← België

Arrest 247725 - Milieuvergunningen - 08/06/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.725 Rolnummer: A. 220975/VII-39860 Zaak: Arrest 247725 - Milieuvergunningen - 08/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-08 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:32 Fiche Arrest nr 247.725 van 8 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.725 van 8 juni 2020 in de zaak A. 220.975/VII-39.860 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Roegiers tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de NV VAN ISRAËL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Becker kantoor houdend te 8500 Kortrijk Loofstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 15 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) van 6 oktober 2016 waarbij het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen (hierna: college van burgemeester en schepenen) van 2 september 2013, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Van Israël voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor de opslag, verpakking en verkoop van potgrond, meststoffen, turf en boomschors, gelegen aan de Gaverstraat 41 te Geraardsbergen, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-39.860-1/33 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 30 januari
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Roegiers, die verschijnt voor de verzoekende partij, jurist Christophe Wille, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bart De Becker, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. VII-39.860-2/33 III. Feiten
  6. De tussenkomende partij exploiteert een inrichting voor de opslag, verpakking en verkoop van potgrond, meststoffen, turf en boomschors, gelegen aan de Gaverstraat 41 te Geraardsbergen. Het college van burgemeester en schepenen verleende op 13 juni 1994 een eerste milieuvergunning en in de loop der jaren werden meerdere veranderingen vergund.
  7. Op 4 april 2013 dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor de hernieuwing en de verandering van de vergunning.
  8. De aanvraag wordt op 18 april 2013 ontvankelijk en volledig verklaard. Het openbaar onderzoek loopt van 20 april 2013 tot 20 mei
  9. De verzoekende partij dient een bezwaarschrift in.
  10. Op 2 september 2013 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning, met uitzondering van het gebruik van een grondwaterwinning met een debiet van 300 m³ per jaar. Onder meer wordt de opslag vergund van 2.800 liter propaangas in een bovengrondse houder, 10.000 liter diesel en 10.000 liter stookolie in een bovengrondse houder, 200 liter smeerolie, 50.000 m³ boomschors, 75 ton houten paletten, 300 ton kunststof (verpakkingsmateriaal), 3.000 ton kunstmest, 15.000 m³ uitgegraven bodem. In de inrichting is blijkens de aanvraag verder ook de (niet vergunningsplichtige) opslag voorzien van 10.000 m³ turf, 5.000 ton compost, 10.000 m³ potgrond en 5.000 m³ bodemverbeterende middelen.
  11. Met een brief van 16 oktober 2013 dient de verzoekende partij een bestuurlijk beroep in. Zij verwijst daarin naar haar bezwaar in verband met de VII-39.860-3/33 watertoets, de overstromingsproblematiek en de klimaatverandering en argumenteert dat het antwoord van het college van burgemeester en schepenen niet voldoet.
  12. De Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig voor het lozen van bedrijfsafvalwater. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) acht zich niet bevoegd voor de aspecten waarover in het bestuurlijk beroep wordt geargumenteerd, en verwijst voor wat betreft de afval- en materiaalbeleidsaspecten naar haar in eerste aanleg verleende gunstig advies. De dienst Natuurlijke Rijkdommen verleent geen advies. De dienst Grondwaterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert ongunstig voor de grondwaterwinning, en gunstig voor de tussentijdse opslagplaats (TOP) voor uitgegraven bodem. De afdeling Milieuvergunningen wijst op het gunstig subadvies van het Agentschap voor Natuur en Bos en adviseert gunstig. De provinciale milieudeskundige adviseert gunstig, behalve voor de grondwaterwinning. De Provinciale Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig, behalve voor de grondwaterwinning.
  13. Met de beslissing van 6 februari 2014 verwerpt de deputatie het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij en bevestigt ze de door het college van burgemeester en schepenen verleende vergunning. VII-39.860-4/33
  14. Op jurisdictioneel beroep van de verzoekende partij vernietigt de Raad van State bij arrest nr. 234.624 van 3 mei 2016 het besluit van 6 februari 2014 van de deputatie.
  15. Naar aanleiding van de herneming van de vergunningsprocedure bezorgt de tussenkomende partij twee nota’s aan de deputatie, enerzijds een “nota waterbuffering’ opgemaakt door een milieuconsulent en anderzijds een “nota watertoets” van de raadsman van de tussenkomende partij zelf. De eerste nota luidt: “
  16. Doel van de nota Het Arrest van de Raad van State inzake het beroep, ingesteld op 11.04.2014 tegen het Besluit van de Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen dd. 6.02.2014, leidt tot de vernietiging van deze laatste. De Raad van State stelt dat de watertoets in de bestreden beslissing geen aandacht besteedt aan de vermindering van de ruimte voor het watersysteem als gevolg van de vergunde opslag van diverse stoffen’. Hoewel de milieuvergunningsaanvraag geen enkele opslag vraagt bovenop hetgeen eerder al was vergund en wordt geëxploiteerd conform de diverse vergunningen, wordt een nota opgesteld die een overzicht geeft van de bestaande waterbuffering en het volume dat maximaal aan de bufferende capaciteit van het terrein Van Israël wordt onttrokken als gevolg van de reeds vergunde opslag. De Provincie dient een nieuw besluit te nemen.
  17. Bestaande buffering Het bedrijf wordt verdeeld in verschillende zones. Elk van deze zones wordt apart gebufferd. Hieronder is een overzicht gegeven van de diverse deeloppervlaktes en de voorziene bufferingscapaciteit. De ligging van de zones en de buffering is gesitueerd op het grondplan in bijlage. Betonzone 1a bestaande daken: 3.701 m2 met buffer van 80,00 m3 nieuw te plaatsen gebouw 2017: 4.685 m2met buffer van 160,00 m3 betonverharding na nieuwbouw: 1.095 m2met buffer van 1,48 m3 Betonzone 1b beton: 8.298,16 m2 met buffer van 203,81 m3 Betonzone 2 beton: 10.088 m2 met buffer van 204,10 m3 Betonzone 3 bestaande daken: 1.506 m2 met buffer van 100,00 m3 nieuw te plaatsen gebouw 2016: 5.560 m2 met buffer van 160,00 m3 betonverharding na nieuwbouw: 13.487 m2 met buffer van 439,60 m3 Toegangsweg VII-39.860-5/33 beton: 2.587,00 m2 met buffer van 59,376 m3 Zone 4 - niet verhard waterdoorlatende verharding: 12.307 m2 Zone 5 - niet verhard waterdoorlatende verharding: 13.260 m2
  18. Gevolgen vergunde opslag op buffercapaciteit De hierna opgesomde opslag heeft - in geval van een overstroming - een mogelijke impact op de buffercapaciteit van het terrein. Het betreft allemaal reeds vergunde opslag die reeds sinds het verkrijgen van de milieuvergunning in exploitatie is. Het betreft: • *

(17)opslag van max. 10.000 m3 turf • *
(18)opslag van max. 5.000 ton compost • *
(19)opslag van max. 10.000 m3 potgrond • *
(20)opslag van max. 50.000 m3 boomschors • *
(21)opslag van max. 5.000 m3 bodemverbeterende middelen Deze stoffen kunnen alle deels in bulk, deels op paletten (verpakt in plasticzakken) worden opgeslagen. De stoffen met een asterisk (*) zijn niet vergunningsplichtig (komen niet voor op de lijst van Vlarem I, bijlage 1). •
(23)opslag van 5.000 stuks houten paletten (75 ton) De oppervlakte die maximaal wordt ingenomen wordt als volgt berekend: a. stoffen in bulk - de stoffen in bulk omvatten maximaal de volgende oppervlakte: - turf: 500 m2 - compost: 50 m2 - potgrond: 200 m2 - boomschors: 10.000 m2 - bodemverbeterende middelen: 50 m2 - de stoffen in bulk hebben elk een verschillende absorberingscapaciteit (een percentage water dat kan worden opgenomen en dus niet van de buffercapaciteit wordt onttrokken): - turf: 75% [...] - compost: 20 % - potgrond: 75 % - boomschors: 50 % - bodemverbeterende middelen: 75 % Uit het advies van W&Z naar aanleiding van de bouwaanvraag dd. 03.04.2015 (stedenbouwkundige vergunning dd. 13.07.2015) wordt gesteld dat het terrein zich bevindt op een hoogte van gemiddeld +19,0175 mTAW.[...] Het hoogste waterpeil dat hier door de langsvloeiende rivier de Dender werd gemeten (historisch record november 2010) bedraagt +19,22 mTAW. Dit betekent dat 0,2025 m in rekening dient te worden gebracht bij de berekening van de daling van de buffercapaciteit. Deze bedraagt dan: - turf: 500 m2 x 0,2025 m x 25 % = 25,3125 m3 - compost: 50 m2 x 0,2025 m x 80 % = 8,1 m3 - potgrond: 200 m2 x 0,2025 m x 25% = 10,125 m3 - boomschors: 10.000 m2 x 0,2025 m x 50 = 1.012,5 m3 VII-39.860-6/33 - bodemverbeterende middelen: 50 m2 x 0,2025 m x 25 % = 2,531 m3 Samengeteld betekent dit een potentiéle daling van de bufferingscapaciteit, als gevolg van de opslag van stoffen in bulk, van 1.058,57 m
  1. b. stoffen in paletten De opslag van stoffen (in plastic zakken) op paletten en de opslag van lege paletten zelf heeft ook een beperkte daling van de buffercapaciteit voor gevolg. Een volle europalet geeft bij een waterhoogte van 0,2025 m een daling van de bufferingscapaciteit van: - 9 houtblokjes, elk met een grondoppervlakte van ca. 0,014 m2, samen dus 0,126 m2 per palet. Hoogte blokjes = 0,11 m. Deelvolume dus: 0,0138 m
  2. - planken: oppervlakte 0,8 m x 1,2 m = 0,96 m2 x 0,02 m dikte = deelvolume: 0,019 m3 - opgeslagen materie: hoogte boven (0,11 + 0,02 =) 0,13 m bedraagt nog (0,2025 - 0,13 =) 0,0725 m; ingenomen oppervlakte = 0,96 m
  3. Deelvolume dus: 0,07 m3 Totaal per volle europalet = 0,1 m
  4. Voor de gestapelde lege paletten kan men die oefening ook doen en bekomt met voor een hoop gestapelde europaletten een daling van de bufferingscapaciteit van: - 9 hout blokjes, elk met een grondoppervlakte van ca. 0,014 m2, samen dus 0,126 m2 per palet. Hoogte blokjes = 0,11 m. Deelvolume dus: 0,0138 m3, - planken: oppervlakte 0,8 m x 1,2m = 0,96 m2 x 0,02 m dikte = deelvolume: 0,019 m3 - 9 houtblokjes, elk met een grondoppervlakte van ca. 0,014 m2, samen dus 0,126 m2 per palet. Hoogte boven (0,11 + 0,02 =) 0,13 m bedraagt nog (0,2025 - 0,13=) 0,0725 m; ingenomen oppervlakte = 0,126 m
  5. Deelvolume dus: 0,009 m3 Totaal per stapel lege europaletten = 0,042 m
  6. Er staan maximaal 4.500 gevulde paletten op de grond (voor de opslag van alle genoemde materie). Samen nemen zij dus 4.500 x 0,1 m3 = 450 m3 in. Bovendien staan maximaal 50 stapels lege paletten op de grond. Samen nemen zij dus 50 x 0,042 m3 = 2,1 m3 in. Samen dus 452,1 m
  7. De totale potentièle daling van de bufferingscapaciteit ais gevolg van de maximale aanwezigheid van de vergunde opslag bedraagt dus 1.058,57 m3 + 452,1 m3 = 1.510,67 m
  8. nawoord: gevolgen voor het leefmilieu van het leeglopen van het terrein na een overstroming Het dient gesteld dat de stoffen die buiten onbeschermd in bulk zijn opgeslagen dienen om structuur te geven aan de tuingrond, niet als voedingsstof of nutriënt. Ze lossen dus niet op in het overstromingswater. Bij een overstroming, komt het overstromingswater langs het afwateringsstelsel binnen en niet langs de oevers van de Dender (principe van de communicerende vaten). Bij dreigend overstromingsgevaar, zet het bedrijf de doorgangen af met zandbermen[...], zodat (na onderlopen langs het afwateringsstelsel), het overstromingswater van op het terrein niet kan terugvloeien via de oevers van de Dender, maar noodgedwongen langs de buffers en bezinkingsputten (die zowel bezinkbare als drijvende deeltjes VII-39.860-7/33 kunnen afscheiden) moet terugvloeien. Zo kan er onmogelijk eventueel vervuild water met grondstoffen rechtstreeks terugvloeien naar de Dender. Hierdoor kan gesteld worden dat het water na de overstroming gezuiverd en vertraagd terugvloeit naar het natuurlijk watersysteem”. De tweede nota luidt: “Als gevolg van het arrest nr. 234.624 van de Raad van State van 3 mei 2016 moet de Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen een nieuwe beslissing nemen over het beroep van de vzw Milieufront Omer Wattez tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen van 2 september 2013, waarbij een milieuvergunning is verleend aan de nv Van Israël. In het arrest van 3 mei 2016 stelt de Raad van State: ‘De watertoets in de bestreden beslissing besteedt [...] geen aandacht aan de vermindering van de ruimte voor het watersysteem als gevolg van de vergunde opslag van diverse stoffen [...] die onmiskenbaar een vermindering van ruimte voor het watersysteem teweegbrengt. In geen van de vergunningen tot verandering van de basisvergunning van 13 juni 1994 of van de stedenbouwkundige vergunningen waarnaar de bestreden beslissing verwijst, werd eerder onderzocht of deze vermindering van ruimte voor het watersysteem te dezen als een schadelijk effect moet worden beschouwd.’ De watertoets impliceert een beoordeling in verschillende stappen. De eerste vraag is: kan de te vergunnen handeling een schadelijk effect aan het watersysteem veroorzaken? Als die vraag negatief kan worden beantwoord, dan volstaat het dat de overheid haar beoordeling beperkt tot die vaststelling. De watertoets moet ervoor zorgen dat door het opleggen van gepaste voorwaarden geen schadelijk effect ontstaat of dit zoveel mogelijk wordt beperkt en indien dit niet mogelijk is, het schadelijk effect wordt hersteld of gecompenseerd. Gelet op de bewoording ‘zo beperkt mogelijk’ laat het decreet integraal waterbeleid (DIW) als dusdanig een aanvaardbare aantasting van de onmiddellijke omgeving toe. Uit de memorie van toelichting bij het DIW blijkt dat niet elk schadelijk effect in aanmerking moet worden genomen: ‘Er worden enkel nadelige effecten geviseerd die betekenisvol zijn. Of deze nadelige effecten al dan niet betekenisvol zijn, wordt onder meer afgewogen in het licht van de doelstellingen van het integraal waterbeleid. Zo zijn onherstelbare verstoringen in de chemische of fysische kwaliteit van het milieu of van het watersysteem ongetwijfeld te beschouwen als betekenisvolle nadelige effecten. Hetzelfde geldt voor activiteiten die een risico impliceren op overstromingen, die de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, aantasten, of die de drinkwatervoorziening of het gebruik van de waterweg als transportmodus aantasten. Maar ook minder vergaande aantastingen kunnen een betekenisvol nadelig effect uitmaken. Een en ander is uiteraard afhankelijk van de draagkracht van het betrokken watersysteem waarin de verandering optreedt.’ VII-39.860-8/33 Dat alleen rekening moet worden gehouden met een betekenisvol schadelijk effect blijkt ook uit de definitie van schadelijk effect in art. 3 §2, 17° DIW: ‘ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit [...]’. Toegepast op het dossier van de nv Van Israël is de vraag of het beperkte verlies aan overstroombaar gebied en het beperkte verlies aan bufferend volume dat het gebied heeft op het voorkomen van overstromingen in de omgeving wel moet beschouwd worden als een schadelijk effect. De Raad van State heeft zich niet uitgesproken of er al dan niet sprake is van een schadelijk effect. De Raad heeft zich beperkt tot de vaststelling dat ‘[niet] eerder [werd] onderzocht of deze vermindering van ruimte voor het watersysteem te dezen als een schadelijk effect moet worden beschouwd’. Deze vraag moet dus nog beantwoord worden. Als er inderdaad sprake zou zijn van een schadelijk effect moet ook nog onderzocht worden of dat schadelijk effect wel ‘betekenisvol’ is. Er moeten immers bij de vergunningverlening alleen gepaste voorwaarden opgelegd worden als er sprake is van is van een ‘betekenisvol schadelijk effect. Het DIW laat immers wel een aanvaardbare aantasting van de onmiddellijke omgeving toe. Uit de nota van milieuconsulent Jan Feryn van 14 juni 2016 blijkt dat de totale potentiële daling van de bufferingscapaciteit als gevolg van de maximale aanwezigheid van de vergunde opslag 1.510,67 m3 bedraagt. Het terrein van de nv Van Israël heeft een oppervlakte van 9 ha. De nota van de milieuconsulent geeft aan dat er bij de berekening van de buffercapaciteit van het terrein 0,2025 meter in rekening dient gebracht te worden. Dat betekent dat het volledige terrein een buffercapaciteit heeft van 90.000 x 0,.2025 = 18.225 m
  9. Zelfs na het beperkte verlies aan ruimte door de opslag heeft het terrein van de nv Van Israël nog altijd een buffercapaciteit van 16.714 m
  10. Het verlies aan ruimte voor het watersysteem als gevolg van de vergunde opslag van diverse stoffen resulteert dus niet in een schadelijk effect op het watersysteem, en zelfs als er zou geoordeeld worden dat er sprake is van een schadelijk effect is er in ieder geval geen sprake van een ‘betekenisvol’ schadelijk effect. Aangezien er geen sprake is van een (betekenisvol) schadelijk effect dringt het opleggen van voorwaarden of aanpassingen zich niet op”.
  11. De afdeling Ecologisch Toezicht van de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig. De afdeling Operationeel Waterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij merkt op dat de grondwaterwinning uit de aanvraag werd geschrapt. VII-39.860-9/33 OVAM verwijst naar het eerder verleende advies. De afdeling Land en Bodembescherming - Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen acht zich niet bevoegd. Het college van burgemeester en schepenen adviseert gunstig: “Overwegende dat de milieuvergunningsaanvraag hoofdzakelijk handelt over de hernieuwing van de bestaande milieuvergunning waarbij enkel een aantal beperkte wijzigingen werden aangebracht die geen of nauwelijks invloed kunnen hebben op de watersystemen en dat er geen nieuwe situatie gecreëerd wordt waardoor geen nadelig effect op het milieu kan ontstaan dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan; Overwegende dat uit de nota waterbuffering van 14 juni 2016, opgemaakt door milieuconsultant Jan Feryn en de nota watertoets nv Van Israël van 16 juni 2016, opgemaakt door advocaat Bart De Becker blijkt dat er een ruime buffercapaciteit werd voorzien, dat de totale potentiële daling van de buffercapaciteit als gevolg van de maximale aanwezigheid van de opslag vermeld in de milieuvergunningsaanvraag 1.510 m3 bedraagt; Overwegende dat uit de bijkomende informatie van de nota van milieuconsultant Jan Feryn en de nota van advocaat Bart De Becker geconcludeerd kan worden dat de te vergunnen opslag geen betekenisvol schadelijk effect heeft op het watersysteem [...]”. De afdeling Bovenschelde van Waterwegen en Zeekanaal (hierna: W&Z) adviseert voorwaardelijk gunstig: “1) Beschrijving van het project en de kenmerken van het watersysteem die door het project kunnen beïnvloed worden Het perceel met gewestplanbestemming industriegebied (grenzend in het zuiden aan natuurgebied) ligt naast de Dender (beheerder: W&Z) maar stroomt in eerste instantie af naar de niet-geklasseerde waterloop, beheerd door de stad Geraardsbergen. Het perceel ligt evenwel in effectief overstromingsgevoelig gebied vanuit de Dender, waardoor W&Z eveneens bevoegd is voor watertoetsadvies in dit dossier. Gelieve eveneens met de beheerder van de niet-geklasseerde waterloop contact op te nemen voor advisering i.k.v. de watertoets voor deze aanvraag. De volgende gegevens zijn relevant voor de watertoets: - De aanvraag heeft betrekking op de hernieuwing van de milieuvergunning. T.o.v. de laatste milieuvergunningen zijn er geen toestellen en/of opslagplaatsen bijgekomen; - Er worden geen bijkomende gebouwen voorzien; VII-39.860-10/33 - Voor het parkeren van bedrijfsvoertuigen worden er bijkomende parkeerplaatsen voorzien op de bestaande verharding; - Het gezuiverde bedrijfsafvalwater (potentieel verontreinigd hemelwater dat op de betonverharding terechtkwam waar gevaarlijke producten worden opgeslagen) en de overloop van de hemelwaterputten wordt geloosd in de Gaverbeek; - Er worden geen ondergrondse constructies voorzien. Het projectgebied ligt voor 95% in effectief overstromingsgevoelig gebied, voor 40% in een risicozone voor overstroming en volledig in recent overstroomd gebied (ROG), waaronder in
  12. De percelen zijn gelegen in van nature overstroombaar gebied (NOG) vanuit de waterloop, grotendeels binnen het winterbed van de Dender. Het projectgebied ligt in infiltratiegevoelig gebied (zeer sterk klevige kleibodem, uiterst natte kleibodem en deel antropogene, bebouwde grond) dat zeer gevoelig is voor grondwaterstroming (type 1). 2) Op het project toepasselijke voorschriften van het waterbeheerplan Het bekkenbeheerplan van de Dender formuleert maatregelen om wateroverlast (en watertekort) in het bekken te voorkomen door zoveel mogelijk retentie ter plaatse van het hemelwater te realiseren: - het maximaal benutten van de opvang- en infiltratiemogelijkheden van hemelwater; - hemelwater vertraagd afvoeren waar infiltratie beperkt of niet mogelijk is; - hemelwater zoveel mogelijk afkoppelen van het rioleringsstelsel. 3) Beoordeling van verenigbaarheid met het watersysteem De aanvraag betreft het hernieuwen van een bestaande milieuvergunning, waarbij enkel bijkomende stelplaatsen voor bedrijfsvoertuigen en een uitbreiding met een toestel voor de mechanische behandeling van boomschors worden aangevraagd (toestel was al op het bedrijf aanwezig maar was niet in de vergunning opgenomen). Aan de bestaande installaties verandert er niets. Het terrein is grotendeels opgehoogd en deze ophoging dateert van voor het in voege treden van de watertoets, waardoor het niet redelijk is om deze verhoging op heden in vraag te stellen. Door deze ophoging (maaiveld ca. 19,10mTAW) overstroomde het terrein niet tijdens de laatste wateroverlast. Indien water op het terrein komt, is dit te wijten aan terugstroom vanuit de riolering en niet vanuit de waterloop. De bijkomende parkeerplaatsen worden op de bestaande betonverharding voorzien en het hemelwater dat hierop valt wordt nu reeds als potentieel verontreinigd beschouwd en als bedrijfsafvalwater behandeld. Alle meststoffen die op het terrein worden bewaard, worden in gesloten plastic zakken bewaard en het boomschors en turf wordt, indien het wordt meegespoeld met het hemelwater, naar het bezinkbekken afgeleid, waar scheiding tussen de bezinkbare en drijvende delen plaatsvindt. Bovendien betreft het natuurlijk materiaal, dat niet schadelijk is voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Aangezien het over de hernieuwing van een bestaande milieuvergunning gaat, worden er geen bijkomende effecten vanwege de verderzetting van de exploitatie op het overstromingsregime verwacht. Het is niet redelijk om een vergunde opslag, die men wenst te hernieuwen, op heden te beoordelen i.k.v. de watertoets indien deze opslag werd vergund vóór het in voege treden van de watertoets. Men kan bijgevolg niet oordelen dat deze op te slagen stoffen VII-39.860-11/33 op heden bijkomende ruimte voor water zullen innemen. Een huis dat in 2000 in overstromingsgevoelig gebied werd gebouwd en in 2016 interne wijzigingen wenst te laten vergunnen, wordt ook niet beschouwd als ‘bijkomend ingenomen volume voor water’, aangezien de watertoets pas in 2003 in voege trad (uitvoeringsbesluit bovendien pas in 2006 goedgekeurd). Alle gevaarlijke stoffen worden opgeslagen binnen de bedrijfsgebouwen op rekken en bij dreigend overstromingsgevaar dienen de onderste rekken leeg te worden gemaakt en op trailers geplaatst (indien er hoger op de rekken geen plaats meer vrij is). De mazouttank staat meer dan 3m boven de bodem. Hierdoor wordt de kans op bodem-, grond- of oppervlakteverontreiniging bij eventuele overstromingen significant beperkt. Er mogen buiten het gebouw geen recipiënten die gevaarlijke stoffen bevatten of andere afvalstoffen op het terrein gestockeerd worden. Deze dienen binnen bewaard te worden vooraleer ze worden op- of weggehaald. Op die manier is er ook geen kans dat ze meespoelen met het overstromingswater of dat er verontreinigde stoffen in het water zouden terechtkomen. De gevaarlijke stoffen, die binnen het gebouw worden opgeslagen (op de rekken) dienen op minstens 19,52mTAW te worden voorzien binnen in de gebouwen. Hierbij is reeds een veiligheidsmarge van 30cm bovenop het huidige maximale peil van de Dender (i.e. 19,22mTAW) in kader van klimaatverandering in rekening gebracht. Onder deze voorwaarde kan W&Z deze milieuvergunningsaanvraag gunstig beoordelen voor wat betreft het aspect ‘mogelijke impact op het overstromingsregime’. [...]”. De dienst Integraal Waterbeleid van de provincie verwijst naar voormeld advies van de afdeling Bovenschelde van W&Z: “Hogervermelde bedrijfssite is gelegen binnen het stroomgebied van waterloop nr. 05.202 van 2de categorie en valt grotendeels binnen een effectief overstromingsgevoelig gebied. Het overstromingsrisico van de site komt voort vanuit de Dender, bevaarbare waterloop onder de bevoegdheid van Waterwegen en Zeekanaal, afdeling Bovenschelde. Voor de voorwaarden/maatregelen met betrekking tot de overstromingsgevoeligheid van de bedrijfssite, aangehaald in het arrest van de Raad van State, verwijzen wij naar het wateradvies van de betrokken waterbeheerder, met name Waterwegen en Zeekanaal, afdeling Bovenschelde”. De afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig. De provinciale stedenbouwkundige ambtenaar adviseert bij stilzwijgen gunstig. VII-39.860-12/33 De provinciale milieudeskundige adviseert gunstig. De Provinciale Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig.
  13. Met de bestreden beslissing van 6 oktober 2016 verwerpt de deputatie het beroep van de verzoekende partij en bevestigt ze de door het college van burgemeester en schepenen verleende vergunning. De motivering van de watertoets wordt als volgt opgebouwd. Onder de hoofding “Juridisch” wordt een eerste deel van voormelde nota van de raadsman van de verzoekende partij zonder bronvermelding overgenomen. Vervolgens wordt onder de hoofding “Algemeen” het volgende gesteld: “De vergunningsaanvraag heeft onder meer betrekking op de opslag van bodemvreemd materiaal en op een lozing in oppervlaktewater. De opslag van bodemvreemd materiaal moet voldoen aan de toepasselijke algemene- en sectorale voorwaarden van titel II van het Vlarem waardoor bodem- en grondwaterverontreiniging wordt voorkomen. De inrichting is gelegen in het Denderbekken. Volgens de overstromingsinformatie op www.geo-vlaanderen.gisvlaanderen is de inrichting voor het grootste deel gelegen in effectief overstromingsgevoelig gebied, volledig van nature overstroombaar gebied (NOG). Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen of verhardingen waardoor de effecten van de inrichting op het overstromingsrisico voor de omgeving niet zullen wijzigen”. Onder de hoofding “Buffering van hemelwater op het terrein” wordt gesteld: “Het hemelwater dat op de betonverharding terecht komt waar de producten worden opgeslagen, wordt als bedrijfsafvalwater beschouwd en via VII-39.860-13/33 bufferbekkens in de Gaverbeek geloosd (cfr milieuhygiënische Aspecten hemelwater) Overeenkomstig de hemelwaterverordening mag vanaf een referentieoppervlakte verharding van 100 m2 het afstromende hemelwater afgevoerd worden met een max. afvoerdebiet van 1500 liter/u en per 100 m2 mits een buffervolume van 400 liter/20 m2 referentie oppervlakte verharding. Het afvoerdebiet per lozingspunt bij Van Israël bedraagt 2 liter/sec per huishoudelijk afvalwater = 72 liter/u per 100 m2 waardoor aan de eerste deelvoorwaarde van de verordening wordt voldaan. De totale betonverharding bedraagt 45.800 m2; voor de oppervlakte van de daken is dit ca. 5200 m
  14. Theoretisch gezien dient voor deze betonoppervlakte ca. 916 m3 en voor het dakoppervlak ca. 104 m3 gebufferd te worden. In de praktijk bedraagt de buffercapaciteit van de ondergrondse afvoerbuizen (betonverharding) en de daken ca. 1.400 m
  15. Globaal gezien is er een overschot m.b.t. de bergingscapaciteit. Verder is er opvang van hemelwater in meerdere regenwaterputten (5 putten van elk 5 m3, 1 x100 m3 en 2 bovengrondse waterbuffers van elk 20 m3) voor gebruik in sanitaire installaties en voor besproeien van de compost in droge perioden. Ook dient gesteld dat het bedrijf op de betreffende locatie reeds actief sinds 1995 is. Stelselmatig hebben er uitbreidingen plaatsgegrepen (zie overzicht bouwvergunningen): betonzone lA waarop zich de loods met de 3 opzaklijnen en de overkapte big bale installatie en menginstallatie bevinden, en betonzones 1B, 2, en 3 (met de zeefinstallatie voor boomschors). Verder zijn er nog de zones 4 en 5, bestaande uit een waterdoorlaatbare verharding met steenpuin. De laatste uitbreidingen (aanleg van een toegangsweg en de betonzone 3 met overkapping van de boomschorszeef) dateren van 2010 en
  16. Voor deze projecten werden zowel een milieu- als stedenbouwkundige vergunningen verleend”. Onder de hoofding “Buffercapaciteit van het terrein in geval van overstroming” wordt verwezen naar voormelde “nota waterbuffering” van de milieuconsulent en wordt zijn berekening integraal overgenomen. Onder de hoofding “Gevolgen voor het leefmilieu van het leeglopen van het terrein na een overstroming” wordt de betreffende passage uit voormelde “nota waterbuffering” van de milieuconsulent zonder bronvermelding overgenomen. Onder de hoofding “Adviezen waterloopbeheerders” worden de adviezen van de provincie en van W&Z overgenomen en wordt vermeld dat het advies van het college van burgemeester en schepenen gunstig is. VII-39.860-14/33 Ten slotte wordt onder de hoofding “Besluit watertoets” het resterende deel van voormelde nota van de raadsman van de verzoekende partij zonder bronvermelding overgenomen met in de voorlaatste alinea in fine de volgende toevoeging: “(behoud van meer dan 91% van de aanwezige buffercapaciteit, (terwijl er ondergronds ca. 1.408 m³ extra buffercapaciteit beschikbaar is in vergelijking met het naakte terrein) het effectieve verlies is dus slechts 0,6%)”. IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van de tussenkomende partij
  17. De verzoekende partij wijst in haar verzoekschrift op de aanplakking van de bestreden beslissing op 18 oktober 2016 en stelt dat haar annulatieberoep tijdig is ingediend.
  18. De tussenkomende partij stelt dat de “betekening van de akte primeert op de bekendmaking wanneer de akte individuele rechtstoestanden bepaalt”. Zij werpt op dat het annulatieberoep dat op 15 december 2016 werd ingediend, laattijdig is omdat de bestreden beslissing aan de verzoekende partij werd betekend op 11 oktober
  19. Beoordeling
  20. Artikel 2 van het bestreden besluit bepaalt dat een afschrift ervan verzonden wordt aan de bevoegde burgemeester met de opdracht om de bestreden beslissing overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IX van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I) bekend te maken. Artikel 3 van het bestreden besluit stelt dat daartegen een beroep tot VII-39.860-15/33 nietigverklaring bij de Raad van State kan worden ingesteld binnen de 60 kalenderdagen nadat het “werd bekend gemaakt of betekend”. De toepasselijke historische versie van artikel 50, 4°, van Vlarem I bepaalt: “Het in artikel 49 bedoelde beroep wordt bekendgemaakt en behandeld als volgt: [...] 4° Bekendmaking: a) de deputatie of de in sub 1°, a) vermelde gemachtigde ambtenaar zendt binnen een termijn van tien kalenderdagen na de datum van de beslissing, deze beslissing of een voor eensluidend verklaard afschrift ervan per ter post aangetekende zending aan de bevoegde burgemeester met de opdracht tot bekendmaking ervan; b) de bevoegde burgemeester maakt de beslissing over het beroep bekend overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IX; c) de deputatie of de in sub 1°, a) vermelde gemachtigde ambtenaar zendt dezelfde dag als tot de verzending bedoeld in sub a) wordt overgegaan, per ter post aangetekende zending of bij afgifte tegen ontvangstbewijs een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing ter kennisgeving aan: – de exploitant; – de in artikel 22 bedoelde provinciale milieuvergunningscommissie; – de overheidsorganen die overeenkomstig artikel 20 advies moeten verlenen; – de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving; – de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij; – de Vlaamse Milieumaatschappij; – het College van Burgemeester en Schepenen; – [...]; – het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk, in zoverre dit bestaat; – indien het gaat om een inrichting waarvoor een veiligheidsrapport is vereist, de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken .
  21. Naar luid van artikel 50, 4°, b), van Vlarem I, in de op het geding toepasselijke versie, moet de beslissing van de deputatie houdende uitspraak over een beroep tegen een in eerste aanleg door het college van burgemeester en schepenen genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag “overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IX” VII-39.860-16/33 worden bekendgemaakt, dit is door aanplakking gedurende dertig kalenderdagen. Voor diegenen die voor de kennisneming van de beroepsbeslissing aangewezen zijn op de voorgeschreven bekendmaking, vangt de termijn van zestig dagen om bij de Raad van State beroep in te stellen aan na afloop van de bekendmakingsperiode. Wanneer de wet een vorm van bekendmaking voorschrijft, moeten de personen ten aanzien van wie geen individuele kennisgevingsplicht bestaat, er op kunnen vertrouwen dat de termijn om bij de Raad van State beroep in te stellen slechts een aanvang neemt nadat de voorgeschreven bekendmaking volledig heeft plaatsgevonden. Daarom heeft de individuele kennisgeving van de bestreden beslissing aan de verzoekende partij de beroepstermijn niet doen ingaan. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het middel Standpunt van de partijen
  22. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 5 en 6 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: DIWB) “iuncto artikel 1.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna DABM)”, de artikelen 2/1, 3, 4, 5 en 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: watertoetsbesluit), de kracht van gewijsde van arrest nr. 234.624 van 3 mei 2016, de artikelen 16 en 36ter iuncto de artikelen 8, 17, § 1, 18 en 25, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu “iuncto artikel 1.2.1 van het DABM”, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke VII-39.860-17/33 motivering van de bestuurshandelingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-, motiveringsbeginsel en “het beginsel van de behoorlijke afweging”: “Doordat de deputatie geen deugdelijke watertoets heeft uitgevoerd door heel die watertoets verder uit te werken en op te bouwen, vertrekkende van de foutieve hoogte van het terrein, die ze heeft afgeleid uit de gegevens die de aanvrager verstrekt heeft bij een bouwaanvraag van 2015 voor de bouw van een luifel over een klein deeltje van het terrein, en die gebaseerd zijn op 4 punten onder een in 2015 vergunde luifel, waarbij Waterwegen en Zeekanaal voor 1 van die 4 punten een controle uitvoerde met het Digitaal Hoogtemodel (DHM) en daarbij vaststelde dat het terrein 76cm lager ligt dan wat de aanvrager beweert, en verweerster ondanks die kritieke bemerking, toch verder werkt met die 4 punten om daaruit een gemiddelde af te leiden van 19,0175m TAW; hoewel er voor het DHM op het perceel waar voorliggende vergunning betrekking op heeft, van 6086 punten de terreinhoogte gemeten werd, en daaruit blijkt dat de gemiddelde hoogte van het terrein 18,26m TAW is, hetgeen daarenboven nog een overschatting is van de werkelijke terreinhoogte daar dit model niet in staat is om de hopen turf, schors en dergelijke te onderscheiden van het echte grondoppervlak. en doordat de deputatie, zonder enige kritische blik – ondanks de kritische noot van W&Z in het door de verweerster aangehaalde advies van 2015 - die foutieve hoogte van het terrein klakkeloos overneemt van wat de aanvrager hierover meedeelt, en hierdoor onzorgvuldig handelde daar net dit element cruciaal is voor een correcte en precieze inschatting van enerzijds het verloren overstromingsvolume maar anderzijds ook van de schade die er kan optreden aan het oppervlaktewater en grondwater bij een overstroming van de site en ten gevolge daarvan aan de aquatische en terrestrische ecosystemen in en rond het stroomgebied van de Gavergracht en Dender, en doordat verweerster het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt doordat ze voor bepaalde vergunningsaanvragen in de Dendervallei in het recente verleden oordeelde dat deze een verlies aan overstroombaar volume van 60 of 80 m3 moeten compenseren, terwijl ze in voorliggend geval stelt dat het verlies van ca. 1500 m3 aan overstroombaar volume niet betekenisvol is omdat ze van oordeel is dat dit slechts een klein deel is van het totale overstroombare volume van het terrein van de vergunningaanvrager en die vergunningaanvrager dit volgens haar niet moet compenseren hoewel die in dezelfde riviervallei gelegen is, en doordat de wateradviesverlener en verweerster die zich baseert op dit advies, van mening zijn dat er geen compensatie voor het verlies aan ruimte voor water dient opgelegd te worden omdat het een hernieuwing van een bestaande inrichting betreft, terwijl Uw Raad in het vorige arrest over deze inrichting andersluidend oordeelde, waardoor dit besluit in strijd is met de kracht van gewijsde van het arrest van Uw Raad, en doordat de deputatie zeer onzorgvuldig handelde door zich voor de inschatting van het verlies aan overstromingsruimte zich te baseren op de VII-39.860-18/33 cijfers die de aanvrager in een bijkomende nota aanleverde, hoewel die bepaalde Vlarem-rubrieken buiten zijn berekening heeft gelaten en er dus in werkelijkheid veel meer overstromingsvolume verloren gaat door alle vergunde rubrieken en volumes tezamen, en doordat de passende beoordeling, de natuurtoets alsook het advies van het agentschap voor natuur en bos nalaten te onderzoeken wat de effecten zijn op het stroomafwaarts gelegen Vlaams Ecologisch Netwerk (door stoffen die van de inrichting meespoelen/oplossen/uitlogen en in de stroomafwaarts delen van de Dendervallei neerslaan) en op het stroomopwaarts gelegen VEN- en Habitatrichtlijngebied (via het grondwater dat één laag vormt over de gehele Dendervallei), en doordat in besluit niets staat over de risico's door het uitlogen, meespoelen en oplossen van de meststoffen, compost, potgrond en turf. Terwijl de overheid die over een vergunning beslist, precies dient na te gaan hoe schade aan de natuur en het watersysteem kan vermeden worden en terwijl er geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van habitatrichtlijngebieden mag toegestaan worden, en terwijl de vergunningverlener een deugdelijke watertoets en natuurtoets dient uit te voeren”. De verzoekende partij licht onder meer toe dat de berekening van de ruimte die verloren gaat voor overstromingswater onzorgvuldig is gedaan en ondeugdelijk is gemotiveerd om verscheidene redenen. Zo wordt voor de berekening van de gemiddelde hoogte van het gehele bedrijfsterrein die door de milieuconsulent van de exploitant wordt gehanteerd, verwezen naar een advies van W&Z naar aanleiding van een bouwaanvraag van 3 april 2015 die slechts betrekking had op een deel (5.739 m²) van het gehele terrein van de inrichting (92.782 m²). Bovendien, stelt de verzoekende partij, kan de gemiddelde hoogte van een terrein niet worden berekend door het gemiddelde te nemen van de hoogte van slechts vier punten in plaats van alle gemeten punten, en werden die hoogtes door de aanvrager zelf aangebracht en bleek volgens W&Z aan de hand van het Digitaal Hoogtemodel dat het terrein op één punt 76 cm lager is dan opgegeven door de aanvrager. Zij stelt verder dat de methodiek van de hoogtemetingen niet toelaat om een berg turf, meststof, aarde, schors of potgrond te onderscheiden van het gewone aardoppervlak zodat de hoogte van het terrein in werkelijkheid een overschatting is, m.a.w. het terrein ligt lager dan wat het Digitaal Hoogtemodel aangeeft. De bestreden beslissing heeft desondanks de door de aanvrager bezorgde nota’s zonder meer letterlijk overgenomen in de motivering van de watertoets. Daarnaast is het in het bestreden besluit van de VII-39.860-19/33 aanvrager letterlijk overgenomen buffervermogen van de in bulk opgeslagen stoffen volgens de verzoekende partij twijfelachtig. Zij betwist de stellingen van de aanvrager en de deputatie dat deze stoffen zoveel water kunnen opnemen en dat door de opname van water er minder buffercapaciteit zou verloren gaan omdat die absorptie veel tijd vraagt en dus weinig effect heeft bij een plotse gebeurtenis als een overstroming. Bovendien doet absorptie van water die stoffen zwellen, waardoor ze weer meer plaats innemen. Bij de berekening van het verlies aan overstromingsruimte heeft de aanvrager, volgens de verzoekende partij, “tal van rubrieken” buiten beschouwing gelaten, waaronder “de Vlarem-rubriek 61.2.2.
(2)‘Tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven grond’ waarbij met voorliggend besluit deze rubriek vergund wordt voor de opslag van max. 15.000 m³ uitgegraven bodem die voldoet aan Vlarebo”. Zij stelt nog dat de deputatie op aangeven van de nota van de aanvrager de ondergrondse hemelwaterafvoerbuizen meerekent als buffercapaciteit terwijl deze buizen niet dienen om overstromingswater maar om hemelwater op te vangen en dat de uitgegraven grond voor het aanleggen van die buizen op het terrein zelf belandt zodat er geen sprake kan zijn van extra buffercapaciteit.
  1. De deputatie repliceert dat de gegevens waarop zij zich baseerde niet werden aangereikt door de exploitant zelf maar door Jan Feryn, erkend MER-deskundige in de discipline fauna en flora. Zij wijst er op dat alle adviezen gunstig waren, ook deze van gespcialiseerde instanties W&Z en Agentschap voor Natuur en Bos. Zij stelt dat zij er mocht op vertrouwen dat deze gegevens correct en gegrond waren. Zij heeft de hernieuwing van de milieuvergunning beoordeeld door het aftoetsen van de planologische, stedenbouwkundige en milieuhygiënische aspecten en zij heeft daarbij wel degelijk rekening gehouden met het feit dat het bedrijf in overstromingsgevoelig gebied ligt. Zij heeft daartoe de nodige adviezen gevraagd aan de bevoegde en gespecialiseerde instanties en er werd een omstandige watertoets uitgevoerd. De bestreden beslissing werd voldoende duidelijk en afdoende gemotiveerd en alle argumenten die tot de beslissing hebben geleid werden duidelijk weergegeven in de beslissing zelf. VII-39.860-20/33
  2. De tussenkomende partij antwoordt dat de hoogtes van het terrein niet door de aanvrager zijn aangereikt maar afkomstig zijn uit het dossier van een eerdere aanvraag en dat het niet duidelijk is hoe de verzoekende partij de daling van de buffercapaciteit berekent. Zij stelt dat de verzoekende partij haar beweringen met betrekking het absorberende vermogen van de stoffen in bulk niet staaft. Indien het klopt dat het terrein lager ligt dan door de deputatie wordt aangenomen, dan garandeert haar terrein een veel groter buffervolume of overstroombare ruimte. De volumes turf, compost, potgrond en bodemverbeterende middelen moeten bovendien niet mee opgenomen worden in de berekening omdat de opslag ervan niet vergunningsplichtig is. De watertoets in het kader van de milieuvergunningsaanvraag beoordeelt enkel de effecten van vergunningsplichtige activiteiten. Aangezien er 24 tot 48 uur op voorhand geweten is dat er een ernstig overstromingsrisico is, heeft zij ook nog de tijd om bepaalde producten op hoogte te plaatsen. In het wateradvies van W&Z wordt terecht opgemerkt dat het gaat om opslag dat al was vergund vooraleer de watertoets in voege trad. Het verlies aan overstroombare volume is veel lager dan 14 miljoen liter water en moet bovendien afgezet worden tegen het totale beschikbare overstroombare volume van 90 miljoen liter. De stelling van de verzoekende partij dat de afvoerbuizen niet dienen om overstromingswater maar wel om hemelwater op te vangen, “betekent echter niet dat ze in de praktijk bij een overstroming van het terrein wel degelijk overstromingswater zullen opvangen en dat de capaciteit dus in rekening mag worden gebracht”. De buffercapaciteit op het terrein is relevant bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een schadelijk effect en of dit ‘betekenisvol’ is zodat terecht rekening is gehouden met die buffercapaciteit, aldus de tussenkomende partij. Het wateradvies van W&Z houdt wel degelijk rekening met een verlies aan ruimte voor het watersysteem als gevolg van de vergunde opslag van diverse stoffen, maar concludeert dat dit verlies niet resulteert in een betekenisvol schadelijk effect. Aangaande “maatregelen bij overstroming van de site” stelt zij: “In tegenstelling tot wat verzoekende partij beweert voorziet tussenkomende partij voldoende adequate maatregelen in geval van overstroming. Het terrein van tussenkomende partij is voorzien van voldoende buffer- en bergingscapaciteit voor het geval er zich toch een overstroming zou voordoen en de nodige maatregelen zijn genomen om terugspoelen tegen te VII-39.860-21/33 gaan, zodat er zich geen effecten op de waterhuishouding kunnen voordoen (zie bestreden beslissing, p. 17-18). Zoals duidelijk aangegeven in de bestreden beslissing is het vrijwel het volledige terrein waar de opslag plaatsvindt betonverhard, waardoor eventuele risico’s op bodem- en grondwaterverontreiniging maximaal worden beperkt. De productopslag in het gebouw waar het opzakken gebeurt, grijpt plaats op rekken. Bij dreigend overstromingsgevaar worden de onderste rekken leeg gemaakt en op trailers geplaatst (mocht er op de hogere rekken geen plaats meer zijn). In het geval van een overstroming kan er ook onmogelijk eventueel vervuild water met grondstoffen rechtstreeks terugvloeien naar de Dender. Het overstromingswater komt immers langs het afwateringsstelsel binnen en niet langs de oevers van de Dender (principe van de communicerende vaten). Bij dreigend overstromingsgevaar, zet het bedrijf de doorgangen af met zandbermen (nadat zij door de stad Geraardsbergen op de hoogte is gehouden, met een sms-alarmsysteem), zodat het overstromingswater vanop het terrein niet kan terugvloeien via de oevers van de Dender, maar noodgedwongen langs de buffers en bezinkingsputten (die zowel bezinkbare als drijvende deeltjes kunnen afscheiden) moet terugvloeien. De bruine vlekken op de foto waarnaar verzoekende partij verwijst, is afkomstig van schors die blijft drijven (en dus niet oplost zoals verzoekende partij beweert). De opslag van meststoffen gebeurt in de loods op een hoogte. Het is dus niet relevant of de loods al dan niet waterdicht is afgesloten. Verder is er opslag in een silo. Ook die opslag gebeurt minstens 4 tot 5 meter boven de grond, aangezien de vrachtwagens onder de silo moeten kunnen rijden. Het stuk 26 waarnaar verzoekende partij verwijst gaat over stoffen met additieven. Bij tussenkomende partij wordt met natuurlijke producten gewerkt. Alle grondstoffen die zij liggen heeft zijn van natuurlijke oorsprong. Er zitten geen meststoffen in. Bovendien gebeurt de vergunde opslag van meststoffen verpakt en in silo’s, op een hoogte van 5 meter, zodat er ook van die opslag geen gevaar uitgaat voor de natuur in de VEN-gebieden. Wat de potgrond betreft, is het zo dat in bulk aangemaakte potgrond maar een paar uur in een box blijft liggen. Dit wordt dan steeds verpakt en op paletten gestockeerd. Eens verpakt kan er zeker geen meststof meer uitspoelen en de meststoffen worden pas toegevoegd bij het mengen”.
  3. De verzoekende partij dupliceert dat de gegevens over de hoogte van het terrein afkomstig zijn “van vroegere aanvragen die de vergunningsaanvrager […] aangereikt heeft” en dat het “deze gegevens zijn die W&Z op één locatie van het terrein gecontroleerd heeft aan de hand van de gegevens van het Digitaal Hoogtemodel”. W&Z heeft “vastgesteld dat er een discrepantie (i.c. 76 cm hoogteverschil) is tussen de gegevens omtrent de hoogte van het terrein, volgens de eerdere aanvragen, en het vaststaand feit dat het terrein hier recent overstroomde”. Desondanks “bleef men ook in voorliggend VII-39.860-22/33 dossier verder werken met die foute gegevens”, ook het door de tussenkomende partij aangestelde studiebureau. De door de verzoekende partij in het verzoekschrift aangebrachte gegevens laten, anders dan de tussenkomende partij beweert, toe om deze te controleren. Omtrent de stelling van de tussenkomende partij dat in het wateradvies van W&Z terecht wordt opgemerkt dat het gaat om opslag dat al was vergund vooraleer de watertoets in voege trad, verwijst de verzoekende partij naar voormeld arrest nr. 236.
  4. Zij stelt voorts dat bij de beoordeling in het kader van de watertoets het geheel en de globale inrichting moet worden beoordeeld en dat de tussenkomende partij bij de weerlegging van het verlies van 14 miljoen liter aan overstroombare volume, niet concreet aangeeft hoeveel dat verlies dan wel bedraagt. De verzoekende partij merkt op dat “buizen die aangelegd zijn i.k.v. een stedenbouwkundige vergunning niet kunnen gebruikt worden bij de beoordeling van voorliggende milieuvergunningsaanvraag” en in het andere geval geldt dat in de motivering van de bestreden beslissing niet wordt toegelicht waar de grond die vrijgekomen is bij de aanleg van die buizen naar toe is gebracht zodat er moet van uitgegaan worden dat de grond ter plekke is gebleven. Zij betoogt nog: “Nu haalt tussenkomende partij aan dat bij dreigend overstromingsgevaar bepaalde producten op trailers geplaatst zullen worden. Vooreerst dient opgemerkt dat dit geen deugdelijke maatregel betreft. Het is nooit uitgesloten dat er technische problemen zich voordoen met de heftruck waardoor men die maatregel niet kan uitvoeren. Een deugdelijke maatregel biedt garanties in alle omstandigheden en dat is hier niet het geval. Ten tweede de laadhoogte van een trailer (ook oplegger geheten) bedraagt ca. 1,5m. Uit de berekeningen voortvloeiend uit het wetenschappelijk klimaatvoorspellingsmodel blijkt dat er ook tot boven deze hoogte (gemiddelde hoogte van het terrein 18,26m + 1,5m= 19,76m) zich overstromingen kunnen voordoen. Dus ook om die reden betreft dit geen deugdelijke maatregel om te vermijden dat opgeslagen stoffen kunnen oplossen, uitlogen en meespoelen in het overstromende Denderwater. Tussenkomende partij herhaalt ook ‘Het overstromingswater komt immers langs het afwateringsstelsel binnen en niet langs de oevers van de Dender (principe van de communicerende vaten).’ Dergelijke stelling klopt hoegenaamd niet. De inrichting ligt midden in de Dendervallei. Deze vallei is ontstaan door herhaalde overstromingen door en vanuit de Dender. Daar heeft het afwateringstelsel en evenmin het aangehaalde principe van de communicerende vaten helemaal niets mee te maken. Wanneer tussenkomende partij stelt ‘De bruine vlekken op de foto waarnaar verzoekende partij verwijst, is afkomstig van schors die blijft drijven (en dus niet oplost zoals verzoekende partij beweert).’ dient opgemerkt dat op de VII-39.860-23/33 aangehaalde foto (bijlage 19) te zien dat er vanuit elke stapel van de vergunde stoffen er een stroom te zien van die stoffen (met verschillende tinten bruin) richting de Dender. Het gaat dus niet louter om schors zoals tussenkomende partij tracht voor te houden, maar wel degelijk alle stoffen stromen mee en lossen op in het overstromende rivierwater. De stelling van tussenkomende partij ‘Bij dreigend overstromingsgevaar, zet het bedrijf de doorgangen af met zandbermen (nadat zij door de stad Geraardsbergen op de hoogte is gehouden, met een sms-alarmsysteem), zodat het overstromingswater vanop het terrein niet kan terugvloeien via de oevers van de Dender, maar noodgedwongen langs de buffers en bezinkingsputten (die zowel bezinkbare als drijvende deeltjes kunnen afscheiden) moet terugvloeien.’ verwijzen we nog eens naar hetgeen we hierover in het verzoekschrift schreven, m.n. Verder is het onduidelijk wat bedoeld wordt met de ‘doorgangen’ die met ‘zandbermen’ afgezet worden. De lengte van de site (de noordgrens) langsheen de Dender is ca. 250m. Met een stukje van slechts 3 x 5 m af te zetten kan men onmogelijk contact tussen de site en de overstromende Dender vermijden. Dit is allerminst een deugdelijke maatregel om vervuiling van het Denderwater te vermijden.’ Ook hierbij dient nog eens opgemerkt te worden dat het slagen van dergelijke operatie (m.n. een zandberm van 250m aanleggen) op korte tijd afhangt van diverse technische elementen: • Werkt het aangehaalde SMS-systeem feilloos? • Heeft de ontvanger nog steeds hetzelfde mobiele telefoonnummer als hetgeen hij destijds doorgegeven heeft? • Ziet de ontvanger tijdig de SMS? • Zijn er geen technische problemen met de graafmachines die 250m zandberm moeten aanleggen? • Is er ten allen tijde de vereiste hoeveelheid zand voorradig? Daarnaast, gelet op het feit dat het om een enorme hoeveelheid zand gaat, stelt zich de vraag waarom die zandvoorraad niet op de plannen staat aangeduid. Als dit zand nog van elders dient te komen en al dan niet nog besteld moet worden bij een leverancier, kan men onmogelijk binnen die heel korte termijn de volledige grenszone met de Dender afzetten. Hoe dan ook ontbreekt het hier aan een deugdelijke afdoende vergunningsvoorwaarde die de negatieve gevolgen van een overstroming van de site en diens vergunde stoffen van de inrichting voorkomt. Voor de opslag van de meststoffen op hoogte verwijzen we naar het wetenschappelijk gegeven dat het overstromingswater hier tot grote hoogte kan reiken. Enkel m.b.t. de silo die zich minstens 4 à 5 meter boven de grond bevindt, lijkt er zich geen probleem te stellen. De essentie van stuk 26 gaat niet over eventuele additieven die erin verwerkt zouden zitten. Punt is, dat potgrond in hoofdzaak bestaat uit veen en turf naast o.a. compost. In verzoekschrift hebben we vervolgens toegelicht wat veen/turf nu eigenlijk is, m.n. plantaardig afgestorven materiaal. In een moerassige (of venige) grond bevindt zich dat in een continu natte grond en verteert dat plantaardig materiaal zo goed als niet. Simpelweg omdat in het water er weinig tot geen bacteriën en schimmels (die nodig zijn om het plantenmateriaal af te breken tot moleculen die als meststof/nutriënten VII-39.860-24/33 dienen) kunnen overleven. Maar eens op het droge beginnen bacteriën en schimmels dat afgestorven plantenmateriaal in die potgrond (dus veen, turf, ...) aan hoog tempo af te breken waardoor er heel veel nutriënten/voedingsstoffen vrij komen. Zo ook als die potgrond meespoelt met het Denderwater naar elders in de Dendervallei dan gaat die potgrond, eens het overstromende water is weggetrokken, op de plaats waar die is komen te bezinken, volop beginnen te verteren doordat de bacteriën en schimmels hun werk doen. En zo krijgen we dus een bom van nutriënten in die gebieden. En dat heet dan vermesting, hetgeen een van de grote problemen is waar vele natuurgebieden onder te lijden hebben en dus ook de kwetsbare fauna en flora. Door een te groot aandeel aan nutriënten/voedingsstoffen wordt de typische, karakteristieke flora van deze gebieden verdrongen door vooral de zogenaamde ‘ruigtekruiden’. In een tijdschrift lezen we hierover: ‘(..) In veengebieden kan ontwatering bovendien ook leiden tot mineralisatie van het veen, waardoor nutriënten (o.a. fosfor) versneld ter beschikking komen en eutrofiëring optreedt. Die verhoogde fosfor- en stikstofbeschikbaarheid maakt dan weer dat de Grote brandnetel zich kan uitbreiden (..) De dominantie door Grote brandnetel, en andere ruigtekruiden heeft alles te maken met het hoge nutriënten- en vooral fosforgehalte van de bodems (..)’. In het Milieu- en natuurrapport van Vlaanderen van 1998 (Mira-T, 1998) lezen we bij de begrippen (pg. 364): ‘Vermesting is de ontregeling van ecologische processen en kringlopen door een overmatige toevoer van voedingsstoffen in het milieu.’ Kortom het zijn net die stoffen van natuurlijke oorsprong zoals turf en veen die aanleiding geven tot eutrofiëring (=vermesting) van de gebieden waar ze neerslaan. Dit zijn a.h.w. natuurlijke meststoffen. Wat tussenkomende partij hier schrijft ‘Er zitten geen meststoffen in.’ is fout. Verder verwijst tussenkomende partij naar het verpakt zijn van de potgrond, maar uit niets blijkt dat die verpakkingen waterdicht zouden zijn”.
  5. In haar laatste memorie stelt de tussenkomende partij dat zij vaststelt dat de hoogteberekening in de nota die zij overmaakte afwijkt van de cijfers uit de nota van haar technisch raadsman en dat zij haar terrein gedetailleerd laat opmeten “maar […] die cijfers in de huidige stand van de procedure niet aan het dossier [kan] toevoegen”. Zij betwist dat de ondergrondse buffer voor de vertraagde afvoer van hemelwater niet tegelijk zou kunnen functioneren als bergruimte voor overstromingswater: “Het volgende scenario doet zich voor bij een normale regenval. Ongeveer 5 ha van de site is verhard in beton waaronder een buffersysteem zit met overgedimensioneerde buizen, die aansluiten op 3 decanteerputten met 2 afvoerpunten naar de Gaverbeek, waarin wordt geloosd. Dit buffersysteem loopt (snel) vol bij regen en loopt dan opnieuw gravitair vertraagd leeg door de vernauwde afvoerbuizen. Na een regenperiode loopt het buffersysteem VII-39.860-25/33 leeg, zodat het klaar staat om opnieuw vol te lopen bij een volgende regenperiode. Bij hoogwater of overstroming is het scenario als volgt. Bij een nakende overstroming keert het water uit de Gaverbeek terug naar het buffersysteem, door het systeem van communicerende vaten. Zolang er geen nakende overstroming is, is het buffersysteem leeg of aan het leeglopen. Op het moment dat er zich een overstroming begint te ontwikkelen, vangt het buffersysteem wel degelijk overstromingswater op (communicerende vaten)”. Zij stelt nog dat het niet is omdat er water terugvloeit of in de bodem dringt dat daaruit volgt dat er verontreiniging ontstaat: “Zo gebeurt de opslag van meststoffen in de loods op een hoogte. Verder is er opslag in een silo. Ook die opslag gebeurt minstens 4 tot 5 meter boven de grond, aangezien de vrachtwagens onder de silo moeten kunnen rijden. Bij tussenkomende partij wordt met natuurlijke producten gewerkt. Alle grondstoffen die zij liggen heeft zijn van natuurlijke oorsprong. Er zitten geen meststoffen in. Bovendien gebeurt de vergunde opslag van meststoffen verpakt en in silo’s, op een hoogte van 5 meter, zodat er ook van die opslag geen gevaar uitgaat voor de natuur in de VEN-gebieden. Wat de potgrond betreft, is het zo dat in bulk aangemaakte potgrond maar een paar uur in een box blijft liggen. Dit wordt dan steeds verpakt en op paletten gestockeerd. Eens verpakt kan er zeker geen meststof meer uitspoelen en de meststoffen worden pas toegevoegd bij het mengen. Het is door verzoekende partij ook niet aangetoond dat er gevaar zou uitgaan van de stoffen die worden opgeslagen op het terrein van tussenkomende partij. Tussenkomende partij wenst te benadrukken dat turf en boomschors natuurlijke producten zijn en geen ‘nutriëntenbommen’ zoals ten onrechte wordt beweerd. De vergunde opslag van meststoffen gebeurt verpakt en in silo’s, op een hoogte van 5 meter. Bij dreigend overstromingsgevaar worden de onderste rekken leeg gemaakt en op trailers geplaatst (mocht er op de hogere rekken geen plaats meer zijn). De stoffen die buiten onbeschermd in bulk zijn opgeslagen dienen om structuur te geven aan de tuingrond, niet als voedingsstof of nutriënt. Ze lossen dus niet op in het overstromingswater. Zij veroorzaken ook geen bodemverontreiniging, aangezien ze net bestemd zijn voor in tuingrond. Dit alles is wel degelijk relevant wat betreft het aspect ‘gevaar op verontreiniging door na een overstroming terugvloeiend water’. Het is niet omdat er overstromingswater zou kunnen terugvloeien of in de bodem zou dringen dat dit ook verontreiniging veroorzaakt. Dat is ook niet het geval, zoals is aangetoond”.
  6. De verzoekende partij merkt in de laatste memorie nog op dat “er een wezenlijk verschil is tussen een digitaal terreinmodel (de hoogte van het VII-39.860-26/33 oppervlak van de aarde zonder rekening te houden met de aanwezige objecten, bomen, gebouwen, e.d.) en een digitaal oppervlaktemodel (de hoogte van het terrein met objecten, gebouwen, bomen, e.d.)” wat in dit geval “wel relevant [kan] zijn omdat de tussenkomende partij op het terrein heel wat grondstoffen en producten in grote hoeveelheden (lees: bergen van tot wel 4-5 meters hoog) opslaat op het terrein”. Verder stelt zij: “Tussenkomende partij geeft een verkeerde voorstelling van de werking van het buffersysteem, daar waar deze de regenperiode en de overstromingsperiode als twee volledig gescheiden periodes en fenomenen tracht weer te geven en waarbij deze meent dat bij aanvang van beide periodes deze afvoerbuizen leeg staan. Tussenkomende partij stelt op het einde dat het gaat om ‘een tijdelijke buffer die steeds vertraagd leegloopt na een regenperiode.’ M.a.w. na een periode van hevige regenval stromen die regenwaterbuizen vol met water. Als die periode van hevige regenval heel lang aanhoudt, dan doen er zich (pas) overstromingen voor. Ook dan (tijdens de periode van langdurige hevige regenval) zullen/zal de afvoerbuizen/dat buffersysteem volstaan met regenwater uit die periode van langdurige hevige regenval. Het is dus niet zo – zoals tussenkomende partij tracht te doen uitschijnen – dat er 1) eerst een periode van regenval is (buizen gevuld), 2) dan een periode na de regen (waarbij de buizen vertraagd leeglopen) 3) daarna (als de buizen weer leeggelopen zijn) pas een periode van overstromingen Neen, de overstromingsperiode is aansluitend (of zelfs verder overlappende met) op de periode met intense regenval. Op dat ogenblik staan de buizen nog vol met (regen)water en kunnen ze geenszins nog dienen als buffer om overstromend water vanuit de Dender (of de Gavergracht) op te vangen. [...] Waar tussenkomende partij het heeft over [...] (..) Wat de potgrond betreft, is het zo dat in bulk aangemaakte potgrond maar een paar uur in een box blijft liggen. (..) Bij dreigend overstromingsgevaar worden de onderste rekken leeg gemaakt en op trailers geplaatst (mocht er op de hogere rekken geen plaats meer zijn). (..) kan onmogelijk voorgehouden worden dat dit duurzame, effectieve maatregelen zijn. Wat als de overstroming zich voordoet buiten de werkuren (weekends, 's nachts)? Los daarvan wordt die handelingen ook niet als vergunningsvoorwaarden opgelegd. […] VII-39.860-27/33 Een vergunningvoorwaarde die betrekking heeft op de risico's voor verontreiniging van het overstromende water, is ‘De houders voor de diesel, stookolie en smeerolie worden op minstens 1 meter boven de betonvloer geplaatst. De meststoffen worden in de loods of in een silo opgeslagen. Bij overstroming moet ervoor gezorgd worden dat het water niet in contact kan komen met de gevaarlijke producten (minimum 1 meter van de betonvloer).’ Zoals eerder (in het verzoekschrift en memorie) toegelicht is nergens voorzien of bepaald dat de loods (waarin de meststoffen mogen worden opgeslagen door de vergunninghouder) waterdicht afgesloten is en dus niet toegankelijk zou zijn voor overstromend water. Wat het plaatsen van de houders voor de diesel, stookolie en smeerolie en de gevaarlijke producten op minstens/minimum 1 meter boven/van de betonvloer betreft, merkten we ook al eerder op dat - die houders en dergelijke evenmin volledig waterdicht zijn en er evenmin garantie bestaat dat ze niet kunnen beschadigd worden als er vreemde voorwerpen tijdens een overstroming tegen botsen door het sterk stromende water, - dat we vastgesteld hebben dat op basis van 6086 gemeten punten van het terrein, het laagste punt 16,22 m TAW bedraagt, het hoogste punt 22,66 m TAW en de gemiddelde hoogte 18,26 m TAW is, terwijl W&Z adviseerde ‘De gevaarlijke stoffen, die binnen het gebouw worden opgeslagen (op de rekken) dienen op minstens 19,52 mTAW te worden voorzien binnen in de gebouwen. Hierbij is reeds een veiligheidsmarge van 30 cm bovenop het huidige maximale peil van de Dender (i.e. 19,22 mTAW) in kader van klimaatverandering in rekening gebracht.’ Waar tussenkomende partij stelt ‘De stoffen die buiten onbeschermd in bulk zijn opgeslagen dienen om structuur te geven aan de tuingrond, niet als voedingsstof of nutriënt Ze lossen dus niet op in het overstromingswater.’ blijkt het tegendeel waar uit de eerste visuele vaststellingen bij een overstroming (bijlage 19) waarop te zien dat de diverse stoffen die buiten onbeschermd in bulk zijn opgeslagen wel oplossen in dat water en het gehele terrein verkleurd is ten gevolge van het oplossen van die stoffen. Waar tussenkomende partij stelt ‘Zo gebeurt de opslag van meststoffen in de loods op een hoogte. Verder is er opslag in een silo. Ook die opslag gebeurt minstens 4 tot 5 meter boven de grond’ merken we op (n.a.v. het gebruik van het woord Ook) dat uit niets blijkt dat de opslag van meststoffen in de loods ook op 4 tot 5 meter hoogte gebeurt. Verder stelt tussenkomende partij nog eens ‘De vergunde opslag van meststoffen gebeurt verpakt en in silo's, op een hoogte van 5 meter.’ Belangrijkste is dat de vergunningsvoorwaarde enkel oplegt: ‘De meststoffen worden in de loods of in een silo opgeslagen.’. Zelfs mocht de opslag van die meststoffen actueel ‘overstromingsveiliger’ gebeuren dan wat de vergunningsvoorwaarden opleggen, staat niets de (actuele of toekomstige) vergunninghouder in de weg om de stoffen in de toekomst gewoon op de grond in de loods op te slaan. Zelfs waar de tussenkomende partij stelt ‘Bovendien gebeurt de vergunde opslag van meststoffen verpakt’, dient opgemerkt dat die verpakking vroeg of laat toch opengemaakt moet worden om de meststoffen in het verwerkte eindproduct aan te brengen/toe te voegen; tussenkomende partij stelt dit zelf: ‘de meststoffen worden pas toegevoegd bij het mengen’. Daarenboven blijkt VII-39.860-28/33 andermaal uit niets dat die verpakkingen waterdicht zijn. Als zo'n pak meststoffen bv. een dag lang liggen te ‘weken’ in het overstromingswater kan gedurende die periode een heel deel van de meststoffen opgelost zijn in het overstromende water. Wat tussenkomende partij stelt ‘(..) Bij tussenkomende partij wordt met natuurlijke producten gewerkt. Alle grondstoffen die zij liggen hebben zijn van natuurlijke oorsprong. Er zitten geen meststoffen in. (..) Tussenkomende partij wenst te benadrukken dat turf en boomschors natuurlijke producten zijn en geen nutriëntenbommen zoals ten onrechte wordt beweerd. (..) klopt niet. Ook producten van natuurlijke oorsprong (planten(resten), bomen, dieren(resten), bodem,..) bevatten hoe dan ook in meerdere of mindere mate nutriënten. In kunstmeststoffen zitten de meststoffen in een hoge concentratie, net als bv. in (het natuurlijke) turf. In de memorie van wederantwoord hadden we geschreven: ‘In bijlage 28 lezen we over turf: ‘(..) De belangrijke eigenschappen van turf (..) b. Het humusgehalte is zeer hoog, daar de droge stof van de turf voor rneer dan 90 % uit organische verbindingen bestaat. Bovendien is deze humus zeer stabiel. De samenstelling verandert, ook bij langdurig gebruik, vrijwel niet. (..)’. Turf kan daarom op eenzelfde niveau als de (kunst)meststoffen geplaatst worden omwille van diens hoog meststoffengehalte. […] ‘Natuurlijk’ staat hoe dan ook niet gelijk aan ‘geen meststoffen’ – wat tussenkomende partij tracht te doen uitschijnen. Zonder een minimum aan meststoffen/nutriënten zou er van nature ook nauwelijks iets groeien. Een teveel aan meststoffen/nutriënten (in het water van een beek of rivier of door bv. een overstroming met nutriëntenrijk water) daarentegen kan bv. voor veel visgemeenschappen in het water en kwetsbare plantenvegetaties op het land heel negatief zijn (zie bv. bijlagen 23-25). En dat gevaar op dergelijke vorm van verontreiniging doet zich net voor bij een overstroming van de opgeslagen stoffen op de site omdat vele van die stoffen nutriënten in een hoge concentratie bevatten. Tussenkomende partij stelt ook ‘Zij veroorzaken ook geen bodemverontreiniging, aangezien ze net bestemd zijn voor in tuingrond.’ m.b.t. ‘De stoffen die buiten onbeschermd in bulk zijn opgeslagen’. In een tuin worden vaak (natuurlijke en/of chemische) meststoffen aangewend om de door de bouwheer gewenste planten desgevallend beter te laten groeien. Het gaat hier niet over de vraag of ze bodemverontreiniging veroorzaken, wel over de vraag of ze voor een extra toevloed aan nutriënten/meststoffen kunnen zorgen in het aquatisch en terrestrisch milieu bij een overstroming van de site en de daar niet volledig waterdicht opgeslagen stoffen. Het valt ook op dat tussenkomende partij heel erg op de vlakte blijft bij het concreet benoemen van ‘De stoffen die buiten onbeschermd in bulk zijn opgeslagen’ en die ‘dienen om structuur te geven aan de tuingrond’ en evenzeer nalaat om de concrete samenstelling van die stoffen mee te delen”. VII-39.860-29/33 Beoordeling
  7. Er werden drie wateradviezen gevraagd. W&Z stelde in haar wateradvies van 22 juli 2016 dat de opslag van goederen moet worden geacht geen ruimte voor overstromingswater in te nemen, omdat het om een aanvraag tot hernieuwing van de milieuvergunning gaat, en de opslag reeds was vergund voor de inwerkingtreding van de watertoets. De provincie volstaat in haar wateradvies met een verwijzing naar het advies van W&Z. Het college van burgemeester en schepenen stelde in zijn advies van 18 juli 2016 enerzijds dat er door de hernieuwing met slechts beperkte wijziging geen nadelig effect kan ontstaan, en verwees anderzijds naar de twee door de exploitant bezorgde nota’s zonder deze te evalueren. In geen van de andere verstrekte adviezen werden de door de exploitant bezorgde nota’s op enige wijze concreet beoordeeld.
  8. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing moet steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de overheid er onder meer toe om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen. Te dezen bestond de essentiële taak van de deputatie erin om met de vereiste zorgvuldigheid en rekening houdend zowel met alle relevante feitelijke omstandigheden als met het gezag van gewijsde van arrest nr. 234.624 van 3 mei 2016 de wettelijk voorgeschreven watertoets uit te voeren.
  9. Bij de bespreking van de bezwaren van de verzoekende partij gaat de deputatie er van uit dat “als gevolg van de hernieuwing van de bestaande toestand […] er geen verlies [is] aan overstromingsruimte” en dat “de bestaande situatie wordt hervergund op een heel kleine uitbreiding na”. Wat in de bestreden beslissing wordt gesteld onder ‘Besluit watertoets’ steunt niet op het wateradvies van W&Z. De verzoekende partij wijst VII-39.860-30/33 er overigens terecht op dat dit strijdig zou zijn geweest met arrest nr. 234.624 van 3 mei 2016 vermits het wateradvies uitgaat – van “het hernieuwen van een bestaande milieuvergunning” waardoor “geen bijkomende effecten vanwege de verderzetting van de exploitatie op het overstromingsregime verwacht” worden, – het niet redelijk is dat de ophoging van het terrein “voor het in voege treden van de watertoets […] op heden in vraag” kan worden gesteld, – het niet redelijk is “om een vergunde opslag, die men wenst te hernieuwen, op heden te beoordelen i.k.v. de watertoets indien deze opslag werd vergund vóór het in voege treden van de watertoets”.
  10. Het ‘Besluit watertoets’ in de bestreden beslissing is op een kleine, hiervoor aangehaalde, toevoeging na een letterlijke overname, zonder bronvermelding, van de argumentatie uit de nota van de raadsman van de exploitant van 14 juni
  11. Van een zorgvuldig onderzoek naar de deugdelijkheid van deze door de vergunningsaanvrager zelf bezorgde motivering is er in de bestreden beslissing of het onderliggend administratief dossier geen spoor terug te vinden.
  12. In arrest nr. 234.624 van 3 mei 2016 heeft de Raad van State geoordeeld dat de beslissing van de deputatie van 6 februari 2014 werd genomen met schending van artikel 5, eerste lid, 6°, c) en d), artikel 8, §1, eerste lid, artikel 8, §2, eerste lid, artikel 8, §5, eerste lid, 3° en artikel 8, §5, vierde lid, in fine, DIWB. De bestreden beslissing werd genomen met schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en heeft daaraan bijgevolg geenszins verholpen.
  13. Het middel is gegrond. VII-39.860-31/33 BESLISSING
  14. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 6 oktober 2016 waarbij het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen van 2 september 2013, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Van Israël voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor de opslag, verpakking en verkoop van potgrond, meststoffen, turf en boomschors, gelegen aan de Gaverstraat 41 te Geraardsbergen, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd.
  15. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  16. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.860-32/33 Dit arrest is uitgesproken op acht juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.860-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.725 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.