id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.719 Rolnummer: A. 229828/XIV-38227 Zaak: Arrest 247719 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 05/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-05 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:32 Fiche Arrest nr 247.719 van 5 juni 2020 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 247.719 van 5 juni 2020 in de zaak A. 229.828/XIV-38.227 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezende bij de Federale Politie DGR/Legal/CTX 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 23 december 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Directie van de In- ternationale Politiesamenwerking (CGI) van de Federale Politie via een tijdelijke nota van 22 oktober 2019, waarbij de detachering van HINP XXXX niet meer verlengd wordt en deze een einde neemt na 15 januari 2020.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.227-1/14 Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeen- komstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrek- king tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’, waarvan de termijn is verlengd bij koninklijk besluit van 18 mei
- Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 2 juni 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is op 1 april 2001 benoemd in de graad van hoofd- inspecteur van politie en is tot 15 januari 2018 werkzaam bij de DGJ/FGP Hal- le-Vilvoorde, standplaats Luchthaven Brussel Nationaal. 3.
- Op 19 september 2017 wordt een oproep tot detachering be- kendgemaakt, met name ‘Detachering van een personeelslid van het operationeel kader van de geïntegreerde politie (HINP of INP) naar CG/CGI (Directie van het beleid inzake internationale politiesamenwerking) – Externe representatie – LO- BEMA’. Het betreft een detachering om tijdelijk operationele hulp te bieden ten behoeve van de Belgische verbindingsofficier in Marokko (LOBEMA), onder het stelsel van ‘vaste dienst in het buitenland’. In de oproep wordt onder meer nog vermeld dat één van de voorwaarden is dat de kandidaten nog ten minste zes volle dienstjaren verwijderd zijn van hun verplichte opruststelling, en dat de maximale XIV-38.227-2/14 duur van de detachering, inclusief eventuele noodzakelijke verlengingen wegens dwingende dienstredenen, de zes jaar niet zal overschrijden. Verzoeker stelt zich kandidaat en wordt geselecteerd. Hij wordt bij beslissing van 6 februari 2018 naar CGI-Externe Representatie-LOBEMA gedetacheerd vanaf 15 januari
- 3.
- Bij nota van 23 april 2019 van de commissaris-generaal wordt, met verwijzing naar de oproep tot detachering, onder meer het volgende gesteld: “
- Zoals aangehaald in voornoemde oproep, zal de maximale duur van de deta- chering, inclusief eventuele noodzakelijke verlengingen wegens dwingende dien- stredenen, de zes jaar niet overschrijden. Het is in deze van belang aan te geven dat de periode van detachering gelinkt is aan de operationele behoeften voor onder- steuning, uitgaande van LOBEMA. Op geregelde tijdstippen dient dan ook een evaluatie te worden gemaakt van deze behoeften en de invulling ervan door de geselecteerde kandidaat.
- Gelet op supra vermelde elementen lijkt het mij dan ook noodzakelijk om, evenals in de geest van Art. I.I.1, 16° RPPol, de periode van detachering op te splitsen in periodes van zes maanden. Terug kijkend op het afgelopen jaar kan dan ook gesteld worden dat HINP XXXX gedetacheerd was naar CGI-Externe Repre- sentatie-LOBEMA voor de volgende periodes (en omwille van de volgende rede- nen): - Aanvang detachering: 15-01-2018 tot en met 14-07-2018 (operationele nood- zaak voor ondersteuning) - Verlenging detachering: 15-07-2018 tot en met 14-01-2019 (operationele noodzaak voor ondersteuning)
- Vanaf 15-01-2019 werd de detachering van HINP XXXX, omwille van opera- tionele noodzaak, opnieuw verlengd met zes maanden t.e.m. 14-07-
- Een eventuele verdere verlenging van detachering na de datum van 14-07-2019 zal het voorwerp uitmaken van een latere evaluatie en zal in een navolgende nota meege- deeld worden. […]” 3.
- Bij nota van 31 juli 2019 wordt de detachering ‘gezien de ope- rationele noodzaak voor verdere ondersteuning’ met zes maanden verlengd, vanaf 15 juli 2019 tot en met 15 januari
- 3.
- Op 8 oktober 2019 dagvaardt verzoeker de verwerende partij om op 21 oktober 2019 te verschijnen voor de Eerste kamer van de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, in essentie, omdat verzoeker van oordeel is dat hij niet alle vergoedingen verbonden aan zijn detachering ontvangt. XIV-38.227-3/14 3.
- Op 22 oktober 2019 beslist de Directeur CGI met betrekking tot de detachering het volgende: “[…]
- Evaluatie CGI stelt vast dat er een evolutie is in de werklast van de post te Rabat: het aantal dossiers waarvoor de aanwezigheid van een operationele assistent vereist is, met name inzake terrorisme, daalt.
- Beslissing Gelet op het voorgaande, hebben wij beslist de detachering van HINP XXXX niet meer te verlengen na 15-01-
- […]”. Dit is de hier bestreden beslissing. Verzoeker ondertekent deze op 24 oktober 2019 ‘voor gezien en ontvangen’. 3.
- De vakorganisatie van de verzoeker, NSPV, vraagt per e-mail van 28 oktober 2019 aan de verwerende partij verduidelijking omtrent de evaluatie in de bestreden beslissing. Per e-mail van 12 november 2019 deelt de verwerende partij de cijfers mee en wijst zij er op dat de detachering niet vroegtijdig werd beëindigd doch niet werd verlengd en dat deze beslissing op 24 oktober 2019 is genomen om verzoeker in staat te stellen zich voor te bereiden op administratief en logistiek vlak. Uit de meegedeelde cijfers blijkt een terugloop van het te behandelen aantal berichten/dossiers terrorisme. 3.
- Op 23 december 2019 richt verzoeker een schrijven aan het Vast Comité P, waarin hij melding maakt van oneigenlijk gebruik van het dienstvoer- tuig door HCP E.G., zijnde LOBEMA of de verbindingsofficier in Rabat, zijn diensthoofd. Deze zou zijn dienstvoertuig gebruikt hebben om zich te verplaatsen voor jaarlijks verlof en deelname aan rally’s. 3.
- De verwerende partij vermeldt nog dat verzoeker sinds zijn terugkeer in België met ziekteverlof is tot en met 21 februari 2020, nadien verlengd XIV-38.227-4/14 tot 19 juni 2020, en dat hij daarna opnieuw als HINP tewerkgesteld zal worden bij de FGP Halle/Vilvoorde. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver- werende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting
- Verzoeker zet, wat de spoedeisendheid betreft, in zijn verzoek- schrift in essentie uiteen dat de loutere nietigverklaring van de bestreden beslissing niet van aard is “de dreigende schade te vermijden bestaande in de aantasting van de functionering van verzoekende partij binnen de politie.” Bovendien heeft het verwijderen uit zijn betrekking in Rabat en de bijhorende overschakeling naar België “onmiddellijke en onherroepelijke fi- nanciële gevolgen.” Verzoeker wordt tijdens zijn diensten in Rabat voorzien van een ambtswoning met inwonende bewaker wat hij, samen, begroot op 4.060 euro. XIV-38.227-5/14 Voorts ontving verzoeker daarnaast een diensttelefoon en bijhorend abonnement (ter waarde van 90 euro). Hij geniet in die betrekking diplomatieke status, waar- door hij btw kan terugvorderen voor persoonlijke aankopen. Wat de persoonlijke aankopen van verzoeker tijdens het jaar 2018 betreft, kan een maandelijks voordeel van gemiddeld 328,28 euro worden vooropgesteld. Deze financiële en materiële voordelen bedragen ruw geschat minstens 4.500 euro per maand en maken een vaststaand verlies uit voor verzoeker en zijn gezin. Daarnaast ontvangt verzoeker een vergoeding voor vaste dienst in het buitenland ten belope van 2.281,13 euro. Dit bedrag zou normaal omstreeks 2.840 euro moeten bedragen, omwille van de bijkomende vergoedingen waarop verzoeker meent aanspraak te maken, wat voorwerp is van de procedure die hangende is voor de burgerlijke rechter. “Om- wille van de beloofde zesjarige betrekking in Rabat was [verzoeker] dan ook in de rechtmatige veronderstelling dat zijn financiële vergoeding niet plotsklaps in fundamentele mate zou worden verminderd.” Verzoeker voegt er nog aan toe dat op het ogenblik van het indienen van de voorliggende vordering het voor hem “onduidelijk [is] hoe groot het werkelijke financiële verlies ten gevolge van de bestreden beslissing moet worden ingeschat.” Hij belandt immers terug in de pool “Algemene Reserve”, waarbij hij naar goeddunken van de Federale Politie kan worden ingezet waar de meeste noodzaak bestaat, zonder enige financiële garantie ten aanzien van verzoeker. Geschat wordt dat dergelijke vergoeding 2.900 euro zou uitmaken, zonder mogelijkheden om bijkomend aanspraak te maken op ver- goedingen. In elk geval zou het geen gespecialiseerde betrekking meer betreffen zoals zijn betrekking op de Luchthaven Zaventem, waardoor hij minstens geen aanspraak meer zal kunnen maken op een aantal vergoedingen waarop hij tijdens zijn oorspronkelijke functie wel recht had (zoals de vergoedingen voor tweeta- ligheid (nuttige kennis Engels en vereiste kennis Frans) en werkelijke onder- zoekskosten). Dit brengt een gegarandeerde vermindering op zijn basiswedde uit met 578,65 euro. Hij wijst er nog op dat deze herplaatsing “definitief van aard is en verregaande negatieve gevolgen met zich meebrengt voor [hemzelf], zijn rechtspositie en zijn gezin.” Hij benadrukt dat de bestreden beslissing reeds on- XIV-38.227-6/14 omkeerbare negatieve gevolgen met zich meebrengt vanaf 15 januari 2020, dit is de datum dat zijn detachering wordt geacht te zijn beëindigd. Vanaf deze datum verdwijnt dus de beroepszekerheid op de post in Rabat. Deze dwingende en on- vermijdelijke omstandigheden bevestigen aldus dat het louter afwachten van een nietigverklaring niet tot een daadwerkelijk rechtsherstel kan leiden voor verzoeker, die reeds voor voldongen feiten wordt geplaatst. Dergelijke drastische gevolgen die inherent zijn aan de consequenties verbonden aan de bestreden maatregel verantwoorden de spoedeisendheid. Aldus worden de dreigende financiële en materiële verliezen in hoofde van verzoeker in concreto aangetoond. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter onder- steuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze re- geling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan af- wachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevin- den met onherroepelijke schadelijke gevolgen’ (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13 nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden XIV-38.227-7/14 ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- In zoverre verzoeker te dezen aanvoert dat de loutere vernieti- ging van de bestreden beslissing de dreigende schade, “bestaande uit de aantasting van zijn functioneren binnen de politie”, niet kan wegnemen of verhinderen, licht hij niet toe waarom de bestreden beslissing “zijn functioneren” binnen de politie onherroepelijk zou aantasten.
- In zoverre verzoeker zich beroept op onmiddellijke en onher- roepelijke schadelijke financiële gevolgen die uit de bestreden beslissing zouden voortvloeien, is dit argument in wezen gesteund op de stelling dat verzoeker door zijn herplaatsing financieel moet inboeten, namelijk door het wegvallen van zijn ambtswoning, met inwonende bewaker (4.060 euro), van zijn diensttelefoon met bijhorend abonnement (90 euro), van zijn diplomatieke status waardoor hij geen btw meer kan terugvorderen voor persoonlijke aankopen (begroot op een verlies van gemiddeld 328,28 euro per maand), van zijn vergoeding voor ‘vaste dienst’ in het buitenland ten belope van 2.281,13 euro (bedrag dat naar mening van ver- zoeker ongeveer 2.840 euro zou moeten zijn) waarbij hij uitgaat van een “beloofde duur van zes jaar” zodat hij in de rechtmatige veronderstelling was dat zijn ver- goeding niet plotsklaps fundamenteel zou worden verminderd. Voorshands dient vastgesteld dat verzoeker niet elk financieel nadeel staaft dat hij stelt te lijden. Hij brengt slechts, wat de buitenlandse deta- chering betreft, een stuk bij waaruit de berekening van zijn maandelijkse vergoe- ding “vaste dienst” voor de maand oktober 2019 (2.281,13 euro) blijkt. In zoverre verzoeker evenwel meent, wat de financiële voordelen verbonden aan zijn bui- XIV-38.227-8/14 tenlandse detachering betreft, dat hij er zonder meer vanuit mocht gaan dat de detachering (en dus de daaraan verbonden financiële voordelen) zou(den) gelden voor een “beloofde duur van zes jaar”, kan hij niet worden bijgetreden. Daarge- laten dat enig bewijs van dergelijke belofte niet voorligt, dan is het in ieder geval zo dat verzoeker er sinds de nota van de commissaris-generaal van 23 april 2019 kennis van had dat de detachering opgesplitst werd in periodes van zes maanden waarna de noodzaak tot verlenging telkens opnieuw zou worden geëvalueerd in functie van de operationele behoeften voor ondersteuning (zie supra, punt 3.3.). Inge- volge die nota werd de detachering van verzoeker nog verlengd van 15 juli 2019 tot 15 januari
- In die context kan evenwel niet worden aangenomen dat ver- zoeker er op het tijdstip van de bestreden beslissing nog steeds rechtmatig kon op vertrouwen dat de detachering zes jaar zou duren en is het verlies van de vergoe- dingen geen plots en niet te voorzien gegeven. Verzoeker toont niet concreet aan dat hij zich daardoor in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen zal bevinden indien het resultaat van de procedure ten gronde moet worden afgewacht. In de mate verzoeker in zijn pleitnota nog aanvoert dat het einde van die detachering een kostelijke verhuis meebrengen waarvan de financiële kost inmiddels op 10.000 euroo wordt begroot, blijkt uit de door de verwerende partij bijgebrachte stukken dat de kosten van die verhuis ten laste werden genomen op het budget van de verbindingsofficier van Marokko zodat verzoeker hierdoor niet benadeeld is en de spoedeisendheid niet kunnen staven. Wat dan de periode betreft die zijn buitenlandse detachering voorafgaat, brengt verzoeker de weddefiche december 2017 bij waaruit blijkt dat hem (in zijn gespecialiseerde betrekking op de Luchthaven van Zaventem, voor- afgaand aan zijn detachering) een vergoeding voor tweetaligheid Frans en twee- taligheid Engels, alsook de vergoeding “werkelijke onderzoekskosten”, werd uit- betaald wat een vermindering van 578,65 euro op zijn basiswedde inhoudt in de mate hij terug in de pool “Algemene Reserve” zou belanden waar hij een (net- to-)vergoeding van 2.900 euro zal ontvangen. De verwerende partij geeft harer- zijds te kennen dat verzoeker opnieuw tewerkgesteld wordt bij de FGP Hal- XIV-38.227-9/14 le-Vilvoorde en dat hij in die hoedanigheid wel degelijk nog steeds aanspraak kan maken op de dagelijkse wedde van hoofdinspecteur, zijn telefoon- en uniform- vergoeding, zijn tweetaligheidstoelagen voor Engels en Frans, wat verzoeker niet betwist. In de mate verzoeker in zijn pleitnota repliceert dat, anders dan de verwerende partij voorhoudt, de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten sedert zijn terugkeer niet meer wordt uitbetaald, wat overeenkomt met een ver- mindering in de bezoldiging ter waarde van 205,34 euro per maand, moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat dit niet het gevolg is van de bestreden beslissing, maar wel van het feit dat verzoeker, sedert zijn terugkeer, in ziekte- verlof is. Hetzelfde geldt voor de uitbetaling van overuren, weekend- en nacht- prestaties. Verder toont verzoeker hoe dan ook niet aan dat dit nadeel van die aard is of tot gevolg heeft dat hij daardoor in een dermate precaire situatie terechtkomt dat een menswaardig bestaan in het gedrang komt of dat de omvang van dit nadeel dermate is dat hij de duur die de annulatieprocedure in beslag neemt niet zal kunnen overbruggen. Verzoekers’repliek dat het volstaat zijn weddenfiches te vergelijken van december 2017 (dit is de weddefiche met betrekking tot de pe- riode vóór zijn detachering), van december 2019 (laatste volle maand dienst in Rabat) “en deze van de maand mei 2020 (noch recherchevergoeding, noch over- uren, noch postvergoeding vaste dienst buitenland) – die hij overigens op het eerste gezicht niet bijbrengt – en waaruit zou blijken dat zijn situatie “voldoende ernstig” is om de spoedeisendheid te staven, gaat voorbij aan hetgeen hiervoor is uiteengezet.
- In de mate verzoeker tot slot de spoedeisendheid tracht te staven door te wijzen op het definitieve karakter van de herplaatsing, met verregaande (“drastische”) en onomkeerbare negatieve gevolgen voor hem, zijn rechtspositie en zijn gezin en dat de bestreden beslissing reeds onomkeerbare negatieve gevolgen meebrengt vanaf 15 januari 2020, datum waarop zijn beroepszekerheid op de post in Rabat verdwijnt zodat hij voor voldongen feiten wordt geplaatst, blijft hij vaag en algemeen. In zoverre verzoeker de zaak spoedeisend acht omwille van de ne- gatieve consequenties van het beëindigen van zijn detachering, dient vastgesteld XIV-38.227-10/14 dat die reeds beëindigd is. De schorsing van de tenuitvoerlegging moet voor ver- zoeker een nuttig effect kunnen hebben wat vereist dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing het onherroepelijke schadelijke gevolg, nog zinvol kan worden geweerd, wat te dezen niet het geval is. Een schorsing heeft immers enkel voor de toekomst uitwerking. Mede om die reden moet een verzoekende partij die de Raad van State ertoe wil brengen om haar zaak bij voorrang op andere zaken te onder- zoeken en om een schorsing te bevelen, bij het benaarstigen ervan zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om dit schadelijke gevolg nog te kunnen weren. Hoewel in het kader van een gewone schorsingsprocedure in be- ginsel geen dwingende voorwaarde geldt om diligent te handelen, zoals deze voorwaarde wel geldt in het kader van een procedure bij uiterst dringende nood- zakelijkheid, betekent dit nog niet dat het talmen van een verzoekende partij om in rechte te treden als proceshouding steeds zonder invloed blijft op de beoordeling van de spoedeisendheid. Van een verzoekende partij mag worden verwacht dat zij zich inspant om de gevreesde schade te vermijden of minimaal te houden. Te dezen moet worden vastgesteld dat verzoeker heeft gewacht tot de laatste dag van de termijn van zestig dagen om zijn verzoek tot schorsing en nietigverklaring op 23 december 2019 in te dienen. In die omstandigheden is het duidelijk dat, gelet ook op de geldende proceduretermijnen in een (gewoon) ad- ministratief kort geding, hoe dan ook geen arrest over het verzoek tot schorsing kon worden verwacht v r 15 januari
- Verzoeker wist reeds op 24 oktober 2019 dat zijn detachering op 15 januari 2020 een einde zou nemen en dat de schadelijke gevolgen daarvan zich onmiddellijk zouden voordoen, wat hij ook zelf aangeeft. In die omstandigheden is het niet te begrijpen dat de volle termijn van zestig dagen wordt benut om op de laatste dag een vordering tot schorsing in te dienen, tijdstip waarop al duidelijk is dat het verzoek tot schorsing geen nuttig effect meer kan hebben voor verzoeker vermits de schadelijke gevolgen zich reeds onherroepelijk zullen voltrokken hebben vooraleer een arrest over het verzoek tot schorsing is uitgesproken. Aangezien de detachering intussen beëindigd is op 15 januari 2020 kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden be- slissing niet meer behoeden voor de schadelijke effecten ervan vermits deze zich XIV-38.227-11/14 intussen voltrokken hebben, daargelaten nog dat de schorsing van de tenuitvoer- legging van de bestreden beslissing – dit is de beslissing om de detachering na 15 januari 2020 niet te verlengen – niet rechtstreeks tot gevolg heeft dat die deta- chering dan wel wordt verlengd. De detachering nam te dezen immers in ieder geval van rechtswege een einde op 15 januari
- Verzoekers argument dat de verwerende partij “het voltrekken van deze gevolgen [had] kunnen vermijden vanuit zorgvuldigheids- en schade- beperkingsoverwegingen door de tijdelijke verlenging van de detachering van [verzoeker], hetgeen zij bewust heeft nagelaten”, doet daaraan niet af. Daargelaten de vaststelling dat niet blijkt dat verzoeker dit argument niet in zijn verzoekschrift kon aanvoeren, en daargelaten de vraag of zorgvuldigheidsoverwegingen zover zouden reiken dat de verwerende partij dan maar in een tijdelijke verlenging van de detachering van verzoeker had moeten voorzien na 15 januari 2020, kan die repliek de Raad van State ervan niet overtuigen dat het niet in de eerste plaats aan ver- zoeker zelf toekwam de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag te leggen om het schadelijk gevolg van de bestreden beslissing alsnog te weren. Evenmin overtuigt verzoeker waar hij stelt dat hij (om het voldongen feit te vermijden) geen schor- singsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kon voeren omdat er nog overleg met de verwerende partij gaande was en een noodzakelijke toelichting bij de bestreden beslissing was vereist om de draagwijdte ervan te kunnen begrijpen. Verzoeker heeft immers kennis gekregen van de bestreden beslissing op 24 oktober
- Op 28 oktober 2019 heeft de vakbond van verzoeker bijkomende informatie opgevraagd, die verzoeker op 12 november 2019 ontvangen heeft zodat er nog tijd was een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen om de beëindiging van de detachering op 15 januari 2020 te vermijden. Het streven naar overleg of het zoeken naar een minnelijke regeling kunnen geen afbreuk doen aan de zorg om met de vereiste spoed de kortgedingrechter te vatten. Tot slot is er geen enkel verband zoals verzoeker in zijn pleitnota aanhaalt tussen eensdeels het voldongen feit of het ogenblik waarop het zich heeft gerealiseerd (15 januari 2020) en anderdeels “de verlenging van de procedure- XIV-38.227-12/14 termijnen voor de Raad van State door de globale pandemie en de toepassing van het KB nr. 12”. Het bedoelde koninklijk besluit nr. 12 ‘met betrekking tot de ver- lenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’ is uitgevaardigd op 21 april 2020, in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 22 april 2020 en heeft uitwerking met ingang van 9 april 2020, met andere woorden ruim 2 maanden nadat het voldongen feit zich op 15 januari 2020 reeds had gerealiseerd. De kwalificatie van het coronavirus COVID-19 als een pandemie door de WHO geschiedde overigens pas op 11 maart
- Wat voorafgaat, leidt tot het besluit dat verzoeker niet aantoont dat zijn zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nie- tigverklaring.
- Aldus is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumu- latief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII. Kosten
- Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsple- gingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-38.227-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-38.227-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.719 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div