id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.732 Rolnummer: A. 224412/IX-9232 Zaak: Arrest 247732 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 09/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-09 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-20 01:33 Fiche Arrest nr 247.732 van 9 juni 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.732 van 9 juni 2020 in de zaak A. 224.412/IX-9232 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christian Lemache en Greet Louwet kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning Onderwijspersoneel gevestigd te 1210 Brussel Koning Albert II-laan 15, kamer 4C,34 Tussenkomende partij: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de scholengroep 13- Zuid-Limburg bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 februari 2018, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de kamer van beroep van het Gemeenschaps- onderwijs van 16 november 2017, waarbij aan XXXX de tuchtmaatregel van de terugzetting in rang wordt opgelegd. IX-9232-1/53 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Het Gemeenschapsonderwijs heeft een verzoekschrift tot tus- senkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 27 maart
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussen- komende partij hebben een laatste memorie ingediend. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeen- komstig artikel 3 van koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 15 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- IX-9232-2/53 III. Feiten 3.
- Verzoeker is vast benoemd directeur van de school voor bui- tengewoon secundair onderwijs Zonnegroen te Zoutleeuw, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 13 van het Gemeenschapsonderwijs. 3.
- Naar aanleiding van een controle van de boekhouding van de school in april 2016 ondertekent verzoeker een afsprakennota. In het kader van de evaluatie van de naleving van deze afspra- kennota, stelt de hoofdboekhouder van de scholengroep in september 2016 twee nieuwe verslagen op. Op basis van deze twee verslagen vraagt de algemeen direc- teur van de scholengroep op 29 september 2016 aan de raad van bestuur om ver- zoeker met ingang van 3 oktober 2016 preventief te schorsen; volgens hem wij- zen de gemaakte vaststellingen op een “abnormaal financieel beleid” waarvoor nader onderzoek nodig is. 3.
- Op 29 september 2016 beslist de raad van bestuur van de scholengroep om verzoeker bij hoogdringendheid met onmiddellijke ingang preventief te schorsen en om lastens hem een tuchtonderzoek en -procedure op te starten. De onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs wordt belast met een onderzoek naar de gerapporteerde onregelmatigheden met betrekking tot de verkeerde aanwending van middelen. Deze beslissing wordt aan verzoeker toegezonden als bijlage bij een aangetekende brief van 3 oktober
- 3.
- De onderzoekscel finaliseert zijn onderzoeksrapport op 26 januari
- In het onderzoeksrapport wordt met betrekking tot het onder- zoek naar de “afwending van middelen” het volgende besluit geformuleerd: IX-9232-3/53 “De heer XXXX heeft de voorbije jaren vele duizenden euro’s afgewend naar externe rekeningen, vooral naar de rekening van de zogenaamde vriendenkring. Het ging daarbij nochtans om ontvangsten voor de school die hadden moeten opgenomen worden in de officiële schoolboekhouding. Op die manier beschikte hij over een ruim parallel schoolbudget (zeg maar een ‘zwarte kas’) dat hij naar eigen inschatting vrij kon besteden. Voor de besteding van dit parallelle schoolbudget organiseerde de heer XXXX geen enkele vorm van inspraak en overleg en legde hij aan niemand verantwoording af. Hij belastte wel een personeelslid met de kasboekhouding hoewel het voeren van een boekhouding van een feitelijke vereniging formeel niet tot haar takenpakket behoorde. Hoewel er wel een kasboekhouding was, creëerde de heer XXXX verder geen transparantie ten opzichte van het schoolteam of ten opzichte van zij die de ‘zwarte kas’ spijsden, bijvoorbeeld de ouders of de vzw. De heer XXXX omzeilde dus de principes van een normaal begrotingsbeleid. De opportuniteit van de aanwending van de afgewende middelen is voer voor discussie. Bij sommige uitgaven kunnen alleszins vraagtekens ge- plaatst worden. Andere uitgaven worden dan weer niet gestaafd met een stavingsdocument (factuur of kasticket) maar louter met een handgeschre- ven nota van de heer XXXX. En drie keer werden de ontvangsten van ca- teringactiviteiten afgewend naar een externe rekening (telkens een andere) en daarna van de rekening gehaald, waarbij de heer XXXX niet kon uit- leggen wat er met het geld is gebeurd. Het gaat om 1650 euro, waarvan zeker 1000 euro en wellicht ook de rest naar de heer XXXX is gegaan. De heer XXXX is van oordeel dat hij geen enkele verantwoording hoeft af te leggen over de manier waarop hij de gelden van de externe rekeningen heeft besteed. In die redenering is de afwending van middelen voor de heer XXXX een manier om te ontsnappen aan zijn verplichting om als or- donnateur verantwoording af te leggen voor de besteding van de school- gebonden middelen.” In het onderzoeksrapport wordt over het onderzoek naar de “werken voor derden” het volgende besluit geformuleerd: “De scholengroep heeft een volledig uitgewerkte procedure voor de zoge- naamde werken voor derden (of handelsactiviteiten) die voor alle scholen raadpleegbaar is op Smartschool. De heer XXXX zegt daarover dat hij die procedure niet kende en er pas in de loop van 2016 door de hoofdboek- houder van de scholengroep op gewezen werd dat de school de procedure niet correct toepaste. De waarnemend TAC in de schooljaren 2014-2015 en 2015-2016, […] kende de procedure alleszins wel, maar toch werd deze procedure niet toegepast, volgens […] omdat de heer XXXX verschillende werken voor derden onderling regelde met de vakleraren zonder er hem bij te betrek- ken. Het gevolg was volgens […] dat de heer XXXX de prijs voor de IX-9232-4/53 klant in die gevallen bepaalde volgens zijn buikgevoel en zeker niet op basis van vaste parameters. Pas in september 2016 opperde […], het voor- stel om met een vaste prijszetting te werken. De gevolgen van het niet toepassen van de procedure waren alleszins na- delig voor de school. Zo zijn er verschillende werken voor derden waar- van de ontvangsten niet of niet helemaal naar de schoolboekhouding zijn gevloeid. In sommige gevallen gaat het om afwending van middelen (naar de ‘zwarte kas’), in een aantal gevallen is er duidelijk sprake van persoon- lijke verrijking, alleen is het niet duidelijk op welk niveau die persoonlijke verrijking gebeurd is. Dit kan zowel op het niveau van de vakleraar, van de TAC als van de directeur gebeurd zijn. Het laisser faire inzake werken voor derden is alleszins wel de eindverantwoordelijkheid van de directeur. Alleszins heeft hij ook toegestaan dat de leraren hout (zeker één en wel- licht met de medewerking van een tweede) zelf hout hebben ingekocht en op school hebben laten leveren om het dan achteraf aan klanten van de school te kunnen verkopen. Alleszins heeft hij ook actief meegewerkt aan niet-transparante of schimmige ‘deals’ met bepaalde klanten die voor een veel te lage prijs of gratis goederen konden verwerven die op school ge- maakt werden, zoals het meest frappant blijkt uit de deal met Thomas Drinks. In de afdeling Grootkeuken werden de ontvangsten van heel wat handels- activiteiten afgewend naar de ‘zwarte kas’. Het is daarbij niet altijd duide- lijk of de zogenaamde vriendenkring ook instond voor de kosten, dan wel of de school daar mee voor opdraaide. In het geval van de soepleveringen aan KTA Speelhof was dat laatste zeker wel het geval, namelijk de kosten voor de school en de opbrengsten voor de ‘vriendenkring’. Zoals al eerder vermeld is zeker 1000 en wellicht 1650 euro aan bruto-ontvangsten uit handelsactiviteiten van de afdeling Grootkeuken rechtstreeks bij de heer XXXX (of zijn partner) terecht gekomen. We kunnen niet uitsluiten dat dit bedrag in werkelijkheid nog veel hoger ligt.” In het onderzoeksrapport wordt ten slotte over het onderzoek naar de “verhuur van het schooldomein” het volgende besluit geformuleerd: “In sommige gevallen sloot de heer XXXX geen huurovereenkomst met wie de school of een deel van de schoolinfrastructuur wilde huren. Op die manier kan hij de huurinkomsten naar de ‘zwarte kas’ laten vloeien. Over de besteding van die gelden kon hij dan autonoom beslissen.” 3.
- Verzoeker wordt op 23 maart 2017 uitgenodigd om te worden gehoord in het kader van de lastens hem gevoerde tuchtprocedure, waarin het ontslag als tuchtmaatregel wordt overwogen. Hem worden verschillende feiten ten laste gelegd die wijzen op afwending van schoolmiddelen en op het niet nale- IX-9232-5/53 ven van de procedure voor werken voor derden gedurende de schooljaren 2013- 2014, 2014-2015 en 2015-
- 3.
- Op 18 april 2017 beslist de raad van bestuur om ten aanzien van verzoeker nog een bijkomende tenlastelegging te formuleren met betrekking tot onreglementair en frauduleus handelen bij de organisatie van het schoolbus- vervoer. Van deze bijkomende tenlastelegging wordt verzoeker op de hoogte gebracht met een brief van 25 april
- 3.
- Na hoorzitting op 15 juni 2017, beslist de raad van bestuur op 30 juni 2017 om verzoeker de tuchtstraf van het ontslag op te leggen voor de hem ten laste gelegde en bewezen tenlasteleggingen. Verzoeker tekent hiertegen beroep aan bij de kamer van beroep van het Gemeenschapsonderwijs. 3.
- Met de thans bestreden beslissing vernietigt de kamer van be- roep op 16 november 2017 de beslissing van de raad van bestuur van de scholen- groep van 30 juni 2017 en legt zij verzoeker de tuchtmaatregel van de terugzet- ting in rang op. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 23, § 1, 3°, en 24, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 ‘betreffende het gemeenschapsonderwijs’ in samenhang met artikel 69 van het IX-9232-6/53 decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna: het rechtspositiedecreet), evenals de schending van artikel 19, § 1, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 ‘omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs’ (hierna: het tuchtbesluit) en de schending van het zorgvuldigheids-, rechtzekerheids- en vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet): “doordat in de bestreden beslissing gesteld wordt dat de tuchtprocedure regelmatig is opgestart bij verzending op 4 oktober 2016 van een brief van 3 oktober 2016, uitgaande van de Algemeen Directeur, waarbij verzoe- kende partij werd opgeroepen voor een verhoor tot preventieve schorsing terwijl de wetgever in hoofde van de overheid, in het bijzonder ‘de Raad van Bestuur’, die daartoe als enige bevoegd is, een substantiële verplich- ting heeft opgelegd om ‘onmiddellijk’ na kennisname van bepaalde feite- lijkheden een tuchtrechtelijke vervolging op te starten middels kennisge- ving daarvan aan een personeelslid per aangetekend schrijven met de vermelding dat ze een tuchtonderzoek instelt en voor welke feit(en), dat de tuchtrechtelijke vervolging begint op basis van de verzending van deze aangetekende brief, dat hieruit volgt dat de Raad van Bestuur van scho- lengroep 13 aan verzoekende partij een duidelijke en rechtstreekse ken- nisgeving diende te doen dat een tuchtonderzoek en -procedure werd op- gestart, en niet op een indirecte en onrechtstreekse wijze door hiervan melding te maken in een beslissing tot preventieve schorsing, dat deze ei- genstandige beslissing van de Raad van Bestuur minstens ook dient te blijken uit de wettelijk voorgeschreven stukken, dat bij gebreke aan de vereiste formele beslissingsstukken, te weten de notulen en de agendapun- ten, en een behoorlijke en regelmatige kennisgeving aan het personeelslid conform de wettelijke voorschriften bepaald in artikel 19 § 1 laatste lid tuchtbesluit, voormelde wetsvoorschriften werden geschonden.” In de toelichting bij het middel noemt verzoeker artikel 19, § 1, vierde lid, van het tuchtbesluit “niet zomaar vrijblijvend, doch essentieel in de fundering van een tuchtprocedure en de vrijwaring van de rechten van verdedi- ging” en “een substantieel vormvoorschrift”. Verzoeker stelt geen kennis te hebben van een rechtsgeldige delegatie aan de algemeen directeur. IX-9232-7/53 Beoordeling
- De raad van bestuur heeft inderdaad het voeren van de tucht- procedure niet gedelegeerd aan zijn algemeen directeur. Hij heeft integendeel zelf beslist, op 29 september 2016, om jegens verzoeker een tuchtonderzoek en -procedure op te starten. In zoverre het middel de artikelen 23, § 1, 3°, en 24, § 3, van het rechtspositiedecreet met betrekking tot de bevoegdheid van de raad van be- stuur geschonden acht, is het dan ook ongegrond.
- Verzoeker ontkent niet dat de voormelde beslissing van de raad van bestuur hem ter kennis is gebracht op 3 oktober
- Hij neemt het de verwerende partij wel kwalijk dat de begelei- dende brief is ondertekend door de algemeen directeur en enkel refereert aan de preventieve schorsing, maar niet rechtstreeks en uitdrukkelijk aan de tuchtproce- dure. 7.
- Artikel 19, § 1, vierde lid, van het tuchtbesluit van 22 mei 1991 stelt: “De tuchtoverheid deelt onmiddellijk per aangetekende brief aan het per- soneelslid mee dat ze een tuchtonderzoek instelt, alsook de reden die daar- toe aanleiding geeft. De tuchtrechtelijke vervolging begint op de datum van verzending van de aangetekende brief.” 7.
- Deze bepaling schrijft geen specifieke formaliteiten voor, die op straffe van nietigheid vervuld moeten worden, noch het gebruik van welbe- paalde bewoordingen. Voor zover bij artikel 19, § 1, vierde lid, van het tuchtbe- sluit vormvereisten zijn opgelegd, zijn die bijgevolg ten hoogste te begrijpen als substantiële vormen, zoals verzoeker het overigens zelf stelt. IX-9232-8/53 Welnu, het miskennen van een substantiële vorm kan slechts de nietigverklaring verantwoorden, indien de belanghebbende hierdoor in zijn rech- ten is geschaad en een nadeel heeft geleden. Verzoeker toont echter niet aan – en op zicht van de stukken ziet ook de Raad niet – dat hij door de begeleidende brief verschalkt kon zijn en in onwetendheid zijn gebleven over de opstart van de tuchtprocedure. Integendeel blijkt uit zijn verweer bij de kamer van beroep tegen de hem opgelegde preven- tieve schorsing, dat hij de inhoud van de beslissing van de raad van bestuur met betrekking tot de opstart van de tuchtprocedure zeer goed kende. 7.
- Dat voorts die begeleidende brief is ondertekend door de alge- meen directeur kon verzoeker evenmin schaden. Bovendien is daarmee hoe dan ook niets mis. De algemeen directeur vertegenwoordigt de raad van bestuur in en buiten rechte en hij staat als voorzitter van het college van directeurs in voor de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur, zodat die raad van be- stuur niet onregelmatig handelt door zijn briefwisseling aan de algemeen direc- teur op te dragen. Daarmee is, anders dan verzoeker het ziet, geenszins de tucht- procedure zelf aan de algemeen directeur gedelegeerd geworden. 7.
- Voor zover in het middel de schending is aangevoerd van arti- kel 19, § 1, vierde lid, van het tuchtbesluit, is het eveneens ongegrond.
- Verzoeker laat na om de aangevoerde schending van de forme- lemotiveringswet of van de in het middel genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur nader toe te lichten. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- In zijn laatste memorie voert verzoeker voor het eerst aan dat artikel 19, § 1, vierde lid, van het tuchtbesluit ook geschonden is, omdat hij on- IX-9232-9/53 mogelijk kon weten wat de concrete redenen waren die aanleiding hadden gege- ven tot het tuchtonderzoek. Hiermee geeft hij een nieuwe, laattijdige en dus onontvankelij- ke grondslag aan het middel.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen “uit een schending van artikel 23 § 1, 3° en artikel 24 § 3 van het bijzonder decreet [van] 14 juli 1998 betreffen- de het gemeenschapsonderwijs, een schending van artikel 69 van het [rechtsposi- tiedecreet], in samenhang met een schending van artikel 19 § 1 [vierde] lid en artikel 19 § 5 tuchtbesluit, alsmede een schending van het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en artikel 2 en 3 van de [formelemotiveringswet]”, “doordat in de bestreden beslissing gesteld wordt dat de Raad van Bestuur in de vergadering van 18 april 2017 beslist heeft om binnen het raam van de bestaande tuchtzaak een bijkomende tenlastelegging te formuleren m.b.t. het busvervoer, waarvoor een schrijven werd ontvangen van de Algemeen Directeur op 25 april 2017, zonder dat dit schrijven uitging van de bevoegde tuchtoverheid en zonder dat dit beantwoordde aan de wettelijke voorschriften van artikel 19 § 5 van het tuchtbesluit, gesanctioneerd met een nietigheid terwijl de wetgever in hoofde van de overheid, in het bijzonder de Raad van Bestuur, die daartoe als enige bevoegd is, een substantiële verplich- ting heeft opgelegd om ‘onmiddellijk’ na kennisname van bepaalde feite- lijkheden een tuchtrechtelijke vervolging op te starten middels kennisge- ving daarvan aan een personeelslid per aangetekend schrijven met de vermelding dat ze een tuchtonderzoek instelt en voor welke feit(en); en terwijl uit de formele stukken blijkt dat de tuchtoverheid het eerste tuchtdossier reeds op 27 maart 2017 definitief had afgesloten en verzoe- kende partij was opgeroepen voor een tuchtverhoor waarbij voor de be- IX-9232-10/53 trokken feiten een tuchtsanctie was geformuleerd, zodat ze niet op een rechtsgeldige wijze kon besluiten om zonder naleving van de op straffe van nietigheid voorgeschreven voorwaarden van artikel 19 § 5 van het tuchtbesluit de gehele nieuwe tenlastelegging omschreven in de brief dd. 25 april 2017 op te nemen in het reeds afgesloten tuchtdossier, te meer daar uit geen enkel stuk van het administratieve dossier of motief van de beslissing van 18 april 2017 blijkt dat het nieuwe tuchtfeit onmiskenbaar in de lijn van de tenlastelegging van het eerste afgesloten tuchtdossier zou liggen.” In de toelichting bij het middel verwijst verzoeker naar zijn toelichting bij het eerste middel, wat de mededeling betreft door de algemeen directeur – en niet door de raad van bestuur – van de nieuwe tenlastelegging om- trent het busvervoer. Bovendien, zo stelt hij, had de raad van bestuur de betrokken tenlastelegging kunnen opnemen in de uitnodigingsbrief van 27 maart 2017, met de hoorzitting gepland op 18 april
- Het feit dat hij dit niet gedaan heeft, toont aan dat hij dit als een afzonderlijk tuchtfeit wenste te beoordelen. Het is ook, volgens verzoeker, “een totaal andere tenlastelegging”. Het kan niet zomaar worden “aangehaakt” aan de eerste tuchtprocedure, waarvoor al een hoorzitting was gepland. Verzoeker stelt dat “de tenlastelegging niet in tijd en ruimte werd gesitueerd; er niet werd toegelicht welke wetsbepalingen zouden zijn ge- schonden; er geen voorstel van tuchtsanctie werd opgenomen”. Beoordeling
- Uit het administratief dossier blijkt dat de raad van bestuur op 18 april 2017 tot de bijkomende tenlastelegging heeft besloten. Wat de grieven betreft over de bevoegdheid van de raad van bestuur en de kennisgeving van zijn beslissingen aan verzoeker door de algemeen IX-9232-11/53 directeur, is het middel dan ook ongegrond om dezelfde redenen als uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel.
- De raad van bestuur heeft pas na de verzending van de oproe- pingsbrief van 23 maart 2017 kennis genomen van mogelijke onregelmatigheden omtrent het busvervoer van een aantal leerlingen. En anders dan verzoeker het ziet, is de oproeping voor het tuchtverhoor niet het “afsluiten van het tuchtdos- sier”.
- Artikel 19, § 1, derde lid, van het tuchtbesluit luidt: “Wanneer in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd dat geen verband heeft met de lopende tuchtprocedure kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven.” Indien, zoals de verwerende en de tussenkomende partij beto- gen, de tenlastelegging omtrent het busvervoer wél “verband heeft met de lopen- de tuchtprocedure”, dan is het de tuchtoverheid alleszins niet verboden om ook dit feit te betrekken in de lopende procedure. Volgens verzoeker betreft de tenlastelegging omtrent het bus- vervoer evenwel een nieuw feit “dat geen verband heeft met de lopende tuchtpro- cedure”. Blijkbaar had verzoeker het liever gezien dat voor deze tenlas- telegging, die volgens hem dus vreemd is aan de andere tuchtfeiten, een afzonder- lijke tuchtprocedure gevoerd zou zijn, met dus de kans op een bijkomende, twee- de tuchtstraf. Het is een raadsel welk belang hij daartoe kan doen gelden. Hoe dan ook biedt artikel 19, § 1, derde lid, van het tuchtbesluit de tuchtoverheid enkel de mogelijkheid om een aparte procedure te voeren, maar zij is niet ertoe verplicht. IX-9232-12/53 Nu heeft de raad van bestuur ervoor geopteerd om deze tenlas- telegging toe te voegen aan de lopende procedure, daarenboven zonder de voor- genomen strafmaatregel te verzwaren. Geen van de door verzoeker aangehaalde bepalingen en beginselen staat daaraan in de weg en het waarborgt verzoeker bovendien dat voor het geheel van de hem ten laste gelegde feiten slechts één tuchtstraf mag worden opgelegd, zélfs indien het nieuwe feit, zoals verzoeker meent, geen verband houdt met de overige ten laste gelegde feiten.
- Voorwaarde om het nieuwe feit aan de lopende procedure toe te voegen, is wel dat het personeelslid van de bijkomende tenlastelegging op regel- matige wijze verwittigd wordt. Naar het oordeel van de Raad van State is dat in de huidige zaak het geval, en wel door het schrijven van 25 april
- In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, is de voorgenomen straf hem wel meegedeeld. Die hoefde niet nogmaals herhaald te worden in de brief van 25 april
- Voorts bevat de brief van 25 april 2017 de gegevens die hem in staat stellen de draagwijdte van de fraude met het busvervoer te situeren, zoals dat feit hem tuchtrechtelijk werd verweten. Er wordt overigens uitdrukkelijk ver- wezen naar de “modaliteiten” van de oproepingsbrief van 23 maart 2017, die “van toepassing” blijven.
- Verzoeker laat na om de aangevoerde schending van de forme- lemotiveringswet of van de in het middel genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur nader toe te lichten. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Het tweede middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. IX-9232-13/53 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In het derde middel betoogt verzoeker “dat de huidige Raad van Bestuur een mandaat heeft sedert april 2014, dat derhalve alle feiten die betrek- king [hebben] op de periode daarvóór verjaard zijn” en dat de raad van bestuur “kennis had van de beweerde feiten vóór september 2016, vermits er in april 2016 een afsprakennota werd opgesteld, dat indien de Raad van Bestuur de intentie had om de feiten daterend van vóór de afsprakennota tuchtrechtelijk te sanctioneren, [hij] voor deze feiten in april 2016 een tuchtprocedure had dienen in te stellen, dat er derhalve ook voor de beweerde feiten tussen april 2014 en april 2016 verja- ring is ingetreden”. Verzoeker besluit hieruit tot “een schending van artikel 69 van het [rechtspositiedecreet], in samenhang met een schending van artikel 19 § 5 [derde] lid van het tuchtbesluit, alsmede het rechtszekerheids- en vertrouwensbe- ginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en artikel 2 en 3 van de [formelemotiveringswet]”. In de toelichting bij het middel wijst verzoeker erop dat door de scholengroep tweemaal per jaar een financiële controle in de school werd uitge- voerd en dat tijdens deze controles nooit een opmerking werd gemaakt aangaande de al dan niet opname van bepaalde gelden op deze of gene schoolrekeningen of de niet correcte invordering van deze gelden. Hij argumenteert ook dat het ge- bruik van specifieke doelgebonden rekeningen, gerelateerd aan de school, op naam van de school en uitsluitend gebruikt ten behoeve van de school en de leer- lingen, met een eigen kasboekhouding, al bestond sinds de jaren ’80 en een aan- vaarde praktijk was. Bovendien bevindt alle informatie over deze rekeningen zich op de school zelf en kon deze informatie worden ingekeken door alle financieel verantwoordelijken van de scholengroep, onder wie de boekhouder, de reken- plichtige en de algemeen directeur. Het is volgens verzoeker absurd te beweren dat de raad van bestuur tot in januari 2017 geen kennis zou hebben gehad van de IX-9232-14/53 feiten waarop de tenlasteleggingen steunen, noch controle kon doen op de zoge- naamde externe rekeningen. Verzoeker meent dan ook dat temporeel enkel een tuchtvervol- ging kan worden ingesteld voor feiten die te situeren zijn in de periode tussen mei/juni 2016 en 21 september 2016, namelijk feiten die betrekking hebben op de niet-naleving van de afsprakennota. De tenlasteleggingen strekken zich evenwel uit over een periode van vijf jaar, gaande van het schooljaar 2012-2013 tot het schooljaar 2015-2016 en zijn dus voor het overgrote deel verjaard.
- In zijn memorie van wederantwoord betwist verzoeker dat de controles vanuit de scholengroep enkel betrekking hebben op de officiële school- rekening.
- In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat de rekening van de Vriendenkring reeds op 28 oktober 1986 is geopend; ze staat op naam en adres van de school en bestaat aldus al 34 jaar, onder auspiciën van de raad van be- stuur. Ook blijft hij erbij dat tal van tenlasteleggingen teruggaan in de tijd tot in 2012, toen hij nog geen directeur was. Beoordeling
- Verzoeker laat na om de aangevoerde schending van de forme- lemotiveringswet nader toe te lichten. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Artikel 19, § 5, derde lid, van het tuchtbesluit luidt: IX-9232-15/53 “De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennis- name van de strafbare feiten.”
- Voor zover verzoeker beweert dat een raad van bestuur enkel bevoegd zou zijn om op te treden tegen tuchtfeiten die zijn gepleegd vanaf de datum waarop hij actief is (“een mandaat heeft”) en niet voor feiten die zijn ge- pleegd tijdens een vorige bestuursperiode van een eventueel anders samengestel- de raad van bestuur, faalt het middel naar recht. Niet de datum waarop de feiten zijn gepleegd, maar wel die waarop de tuchtoverheid ze vaststelt of er kennis van neemt is bepalend voor de verjaringstermijn.
- In de bestreden beslissing wordt voorts als volgt geantwoord op de stelling van verzoeker dat de raad van bestuur al eerder op de hoogte was van de feiten of dat hij het moest zijn middels de controle van de rekeningen en op de stelling dat het gebruik van externe rekeningen voor schooleigen middelen ge- beurt onder de auspiciën van de raad van bestuur: “7.3.
- Terecht heeft de raad van bestuur in het beroepen besluit (pag. 119) gesteld dat de omstandigheid dat de controleorganen in het verleden geen opmerking gemaakt hebben, niet ter zake doet aangezien die contro- le enkel de officiële schoolrekening en niet de ‘externe’ rekeningen be- treft. Voorts mag ook uit de omstandigheid dat de verwijten die aan de verzoeker worden gericht kaderen in een jarenlange praktijk niet afgeleid worden dat de verzoeker geen tuchtfeiten heeft gepleegd of dat zij hem niet meer ten laste kunnen worden gelegd. Dit zal enkel het geval zijn wanneer blijkt dat de feiten bij de tuchtoverheid – de raad van bestuur – bekend waren en er gedurende zes maanden geen actie ondernomen werd. 7.3.
- De Kamer van Beroep gaat voor de beoordeling van de verjaring af op de volgende gegevens die uit het dossier blijken: in april 2016 hebben de algemeen directeur en de hoofdboekhouder met de verzoeker een afsprakennota opgemaakt. Deze afspraken zijn gemaakt nadat de hoofdboekhouder tijdens zijn controlebezoek had vastgesteld dat een aantal zaken in de school mank liepen, onder meer m.b.t. de werking van de keuken, de uitvoering van werken voor derden en de verhuring van de schoolinfrastructuur. Een concrete opvolging van die aandachtspunten – frequente controles (wekelijks tot tweewekelijks) tijdens 2016 en een evaluatie in december 2016 – werd in het vooruitzicht gesteld. Een tussentijdse evaluatie van de afsprakennota op 5 september 2016 gaf blijk van een zeer gedeeltelijke tegemoetkoming. Blijkens de controle van 26 IX-9232-16/53 september 2016 blijven de lacunes bestaan en verwittigt de hoofdboekhouder de algemeen directeur, die op zijn beurt de aanzet geeft voor een grondig onderzoek over ‘een abnormaal financieel beleid, met onregelmatig gebruik van overheidsmiddelen’ en voor het instellen van een tuchtonderzoek. De raad van bestuur formaliseert het opstarten van de tuchtzaak op 29 september
- De feiten die in de opgestarte tuchtvordering worden aangehouden, blijken allen uit het verslag van het onderzoek, dat neergelegd is 26 januari
- 7.3.
- De feiten waarop de tenlasteleggingen steunen waren niet bekend bij de raad van bestuur zes maanden voor hij de tuchtvordering opstartte. De Kamer van Beroep bevestigt voorts de overweging die de raad van be- stuur omtrent de verjaring in het bestreden besluit heeft uiteengezet (pag. 125). Er kan geen inbreuk worden vastgesteld op artikel 19, § 5,van het besluit van 22 mei 1991.” In de overweging van de raad van bestuur waaraan de kamer van beroep in zijn overweging 7.3.3 refereert, is onder meer te lezen: “Dat ook vorige directeurs de praktijk van de externe rekeningen toepas- ten is volstrekt niet ter zake doend. Hiervoor werd reeds duidelijk ge- maakt dat in een vergadering van 24 september 2013 aan deze praktijk duidelijk paal en perk gesteld werd. Alleszins kon er nadien geen twijfel meer bestaan. Leerlingengelden horen op de officiële schoolrekening.” Op die “vergadering van 24 september 2013” dan weer, is vol- gens de raad van bestuur – door verzoeker in huidige procedure niet tegengespro- ken – als algemene regel aangenomen en aan alle directeurs en rekenplichtigen gemeld “dat alle ontvangsten die gegenereerd zijn uit activiteiten van de school of afkomstig zijn van derden die hiermee de school expliciet steunen in de officiële schoolboekhouding moeten worden opgenomen. Enkel op die manier is er trans- parantie over de inkomsten en over de manier waarop deze ontvangsten worden besteed”. Verzoeker zou overigens op die vergadering aanwezig zijn geweest.
- Voor zover verzoeker in huidig beroep slechts datgene herhaalt wat hij reeds aanvoerde bij de kamer van beroep, ontkracht hij allerminst het zo- even aangehaalde antwoord hierop van de kamer van beroep. De Raad van State kan het volledig bijvallen. IX-9232-17/53
- Verzoeker herhaalt tot in zijn laatste memorie dat sommige tenlasteleggingen dateren vóór zijn directeurschap, zonder die evenwel te precise- ren. De feiten die aan verzoeker worden aangewreven, zijn ten vroegste gesitueerd in het schooljaar 2013-
- Verzoeker is directeur sedert 12 mei 2012 en hij was daarvoor overigens ook reeds waarnemend directeur. Met de verwerende partij wordt dan ook vastgesteld dat verzoeker nalaat te specifice- ren welke in aanmerking genomen tenlasteleggingen dateren vóór 12 mei 2012, datum waarop hij als directeur is aangesteld.
- Verzoeker geeft aan de schending van de in het middel ge- noemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen draagwijdte die noopt tot een afzonderlijk onderzoek. In zoverre is het middel niet ontvankelijk, of valt de beoorde- ling ervan samen met de beoordeling van de aangevoerde verjaring.
- Het derde middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vierde middel is genomen “uit een schending van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.3, littera g van het Internationaal Verdrag inzake burger- rechten en politieke rechten, artikel 61, eerste lid en artikel 69 van het [rechtspo- sitiedecreet], artikel 19 § 2 en § 3 van het tuchtbesluit alsmede een schending van artikel 2 en 3 van de [formelemotiveringswet] en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel”. IX-9232-18/53 In een eerste middelonderdeel levert verzoeker kritiek op de bestreden beslissing voor zover erin gesteld wordt dat het onderzoeksverslag van 26 januari 2017 een inlichting is die geldt tot het bewijs van het tegendeel. Dit miskent het vermoeden van onschuld. Verzoeker argumenteert dat het aan de verwerende partij toevalt om het bewijs van zijn schuld te leveren en dat het geenszins aan hem toevalt het bewijs van zijn onschuld te leveren. Verzoeker voert nog aan dat de onderzoekers geen wettelijke bevoegdheid hebben tot het opstellen van een proces-verbaal dat geldt tot het bewijs van het tegendeel en dat één van de leden van de onderzoekscel de verifi- cateur was van de scholengroep tijdens de incriminatieperiode en aldus moreel betrokken was, gelet op de aard van de beweerde tekortkomingen. In een tweede middelonderdeel klaagt verzoeker aan dat het gevoerde onderzoek steunt op stukken waarvan hij geen inzage heeft gekregen, op verklaringen van personen die niet wisten dat zij zich hiermee blootstelden aan een tuchtvervolging en die aldus nadien ook effectief tuchtrechtelijk vervolgd werden en op louter beweerde telefoongesprekken waarvan geen neerslag zit in het tuchtdossier. Dit alles stelt de bewijswaarde van het onderzoeksverslag in vraag en getuigt volgens verzoeker van een onzorgvuldig handelen. Zijn rechten van verdediging werden hierdoor geschonden. Het onderzoek werd enkel à char- ge en niet à décharge gevoerd. Verzoeker merkt op dat de boekhouding van de vzw Vrienden van Zonnegroen, van de Vriendenkring van Zonnegroen, van de rekening Kans- reik of de rekening X-mos hem nooit werden meegedeeld. Van de telefoongesprekken bestaan geen bandopnames en is geen ander spoor te vinden in het dossier, tenzij schriftelijke weergaves die “op- duiken daags voor de hoorzitting van de Kamer van Beroep, zonder dat enige temporele of inhoudelijke verificatie of identificatie van opsteller van deze do- IX-9232-19/53 cumenten mogelijk is, dan wel zonder dat de vraagstelling tot mededeling van deze stukken wordt bijgebracht”. De kamer van beroep hanteert als principe dat wat in het onder- zoeksverslag staat waar is. Verzoeker en derden hebben aan de onderzoekscel stukken overhandigd die in het dossier ontbreken, wat eveneens de objectiviteit van het onderzoek in twijfel trekt. Verzoeker kan niet worden verplicht om een verklaring af te leggen tegen zichzelf of genoodzaakt worden om zonder meer schuld te beken- nen. Hem kan niet kwalijk worden genomen dat hij op bepaalde vragen niet wou antwoorden, en al zeker niet aangezien hij geen inzage had van alle stukken van het tuchtdossier en hem dat ingevolge zijn preventieve schorsing bewust werd verhinderd. Beoordeling a. eerste middelonderdeel
- Het eerste middelonderdeel ziet op de volgende passus uit de bestreden beslissing: “De Onderzoekscel GO! is een administratief orgaan dat binnen het GO! bestaat om ‘feiten en gebeurtenissen te onderzoeken die zich voordoen in het functioneren van personeelsleden in alle instellingen van het GO!’ en dat samengesteld is uit ‘medewerkers van de centrale administratie en ge- detacheerde schooldirecteurs’ (website GO-Pro/personeel/onderzoek naar personeel). De oprichting van die cel laat de scholengroepen toe zich voor onderzoeken die zij zelf moeten verrichten, te wenden tot een orgaan dat een expertise heeft opgebouwd. Een en ander betekent dat een verslag van de onderzoekscel dat door de scholengroep tot het hare wordt gemaakt, ju- ridisch te definiëren is als een inlichting die geldt tot het bewijs van het tegendeel.” IX-9232-20/53
- Deze overweging betreft louter de feitelijke vaststellingen van de onderzoekscel als “inlichting” in het kader van het hem opgedragen onderzoek naar “feiten en gebeurtenissen”, zoals de verklaringen die zijn opgetekend bij verhoren of bij het doornemen van documenten zoals de boekhoudingen. Verzoeker gaat bovendien eraan voorbij dat de kamer van be- roep geenszins de bewijswaarde van het onderzoeksverslag op zichzelf kwalifi- ceert, maar wel het verslag “dat door de scholengroep tot het hare wordt ge- maakt”. Dit houdt in dat de tuchtoverheid weliswaar mag voortgaan op de exper- tise van de leden van de onderzoekscel aan wie de opdracht is gegeven en niet zelf andermaal de onderzoeksverrichtingen moet overdoen, maar ook dat zij zich het rapport eigen maakt. Niets belet de tuchtoverheid, met andere woorden, om zich het rapport niét eigen te maken indien daartoe reden blijkt te zijn. Die inlichtingen kon verzoeker bovendien nog steeds weerleg- gen in het kader van de hoorzittingen, zelfs al wenste hij aanvankelijk aan het door de onderzoekscel gevoerde onderzoek niet mee te werken. Overigens hééft de raad van bestuur, ingaand op de verdediging van verzoeker, een aantal feiten uiteindelijk als tuchtfeit verworpen (bijvoorbeeld de aankoop van houten rekken en de betaling van een koelcel en muzikanten op 26 augustus 2016) en heeft later ook de kamer van beroep bepaalde verrichtingen “buiten het tuchtdossier gehou- den” omdat ze dateren vóór 12 mei 2012 en dus voordat verzoeker als directeur hiervoor verantwoordelijk was. Met andere woorden, het bewijs van de tuchtinbreuk wordt geleverd door de raad van bestuur van de scholengroep (in eerste aanleg) en, ver- volgens, door de kamer van beroep (in beroep). Het is immers de tuchtoverheid die de inhoud van het onderzoeksverslag zal beoordelen en daar de nodige con- clusies uit zal trekken, rekening houdende met alle andere elementen van het tuchtdossier – zoals, bijvoorbeeld, het door verzoeker gevoerde verweer. IX-9232-21/53
- De kamer van beroep overweegt in de bestreden beslissing dat uit niets blijkt dat de voormalige verificateur “zijn persoonlijke stempel op het dossier gedrukt zou hebben of dat hij er enige voorkennis in zou verwerkt hebben of laten insluipen”. Verzoeker weerlegt die vaststelling niet.
- Het eerste middelonderdeel is ongegrond. b. tweede middelonderdeel
- Uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker de volgens hem ontbrekende documenten heeft ontvangen op 21 april 2017, 23 mei 2017 en 29 september
- Hij heeft zich erover kunnen verweren bij de kamer van be- roep op de hoorzitting van 16 november
- Voorts kon reeds de kamer van beroep vaststellen “dat de ver- zoeker zelf [de stukken die hij op 12 januari 2017 aan de onderzoekscel bezorg- de] bij het dossier heeft gevoegd”. Verzoeker, die in de huidige procedure slechts zijn kritiek her- neemt zonder die vaststellingen tegen te spreken en te ontkrachten, heeft bijge- volg geen belang bij zijn grief dat de boekhoudingen van de vier externe rekenin- gen geen formeel stuk zouden zijn van het tuchtdossier of dat de stukken die hij aan de onderzoekscel bezorgde niet waren bijgevoegd. De kamer van beroep oordeelde op dit punt dan ook geheel terecht dat verzoeker “in ieder geval die boekhoudingen en verslagen in het kader van de tuchtprocedure heeft kunnen bekijken en hij op grond daarvan kon uitma- ken of de conclusies die de onderzoekscel op basis van die stukken had geformu- leerd wel klopten” en “dat hij zich voor de Kamer van Beroep […] heeft kunnen verdedigen op basis van een correct samengesteld administratief dossier”. IX-9232-22/53 In dat verband wordt eraan herinnerd dat ingevolge de zoge- naamd devolutieve werking van het beroep, het dan zonder belang is of de aantij- gingen van verzoeker zich wel of niet hebben voorgedaan tijdens de procedure bij de tuchtoverheid in eerste aanleg.
- Met betrekking tot de telefoongesprekken wijst de verwerende partij erop dat de geschreven neerslag van deze verklaringen op vraag van de kamer van beroep bij het dossier werd gevoegd, dat verzoeker deze documenten heeft ontvangen op 29 september 2017 en dat verzoeker op de hoorzitting van de kamer van beroep op 16 november 2017 “alle argumenten voor zijn verdediging naar voren heeft kunnen brengen”, zodat hij “niet ernstig [kan] beweren op dit punt onvoldoende de gelegenheid te hebben gekregen zijn verweer te voeren”. De Raad van State valt dit volledig bij.
- De kamer van beroep merkt reeds op “dat niets onregelmatigs ontwaard wordt aan het feit dat personen die zelf tuchtrechtelijk vervolgd worden een verklaring afleggen”. Ook de Raad ontgaat het, waarom de tuchtoverheid in de procedure tegen verzoeker niet mag steunen op verklaringen van personeelsle- den die zelf naderhand tuchtrechtelijk worden vervolgd.
- Volgens verzoeker heeft de onderzoekscel enkel een onderzoek à charge gevoerd en niet à décharge. Het lid van het auditoraat dat belast is met het onderzoek van de zaak schrijft in haar verslag dat “[v]oor zover kan worden nagegaan (en ver- zoeker ontkent dit overigens niet), [de onderzoekscel] alle informatie die ze om- trent de aan verzoeker ten laste gelegde feiten van de verschillende partijen heeft ingewonnen [heeft] opgenomen in het verslag”. Ook in zijn laatste memorie weerspreekt verzoeker dit niet in concreto. IX-9232-23/53 Verzoeker is daarenboven slecht geplaatst om de onderzoekscel verwijten in dit verband toe te sturen. Gewis is hij niet verplicht om aan het on- derzoek mee te werken, laat staan zichzelf te beschuldigen. Indien hij echter te- genover de onderzoekscel als houding aanneemt “dat het onderzoeksteam geen mandaat heeft om hem vragen te stellen over de externe rekeningen”, “dat hij geen verantwoording hoeft af te leggen over deze externe rekeningen”, dat hij “geen toelichting [wenst] te geven” en als hij op geen enkele vraag antwoordt of met het onderzoeksteam medewerkt, dan heeft hij het de onderzoekscel niet ver- eenvoudigd om onderzoek à décharge te voeren. Dit verwijt bewijst bovendien geen vooringenomenheid of gebrek aan onpartijdigheid. Wie voorts partijdigheid aanvoert, moet dat verwijt concreet staven. In zijn laatste memorie stelt verzoeker wel dat hij dat “in extenso” heeft gedaan. In het inleidend verzoekschrift is van die bewijsvoering echter geen spoor te vinden. De partijdigheid van de onderzoekscel moet blijken, zo luidt het daar enkel, uit de gegevens die hiervóór zijn onderzocht – samenstelling dossier, weergave telefoongesprekken, verhoor van personeel waartegen later tuchtproce- dures zijn gevoerd, geen onderzoek à décharge – en weerlegd. In de memorie van wederantwoord geeft verzoeker bijkomend één concreet voorbeeld van een vraagstelling over een “rode of zwarte portemon[n]ee” die volgens hem tendenti- eus zou zijn. Dit is laattijdig en wel flinterdun om van een gebrek aan onpartij- digheid te kunnen overtuigen.
- De kamer van beroep concludeert omtrent de rechten van ver- dediging “dat de verzoeker alle mogelijkheden heeft gehad om gegevens aan te brengen die de onjuistheid of de onvolledigheid van het verslag van de onder- zoekscel kunnen aantonen” en dat “[de] gegevens die de verzoeker voorlegt […] niet van aard [zijn] om het verslag van het onderzoek te weren of het ongeloof- waardig te maken en zodoende de bewijswaarde ervan in vraag te stellen”. In de huidige procedure overtuigt verzoeker niet van het tegen- deel. IX-9232-24/53
- Het tweede middelonderdeel is ongegrond. c. besluit
- Het vierde middel is in genen dele gegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vijfde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 23, § 1, 3°, en 24, § 4, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998, van artikel 62, § 1, eerste lid, van het rechtspositiedecreet, van artikel 19, §§ 8 en 9, van het tuchtbesluit en van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet omdat, behoudens een rechtsgeldige delegatie, de algemeen directeur geen wette- lijke bevoegdheid heeft, hetzij om een tuchtprocedure op te starten, hetzij om verzoeker op te roepen voor een verhoor, hetzij om een tuchtbeslissing te nemen door de betrokken beslissing in eigen naam te ondertekenen. Verzoeker stelt vast dat de algemeen directeur, in eigen naam, de tuchtbeslissing en de oproepingen voor verhoor van 23 maart 2017 en 28 april 2017 aan hem ter kennis heeft gebracht. Artikel 30, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 zou hiervoor onterecht als rechtsgrond zijn vermeld. Wat de bestreden tuchtbeslissing betreft, kan uit geen enkel stuk worden afgeleid dat de tuchtbeslissing tot ontslag werd genomen door het decretaal bevoegde orgaan – de raad van bestuur. Verzoeker stelt voorts: “Overigens dient te worden vastgesteld dat de naam en de handtekening van de ondertekenaar van ‘de tuchtbeslissing’ opgenomen in stuk 17.2 IX-9232-25/53 van het administratief dossier van de scholengroep 13, dat later door de raadsman van tussenkomende partij in de beroepsprocedure voor de Kamer van Beroep werd bijgebracht, verschillend is. Er is derhalve geknoeid met stukken en met handtekeningen. Er is sprake van valsheid. Verzoekende partij is in het bezit van de origineel betekende beslissing, deze werd ondertekend door [de] Algemeen Directeur. Het is duidelijk dat stuk 17.2, zijnde een blad p. 161, achteraf werd ge- produceerd. Deze pagina werd dan plots ondertekend werd door [de] Voorzitter Rvb SZL én [de] secretaris SZL 13.”
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de onwettigheid aan- gevoerd in het vijfde middel – anders dan het eerste middel – geen betrekking heeft op de briefwisseling over de tuchtprocedure zelf in het kader van de opstart en in het kader van de nieuwe tenlastelegging, maar wel op het feit dat de tucht- beslissing zelf niet uitgaat van het decretaal bevoegde orgaan. De tuchtbeslissing, die formeel aan verzoeker werd betekend, werd blijkens de ondertekening ervan genomen door de algemeen directeur in eigen naam. Verzoeker herhaalt dat er geen notulen zijn, noch enig ander stuk waaruit blijkt dat de tuchtbeslissing werd genomen door het decretaal bevoegd orgaan. Beoordeling
- Er zij vastgesteld dat verzoeker in zijn laatste memorie ver- klaart het vijfde middel niet te betrekken op de opstart van de tuchtprocedure of de oproepingen tot verhoor. Overigens zou het middel in die mate toch afgewe- zen moeten worden, om de redenen uiteengezet bij de beoordeling van het eerste middel.
- Verzoeker laat na om de aangevoerde schending van de forme- lemotiveringswet nader toe te lichten. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. IX-9232-26/53
- Uit bijlage 17 van stuk nr. 4 van het administratief dossier blijkt dat de raad van bestuur van de scholengroep op 30 juni 2017, na geheime stem- ming en bij unanimiteit, de tuchtmaatregel van het ontslag ten aanzien van ver- zoeker heeft uitgesproken. Zoals verzoeker zelf opmerkt, is het afschrift van deze beslis- sing eenmaal ondertekend door de algemeen directeur (nr. 17.1) en een tweede maal ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de raad van bestuur van de scholengroep (nr. 17.2). Verzoeker mag er dan wel op alluderen dat dit tweede stuk “ge- fabriceerd” zou zijn, de Raad mag enkel vaststellen dat verzoeker heeft nagelaten bij de bevoegde rechter het stuk van valsheid te betichten. Voor zover verzoeker dan ook beweert dat de tuchtbeslissing in eerste aanleg niet is genomen door het bevoegde orgaan – de raad van bestuur – en dat hiervan geen stukken voorliggen, mist het middel feitelijke grond en is er geen reden voor de Raad van State om aan te nemen dat stuk nr. 17 niet getrouw weergeeft wat de raad van bestuur heeft beslist.
- Het vijfde middel wordt verworpen. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- Het zesde middel is geput uit de schending van artikel 69 van het rechtspositiedecreet, in samenhang met een schending van artikel 19, § 6, van het tuchtbesluit, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en het zorg- vuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, omdat de toe- zending van een kopie van het proces-verbaal van de hoorzitting van 15 juni 2017 is gedaan, samen met de eindbeslissing, op 5 juli
- Op dat ogenblik was IX-9232-27/53 evenwel enige nuttige reactie of opmerking op het proces-verbaal materialiter niet meer mogelijk en volkomen zonder voorwerp. Verzoeker werd op die manier de kans ontnomen om nazicht te doen van de juistheid en de regelmatigheid van het proces-verbaal en zijn opmerkingen te formuleren alvorens een beslissing werd genomen. Beoordeling
- Met het treffen van een beslissing vooraleer zekerheid bestaat over de juistheid van het verslag van het verhoor schept de tuchtoverheid voor zichzelf het risico dat de betrokkene zich in het kader van zijn verzet tegen de tuchtstraf bij de kamer van beroep kan beroepen op de onjuistheid van de ver- meldingen van het proces-verbaal, maar dit vitieert op zich het tuchtstrafbesluit niet.
- Het zesde middel, dat van een tegenovergestelde opvatting uit- gaat, faalt naar recht. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
- Het zevende middel is geput uit de schending van artikel 6, lid 2, EVRM (vermoeden van onschuld), de artikelen 6, 7, 8, 61 en 69 van het rechtspositiedecreet, artikel 19, § 8, van het tuchtbesluit, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldig- heidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat de bestre- den beslissing aangeeft dat in de eerste tuchtbeslissing tal van feiten geherkwali- ficeerd werden, zonder dat verzoeker daarover door de tuchtoverheid werd ge- hoord, maar dit niet onregelmatig acht omdat verzoeker in de procedure voor de kamer van beroep voldoende de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt hier- over uiteen te zetten. Verzoeker merkt voorts nog op dat hij niet weet welke van IX-9232-28/53 de negentig concrete inbreuken in zijn hoofde in aanmerking genomen werden als tuchtfeiten, die bewezen zijn en die hem persoonlijk toerekenbaar zijn. Het valt aan de tuchtoverheid toe om aan te tonen dat het tuchtfeit als bewezen moet wor- den beschouwd en niet aan de betrokkene om het tegendeel te bewijzen van een loutere stelling uit het onderzoeksverslag. Voor geen enkele tenlastelegging is enige concrete toetsing gebeurd aan de toepasselijke wetsbepalingen, om te be- sluiten tot een bewezen tuchtrechtelijk vergrijp. Uit de motieven van de tuchtbe- slissing blijkt niet dat rekening is gehouden met het door verzoeker opgeworpen verweer, de werkelijke situatie ter plaatse of de bijgebrachte stukken ter weerleg- ging van de beweerde feiten. Uit de conclusies van het onderzoeksverslag is gebleken dat wat de drie thema’s betreft waaruit de concrete tenlasteleggingen zijn gedistil- leerd: - wat de beweerde afwending van middelen betreft, het handelt over een bedrag van 1650 euro, waarvan de bestemming onduidelijk is en dat voor het overige de onderzoekscel zelf bevestigt dat alle andere verrichtingen gebeurden ten voordele van de school ten behoeve van de leerlingen; - wat de beweerde niet-naleving van de procedure werken voor derden betreft in de verschillende afdelingen, verzoeker niet schuldig kan worden verklaard op grond van loutere beweringen of speculaties; - wat de verhuring van de gebouwen van de school betreft, er nergens uit kan worden afgeleid over welke verhuringen het zou gaan. Een motivering door verwijzing naar de eerdere tuchtbeslissing, die vernietigd werd, dan wel naar een 760 pagina’s tellend onderzoeksverslag, zonder rekening te houden met het opgeworpen verweer, voldoet niet aan de for- mele- en materiëlemotiveringsplicht in hoofde van een zorgvuldig handelende tuchtoverheid, aldus verzoeker. IX-9232-29/53 Verzoeker geeft vervolgens voor elk van de zeventien tenlaste- leggingen een bijkomende toelichting waaruit de onwettigheid, onzorgvuldigheid en onjuistheid van de ingeroepen motieven moet blijken. Beoordeling
- Dat de kamer van beroep de eerste tuchtbeslissing vernietigt, heeft enkel te maken met de zwaarte van de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf, die de kamer van beroep hervormt van ‘ontslag’ naar ‘terugzetting in rang’. An- ders dan verzoeker betoogt, staat die vernietiging er dan niet aan in de weg dat de kamer van beroep zich voor het overige – inzonderheid het voor bewezen achten van de tenlasteleggingen – kan en mag terugvinden in de beoordeling van de eer- ste tuchtoverheid, zich aansluiten bij de motivering van de beroepen tuchtmaatre- gel, zich die motivering eigen maken en zich de moeite besparen om ze nogmaals woordelijk te hernemen.
- Met betrekking tot de kritiek van verzoeker over zijn rechten van verdediging bij een “herkwalificatie” van een aantal feiten merkt de tussen- komende partij terecht op dat dit slechts betrekking heeft op “kleine aanpassin- gen” in enkele tenlasteleggingen die geen invloed hebben op wat verzoeker in wezen wordt verweten. Voorts heeft verzoeker daarover reeds in de bestreden beslissing het volgende kunnen lezen: “Een tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid moet zich kunnen verdedigen over de feiten zelf en over hun tuchtrechtelijk karakter. Dit betekent niet dat het bestuur, wanneer het na onderzoek van het dossier dat bij hem voorligt en het horen van de betrokkene vaststelt dat de tenlastelegging niet precies correspondeert met de feiten, een nieuw verhoor moet organi- seren. Dit moet enkel het geval zijn wanneer het bestuur een nieuwe posi- tie inneemt waaraan de betrokkene zich geenszins moest verwachten. In ieder geval heeft de verzoeker tijdens de procedure voor de Kamer van Beroep voldoende gelegenheid gekregen om zijn visie op de nieuw ge- kwalificeerde feiten uiteen te zetten.” De Raad deelt deze redenering van de kamer van beroep. IX-9232-30/53
- Meer in het algemeen weze eraan herinnerd dat ingevolge de zogenaamd devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep, eventuele onregelmatigheden in de procedure in eerste aanleg in beginsel worden gedekt door de bestuursbeslissing in graad van beroep. Voor zover verzoeker erover klaagt dat hij zich op die manier een aanleg “ontnomen” ziet worden, gaat hij eraan voorbij dat het net tot de es- sentie van een georganiseerd administratief beroep behoort dat het is ingesteld – en dus aan verzoeker wordt “aangeboden” – om de onwettigheden die door het bestuur in eerste aanleg mochten zijn begaan, op ambtelijk niveau te verhelpen, door het in acht nemen van de wet door het administratief beroepsorgaan. Dit houdt in dat eventuele procedurefouten in de fase van eerste aanleg kunnen wor- den opgeslorpt en rechtgezet, bijvoorbeeld door de betrokkene die in eerste aan- leg niet gehoord zou zijn, alsnog te horen of door hem in de beroepsprocedure alsnog inzage te geven van alle stukken waarin de beslissing steun zoekt.
- De kamer van beroep merkt het volgende op over de kritiek van verzoeker bij de conclusies van het onderzoeksverslag: “De verzoeker [levert] kritiek op de conclusies van het onderzoeksverslag, zoals die hem in de oproeping voor verhoor werden meegedeeld en die betrekking hebben op de drie thema’s die het voorwerp uitmaakten van het onderzoek. Zoals de raad van bestuur terecht stelt, zijn die thema’s niet als tenlastelegging in het dossier betrokken. Het gaat gewoon om de overname van de conclusies die de onderzoekscel uit haar feitenonder- zoek heeft gehaald en die zodoende het algemeen kader verduidelijken waarbinnen de tenlasteleggingen zich situeren. Die conclusies vergen geen afzonderlijk onderzoek; zij steunen op de tenlasteleggingen en daar- over moet de tuchtoverheid zich uitspreken.” Niettemin herhaalt verzoeker ook in het inleidend verzoek- schrift in de huidige procedure zijn commentaar op de conclusies van het onder- zoeksverslag. IX-9232-31/53 De Raad kan enkel verwijzen naar wat zo-even is geciteerd uit de bestreden beslissing en kan dit bijvallen. De opmerkingen van verzoeker op wat hij meent te lezen in de conclusies van het onderzoeksverslag zijn voor de beoordeling van de wettigheid van de tuchtmaatregel niet ter zake.
- Aan verzoeker worden vele punctuele verwijten gemaakt die de zeventien tenlasteleggingen moeten onderbouwen. Verzoeker is evenwel volko- men ongeloofwaardig, als hij op algemene wijze beweert, niet te weten welke feiten in aanmerking zijn genomen en op welke stukken van het dossier die feiten teruggaan. Verzoeker spreekt zelf van “90 concrete inbreuken”. De Raad heeft dit niet nageteld, maar als verzoeker ze kan tellen, heeft hij ze gelezen en begrepen. Uit het verweer dat verzoeker heeft gevoerd bij de raad van bestuur van de scho- lengroep en vervolgens bij de kamer van beroep blijkt voorts dat hij zeer goed in staat is geweest het volumineuze onderzoeksrapport en de andere stukken van het tuchtdossier door te nemen, om punt voor punt verweer te voeren over de feiten die de zeventien tenlasteleggingen staven.
- Verzoeker neemt ten onrechte op de korrel dat voor de tenlaste- leggingen geen uitdrukkelijke “toetsing” is gedaan “aan de toepasselijke wetsbe- palingen”. Anders dan bij het strafrecht – nullum crimen sine lege, geen misdrijf zonder wet – is de omschrijving van tuchtfeiten in de plichtenleer niet gecodifi- ceerd. Een gedraging kan bijgevolg deontologisch laakbaar zijn en een tuchtver- grijp vormen, zonder dat zulks specifiek in een wetsbepaling moet zijn neerge- schreven. Waar het tuchtfeit daarenboven ook een overtreding vormt van de re- gelgeving – zo bijvoorbeeld de zeventiende tenlastelegging inzake het busvervoer – is dit in de thans bestreden tuchtbeslissing overigens ook aangegeven.
- Verzoeker herhaalt of parafraseert in zijn inleidend verzoek- schrift bij elk van de tenlasteleggingen grotendeels het verweer dat hij reeds deed gelden tegenover de tuchtoverheid. IX-9232-32/53 Het valt de Raad van State binnen het raam van zijn wettig- heidstoezicht echter niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrij- pen. De Raad is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. De tuchtoverheid beschikt hierbij over een ruime discretionaire be- voegdheid. Voor zover verzoeker enkel zichzelf herhaalt en aldus van de Raad van State een nieuwe beoordeling van de feiten vraagt, gaat de Raad er hierna niet op in. 58.
- In een eerste tenlastelegging wordt verzoeker verweten ont- vangsten van de school niet opgenomen te hebben in de officiële schoolboekhou- ding maar afgewend naar externe rekeningen, waardoor over die ontvangsten en de besteding ervan niet de minste transparantie is. 58.
- Hierover overweegt de raad van bestuur: “De Raad van Bestuur illustreert deze tenlastelegging door middel van 12 ontvangsten die schoolgebonden zijn en die dus in de officiële schoolre- kening hadden moeten worden ingebracht. De Raad akteert dat niet betwist wordt dat de vermelde ontvangsten niet op de schoolrekening terecht kwamen. De heer XXXX is wel van oordeel dat er terzake geen enkele verplichting geldt, dat hij een praktijk verder zette die ook zijn voorgangers huldigden, dat hij nooit verzocht werd anders te handelen, dat er bij deze externe re- keningen wel degelijk controle, inspraak en transparantie was. Hiervoor heeft de Raad van Bestuur al duidelijk gemaakt dat de heer XXXX op alle gebieden dwaalt. Artikel 3 van het BVR van 6 juli 1999 (geïntegreerde economische boek- houding en budgettaire rapportering voor scholengroepen) stelt uitdrukke- lijk dat de boekhouding van de scholengroep alle verrichtingen, bezittin- gen, vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook bevat. Artikel 5 voegt er nog aan toe dat ‘alle verrichtingen zonder uitstel, ge- trouw, volledig en naar tijdsorde’ moeten worden ingebracht in de boek- houdkundige staten. IX-9232-33/53 Voor alle duidelijkheid, de regelgever heeft het hier over de officiële schoolboekhouding. Dat de heer XXXX niet zou geweten hebben dat schoolgebonden inkom- sten en uitgaven in de officiële schoolboekhouding moeten opgenomen worden, wordt tegengesproken door het verslag van de vergadering te Tongeren op 24 september 2013, waarop betrokkene trouwens aanwezig was, waar duidelijk gesteld werd dat ‘alle leerlingengelden op de reke- ning’ (n.v.d.r. officiële schoolrekening) moeten worden geregistreerd. Dat zijn voorganger(s) diezelfde werkwijze hanteerde(n) is op zichzelf al niet terzake doend, maar is dit des te meer in het licht van wat in voor- gaande paragraaf werd gesteld. Dat er op de rekeningen van de feitelijke verenigingen (Vriendenkring Buso, Kansreik, rekening X-mos) geen controle was, werd reeds bewezen. De controle door de scholengroep, externe accountants, blijft per definitie beperkt tot de officiële schoolboekhouding. De goedkeuring van deze in- stanties betreft enkel deze officiële schoolboekhouding. Zoals hiervoor reeds opgemerkt bestierde de heer XXXX als een alleen- heerser de externe rekeningen en dat vooral de rekening BE 47 […] ‘Vriendenkring Buso’. Hij en niemand anders bepaalde de besteding van de gelden. De eerste tenlastelegging komt integraal bewezen voor.” 58.
- Vervolgens overweegt de kamer van beroep: “6.
- De eerste tenlastelegging: ontvangsten van de school niet opgeno- men hebben in de officiële schoolboekhouding maar afgewend naar ex- terne rekeningen waardoor over die ontvangsten en de besteding ervan niet de minste transparantie is. 6.1.
- De verzoeker heeft tegenover de raad van bestuur niet betwist dat de ontvangsten die in deze rubriek worden vermeld, hoewel het om ver- richtingen ging met betrekking tot het schoolgebeuren, inderdaad niet op de schoolrekening gekomen zijn en dat de raad van bestuur er derhalve geen controle over had. 6.1.
- De verzoeker stelt dat de bewijzen van deze tenlastelegging niet in het dossier opgenomen zijn. Hij vergist zich: de kasboeken van de Vrien- denkring BUSO Zonnegroen (een feitelijke vereniging), van de VZW Vrienden van Zonnegroen, van de X-mosrekening en van Kansreik zijn neergelegd in het tuchtdossier en alle vaststellingen die de onderzoekscel in haar verslag (p.11 e.v.) gedaan heeft zijn in die stukken terug te vinden. 6.1.
- De verzoeker stelt dat geen reglementaire bepaling hem verplichtte om de vermelde ontvangsten op te nemen in de ‘officiële schoolboekhou- ding’, dat hij door de boekhouding, de rekenplichtige of de algemeen di- recteur nooit erop gewezen werd dat, hoewel hij gewoon voortzette wat onder de vorige directeur gangbaar was, hij verkeerd bezig was, dat niet wordt aangegeven welke regel de verplichting instelt om alle gelden op de schoolrekening op te nemen en geen reglementaire bepaling verbood hem IX-9232-34/53 de ‘bestaande rekening op naam van de school’ verder te gebruiken, zeker nu alle personeelsleden, de boekhouding, de rekenplichtigen van de school en de scholengroep dit wisten en ook toepasten. Voorts waren alle externe rekeningen en daaraan verbonden kasboekhoudingen in de school zelf aanwezig en voor iedereen raadpleegbaar, bestond er overleg, open- heid en transparantie en zijn alle gelden op die rekeningen aangewend ten behoeve van de school. 6.1.
- De Kamer van Beroep is de volgende mening toegedaan: De ver- zoeker is schooldirecteur. Krachtens artikel 14, §1, 1°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs is hij be- voegd voor ‘de algemene en pedagogische organisatie van de school’ en heeft hij aldus gezag en toezicht op de personeelsleden van de school. Die bevoegdheid resulteert bij weeromstuit in de algemene verantwoordelijk- heid voor de organisatie van de school, inbegrepen het beheer van de fi- nanciën van de school en voor de daden van zijn ondergeschikten. Overi- gens is hij volgens artikel 14, §1, 14°, van hetzelfde bijzonder decreet be- voegd voor ‘de aanwending van het door de scholengroep toegekende schoolbudget’. Als schooldirecteur oefent hij zijn verantwoordelijkheden uit onder het gezag van de raad van bestuur, die de eindverantwoordelijke is voor het beheer van de financiën van de scholengroep en aan wie hij dienvolgens volledige transparantie verschuldigd is. Terecht stelt de verwerende partij dat de verzoeker de verplichting heeft om de belangen van het Gemeenschapsonderwijs te behartigen en dat ie- mand die andermans geld beheert dit beheer moet kunnen verantwoorden. Als beheerder van gelden voor rekening van de scholengroep moet zijn financieel handelen terug te vinden zijn in de boekhouding en is hij ver- antwoording verschuldigd voor het schoolbudget. Een goed beheer van de financiën van de school houdt dan ook in dat alle schoolgerelateerde gel- den op een overzichtelijke wijze in de schoolboekhouding terecht komen. Vanuit die optiek heeft de verwerende partij in een vergadering van 24 september 2013 nog eens in herinnering gebracht dat ‘alle leerlingengel- den op de bankrekening (van de school) geregistreerd moeten worden’ en dat alle facturen die de school betreffen ‘door de school’, d.w.z. met de schoolrekening, betaald moeten worden. Aangenomen dat het niet nood- zakelijk is dat alle gelden die in de school omgaan via één rekening wor- den ontvangen en uitgegeven – om het beheer praktisch werkbaar te hou- den kan de raad van bestuur toelaten dat gebruik wordt gemaakt van spe- cifieke rekeningen, bijvoorbeeld op naam van een behoorlijk gestructu- reerde vriendenkring –, dan is het toch noodzakelijk dat die rekeningen in de schoolboekhouding opgenomen worden zodat de raad van bestuur er inzage van heeft en permanente controle kan op uitoefenen. De verzoeker heeft zich niet op die wijze gedragen. Hij heeft integendeel de externe rekeningen waarmee hij gelden uit het schoolgebeuren heeft verwerkt buiten de controle van de scholengroep gehouden en daarmee een ernstige deontologische fout begaan. De verwijzing door de verzoeker naar een lang bestaand gebruik om de gelden bestemd voor de school op externe rekeningen (d.w.z. die buiten het zicht van de raad van bestuur IX-9232-35/53 zijn) onder te brengen ontlast hem niet van zijn verantwoordelijkheid: on- regelmatigheden uit het verleden, voor zover ze bewezen zouden worden, kunnen geen verschoning vormen voor zijn bewust handelen; bekendheid binnen de school evenmin. De verzoeker is verantwoordelijk voor het inschrijven van gelden die op de schoolrekening moeten komen op andere rekeningen en hij heeft die rekeningen buiten de controle van het bestuur gehouden. De raad van be- stuur heeft op grond van de vaststellingen van het onderzoeksverslag de tuchtinbreuk terecht voor bewezen gehouden.” 58.
- Verzoeker kan niet ontkrachten dat de ontvangsten vermeld onder deze tenlastelegging en de besteding ervan niet in de officiële schoolboek- houding zijn opgenomen. Hem wordt niet verweten dat meer dan één rekening werd gebruikt, wel dat geldstromen op andere rekeningen buiten de officiële schoolrekeningen en schoolboekhouding zijn gehouden. Daardoor werden deze ontvangsten en de besteding ervan ook buiten de controle van de scholengroep gehouden, aangezien deze controle enkel betrekking heeft op de officiële school- rekeningen. Verzoeker blijft ontkennen dat er geen controle was op die ex- terne rekeningen. Hij wijst dan echter niet op de officiële controlemechanismen, maar op zogenaamde inspraak door een feitelijke “vriendenkring”. Niet enkel is dit niet ter zake, maar de tuchtoverheid heeft ook hierover op gemotiveerde wijze aangetoond hoe verzoeker en hij alleen de rekeningen beheerde. Verzoeker wijst nog erop dat het niet onwettig is om bijvoor- beeld een schoolfotograaf uit te nodigen of om benefietacties te organiseren en dat alle gelden hoe dan ook ten goede kwamen aan de school, maar zelfs als dit waar is dan is dit betoog vreemd aan wat hem ten laste wordt gelegd. De kamer van beroep wijst terecht op de verantwoordelijkheid van verzoeker om als directeur en beheerder van het schoolbudget het beheer van alle schoolgerelateerde middelen op een transparante en overzichtelijke wijze te organiseren en te verantwoorden. Even terecht herinnert de kamer van beroep IX-9232-36/53 eraan dat onregelmatigheden uit het verleden of algemene bekendheid in de school hem niet kunnen verschonen voor zijn handelen. In zijn latere procedurestukken merkt verzoeker op dat de school nog steeds niet werkt met één schoolrekening. Dit verweer faalt, aange- zien de tenlastelegging niet het aantal rekeningen, maar wel het ontbreken van de controle erop betreft. Overigens wordt een tuchtmisdrijf niet uitgewist om reden dat een opvolger een vergelijkbare misstap zou begaan. 58.
- Het verweer dat verzoeker voert is niet van aard om de bevin- dingen van de tuchtoverheid te weerleggen. Hij toont niet aan dat de eerste tenlas- telegging ten onrechte voor bewezen is gehouden door de kamer van beroep en als tuchtvergrijp is gekwalificeerd. 59.
- In de tweede tenlastelegging wordt verzoeker verweten met gelden van de school die op de rekening ‘Vriendenkring’ waren vermeld, uitga- ven te hebben gedaan die niet gedekt zijn door bewijsstukken. 59.
- In het inleidend verzoekschrift herhaalt verzoeker zijn verweer bij de kamer van beroep. Hiervóór is reeds opgemerkt dat de Raad van State geen hogere beroepsinstantie is, die de discretionaire beoordeling van de tuchtoverheid overdoet. Voor zover verzoeker wel grieven formuleert over de motive- ring van de bestreden beslissing die aan de rechterlijke controle onderworpen kunnen worden, zijn die in het auditoraatsverslag als volgt onderzocht en bespro- ken: “Verzoeker beweert dat hij niet weet wat deze tenlastelegging inhoudt. Dit verweer kan niet worden aangenomen. De tenlastelegging is duidelijk. In de bestreden beslissing werd onder punt 1 verwezen naar de onder- scheiden stukken uit het dossier waarin de tenlastelegging duidelijk ver- meld is. De [kamer van beroep] sloot zich aan bij de motivering van de raad van bestuur van de scholengroep inzake het bewijs van de feiten IX-9232-37/53 vermeld onder deze tenlastelegging (bijlage 17 van stuk nr. 4 van het ad- ministratief dossier, blz. 134-136). Voorts beoordeelde ze de kritiek van verzoeker m.b.t. deze tenlastelegging als volgt: ‘a) dat er inzake de uitgave ‘crema del creme’ geen herkwalificatie van het tuchtfeit gebeurde. Er wordt enkel geantwoord op de stelling dat de verzoeker een ‘bewijs van betaling’ overlegt. b) dat het dossier (stuk 11.9/1 en 11.9/2) een handgeschreven ver- klaring van de verzoeker bevat over de Meta-korven en de procla- matie Het Vinne. c) dat de verzoeker niet antwoordt op het argument van de raad van bestuur dat de voorgelegde bewijzen ‘betaling frietje’ over andere bedragen gaat. d) dat in een opgave voor verplaatsingskosten klaar en duidelijk aangegeven moet worden op welke verplaatsing gedoeld wordt. In dit geval is het aantal kilometer op de nota zo flagrant dat het voor de verzoeker onmiddellijk duidelijk had moeten zijn dat de staat als zodanig niet kon volstaan om een terugbetaling te doen. Uit de op- gave die in het dossier opgenomen is, blijkt niet dat de verklaring van [X.] die de verzoeker overlegt (stuk 48 bij beroepsschrift), daar inherent deel van uitmaakte en dat de verzoeker daarmee alsnog zijn houding kan goedpraten. e) dat uit het kasboek van de vriendenkring wel degelijk blijkt dat er voor het personeelsfeest 1000 euro ‘opgevraagd’ werd (verrichting 0387 van 8 juni 2013).’ Verzoeker gaat eraan voorbij dat de tenlastelegging er nu net in bestaat verrichtingen te hebben gedaan, zoals die blijken uit het kasboek van de rekening ‘Vriendenkring’, die niet worden gestaafd met een aankoopbe- wijs: a) Aankoop ijs crema del crème: verzoeker legt een papiertje voor met de hoofding ‘Crema del creme’, met de vermelding van goederen voor een totaal van 275 euro. Dit document is niet gehandtekend noch gedagtekend en wordt door de Raad van Bestuur niet als een geldig aankoopbewijs be- schouwd. b) Meta-coat en Het Vinne: aan de in het kasboek vermelde uitgaven is enkel een handgeschreven briefje van verzoeker gekoppeld (bijlage 11.9 van stuk nr. 4 van het administratief dossier) c) ‘betaling frietje’: de Raad van Bestuur van de scholengroep stelde vast dat wat verzoeker alsnog voorlegde een ander bedrag betrof en ook niet gehandtekend was. Aan de verrichting is dan enkel het door verzoeker ondertekend en ongedateerd briefje ‘afsluiten opendeurdag, betaling friet- je’ gekoppeld. Het document is wel degelijk opgenomen in het dossier (bijlage 11.9 van stuk nr. 4 van het administratief dossier). d) Verplaatsingskosten: de Kamer van Beroep heeft gesteld dat ‘het aantal kilometer op de nota zo flagrant is dat het voor de verzoeker onmiddellijk duidelijk had moeten zijn dat de staat als zodanig niet kon volstaan om een terugbetaling te doen’ en dat ‘Uit de opgave die in het dossier opge- nomen is, niet blijkt dat de verklaring van [X.] die de verzoeker overlegt, IX-9232-38/53 daar inherent deel van uitmaakte en dat de verzoeker daarmee alsnog zijn houding kan goedpraten’. Verzoeker voert hiertegen geen argumenten aan. e) Personeelsfeest: dat 1000 euro werd ‘opgevraagd’ blijkt duidelijk uit het kasboek. Verzoeker wordt verweten voor de werkelijke kosten van het feest geen enkel betalingsbewijs te kunnen voorleggen en brengt niets aan dat deze tenlastelegging kan weerleggen. Dat het feit zich heeft voorge- daan onder het directeurschap van [Y.] is niet correct; verzoeker is vol- tijds directeur sinds mei
- Het verweer dat verzoeker voert is niet van aard om het voorgaande te weerleggen. De tweede tenlastelegging werd dan ook afdoende bewezen door de [kamer van beroep].” 59.
- In zijn laatste memorie herneemt verzoeker zijn vroegere uit- eenzettingen, zonder ook maar op één punt in te gaan op deze beoordeling in het auditoraatsverslag. 59.
- In die omstandigheden mag het voor de Raad volstaan om eveneens vast te stellen dat de kamer van beroep heeft geantwoord op verzoekers verweer en dat verzoeker niet aantoont dat de kamer van beroep ten onrechte de tweede tenlastelegging voor bewezen heeft gehouden. 60.
- De derde tenlastelegging betreft het ontbreken van een verant- woording voor vijftig euro van de “X-mosrekening” die S. op 17 mei 2015 aan verzoeker overhandigde. 60.
- Verzoeker betwist deze tenlastelegging en het bewijs ervan op grond van wat hij noemt “één enkele loutere vage bewering van een enkel perso- neelslid, zonder enig ander bewijs of overeenstemmende gegevens”. 60.
- De kamer van beroep sluit zich in de bestreden beslissing aan bij de overwegingen in de beslissing van de raad van bestuur van de scholen- groep, die niet enkel steun vinden in de verklaring van S., maar bovendien in het onderzoeksverslag (bijlage 11 van stuk nr. 4 van het administratief dossier, blz. 19) en het kasboek van de “X-mosrekening” (bijlage 11.8 van stuk nr. 4 van het administratief dossier, blz. 11). Verzoeker brengt geen elementen aan op grond IX-9232-39/53 waarvan de verklaring van S., die de tuchtoverheid geloofwaardig acht, in vraag zou moeten worden gesteld. Verzoeker overtuigt niet dat de kamer van beroep de derde tenlastelegging ten onrechte voor bewezen hield. 61.
- Ten vierde wordt verzoeker initieel verweten op 9 en 28 juni 2016 respectievelijk 250 euro en 350 euro van de externe rekening ‘Kansreik’, rekening waarop zich gelden bevinden die op de officiële schoolrekening moeten worden opgenomen, te hebben afgehaald zonder dat er ook maar enig spoor is van enige betaling die met deze gelden gebeurd zou zijn of van een bestemming die deze gelden gekregen zouden hebben. 61.
- Voor zover verzoeker in de huidige procedure nog steeds ar- gumenteert dat hij nooit geld heeft afgehaald van deze rekening, gaat hij eraan voorbij dat reeds de raad van bestuur deze tenlastelegging “herformuleert […] in die zin dat [verzoeker] mevrouw [J.] verzocht deze gelden van de rekening ‘Kansreik’ te halen”. 61.
- Voorts betoogt verzoeker, met verwijzing naar de verklaringen van J. en V. aan de onderzoekscel, dat er nooit enige afwending van middelen is geweest en dat de gelden zijn besteed voor de leerlingen. Alweer is zijn verweer naast de kwestie. De kamer van beroep onderstreept immers dat het “gaat om zijn verantwoordelijkheid voor het besteden van de gelden”. Een mondelinge verkla- ring van wat J. en V. zich herinneren als mogelijke bestemming van het geld is niet wat normaal begrepen mag worden onder “ook maar enig spoor van enige betaling”. Verzoeker weerlegt dan ook niet dat de tuchtbeslissing steun vindt in het onderzoeksverslag en in de verklaringen van J. en V. (bijlage 11 van stuk nr. 4 van het administratief dossier, blz. 21), zodat de kamer van beroep de tenlas- telegging als bewezen mocht beschouwen. 62.
- Met een vijfde tenlastelegging wordt verzoeker verweten de voorgeschreven procedure voor werken voor derden niet te hebben gevolgd, waardoor voor verschillende werken voor derden van de houtafdeling de ont- IX-9232-40/53 vangsten niet of niet volledig in de officiële schoolboekhouding zijn opgenomen en afwending of persoonlijke verrijking zich heeft kunnen voordoen. 62.
- Verzoeker meent dat de tuchtprocedure louter gekoppeld is aan de afsprakennota die in 2016 werd opgesteld en dat veel concrete feiten verjaard zijn. Hij vergist zich. De afsprakennota is een element van het tuchtdossier, maar de feiten die in het tuchtdossier betrokken zijn, gaan ruimer dan die afsprakenno- ta. Reeds hiervóór is voorts de grief verworpen, dat de feiten verjaard zouden zijn. 62.
- Verzoeker wordt verweten dat hij als hoofdverantwoordelijke van de school niet bewaakte dat de voorgeschreven procedures, die hij geacht werd te kennen, werden gevolgd. De raad van bestuur somt in de initiële tuchtbe- slissing zeven voorvallen op, die illustreren dat voor verschillende werken in de houtafdeling geen ontvangsten voorkomen in enige boekhouding – dus ook niet in de boekhouding van een feitelijke vereniging. Verzoeker wordt hierin geen persoonlijke verrijking verweten, maar wel een gebrek aan toezicht, “waardoor de school groot verlies leed en individuele personeelsleden zich konden verrijken”. Vervolgens somt de raad van bestuur nog vier werken voor derden op die wel op de rekening van de Vriendenkring terechtkwamen, terwijl het om gelden ging die op de officiële schoolrekening moesten worden ingebracht. De kamer van beroep stelt vast dat deze verwijten steun vinden in het onderzoeksverslag. Verzoeker kan dit niet weerleggen. Uit dat verslag blijkt dat verzoeker de voorgeschreven procedure, die hij geacht werd te kennen en waaraan hij middels de afsprakennota enkel opnieuw werd herinnerd, niet heeft gevolgd. De concrete feiten blijken duidelijk uit dit verslag (bijlage 11 van stuk nr. 4 van het administratief dossier, blz. 31 en volgende); deze feiten zijn gesteund op getuigenverklaringen en op het kasboek van de Vriendenkring. Verzoeker stelt nog dat hij geen opmerkingen heeft ontvangen van controle-instanties, maar hij gaat eraan voorbij dat hij met zijn handelen deze IX-9232-41/53 controle net onmogelijk heeft gemaakt. Waar hij verwijst naar andere perso- neelsleden, gaat hij opnieuw voorbij aan zijn verantwoordelijkheid als directeur. 62.
- Verzoeker overtuigt niet dat de kamer van beroep deze tenlaste- legging ten onrechte in aanmerking neemt. 63.
- In een zesde tenlastelegging wordt verzoeker verweten niet te hebben verhinderd dat de leraren L. en D. een voorraad hout voor persoonlijk gebruik stockeerden in de school en dat een parallel circuit werd opgezet. 63.
- Volgens verzoeker is deze tenlastelegging “puur speculatief”. De tuchtoverheid beperkt zich in de bestreden tuchtbeslissing ertoe te verwijzen naar bepaalde persoonlijke uitlatingen of bevindingen van de onderzoekscel, die handelen over het feit dat er een lot hout zou zijn aangekocht dat “tijdelijk” zou zijn gestockeerd in de school, en dat verzoeker dit wist of gezien moet hebben. 63.
- Deze tenlastelegging gaat terug op de eensluidende verklarin- gen van de betrokken leraren L. en D. en op een derde verklaring, van S., die aangeeft dat verzoeker regelmatig in de werkplaatsen langsliep en dat het onmo- gelijk was dat hij het hout niet heeft zien liggen. Voorts heeft de onderzoekscel verzoeker gevraagd of hij op de hoogte was en heeft verzoeker ervoor gekozen om de vraag niet te beantwoorden, net zo min als de vraag of hij L. en D. toe- stemming gaf om hun eigen hout te gebruiken voor werken voor derden. 63.
- In die omstandigheden handelt de tuchtoverheid niet onzorg- vuldig door te steunen op de vaststellingen van de onderzoekscel en de verklarin- gen van de betrokkenen die zijn opgenomen in het onderzoeksverslag. Verzoeker toont niet aan dat de zesde tenlastelegging ten on- rechte voor bewezen is gehouden. IX-9232-42/53 64.
- De zevende tenlastelegging betreft “het niet aanrekenen van maakloon”. De raad van bestuur verwijst naar vier concrete voorbeelden in het onderzoeksverslag en stelt vast dat verzoeker geen verweer voert. De kamer van beroep overweegt dat de raad van bestuur terecht naar het onderzoeksverslag verwijst. 64.
- Verzoeker betoogt dat hiervan “geen enkel stuk” kan worden teruggevonden in het tuchtdossier. Dit betoog mist feitelijke grond; deze feiten blijken uit het document ‘werken voor derden Hout’ (bijlage 11.14 van stuk nr. 4 van het administratief dossier) en voor het bewijs van de tenlastelegging wordt gesteund op de vaststellingen van de onderzoekscel (bijlage 11 van stuk nr. 4 van het administratief dossier, blz. 40). 65.
- Luidens de achtste tenlastelegging heeft verzoeker de voorge- schreven procedure voor werken voor derden niet gevolgd, waardoor voor ver- schillende werken gedaan door de afdeling Metaal de ontvangsten niet of niet volledig in de officiële boekhouding werden opgenomen en de mogelijkheid van afwending van de gelden of persoonlijke verrijking werd gecreëerd. 65.
- Verzoeker merkt op dat het blijkens de motivering van de tuchtbeslissing slechts om één werk gaat. Het wordt volgens hem niet gestaafd, tenzij door een geschreven bevestiging van een telefonische verklaring van V.D.S. en “[er rijst] de vraag naar de ‘rechtmatigheid van de wijze waarop dit zogenaamd bewijs post factum’ werd verzameld”. 65.
- De kamer van beroep merkt op dat, op haar vraag, van de ver- klaring van V.D.S. een geschreven neerslag bij het dossier is gevoegd. Verzoeker heeft bij de kamer van beroep debat kunnen voeren over de inhoud van die ver- klaring. Verzoeker ontving dit document op 29 september
- Aangezien de IX-9232-43/53 hoorzitting op 16 november 2017 heeft plaatsgevonden, kan verzoeker niet ern- stig beweren op dit punt onvoldoende de kans te hebben gekregen om zijn ver- weer te voeren. Hij brengt thans in het inleidend verzoekschrift ook geen enkel element bij waarom de kamer van beroep niet op die verklaring mocht steunen om de tenlastelegging voor bewezen te houden. In de memorie van wederant- woord merkt verzoeker op, te betwijfelen of de verklaring wel van de hand van V.D.S. is. Ten eerste is dit laattijdig, want dit kon hij reeds aanvoeren in het ver- zoekschrift. Ten tweede zaait verzoeker twijfel, die hij met niets onderbouwt – in het bijzonder niet met een betichting van valsheid bij de bevoegde rechter. 65.
- Verzoeker weerlegt de motivering omtrent de achtste tenlaste- legging niet. 66.
- Als negende tenlastelegging wordt verzoeker verweten “als directeur en eindverantwoordelijke voor de school er niet voor [te] hebben ge- zorgd dat het maakloon bij de werken voor derden in de afdeling Metaal volgens een vaste sleutel wordt bepaald wat totale willekeur tot gevolg heeft en waarbij kon vastgesteld worden dat dit maakloon vaak veel te laag ligt en [verzoeker] bij het bepalen van dit maakloon een bepalende rol heeft wat kan vastgesteld worden bij de vervaardiging van een schuifpoort voor [N.G.] waarbij als de door het GO! naar voor geschoven formule zou gehanteerd worden de klant 1200 euro zou moeten betaald hebben, terwijl betrokkene slechts 150 euro betaalde”. 66.
- Ook deze tenlastelegging wordt door verzoeker betwist. Hij stelt dat in het tuchtdossier geen stavende stukken voorhanden zijn; dat van één persoon geen verklaring in het dossier zit en dat een andere getuigenis niet ter zake doet omdat die leerkracht over dit feit niet bevraagd werd. 66.
- Voor het bewijs van de tenlastelegging valt de tuchtoverheid terug op het onderzoeksverslag en op de verklaringen van V.D.S. en N.G. (bijlage IX-9232-44/53 11 van stuk nr. 4 van het administratief dossier, blz. 42). De geschreven neerslag van hun verklaringen werd op vraag van de kamer van beroep bij het dossier ge- voegd. Verzoeker ontving deze documenten op 29 september 2017 (stuk nr. 7 van het administratief dossier). Aangezien de hoorzitting op 16 november 2017 heeft plaatsgevonden, kan verzoeker niet ernstig beweren op dit punt onvoldoende de kans te hebben gekregen zijn verweer te voeren. 66.
- Verzoeker voert ook aan dat de bestaande regelgeving achter- haald was en opgeheven is en dat de scholen thans zelf een redelijke handelwijze moeten bepalen. Dat de scholen zich niet langer te houden hebben aan “de alou- de formule”, is echter evident geen vrijgeleide om bij het bepalen van het maak- loon compleet willekeurig te werk te gaan. 67.
- Als tiende tenlastelegging wordt verzoeker verweten de voor- geschreven procedure voor werken voor derden, vastgelegd door de scholen- groep, niet te hebben gevolgd waardoor voor verschillende werken gedaan door de afdeling Grootkeuken de ontvangsten niet in de officiële boekhouding werden opgenomen, maar afgewend werden naar de externe rekening ‘Vriendenkring’. 67.
- Volgens verzoeker ontbreken de bewijsstukken in het tuchtdos- sier. Een inbreuk op de afsprakennota is niet aangetoond. Het onderzoeksverslag geeft een opsomming van feiten; dat is geen bewijs van tuchtfeiten. De feiten zijn verjaard. 67.
- Ook in dit geval vergist verzoeker zich wanneer hij verwijst naar de afsprakennota uit 2016: van belang zijn de instructies voor het uitvoeren van werken voor derden die verzoeker kende. 67.
- Over deze tenlastelegging overweegt de kamer van beroep: IX-9232-45/53 “De inkomsten en uitgaven waarnaar het onderzoeksverslag verwijst (pag. 45-46) zijn allen terug te vinden in het kasboek van de Vriendenkring. De raad van bestuur verwijst voor wat het bewijs van de feiten terecht naar dat verslag. Er kan wel geen rekening gehouden worden met de gegevens uit de bestuursperiode van [X.], aangezien de verzoeker slechts directeur is sinds 12 mei 2012 (pag. 4 onderzoeksverslag) en hij voordien niet ver- antwoordelijk was voor de registratie van de financiële verrichtingen in de school. Die verrichtingen moeten derhalve buiten het tuchtdossier gehou- den worden.” 67.
- De concrete verrichtingen zijn terug te vinden in het door de onderzoekscel onderzochte kasboek van de Vriendenkring. Voor het bewijs van de feiten wordt teruggevallen op het onderzoeksverslag (bijlage 11 van stuk nr. 4 van het administratief dossier, blz. 45-46). De uiteenzetting van verzoeker ont- kracht geenszins deze vaststellingen. De kamer van beroep oordeelde terecht dat de verrichtingen uit de periode vóór 12 mei 2012 buiten het tuchtdossier moesten worden gehouden. Het betreft twee verrichtingen op een totaal van ongeveer 45, opgenomen in het kader van deze tenlastelegging. 68.
- In de elfde tenlastelegging wordt verzoeker verweten in het voorjaar 2014 als privépersoon een receptie te hebben georganiseerd voor een kinderdagverblijf uit Zoutleeuw, “waarbij hij de school op kosten zou hebben gejaagd, maar de inkomsten zelf heeft opgestreken”. 68.
- Opnieuw stelt verzoeker dat deze tenlastelegging niet wordt ondersteund door een stavingsstuk uit het tuchtdossier. Het betreft volgens ver- zoeker “een privé-initiatief waarbij het geld wellicht per vergissing op de reke- ning van de school ‘Vriendenkring’ [is] terecht gekomen”. Er is geen bewijs dat hij zijn functie als directeur heeft misbruikt. 68.
- Het verweer is volledig naast de kwestie. De tenlastelegging is dat verzoeker – die zelf erkent dat het om een privé-initiatief ging – de school op kosten heeft gejaagd. Dat het geld per vergissing op de rekening van de Vrien- IX-9232-46/53 denkring terechtkwam is niet geloofwaardig. Verzoeker tekende de factuur als directeur. Daarnaast blijkt uit het tuchtdossier dat tijdens de lesuren een leraar en de leerlingen werden ingeschakeld voor de receptie. Verzoeker toont niet aan dat hij de kosten voor de receptie heeft gedragen. De kamer van beroep oordeelde derhalve terecht dat de raad van bestuur kon verwijzen naar het onderzoeksverslag en de afgelegde verklarin- gen en daaruit kon besluiten dat de elfde tenlastelegging afdoende werd bewezen.
- Net zoals verzoeker bij de twaalfde, de dertiende en de veer- tiende tenlastelegging – de winst van een etentje van de Rotary voor de vrienden- kring bestemd te hebben, terwijl de school de energiekosten droeg; winst uit spe- culoosverkoop in geen boekhouding vermeld te hebben; de gift ten gevolge van een actie van de Rotary voor de vriendenkring bestemd te hebben, terwijl de school instond voor de kosten en het vervaardigen van de etenswaren – telkenmale stelt dat voor deze tenlastelegging geen stukken in het dossier zitten en het bewijs niet wordt geleverd, kan de Raad herhalen dat voor het bewijs van deze tenlasteleggingen telkenmale kon worden gesteund op het onderzoeksver- slag, op de notering in het kasboek van de Vriendenkring (bijlage 11 van stuk nr. 4 van het administratief dossier, blz. 48) en op de verklaringen van betrokke- nen. Er kan worden vastgesteld dat verzoeker doorheen het onderzoek niet wenste in te gaan op vragen om verduidelijking. Hij toont niet aan dat deze tenlasteleg- gingen niet afdoende zijn bewezen. 70.
- Voor de vijftiende en zestiende tenlastelegging – voor het ver- huur van het schooldomein aan derden en aan eigen personeel niet de voorge- schreven procedure te hebben gevolgd en de opbrengsten afgewend te hebben naar de rekening van de Vriendenkring – overweegt de kamer van beroep dat de raad van bestuur terecht verwijst naar het onderzoeksverslag (blz. 53) en dat ver- zoeker geen nieuwe argumenten aanbrengt. IX-9232-47/53 70.
- In het auditoraatsverslag wordt deze overweging bijgevallen. Bovendien wordt vastgesteld dat het ongeloofwaardig is dat verzoeker niet zou weten om welke verhuringen het gaat en dat de vaststellingen omtrent de zestien- de tenlastelegging overeenkomen met de noteringen in het kasboek van de Vrien- denkring (bijlage 11.6 van stuk nr. 4 van het administratief dossier, blz. 126 ver- richting 560, blz. 146 verrichtingen 234 en 237 en blz. 191 verrichting 305). 70.
- De Raad valt de zienswijze van het auditoraat bij. Dat verzoe- ker in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie opwerpt dat hij niet beschikt over deze stukken is niet ter zake. Het stuk berust immers in het administratief dossier van de zaak, dat hij lopende de procedure steeds op de grif- fie van de Raad heeft mogen consulteren. Het betoog van verzoeker overtuigt niet dat de vijftiende en zestiende tenlastelegging niet volgens de regels van de bewijsvoering voor bewe- zen gehouden mogen worden. 71.
- In de zeventiende en laatste tenlastelegging wordt verzoeker verweten “ondanks het feit dat hij er door de secretariaatsmedewerkster meer- maals op geattendeerd werd dat het een onreglementaire werkwijze betrof, frau- duleus doorgeven van een 13-tal leerlingen van het 4de, 5de en ABO-jaar als zouden deze nog les volgen in het derde jaar zodat deze, in tegenstrijd met de wettelijke bepalingen hieromtrent, konden worden opgehaald door de schoolbus, terwijl dit wettelijk niet meer mag”. 71.
- Verzoeker stelt weerom dat het tuchtfeit niet is bewezen. Aan- vullend betwist hij dat de bedoelde leerlingen niet meer in aanmerking zouden komen voor collectief busvervoer. Ten slotte merkt hij op dat hij niet meer op school kwam sinds 20 september 2016 en dus onmogelijk de aanvragen van 2017 kan hebben goedgekeurd. IX-9232-48/53 71.
- Anders dan verzoeker beweert, kon hij de aanvraagdocumenten terugvinden in het tuchtdossier (bijlage 14 van stuk nr. 4 van het administratief dossier). Voor het bewijs van deze tenlastelegging wordt gesteund op deze docu- menten en op de verklaring van F.S. 71.
- Verzoeker kan niet nuttig verwijzen naar punt 2.2.1.2 van de omzendbrief zonaal leerlingenvervoer NO/2008/02 van 23 mei 2008, aangezien de tenlastelegging betrekking heeft op leerlingen OV3 of OV4 en die worden gevat door punt 2.2.1.3 van voormelde omzendbrief. Voor deze leerlingen geldt dat de toekenning van een recht op collectief leerlingenvervoer door het departe- ment mogelijk is tot het derde leerjaar en niet voor de duur van het niveau secun- dair onderwijs. In principe gebeurt voor een leerling eenmalig een aanvraag. De bijgevoegde attesten met uiteenlopende ingangsdata voor het recht op collectief leerlingenvervoer gelden zoals gezegd tot het derde leerjaar. De betrokken leer- lingen werden in maart 2017 nog steeds doorgegeven als zouden zij in het derde leerjaar zitten, hoewel zij reeds in een hoger leerjaar zaten en hun recht op collec- tief leerlingenvervoer tot een eind was gekomen. Hoewel verzoeker op dat ogen- blik preventief geschorst was, blijkt uit de betrokken aanvraagdocumenten en de verklaring van F.S. dat deze werkwijze ook voorheen werd toegepast in opdracht van verzoeker en dit zelfs tegen de wil in van de medewerker die hem op de on- wettigheid ervan had gewezen. 71.
- De zeventiende tenlastelegging mocht door de kamer van be- roep voor bewezen worden gehouden.
- Wat voorafgaat leidt tot de conclusie dat verzoeker niet aanne- melijk maakt dat de tuchtoverheid inzake haar beoordeling van de stukken van het tuchtdossier en het daaruit afgeleide bewijs van de tuchtvergrijpen, tot een appreciatie is gekomen die de regels van de bewijsvoering of de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten gaat.
- Het zevende middel is ongegrond. IX-9232-49/53 H. Achtste middel Uiteenzetting van het middel
- Het achtste middel is “genomen uit een schending van algeme- ne beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbegin- sel, het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, alsmede artikel 2 en 3 van de [formelemotiveringswet]”. Verzoeker stelt dat de hem opgelegde tuchtstraf, rekening hou- dend met alle omstandigheden van het dossier, te zwaar is. Hij wijst erop dat hij zich niet persoonlijk heeft verrijkt en dat “de meeste uitgaven” de school ten goe- de kwamen. Volgens verzoeker mag hij zich verwachten aan “een zekere cou- lantheid” omdat de feiten “kaderen in een historisch gegeven op het vlak van het gebruik van rekeningen en de onduidelijkheid die hierover binnen de scholen- groep bestond”. Hij heeft ook gewezen op zijn blanco tuchtrechtelijk en strafrech- telijk verleden, zijn verdiensten als leerkracht en als directeur. Hij stelt vast dat de verwerende partij de tuchtsanctie weliswaar heeft herleid, doch in de bestreden beslissing wordt niet gemotiveerd waarom een tewerkstelling in een ambt waar hij niet meer de verantwoordelijkheid heeft van een directeur naar het oordeel van de kamer van beroep de gepaste tuchtmaatregel zou zijn. Beoordeling
- De formelemotiveringsplicht die door de kamer van beroep als orgaan van actief bestuur moet worden nageleefd in het kader van het georgani- seerd administratief beroep is een positieve verplichting die vereist dat het be- stuur aangeeft welke de redenen zijn die welbepaald doen begrijpen waarop het zijn beslissing steunt. De naleving van de formelemotiveringsplicht vraagt niet dat een tuchtoverheid uitdrukkelijk motiveert waarom zij een andere straf niét IX-9232-50/53 heeft opgelegd. In zoverre gaat het middel uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt het naar recht.
- Bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid beschikt de tuchtoverheid over een discretionaire beoordelingsvrijheid op het stuk van de op te leggen straf. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel en van het even- redigheidsbeginsel is enkel sprake, wanneer een beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat geen andere overheid in dezelfde omstan- digheden die beslissing zou nemen.
- In de bestreden beslissing wordt met betrekking tot de straf- maat het volgende gesteld: “7.
- De Raad van Bestuur heeft uitvoerig uiteengezet waarom de verzoe- ker gestraft moet worden met het ontslag. De Kamer van Beroep kan zich volledig vinden in die overwegingen, inzonderheid waar zij de nadruk leggen op de algemene verantwoordelijkheid van de verzoeker als school- directeur voor het opvolgen van de bestaande regels (de werken voor der- den; de correcte inschrijving van inkomsten en uitgaven op rekeningen die door de scholengroep gecontroleerd kunnen worden; het collectief leerlin- genvervoer). 7.
- Verantwoorden die overwegingen dat de verzoeker definitief verwij- derd wordt uit het ambt van directeur, dan ziet de Kamer van Beroep toch geen ernstige reden om de band tussen de verzoeker en de scholengroep geheel te doorbreken. Het gebrek aan schuldinzicht is zeker een element dat de verzoeker als verwijt met zich moet meedragen, maar de Kamer van Beroep is van oor- deel dat dit niet opweegt tegen het recht van de verzoeker om een tweede kans te krijgen in een ambt waar hij niet meer de verantwoordelijkheid van een directeur heeft. 7.
- De terugzetting in rang is de gepaste maatregel.”
- Verzoeker vindt ook de finaal opgelegde straf te zwaar. Hij toont echter niet aan dat geen enkele zorgvuldig en redelijk oordelende tucht- overheid zou kunnen besluiten dat de in aanmerking genomen feiten verantwoor- den dat de betrokkene verwijderd wordt uit het ambt van directeur. Verzoeker een tweede kans geven in een ambt waar hij niet meer de verantwoordelijkheid van IX-9232-51/53 een directeur heeft en de tuchtmaatregel ‘terugzetting in rang’ opleggen voor de ten laste gelegde en bewezen feiten, schendt niet de in het middel genoemde al- gemene beginselen van behoorlijk bestuur. De bereidheid om verzoeker een tweede kans te geven wijst uit dat de kamer van beroep verzachtende omstandig- heden ten voordele van verzoeker mee in overweging heeft genomen.
- Het achtste middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9232-52/53 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9232-53/53 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.732 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div