id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.723 Rolnummer: A. 229099/VII-40636 Zaak: Arrest 247723 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-08 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 247.723 van 8 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.723 van 8 juni 2020 in de zaak A. 229.099/VII-40.636 In zake :
- Dirk VANDENBOER
- Marleen EERDEKENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kathleen Trumpener kantoor houdend te 3920 Lommel Lepelstraat 125 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN LIMBURG -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-1262 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 30 juli 2019 in de zaak 1718-RvVb-0556-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 10 oktober
- De verzoekers hebben een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. VII-40.636-1/10 De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’, waarvan de termijn is verlengd bij koninklijk besluit van 4 mei
- Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 5 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 21 maart 2018 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg aan verzoekers een verkavelingsvergunning “onder voorwaarden en een last voor het samenvoegen van drie percelen tot één perceel in functie van het creëren van één lot voor open bebouwing”. De deputatie legt aan verzoekers de last op “gratis afstand te doen aan de stad Lommel voor het stukje grond dat voor de nieuwe rooilijn komt te liggen op 6m uit de as van de weg (zoals aangeduid op het goedgekeurde verkavelingsplan).” 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van verzoekers tot gedeeltelijke vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing, meer bepaald tot vernietiging van de opgelegde last tot gratis grondafstand aan de stad Lommel. VII-40.636-2/10 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Verzoekers voeren de schending aan van artikel 4.2.20, §1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 32, tweede lid van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (DBRC-decreet), artikel 88 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 'houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: het DBRC-besluit) en artikel 149 van de Grondwet. Zij betogen dat het bestreden arrest overweegt “dat van gronden die zullen dienen voor nutsvoorzieningen, de gratis afstand kan worden opgelegd indien deze nutsvoorzieningen duidelijk in de aanvraag vermeld worden”, dat in de screeningsnota bij de aanvraag wordt vermeld dat “er tevens aansluiting is voorzien op het rioleringsstelsel” en dat op het aanvraagplan een “aansluiting riolering” wordt ingetekend “net op die strook grond waarvan de afstand wordt opgelegd”. Het aanvraagplan geeft echter enkel de bestaande situatie weer zoals de aanwezige aansluitingsput op de riolering. Door te stellen dat hun betoog dat de in artikel 4.2.20, § 1, derde lid VCRO vermelde werken niet voorzien zijn in de vergunningsaanvraag feitelijke grondslag mist, is de motivering van het bestreden arrest gebrekkig en tegenstrijdig en wordt aan het aanvraagplan een betekenis gegeven die het niet heeft. Beoordeling 4.
- Luidens artikel 3, § 2, 9° van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van VII-40.636-3/10 State (hierna: cassatieprocedurebesluit) moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. 4.
- Verzoekers zetten in het verzoekschrift niet uiteen, zoals vereist overeenkomstig artikel 3, § 2, 9° van het cassatieprocedurebesluit, op welke wijze artikel 4.2.20, § 1, derde lid, VCRO wordt geschonden door het bestreden arrest. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 4.2.20, § 1, derde lid, VCRO is niet ontvankelijk. 4.
- Het arrest van de RvVb moet met redenen worden omkleed. De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. VII-40.636-4/10 4.
- Het middel dat een gebrekkige motivering aanvoert, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. 4.
- Het bestreden arrest overweegt: “De Raad stelt vast dat de [deputatie] in de bestreden beslissing (onder meer) uitdrukkelijk overweegt dat het gaat om "een afstand van grond over een breedte van 0,75m ten bate van uitvoering en beheer van nutsvoorzieningen". Gelet op het voorgaande, kan van gronden die zullen dienen voor nutsvoorzieningen, de gratis afstand worden opgelegd indien deze nutsvoorzieningen uitdrukkelijk in de aanvraag vermeld worden. Op grond van het administratief dossier stelt de [RvVb] vast dat in de screeningsnota wordt vermeld dat "er tevens aansluiting voorzien is op het rioleringsstelsel" en dat op het aanvraagplan een "aansluiting riolering" wordt ingetekend, net op die strook grond waarvan de afstand wordt opgelegd, Het betoog van de verzoekende partijen dat de in artikel 4.2.20, §1, derde lid VCRO "vermelde werken niet voorzien zijn in de vergunningsaanvraag", mist feitelijke grondslag, zodat de gratis grondafstand als last kon worden opgelegd”. 4.
- Het bestreden arrest is niet tegenstrijdig gemotiveerd. 4.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Verzoekers voeren de schending aan van artikel 4.2.20, §§ 1 en 2, VCRO, artikel 32, tweede lid DBRC-decreet, artikel 88 DBRC-besluit en artikel 149 Gw. Zij betogen dat het bestreden arrest een verkeerde lezing geeft van hun wederantwoordnota waarin zij stellen dat er “op dit moment geen bijkomende taken ingepland [zijn] door de overheid met betrekking tot de verkaveling”. Het bestreden arrest schendt artikel 4.2.20, § 1 VCRO waar “wordt VII-40.636-5/10 gesteld dat de vergunninggevende overheid niet concreet zou moeten uiteenzetten welke haar bijkomende taken zijn m.b.t. de aangevraagde vergunning”. Het bestreden arrest antwoordt niet op verzoekers argumentatie “dat de stad Lommel op geen enkel ogenblik heeft hard gemaakt welke specifieke en concrete werken ten laste vallen van de overheid ingeval de verkavelingsvergunning in kwestie wordt verleend”. Het bestreden arrest is onvoldoende gemotiveerd door de beoordeling van een kennelijke wanverhouding tussen het voordeel van verzoekers door de toekenning van de verkavelingsvergunnning enerzijds en de omvang van de last anderzijds te beperken tot een vergelijking tussen enerzijds de beschikbare (bebouwings)oppervlakte en anderzijds de oppervlakte die gratis zou moeten worden afgestaan. Beoordeling 4.
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 4.2.20, § 1 en § 2 VCRO is om de redenen vermeld in randnummer 4.2 onontvankelijk. 4.
- Het middel dat een onvoldoende motivering aanvoert, gaat om de redenen aangehaald in de randnummers 4.4 en 4.5 uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. 4.
- Het bestreden arrest overweegt: “De verzoekende partijen hekelen het weinig concrete karakter van deze taken. Noch artikel 4.2.20, §1, noch de vereiste van de redelijkheid in §2, brengen echter met zich mee dat een verwerende partij in dergelijke mate van detail zou moeten uiteen zetten welke haar bijkomende beleidstaken betreffen, laat staan dat zij deze taken reeds moet inplannen en daarbij zou dienen te verwijzen naar (de opmaak van) rooilijnplannen en dergelijke meer,.... De door de [deputatie] aangehaalde bijkomende taken zijn aannemelijk in functie van de vergunde verkaveling. Het is immers niet uitgesloten dat de overheid bijkomende taken zal dienen op te nemen omwille van het feit dat woningbouw bijvoorbeeld ook de aansluiting op nutsvoorzieningen met zich meebrengt en 'de overheid' (onder meer) dient in te staan voor de afvoer van afvalwater (riolering). VII-40.636-6/10 Bovendien tonen de verzoekende partijen niet aan, noch maken zij aannemelijk dat de verkavelingsvergunning geen enkele impact kan hebben op het takenpakket van de overheid (en de gewenste rooilijnbreedte om deze taken te kunnen realiseren).” 4.
- Het bestreden arrest is naar eis van recht gemotiveerd. 4.
- Het tweede middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Verzoekers voeren de schending aan van de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet. Zij betogen dat de motieven ter verwerping van hun vierde middel de aangehaalde grondwetsbepalingen schenden, meer bepaald het motief dat zij “naar geen enkele andere overheidsbeslissing - noch enige handeling van de [deputatie] verwijzen, zodat de [RvVb] niet kan onderzoeken of er sprake is van een ongelijke behandeling”. Het bestreden arrest geeft een verkeerde lezing aan hun wederantwoordnota waarin zij hebben aangevoerd dat “zowel de onteigening als de grondafstand […] door de stad Lommel namelijk [worden] opgelegd […] teneinde het voor de stad Lommel mogelijk te maken om een beweerde toekomstige aanpassing van het openbaar domein uit te voeren” en schendt zodoende artikel 149 GW. Zij stellen dat de RvVb de vergelijking diende te maken tussen grondeigenaars in de Kwadeveldenstraat wiens eigendomsrecht beperkt wordt door de stad Lommel. VII-40.636-7/10 Beoordeling 4.16 De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn gericht tot de wetgevende en uitvoerende macht. Zij betreffen niet de beslissingen van de rechter als zodanig. De rechter moet de hem voorgelegde geschillen beslechten aan de hand van de bestaande rechtsregels en algemene rechtsbeginselen. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kan niet tot cassatie leiden. 4.
- Het bestreden arrest verwerpt het vierde middel van verzoekers met volgende overwegingen: “Met uitzondering van de bestreden beslissing, verwijzen de verzoekende partijen naar geen enkele andere overheidsbeslissing noch —handeling van de [deputatie], zodat de [RvVb] geenszins (door middel van een vergelijking) kan onderzoeken of er sprake is van een ongelijke behandeling. In de mate zij naar toekomstige beslissingen tot onteigening zouden verwijzen, merkt de [RvVb] op dat deze beslissingen op heden niet bestaan en een puur hypothetisch karakter hebben en dat derhalve niet wordt aangetoond (noch kan worden ingezien) hoe een gebeurlijke onteigeningsbeslissing inzake de Kwadeveldenstraat door de [deputatie] zou kunnen worden genomen. De verzoekende partijen slagen er dus geenszins in aan te tonen dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is door handelingen van een en dezelfde overheid. Alleen al om die reden faalt het middel. [...]Los van het bovenstaande merkt de [RvVb] louter ten overvloede op dat de verzoekende partijen ook een andere denkfout begaan. Immers, opdat het gelijkheidsbeginsel kan worden geschonden, dient er sprake te zijn van in rechte en in feite vergelijkbare situaties. Het loutere feit dat de verzoekende partijen, net als de andere bewoners van de Kwadeveldenstraat "eigenaars" zijn van woningen aldaar, volstaat in dat verband niet. Om het gelijkheidsbeginsel met succes te kunnen inroepen, dienen de verzoekende partijen aan te tonen dat zij (zonder redelijk en objectief criterium) anders werd behandeld dan andere eigenaars van de Kwadeveldenstraat waaraan een verkavelingsvergunning werd afgeleverd”. VII-40.636-8/10 4.18 Het middel is naar eis van recht gemotiveerd. 4.
- Het derde middel wordt verworpen. V. Kosten
- De kosten dienen ten laste van de verzoekende partijen te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
- Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. VII-40.636-9/10 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 20 euro. De onterecht betaalde bijdrage van 20 euro dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken op acht juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.636-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div