id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.726 Rolnummer: A. 227210/VII-40475 Zaak: Arrest 247726 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-08 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 247.726 van 8 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.726 van 8 juni 2020 in de zaak A. 227.210/VII-40.475 In zake : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Reiner Tijs kantoor houdend te 2000 Antwerpen Nassaustraat 37-41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de BVBA GIMAR MANAGEMENT
- Gino DE KERF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 januari 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0380 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 4 december 2018 in de zaak 1617-RvVb-0875-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 245.615 van 3 oktober 2019 is het debat heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek. VII-40.475-1/6 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een aanvullend verslag opgesteld, op grond van artikel 17 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Florentina Alimusaj, die loco advocaat Reiner Tijs verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feiten werden uiteengezet in arrest nr. 245.615 van 3 oktober
- VII-40.475-2/6 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De deputatie heeft een verzoek tot voortzetting ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de deputatie. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van de verzoekende partij ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de deputatie
- De deputatie voert de schending aan van de artikelen 4.1.1, 7°, 4.2.14, 4.4.10, § 1, en 7.5.1, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). De deputatie betoogt dat het vermoeden van vergunning in artikel 4.2.14 VCRO moet worden samengelezen met het besluit van de Vlaamse executieve van 17 juli 1984 houdende het vergunningsplichtig maken van sommige gebruikswijzigingen . Vanaf de inwerkingtreding van dat besluit zijn bepaalde functiewijzigingen vergunningsplichtig geworden. Dat besluit van 17 juli 1984 is opgeheven bij artikel 5, §3, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningplichtige VII-40.475-3/6 functiewijzigingen , maar dat staat er niet aan in de weg dat gebruikswijzigingen zoals vermeld in het toenmalige besluit van 17 juli 1984 nog steeds vergunningsplichtig zijn vanaf 9 september
- Toegepast op het dossier stelt de deputatie dat de betrokken bungalow reeds voor 9 september 1984 een permanente woonfunctie diende te hebben, opdat die constructie als hoofdzakelijk vergund kan worden beschouwd. De RvVb oordeelt volgens de deputatie in strijd met het voorgaande, door te oordelen dat de betrokken constructie niet hoofdzakelijk vergund is omdat uit het administratief dossier blijkt dat tot 1974 geen permanente bewoning aanwezig was. De RvVb gaat er met dat oordeel aan voorbij dat de bungalow een permanente bewoning zou kunnen verkregen hebben na 1974 en voor 9 september
- De beoordeling door de RvVb heeft tot gevolg dat de periode waarin het vermoeden van vergunning kan worden aangetoond, onterecht wordt ingekort tot
- Het bestreden arrest schendt volgens de deputatie ook artikel 7.5.1 VCRO door vast te stellen dat er geen stukken voorhanden zijn inzake de functie van de constructie voor de periode van 1974 tot 9 september
- De RvVb kon immers onmogelijk met zekerheid oordelen dat de constructie niet hoofdzakelijk vergund zou zijn. In graad van administratief beroep zouden hieromtrent nog stukken kunnen worden aangevoerd, en zou de deputatie nog verder onderzoek kunnen doen. Beoordeling
- Het bestreden arrest verklaart het eerste middel van de bvba Gimar Management en Gino De Kerf gegrond op grond van de vaststelling dat – de constructie pas in 1954 werd opgericht – de constructie in 1974 nog steeds de functie van weekendverblijf had – er “geen stukken voorhanden [zijn] op basis waarvan besloten kan worden -noch motiveert de [deputatie] iets hieromtrent- dat de functie van de constructie VII-40.475-4/6 na het jaar 1974 nog gewijzigd werd naar wonen voor de inwerkingtreding van het besluit zonevreemde functiewijzigingen van 17 juli 1984”.
- Het middel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest eraan voorbijgaat dat de bungalow een permanente bewoning zou kunnen verkregen hebben na 1974 en voor 9 september 1984, mist feitelijke grondslag.
- Het middel dat stelt dat het bestreden arrest de aangevoerde bepalingen schendt omdat uit het administratief dossier blijkt dat er tot 1974 geen permanente bewoning was, noopt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf. De Raad van State is overeenkomstig artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de raad van State, hiertoe niet bevoegd.
- Het middel dat aanvoert dat de RvVb onmogelijk met zekerheid heeft kunnen oordelen dat de constructie niet hoofdzakelijk vergund zou zijn, en dat in graad van administratief beroep in dat verband nog stukken zouden kunnen worden bijgebracht die de deputatie op zijn beurt verder zou kunnen onderzoeken, houdt verband met het in arrest nr. 245.615 van 3 oktober 2019 verworpen eerste middel van de deputatie.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. VII-40.475-5/6 Dit arrest is uitgesproken op acht juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.475-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.726 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.615 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div