met schending van de aangevoerde rechtsregels zou zijn genomen. Uit de stedenbouwkundige inrichtingsvoorschriften voor de groene linten en het erbij horende grafisch plan (zie randnummer 3.9) blijkt voldoende duidelijk waar zij toepassing vinden en waar het groene lint minstens gerealiseerd dient te worden. 11.
  13. Dat de stedenbouwkundige voorschriften niet uitdrukkelijk het ogenblik bepalen waarop het lint gerealiseerd moet worden, betekent evenmin dat deze voorschriften rechtsonzeker zouden zijn. Het betoog in de laatste memorie van de verzoekende partij dat zij “dient te weten in welke gevallen [zij] de aanleg van het groene lint mee dient te voorzien, en in welke gevallen zulks niet moet”, doet niet anders besluiten. Vermits de stedenbouwkundige voorschriften voor verzoeksters percelen tot de aanleg van een groen lint verplichten, dient zij daar steeds, bij iedere omgevingsvergunningsaanvraag en handeling met betrekking tot haar percelen, rekening mee te houden. 11.
  14. Verder bestaat er evenmin onduidelijkheid over de vraag wie het lint dient te realiseren, gelet op de stedenbouwkundige voorschriften (randnummer 3.9) en het advies van de Gecoro (randnummer 11.1). Bovendien wordt in de stedenbouwkundige voorschriften uitdrukkelijk rekening gehouden met het geval waarin meerdere eigenaars bij de realisatie van het groene lint betrokken zijn: “Indien het dwars groen lint verdeeld wordt over verschillende eigenaars dient hiervoor bij een eventuele omgevingsvergunningsaanvraag de wijze worden toegelicht waarop deze zal worden gerealiseerd, en dienen er dus concrete afspraken te worden aangetoond met de andere eigenaar(s) in functie van een evenredige verdeling.” (randnummer 3.9) De verzoekende partij gaat aan dit laatste in haar verzoekschrift voorbij. X-17.271-16/18 11.
  15. Het middel is ongegrond. VI. Kosten
  16. Zoals hiervoor is gezien, is er reden om een zinsnede te vernietigen die de verwerende partij bij vergissing in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP opnam. Dit volstaat om de verwerende partij als de in het ongelijk gestelde partij aan te merken en tot een rechtsplegingsvergoeding lastens de verzoekende partij te veroordelen. BESLISSING
  17. De Raad van State vernietigt de zin “Bij

§2

.12 van toepassing.” in het stedenbouwkundig voorschrift 2.9 van het bij besluit van 26 februari 2018 van de gemeenteraad van de stad Leuven definitief vastgestelde gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan GGR - W2 ‘Aarschotsesteenweg 2, 3 en 4’. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.

  1. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
  2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partij. X-17.271-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.271-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.700 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.