id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.722 Rolnummer: A. 228784/VII-40602 Zaak: Arrest 247722 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-08 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 247.722 van 8 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.722 van 8 juni 2020 in de zaak A. 228.784/VII-40.602 In zake : de BVBA BARKA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Joke Derwa kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Lode VAN DEN BRANDE
- Marleen JAECKEN
- Luc Henricus Ludovicus DE VOEGT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christophe Coen en Simon De Buyser kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 7 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-UDN-1819-1184 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna : RvVb) van 8 juli 2019 in de zaak 1819-RvVb-0769-UDN. VII-40.602-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 29 augustus
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 22 oktober 2019 . De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’, waarvan de termijn is verlengd bij koninklijk besluit van 4 mei
- Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 5 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. VII-40.602-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 12 april 2019 verleent de Vlaamse regering aan de bvba Barka een omgevingsvergunning “voor de bouw en de exploitatie van een glastuinbouwbedrijf”. 3.
- Het bestreden arrest beveelt op vordering van Van Den Brande e.a. de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de vergunningsbeslissing van de Vlaamse regering. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.
- Het cassatieberoep werd toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.449 van 29 augustus
- 4.
- Op 21 september 2019 werd een afschrift van de beschikking van toelaatbaarheid samen met een afschrift van het verzoekschrift betekend aan Van Den Brande en aan Jaecken. Op 23 september 2019 werd een afschrift van de beschikking van toelaatbaarheid samen met een afschrift van het verzoekschrift betekend aan De Voegt. 4.
- De op 22 oktober 2019 ingediende memorie van antwoord is enkel ontvankelijk ten aanzien van De Voegt. VII-40.602-3/16 V. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van onontvankelijkheid 5.
- De Voegt werpt op dat het bestreden arrest “geen arrest betreft gewezen in laatste aanleg aangezien de schorsing kan worden ingetrokken zo de Raad voor Vergunningsbetwistingen in de procedure ten gronde zou oordelen dat het verzoekschrift tot nietigverklaring -zoals ingediend door [hen]- ongegrond dient te worden verklaard”. Het bestreden arrest is “slechts een tussentijdse beslissing […] en een definitieve beslissing [zal] in ieder geval nog […] tussenkomen.” Voor zover de bvba Barka over het vereiste belang zou beschikken “verliest zij deze in ieder geval van zodra door de Raad voor Vergunningsbetwistingen een beslissing ten gronde wordt genomen omtrent het verzoekschrift tot nietigverklaring. […] Aangezien het bestreden arrest aldus allerminst definitief oordeelt, het gaat immers slechts over het aanvaarden van het gegeven dat op het eerste gezicht minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing zou verantwoorden, kan er geen sprake zijn van een definitieve beslissing in laatste aanleg. Beslissingen die niet op definitieve wijze de rechtstoestand van de verzoekende partij vastleggen kunnen hem geen nadeel berokkenen en zijn dan ook niet griefhoudend. […] In het bijzonder dient te worden gewezen op het feit dat de inhoud van het cassatieberoep van verzoekende partij enkel handelt over een eerste, slechts voorlopige en marginale beoordeling van het eerste middel zoals door verwerende partijen in hun verzoekschrift voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen aangehaald en waaromtrent de Raad voor Vergunningsbetwistingen aldus nog een definitieve eindbeslissing dient te nemen. Dit blijkt ook duidelijk uit punt 3 van het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest dat stelt dat de uitspraak over de kosten wordt uitgesteld tot de beslissing over de vordering tot vernietiging. Het bestreden arrest betreft dan ook slechts een voorlopige voorziening. Bovendien heeft [de bvba Barka] in de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gegeven het verzoek tot VII-40.602-4/16 voortzetting van de rechtspleging nogmaals de kans om haar standpunten te beargumenteren, net zoals het Vlaamse Gewest als vergunningverlenende overheid al gedaan heeft. […] Aangezien evenwel vaststaat dat het cassatieberoep slechts is gericht tegen de voorlopige, niet definitieve beoordeling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat het door verwerende partijen aangevoerde eerste middel op het eerste gezicht ernstig lijkt, staat vast dat het cassatieberoep handelt omtrent een niet definitieve beslissing en bijgevolg niet voldoet aan de vereisten voor een cassatieberoep zoals uiteengezet in art. 14, §2 RvS-wet. Het cassatieberoep is onontvankelijk”. 5.
- De bvba Barka repliceert: “Het met huidig cassatieberoep bestreden arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen is een in laatste aanleg gewezen beslissing. Een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen aangaande een vernietigingsberoep maakt immers t.a.v. een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen aangaande een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid geen tweede aanleg uit. Het bestreden schorsingsarrest is niet vatbaar voor hoger beroep. De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft zijn rechtsmacht uitgeput met zijn uitspraak over de vraag of het eerste middel ernstig is of niet. […] Met zijn uitspraak over de vraag of een bepaald middel ernstig is, heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen bovendien zijn rechtsmacht uitgeput en een definitief oordeel geveld. Een schorsingsarrest is vatbaar voor een cassatieberoep bij Uw Raad voor wat betreft de definitieve rechtspunten die erin worden beslecht”. Beoordeling 5.
- Het bestreden arrest stelt vast dat onder anderen De Voegt, naast de ingewilligde vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid van de vergunningsbeslissing van 12 april 2019, ook de vernietiging van de vergunningsbeslissing vordert. VII-40.602-5/16 Over de vordering die strekt tot de vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing heeft de RvVb nog geen uitspraak gedaan. Het bestreden arrest doet louter uitspraak over de vordering van onder anderen De Voegt tot schorsing van de vergunningsbeslissing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid bij wijze van voorlopige voorziening. Met het bestreden arrest wordt het eerste middel van onder anderen De Voegt na een voorlopig onderzoek van de gegevens waarover de RvVb in dat stadium van de procedure beschikt, ernstig bevonden omdat het “de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht kan verantwoorden”. 5.
- Met het bestreden arrest put de RvVb zijn rechtsmacht uit ten aanzien van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning die onder anderen De Voegt overeenkomstig 40, § 2 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna `DBRC') aanhangig maakte. Het schorsingsarrest, dat niet vatbaar is voor hoger beroep, is in laatste aanleg gewezen. De beoordeling van de gegrondheid van het middel in het kader van het vernietigingsberoep, is geen uitspraak in graad van hoger beroep over de beoordeling in een schorsingsarrest dat hetzelfde middel ernstig bevindt. De exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep is ongegrond. VII-40.602-6/16 VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunten van de partijen
- De bvba Barka voert de schending aan van het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten, artikel 40 DBRC-decreet, “de aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen toegewezen bevoegdheid”, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 'betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen' (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheidsbeginsel, “het non ultra petita beginsel”, artikel 89 en artikel 15, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 'houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: het DBRC-besluit). In een eerste middelonderdeel betoogt zij dat het oordeel van de RvVb onwettig is in zoverre het uitgaat van de overweging dat de bij hem bestreden beslissing niet “overtuigt [...] in haar motivering dat de aangevraagde site onafhankelijk wordt geëxploiteerd van de bestaande site”. Met dat uitgangspunt stelt de RvVb zich immers uitdrukkelijk in de plaats van de vergunningverlenende overheid. Bijgevolg schendt de RvVb het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten. Daarnaast voert zij aan dat de RvVb met zijn oordeel de formelemotiveringsverplichting schendt. De RvVb kan niet oordelen dat "de bestreden beslissing in haar motivering niet overtuigt", maar kan uitsluitend oordelen of de motivering wettig dan wel onwettig is. De RvVb bezit slechts een marginale toetsingsbevoegdheid. Enkel kennelijk onredelijke motieven kunnen onwettig worden verklaard. Er is in casu geen sprake van kennelijk onredelijke motieven. Bovendien werd in het eerste middel dat voor de RvVb werd aangevoerd geen schending van het redelijkheidsbeginsel opgeworpen en kan de schending ervan dan ook niet door de RvVb worden vastgesteld. VII-40.602-7/16 In een tweede middelonderdeel betoogt zij dat de RvVb, met zijn oordeel dat de bestreden beslissing niet overtuigt in haar motivering dat de aangevraagde site volledig onafhankelijk wordt geëxploiteerd van de bestaande site en dat de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet getuigt van een zorgvuldig onderzoek terzake, een middelonderdeel ernstig verklaart dat door De Voegt e.a. niet werd opgeworpen. De RvVb schendt aldus zijn wettelijke bevoegdheid en het beginsel non ultra petita, en artikel 89 van het DBRC-besluit. Zij merkt op dat in het middel dat voor de RvVb werd aangevoerd een onderscheid werd gemaakt tussen schendingen die werden aangevoerd ten aanzien van de beslissing in eerste administratieve aanleg (die niet voor de RvVb werd bestreden), en schendingen die werden aangevoerd ten aanzien van de bij de RvVb bestreden beslissing. De RvVb kan enkel rekening houden met de argumentatie die werd ontwikkeld ten aanzien van de bij de RvVb bestreden beslissing. Zij stelt dat in het aan de RvVb voorgelegde middel nergens werd aangevoerd dat de overwegingen van de Vlaamse regering kennelijk onredelijk zouden zijn. Een schending van het redelijkheidsbeginsel werd niet opgeworpen. De RvVb kon dan ook niet, ultra petita, oordelen over een schending van het redelijkheidsbeginsel. Voorts voert de bvba Barka aan dat de RvVb het middel, in zoverre daarin een schending van de formelemotiveringsplicht werd aangevoerd, onontvankelijk had moeten verklaren, daar niet werd toegelicht waarom de motieven van het bij de RvVb bestreden besluit strijdig zouden zijn met de gegevens van het aanvraagdossier en er geen sprake kan zijn van een tegenstrijdigheid tussen de motieven en de feitelijke gegevens van het dossier, minstens werd door De Voegt e.a. daarvan het bewijs niet geleverd. Tot slot voert zij aan dat de RvVb het middel ernstig bevindt omdat de Vlaamse regering, volgens de RvVb, had moeten onderzoeken of er sprake is van een milieutechnische eenheid terwijl dit niet werd opgeworpen door De Voegt e.a. In een derde middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat de RvVb ten onrechte besluit tot een schending van de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij stelt dat de bij de RvVb bestreden beslissing VII-40.602-8/16 wel degelijk formeel gemotiveerd is en de Vlaamse regering zorgvuldig te werk is gegaan en dat de RvVb in zijn beoordeling voorbij is gegaan aan de overwegingen in de bestreden beslissing. De RvVb heeft zich beperkt volgens haar tot de vaststelling dat het onduidelijk is op grond van welke informatie de Vlaamse regering is gekomen tot zijn finale oordeel, zonder na te gaan en zonder vast te stellen dat de informatie waarop de Vlaamse Regering steunt, niet uit 'de addenda en nota's' komt.
- De Voegt werpt de onontvankelijkheid van het eerste middelonderdeel op omdat het door de bvba Barka gewraakte motief waarop het eerste middelonderdeel betrekking heeft, “niet tot de noodzakelijke, dragende motivering van de ernst van het eerste middel behoort en bijgevolg niet van enige invloed was op het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing”. De RvVb heeft zich geenszins in de plaats van de vergunningverlenende overheid gesteld aangezien hij zich niet uitspreekt over de gegrondheid, maar over de ernst van het eerste middel. Een eventuele schending van de scheiding der machten door de RvVb kan enkel worden vastgesteld wanneer definitief wordt geoordeeld over de al dan niet gegrondheid van het eerste middel. De Voegt werpt op dat het middel in rechte en in feite faalt omdat de RvVb in het bestreden arrest niet heeft geoordeeld over de gegrondheid van het beroep maar over de ernst van het eerste middel en evenmin uitspraak heeft gedaan over het redelijkheidsbeginsel maar enkel heeft geoordeeld dat op het eerste gezicht het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden. Volgens de verwerende partij faalt de aangevoerde kritiek van de cassatieverzoeker in ieder geval daardoor in rechte, en is deze onontvankelijk.
- De bvba Barka repliceert dat het ernstig bevinden van een middel een definitieve beslissing is waarmee de RvVb zijn rechtsmacht definitief uitput. Het door De Voegt gewraakte motief in het bestreden arrest is geen overtollig motief. Uit het bestreden arrest valt niet af te leiden dat de door De Voegt VII-40.602-9/16 aangehaalde zinsnede niet van invloed zou zijn geweest op het ernstig bevinden van het middel door de RvVb. Beoordeling
- Het middel gaat terug op het door de RvVb ernstig bevinden van het eerst middel van De Voegt e.a. De RvVb concludeert tot de ernst van het middel samengevat op grond van volgende overwegingen: -De Voegt e.a. voeren aan dat de aangevraagde inrichting als een milieutechnische eenheid moet worden beschouwd samen met het bestaande glastuinbedrijf van de bvba Barka en dat bij het onderzoek naar de milieueffecten geen rekening is gehouden met de omvang van het hele project; -het wordt niet betwist dat de bestreden en de bestaande inrichting van de bvba Barka op korte afstand van elkaar gelegen zijn en ontsloten worden via de Mussenhoevelaan; -de bestreden vergunningsbeslissing “overtuigt niet in haar motivering dat de aangevraagde site volledig onafhankelijk wordt geëxploiteerd van de bestaande site”; -de bvba Barka verklaart niet in de aanvraag dat beide inrichtingen los van elkaar functioneren maar bevestigt zelfs dat de bestreden inrichting als een uitbreiding op de bestaande moet worden beschouwd en heeft verklaard de bedrijfswoning van de bestaande inrichting na ingebruikname van de nieuwe inrichting met bedrijfswoning niet langer te zullen gebruiken; -een geografische, materiële of operationele samenhang van beide inrichtingen kan niet a priori worden uitgesloten door de relatief korte afstand tussen de inrichtingen, vermoedelijk eenzelfde bedrijfsleiding, vergelijkbare transportroutes en -middelen en hetzelfde productieproces; de bij de aanvraag ingediende gegevens over de milieueffecten hebben enkel betrekking op het aangevraagde project; VII-40.602-10/16 -het is onduidelijk op grond van welke informatie de Vlaamse regering tot het oordeel over de cumulatieve effecten komt; -op de Vlaamse regering rust in voormelde omstandigheden de verplichting om zelf een onderzoek ter zake de beoordeling van de milieuffecten uit te voeren; -de bestreden vergunningsbeslissing “getuigt op het eerste gezicht niet van een zorgvuldig onderzoek terzake”.
- Luidens artikel 3, § 2, 9° van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit) moet het verzoekschrift "een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten". Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.
- De bvba Barka zet in het verzoekschrift niet uiteen, zoals vereist overeenkomstig artikel 3, § 2, 9° van het cassatieprocedurebesluit, op welke wijze artikel 40 van het DBRC-decreet en artikel 15, 4° van het DBRC-besluit worden geschonden door het bestreden arrest. De door de bvba Barka als geschonden aangevoerde “aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen toegewezen bevoegdheid” is geen rechtsregel of rechtsbeginsel. VII-40.602-11/16 Het middel dat de schending aanvoert van “de aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen toegewezen bevoegdheid”, artikel 40 DBRC-decreet en artikel 15, 4° DBRC-besluit, is onontvankelijk.
- De Raad van State kan naar aanleiding van het cassatieberoep van de bvba Barka tegen het bestreden arrest ter beantwoording van de middelen enkel nagaan of de RvVb wettig heeft kunnen besluiten dat het eerste middel van De Voegt e.a. op het eerste gezicht ernstig is. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre deze de Raad van State als cassatierechter noopt tot een beoordeling die de RvVb in de nog in de vernietigingsprocedure te beslechten zaak bindt. Eerste middelonderdeel
- Het eerste middelonderdeel is niet gericht tegen de zelfstandige reden van de ernstigverklaring door de RvVb van het eerste middel van De Voegt e.a. dat de bestreden vergunningsbeslissing niet “getuigt op het eerste gezicht [...] van een zorgvuldig onderzoek terzake”.
- Een middel dat louter gericht is tegen het niet noodzakelijk, dragend motief voor de ernstigverklaring door de RvVb van het eerste middel van De Voegt e.a., kan niet tot cassatie leiden. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. Tweede middelonderdeel
- Er is de Raad van State geen voor de RvVb geldend “ non ultra petita beginsel” als algemeen rechtsbeginsel bekend. VII-40.602-12/16
- Het middel dat ervan uitgaat dat de ernstigverklaring door de RvVb van het eerste middel steunt op een schending van het redelijkheidsbeginsel, mist feitelijke grondslag.
- Het bestreden arrest overweegt dat De Voegt e.a. aanvoeren dat de aangevraagde inrichting als een milieutechnische eenheid moet worden beschouwd samen met het bestaande glastuinbedrijf van de bvba Barka en dat bij het onderzoek naar de milieueffecten geen rekening is gehouden met de omvang van het hele project. Het middel dat aanvoert dat door De Voegt e.a. niet werd opgeworpen dat er sprake is van een milieutechnische eenheid, mist feitelijke grondslag.
- Het middel dat aanvoert dat de RvVb het middel, in zoverre daarin een schending van de formelemotiveringsplicht werd aangevoerd, onontvankelijk had moeten verklaren, daar niet werd toegelicht waarom de motieven van het bij de RvVb bestreden besluit strijdig zouden zijn met de gegevens van het aanvraagdossier en er geen sprake kan zijn van een tegenstrijdigheid tussen de motieven en de feitelijke gegevens van het dossier, dat minstens door De Groef e.a. daarvan het bewijs niet werd geleverd, noopt de Raad van State tot het overdoen in tweede instantie van de feitelijke beoordeling van de RvVb. De Raad van State is hiertoe overeenkomstig artikel 14, § 2 RvS-wet niet bevoegd. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. VII-40.602-13/16 Derde middelonderdeel
- Het middel dat aanvoert dat de RvVb ten onrechte besluit tot een schending van de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, noopt de Raad van State tot het overdoen in tweede instantie van de feitelijke beoordeling van de RvVb. De Raad van State is daartoe niet bevoegd. Het derde middelonderdeel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De bvba Barka voert de schending aan van artikel 1.1.2, §1, 8°, van het decreet van 5 april 1995 'houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid' (hierna: DABM), artikel 1.1.2 VLAREM II, de formelemotiveringsplicht, en het algemeen verbod om een rechterlijke beslissing te steunen op tegenstrijdige motieven of interne tegenstrijdigheden in de motivering. Zij betoogt dat de RvVb uitgaat van een foutieve opvatting van het begrip milieutechnische eenheid zoals bepaald in artikel 1.1.2, § 1, 8° DABM en artikel 1.1.2 Vlarem II. De RvVb miskent de definitie dat er “pas van een milieutechnische eenheid sprake is als verschillende inrichtingen als één geheel moeten worden beschouwd” en heeft aldus het eerste middel onrechtmatig ernstig verklaard. VII-40.602-14/16 Beoordeling
- De Raad van State kan naar aanleiding van het cassatieberoep van de bvba Barka tegen het bestreden arrest ter beantwoording van de middelen enkel nagaan of de RvVb wettig heeft kunnen besluiten dat het eerste middel van De Voegt e.a. op het eerste gezicht ernstig is. Het tweede middel is niet ontvankelijk in zoverre deze de Raad van State als cassatierechter noopt tot een beoordeling die de RvVb in de nog in de vernietigingsprocedure te beslechten zaak bindt.
- Het middel is niet gericht tegen de zelfstandige reden van de ernstigverklaring door de RvVb van het eerste middel van De Voegt e.a. dat de bestreden vergunningsbeslissing niet “getuigt op het eerste gezicht [...] van een zorgvuldig onderzoek terzake”.
- Een middel dat louter gericht is tegen het niet noodzakelijk, dragend motief voor de ernstigverklaring door de RvVb van het eerste middel van De Voegt e.a., kan niet tot cassatie leiden. Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-40.602-15/16 De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken op acht juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.602-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.722 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div