← België

Arrest 247786 - Niet begeleide minderjarigen - 12/06/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.786 Rolnummer: A. 228242/XIV-38067 Zaak: Arrest 247786 - Niet begeleide minderjarigen - 12/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-12 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 01:32 Fiche Arrest nr 247.786 van 12 juni 2020 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 247.786 van 12 juni 2020 in de zaak A. 228.242/XIV-38.067 In zake: Mohammed Jassem Zaidoun SHAMMARI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bobber Loos kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 27 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 28 maart 2019 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’, van de programmawet van 24 december 2002”, waardoor de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van deze beslissing. XIV-38.067-1/19 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’, waarvan de termijn is verlengd bij koninklijk besluit van 18 mei
  3. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 13 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker komt België binnen en hij dient op 17 januari 2019 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Iraakse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 6 november
  6. Verzoeker wordt onder XIV-38.067-2/19 de hoede geplaatst van de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. In het militair hospitaal Koningin Astrid te Neder-Over-Heembeek ondergaat verzoeker op 18 maart 2019 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Op 28 maart 2019 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december
  7. Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede door de dienst Voogdij van Jongeheer Mohammed Jassem Zaidoun SHAMMARI van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  8. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van “de motiveringsplicht” vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’, van de zorgvuldigheids- plicht en de motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van XIV-38.067-3/19 artikel 28 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: het WIPR), van artikel 25 van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32) en van artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Hij licht dit toe als volgt: “Artikel 25.5 van de herschikte Procedurerichtlijn vereist als waarborg voor minderjarigen dat waar de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige wordt vastgesteld door een medisch onderzoek dit pas kan nadat ‘er een algemene verklaring is afgelegd of andere relevante aanwijzingen zijn overgelegd’ en die twijfel doen rijzen: ‘De lidstaten kunnen in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd’. Verzoeker kan op basis van de bestreden beslissing en het medische dossier niet nagaan welke afgelegde verklaringen of andere relevante aanwijzingen geleid zouden hebben tot twijfel die op zijn beurt tot de medische test geleid heeft. Integendeel, er wordt in de bestreden beslissing zelfs verwezen naar de authentieke Iraakse documenten, waaruit blijkt dat de werkelijke leeftijd overeenkomt met de leeftijd die verzoeker verklaard heeft. Er wordt in de bestreden beslissing enkel gesteld dat de DVZ ‘twijfel’ geuit heeft. Wat die twijfel inhoudt, op wat die gebaseerd is, en welke aanwijzingen ertoe geleid hebben komen we niet te weten. Dit maakt een schending uit van artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn, dat verder niet is omgezet naar nationale wetgeving en directe werking heeft. Verder bepaalt artikel 25.5 als waarborg naar niet-begeleide minderjarigen toe dat indien een medisch onderzoek wordt verricht dat de niet-begeleide minderjarige in een taal die hij begrijpt of waarvan kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen. Er wordt daartoe informatie verstrekt over de onderzoeksmethode, over de mogelijke gevolgen van het onderzoek voor de behandeling van de asielaanvraag en over de gevolgen indien de betrokkene weigert het onderzoek te ondergaan. Uit de bestreden beslissing blijkt enkel dat ‘betrokkene werd geïnformeerd over het verloop van het medisch onderzoek’. Of verzoeker effectief in kennis werd gesteld in een taal die hij kon begrijpen, wat de onderzoeksmethode zou zijn, wat de mogelijke gevolgen van het onderzoek kunnen zijn en wat de gevolgen kunnen zijn voor de asielaanvraag en wat er gebeurt indien hij weigert kan niet afgeleid worden uit de motieven van de bestreden beslissing. Artikel 51 van de Procedurerichtlijn bepaalt dat artikel 25.5 van de richtlijn diende omgezet te zijn uiterlijk op 20 juli
  9. Die omzetting is niet gebeurd tot op heden. Het Van Gend & Loos-arrest (zaak 26/62) vormt de basis voor het mechanisme van rechtstreekse werking. In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie dat het gemeenschapsrecht onafhankelijk van de wetgeving van de lidstaten voor particulieren rechten kan scheppen. Als (een deel van) de bepalingen uit de richtlijn rechtstreeks werken, zijn deze volledig en direct van toepassing. Op grond van het XIV-38.067-4/19 beginsel van gemeenschapstrouw (voorheen art. 10 EG-verdrag; huidig artikel 4 lid 3 Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)), zoals het Hof van Justitie EG oordeelde in het Constanzo-arrest (zaak C-103/88), kunnen de nationale rechters en de administratie zich niet verschuilen achter mogelijke gebreken van de centrale wetgever wanneer het gaat om correcte implementatie van Europese richtlijnen. De bepalingen van artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn zijn onvoorwaardelijk, voldoende duidelijk en nauwkeurig en hebben bij gebrek aan omzetting, directe werking en scheppen een subjectief recht voor verzoeker. De Orde der Artsen wijst er in haar advies met betrekking tot leeftijdstests ook op dat geïnformeerde toestemming van de betrokkene essentieel is: ‘In elk geval mag de test niet uitgevoerd worden zonder de toestemming van de persoon, die de nodige informatie verkregen dient te hebben over het doeleinde, de contra-indicaties en de inherente risico’s van de test. Deze informatie dient te worden verstrekt in een duidelijke en begrijpelijke taal, eventueel door bemiddeling van een tolk. De toestemming dient uitdrukkelijk gegeven te worden. Bijstand van een voogd of van een referentiepersoon is belangrijk voor de betrokken persoon in dit stadium van de procedure, ofschoon de programmawet van 24 december 2002 bepaalt dat een voogd aangewezen wordt wanneer het statuut van NBMV bewezen is, behalve in uiterst dringende noodzakelijkheid. De onderzoeker dient te beschikken over de nodige tijd en gunstige omstandigheden om een kwalitatieve test uit te voeren. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden met eerbied voor het individu.’ […] Gelet op het feit dat uit het medische dossier en uit de bestreden beslissing niet blijkt dat verzoeker werd geïnformeerd over doeleinde, de contra-indicaties en de inherente risico’s van de test, en gelet op het feit dat niet enkel de Orde dit onontbeerlijk acht maar dit ook vereist wordt door een bepaling in de Procedurerichtlijn dat bij gebrek aan omzetting nu directe werking heeft, schendt de bestreden beslissing de motiveringsplicht en artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn. Verzoeker legde twee authentieke documenten voor waaruit zijn leeftijd blijkt, namelijk zijn Iraakse studentenkaart en nationaliteitsbewijs (stuk 9). Deze documenten betreffen originele Iraakse documenten waaruit duidelijk blijkt dat zijn verklaarde identiteit én leeftijd correct zijn. Overeenkomstig artikel 3 van het KB van 22 december 2003 diende de dienst Voogdij rekening te houden met officiële documenten van of inlichtingen verstrekt door het land van herkomst of van doorvoer. Het feit dat zijn verklaarde leeftijd en identiteit overeenkomen met de informatie op zijn originele Iraakse documenten is bijgevolg weldegelijk een belangrijk element dat verwerende partij in aanmerking diende te nemen. Door onvoldoende rekening te houden met deze documenten schendt verwerende partij niet enkel voormeld artikel 3, maar handelt zij eveneens hoogst onzorgvuldig. Verwerende partij stelt in de bestreden beslissing dat op basis van artikel 28 Wetboek Internationaal Privaatrecht (hierna, W.I.P.R.) de bewijskracht van authentieke documenten niet verder reikt dan een vermoeden iuris tantum en dat het tegenbewijs van de feiten in dergelijke authentieke akte met alle bewijsmiddelen mag worden aangebracht. Verwerende partij stelt verder dat ‘het medische onderzoek dergelijk bewijsmiddel vormt’. Dit klopt absoluut niet, aangezien het medisch onderzoek geen geschikt tegenbewijs vormt. Hoewel het tegenbewijs van de informatie op de Iraakse documenten inderdaad mag worden aangebracht dient de sterke bewijswaarde ervan niet te worden miskend. Niet alleen legt verzoeker authentieke Iraakse documenten voor waaruit zijn geboortedatum blijkt, bovendien bieden de uitgevoerde medische tests geen uitsluitsel over verzoekers leeftijd (zie verder). Gelet op de hieronder aangetoonde foutenmarge volstaat de combinatie van alle beschikbare informatie wel degelijk om verzoekers verklaarde leeftijd in XIV-38.067-5/19 aanmerking te nemen. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van die onbetrouwbare testen het tegenbewijs te leveren van feiten vastgesteld in geldige authentieke buitenlandse akten. De bestreden beslissing gaat nog verder door, zonder enige wettelijke basis, te stellen dat ‘de verschillen tussen de ondergrens van het medisch onderzoek en de documenten zich binnen een redelijke marge moeten bevinden opdat zij door de administratieve overheid in overweging kunnen worden genomen’. Dit is een grove schending van artikel 28 W.I.PR. aangezien artikel 28 W.I.PR. stelt dat een geldige buitenlandse akte in België tot bewijs van de feiten strekt (§1) tenzij het tegenbewijs geleverd wordt (§2). Gelet op artikel 28 W.I.P.R. moeten de authentieke documenten dus in aanmerking genomen worden en zijn de leeftijdstesten, door hun onbetrouwbaarheid, niet van die aard om de bewijswaarde van de documenten teniet te doen. Bijgevolg kan het tegenbewijs van de authentieke akte niet geleverd worden en strekt de authentieke akte in België als bewijs van de feiten, in casu de leeftijd van verzoeker. Verzoekers leeftijd werd geschat aan de hand van een radiologisch onderzoek, de zogenaamde ‘triple test’ (radiografie van het handpolsgewricht, van de tanden, en van de sternoclaviculaire gewrichten). Deze drie onderzoeken worden ernstig bekritiseerd vanuit de vakliteratuur en op supranationaal niveau : ‘[Het Europese Parlement] betreurt het dat de medische technieken die in sommige lidstaten worden gehanteerd om de leeftijd vast te stellen ongepast en opdringerig zijn en trauma’s kunnen veroorzaken, betreurt het eveneens dat sommige, op botontwikkeling of gebitsmineralisatie gebaseerde methodes omstreden blijven en een grote foutenmarge kennen; verzoekt de Commissie om in de strategische richtsnoeren op beste praktijken gebaseerde gemeenschappelijke normen op te nemen voor de methode waarmee de leeftijd wordt bepaald, waarbij deze beoordeling multidimensionaal en multidisciplinair moet zijn en door onafhankelijke, gekwalificeerde beroepsbeoefenaars en deskundigen uitgevoerd moet worden op een wetenschappelijke, veilige, gender- en kindvriendelijke en eerlijke manier, met bijzondere aandacht voor meisjes; herinnert eraan dat de leeftijdsbepaling moet worden verricht onder eerbiediging van de rechten en fysieke integriteit van het kind en van de menselijke waardigheid, en dat minderjarigen altijd het voordeel van de twijfel gegeven moet worden; wijst er tevens op dat medische onderzoeken alleen moeten worden uitgevoerd wanneer andere beoordelingsmethodes zijn uitgeput en dat het mogelijk moet zijn om tegen de uitkomsten van deze beoordeling in beroep te gaan; looft de werkzaamheden van EASO op dit vlak, en is van mening dat deze aanpak voor alle minderjarigen zou moeten worden veralgemeend.’ Resolutie van het Europese Parlement van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de Europese Unie (2012/2263(INI)) (geciteerd in stuk 4) Deze observaties worden gevolgd door de Nationale Raad van de Orde der Artsen: ‘De techniek van de botleeftijdsbepaling laat enkel toe de leeftijd van het skelet vast te stellen; het overeenstemmen met de burgerlijke leeftijd van de persoon is een diagnostische beoordeling. (…) Voorts schuilt een moeilijkheid in de reproduceerbaarheid van de interpretatie van de onderzoeken tussen de verschillende deskundigen. Schatting houdt altijd een onnauwkeurigheidsfactor in en kan bijgevolg slechts leiden tot een betrouwbaarheidsinterval. Twijfel moet altijd uitvallen in het voordeel van de persoon die verklaart minderjarig te zijn. (...) Verschillende factoren (etnische, genetische, endocriene, sociaaleconomische, nutritionele, medische, ...) kunnen de groei van een individu beïnvloeden. De tabellen voor de botleeftijdsbepaling die als referentie dienen, zijn opgemaakt op grond van een bepaalde bevolking; de meest gebruikte zijn gebaseerd op de XIV-38.067-6/19 westerse blanke bevolking. Opdat de verwijzing relevant zou zijn, dient de persoon op wie ze toegepast worden tot dezelfde bevolking te behoren. De dentale criteria hangen in het bijzonder af van de etnische oorsprong en van het sociaaleconomisch en nutritioneel niveau van het individu. (...) De Nationale Raad meent om de hierboven uiteengezette redenen dat de andere indicatoren die leeftijdsbepaling van het individu mogelijk maken niet verwaarloosd mogen worden.’ (stuk 3) De onderzoeken zijn onvoldoende nauwkeurig en zijn volledig geijkt op een westers publiek. Met betrekking tot kinderen die in armoede zijn opgegroeid, en kinderen die uit Azië komen, zijn er doorslaggevende indicaties dat de resultaten van de huidig gebruikte testen er jaren naast kunnen zitten. Zoals hierboven reeds aangehaald wijst de Orde der Artsen daar zelf ook op: ‘We merken op dat geen enkele van de gebruikte methodes werd uitgewerkt en getest op jongeren afkomstig uit de landen waar de NBMV vandaan komen. Als deze methodes geen rekening houden met de betreffende referentiegroepen, is hier dan geen sprake van foute premissen?’ (stuk 4, p. 18) ‘4.4.1 Onderzoek en radiografie van de tanden In België begint de leeftijdsschatting met een onderzoek van de tanden en een orthopantomogram, een panoramische radiografie van het hele gebit. Er is geen vaste methode vastgelegd in het protocol van de Dienst Voogdij met de ziekenhuizen om de resultaten van het tandonderzoek en orthopantomogram te interpreteren. Wel heeft de KU Leuven verschillende onderzoeken gedaan naar de groei en ontwikkelingsstadia van de wijsheidstanden. Deze methode baseert zich op een scoringssysteem van de ontwikkelingsstadia van de wijsheidstanden. Deze scoringsystemen zijn gebaseerd op onderzoek van Demirjian en Köhler. Volgens een studie van 2003 op 2513 Belgische jongeren tussen de 15,7 en 23,3 jaar van Kaukasische origine kan men de chronologische leeftijd schatten met een standaarddeviatie van 1,49 jaar voor mannen en 1,50 voor vrouwen. Een vaak terugkerende kritiek is dat men er niet vanuit kan gaan dat deze resultaten ook gelden voor jongeren van ander origine. Er bestaat een studie die deze techniek toepast voor doelgroepen in China, Japan, Korea, Polen, Thailand, Turkije, Saoedi-Arabië en India. Bij de onderzochte personen, in hetzelfde ontwikkelings- stadium van de tanden, stelt met verschillen vast die oplopen tot 14 maanden. Hier valt op te merken dat er dus wel degelijk verschillen bestaan en dat de onderzochte doelgroepen niet behoren tot landen waar NBMV vandaan komen (Afghanistan, Syrië, Eritrea, Somalië, Congo, Guinée enz.).’ (stuk 4, p.18) ‘Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de permanente tanden en wijsheidstanden op zeer variabele leeftijden uitgroeien en dat er een risico bestaat op het van overschatten van de leeftijd. De onderzoekers Solheim en Sondnes kwamen tot de volgende conclusie: ‘een schatting van de leeftijd werd uitgevoerd op 100 tanden volgens verschillende methodes: alle methodes leverden een overschatting van de gebitsleeftijd bij de onderzoeken die werden gedaan op tanden bij mannen jonger dan 40 jaar.’ (stuk 3, p.26) ‘De wetenschappelijke controverse is ook groot rond het evalueren van het groeistadium van de wijsheidstanden. Voor Solari en Abramovitch bedraagt het gemiddelde verschil tussen de werkelijke leeftijd en de geschatte leeftijd 3 jaar voor vrouwen en 2,6 jaar voor mannen. Een ander onderzoek door Thorson en Hagg meldt een gemiddeld verschil tussen de werkelijke leeftijd en de geschatte leeftijd dat kan gaan tot 3,5 jaar voor vrouwen. We zullen verder in dit rapport zien dat ook de etnische afkomst en het leefmilieu van een jongere medeoorzaak kunnen zijn van overschatting van de leeftijd.’ (stuk 4, p.18) ‘4.6 Etnische variaties De huidige procedures van leeftijdsschatting houden geen rekening met de etnische afkomst van de jongeren. In de wetenschappelijke literatuur wordt er nochtans XIV-38.067-7/19 gewezen op aanzienlijke verschillen. We vermelden hieronder enkele van de talrijke studies. In een onderzoek van Koshy en Tandon over de leeftijdsschatting van kinderen in het zuiden van India op basis van de methode van Demirjian werd vastgesteld dat de leeftijd voor meisjes met 2,82 jaar en jongens met 3,04 jaar werd overschat. Wat de wijsheidstanden betreft, brachten verschillende studies van Olze en coll. aan het licht dat wijsheidstanden ‘bij de zwarten in Zuid-Afrika veel vroeger opkomen dan bij blanken in Duitsland, terwijl ze bij Aziaten van Japan veel later opkomen’. Sommige auteurs zoals Iscan en coll. wijzen op het belang van etnische afkomst, met name voor ‘zwarten, die een snellere botrijping met een densere botstructuur vertonen’. Ontell et al. concluderen dat het gebruik van de methode van Greulich en Pyle met de nodige omzichtigheid gebruikt moet worden, met name voor Aziatische en Latino jongens en voor Latino meisjes of meisjes met een zwarte huidskleur. Wij concluderen hier dat er meer onderzoek vereist is naar de invloed van etnische afkomst op de betrouwbaarheid van de huidige methodes om botscans te interpreteren. Hiermee moet rekening gehouden worden wanneer de leeftijd geschat wordt.’ (stuk 4, p. 21) Het is duidelijk dat er effectief gerede twijfel bestaat over de nauwkeurigheid van de testen en dat de resultaten er jaren naast kunnen zitten. Op zijn minst dient verzoekers socio-economische achtergrond, nutritioneel niveau en zijn etnische herkomst mee in rekening gebracht te worden om tot een nauwkeuriger resultaat te komen. Het VN-Kinderrechtencomité heeft zich al meermaals uitgesproken over het gebrek aan betrouwbaarheid van dergelijke ‘triple test’, en heeft de noodzaak om degelijke leeftijdstesten te organiseren al meermaals opgenomen in haar aanbevelingen aan België: […] Vrije vertaling: ‘
  10. Het Comité verwelkomt de maatregelen die zijn genomen om te reageren op de aankomst van niet-begeleide minderjarigen, voornamelijk de procedure voor het vinden van een ‘duurzame oplossing’ in het belang van het kind voor niet-begeleide minderjarigen, ongeacht hun asielaanvraag en de uitbreiding van hun voogdijschap tot niet-begeleide minderjarigen uit de Europese Economische Ruimte. Het Comité is echter bezorgd over het volgende: a) De driefasen-test om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen vast te stellen is ingrijpend en onbetrouwbaar en de beroepsprocedure is niet doeltreffend; (...)
  11. Onder verwijzing naar de algemene opmerking nr. 6

(2005)van het Comité over de behandeling van niet-begeleide en gescheiden kinderen buiten hun land van herkomst beveelt het Comité de staat die partij is:
  1. a)een uniform protocol inzake leeftijdsbepalingsmethoden te ontwikkelen dat multidisciplinair en wetenschappelijk onderbouwd is, de rechten van het kind respecteert en alleen wordt gebruikt in geval van ernstige twijfel over de beweerde leeftijd en rekening houdend met de beschikbare bewijsstukken of andere vormen van bewijs, en te zorgen voor een doeltreffende beroepsprocedure;’. Ook het Europees Comité voor Sociale Rechten is deze visie toegedaan en meent ook dat de leeftijdstest op basis van botscans een schending uitmaakt van art. 17, §1 van het Herziene Europees Sociaal Handvest: […] Vrije vertaling: ‘Concluderend beschouwt het Comité dat medische leeftijdstesten zoals momenteel toegepast ernstige gevolgen kunnen hebben voor minderjarigen en dat het gebruik van bottesten om de leeftijd te bepalen van NBMV’s ongepast en onbetrouwbaar is en bijgevolg art. 17, §1 van het Charter schendt.’ Artikel 3 laatste lid van het KB van 22 december 2003 stelt dan ook dat het medische onderzoek niet enkel radiografisch onderzoek dient te bevatten maar XIV-38.067-8/19 onder meer ook psycho-affectieve tests kan omvatten, wat de nauwkeurigheid ongetwijfeld ten goede zou komen. Daarbij moet ook verwezen worden naar recente gezaghebbende interpretatie van de rechten van kinderen zoals vervat in het VRK, door het VN-Kinderrechtencomité, dat stelt: […] Vrije vertaling: ‘Om een geïnformeerde inschatting te maken van leeftijd moeten Staten een omvattend inschatting maken van de fysieke en psychische ontwikkeling van het kind, uitgevoerde door gespecialiseerde pediaters en andere professionelen die vaardig zijn in verschillende aspecten van ontwikkeling samen te brengen. Dergelijke inschattingen moeten gebeuren in een kindvriendelijke, gendersensitieve en cultureel geschikte wijze, met inbegrip van interview van kinderen en waar toepasselijk volwassenen die hen vergezellen, in een taal die het kind begrijpt. Documenten moeten als authentiek gezien worden indien het tegendeel niet bewezen wordt en verklaringen van kinderen, ouders of verwanten moeten in rekening gebracht worden. Het voordeel van de twijfel moet gegeven worden aan het individu waarvan de leeftijd wordt geschat. Staten moeten zich onthouden van het gebruik van medische methodes, zoals beenderonderzoek en tandenonderzoek, gezien dit onnauwkeurig kan zijn, met grote foutenmarges, en onnodig traumatiserend kan zijn en kan leiden tot onnodige juridische procedures. Staten moeten verzekeren dat hun beslissingen kunnen aangevochten worden voor een geschikt onafhankelijk lichaam.’ De onbetrouwbaarheid van de leeftijdstesten, werd ook bevestigd door het Zwitserse Tribunal Administratif Fédéral (stuk 10): De Zwitserse rechtbank stelt dat één enkele leeftijdstest onvoldoende is om een formele vaststelling te doen van de leeftijd van minderjarige en dat de diensten bij het nemen van hun beslissing rekening moeten houden met alle elementen. […] Vrije vertaling: ‘2.3 In het licht van deze verplichting moet de ZOM dus een prejudiciële beslissing nemen over de status van een asielzoeker als minderjarige, alvorens een vertrouwenspersoon aan te stellen en hem te horen, of over zijn redenen voor asiel (zie JICRA 1999 nr. 18, overweging 5 bis, 1999 nr. 2, overweging 2, enz.). 5, 1998 nr. 13, overweging 4 ter), of over de doorslaggevende feiten voor een Dublin-overdracht (zie ATAF-2011/23; overweging 5.4.6), indien er twijfel bestaat over de gegevens betreffende zijn leeftijd, met name wanneer de verzoeker zijn reisdocumenten of andere documenten aan de hand waarvan hij kan worden geïdentificeerd niet overlegt. Bij gebreke van identiteitsdocumenten moet de SEM een algemene beoordeling maken van alle elementen die voor of tegen de vermeende minderjarigheid pleiten, met dien verstande dat deze minderjarigheid moet worden toegelaten indien zij aannemelijk lijkt in de zin van artikel 7 van de Wet op de vrijheid van meningsuiting (zie JICRA 2004 nr. 30, punten 5 en 6). Het is dan ook aan hem om automatisch duidelijkheid te verschaffen over de gegevens over de leeftijd van de betrokkene, aan de hand van gerichte vragen over met name zijn levensloop, zijn opleiding, zijn beroepsopleiding en vroegere dienstbetrekking, zijn familiebanden en zijn reis en zijn land van herkomst of laatste verblijfplaats, waarbij eraan wordt herinnerd dat het aan de verzoeker is om zijn vermeende minderjarigheid aannemelijk te maken (zie JICRA 2005 nr. 16, overweging 2.3, en 2004 nr. 30, overwegingen 5 en 6). Volgens deze jurisprudentie heeft de schatting van de leeftijd op basis van de fysieke verschijning van de aanvrager een veel lagere bewijskracht wanneer men zich in de aanwezigheid bevindt van een jongere die beweert in de leeftijdsgroep tussen 15 en 25 jaar te zitten. Wat de botanalyse betreft, is het niet mogelijk om wetenschappelijk aan te tonen of iemand de leeftijd van de burgerlijke meerderjarigheid (scharnierende XIV-38.067-9/19 chronologische leeftijd van 18 jaar) heeft bereikt, vanwege de individuele variabiliteit (min of meer twee jaar) na 16 jaar (zie artikel 2, lid 1, van de richtlijn). Chaumoître, Colavolpe, Marcianochagnaud, Dutour, Boetsch, Leonetti, Panuel, Gebruik van de Greulich- en Pyle Atlas voor forensische doeleinden: relevantie en beperkingen, in: Journal of Radiology, Volume 88, No. 10, oktober 2007, p. 1544, online samenvatting op www.sciencedirect.com/science/article/pii/S02210363078175 74 [geraadpleegd: 9.1.19]; zie ook JICRA 2005 No. 16, overweeg 2.3). In zijn baanbrekend arrest E-891/2017 van 8 augustus 2018, bestemd voor publicatie, over forensische leeftijdsinschattingen voor de bepaling van de minderjarigheid of meerderjarigheid, onderzocht het Hof in het bijzonder de zogenaamde ‘drie pijlers’-methode (medisch klinisch onderzoek, radiografisch onderzoek van de linkerhand, onderzoek van de ontwikkeling van het tandheelkundig systeem en, indien de ontwikkeling van het skelet van de linkerhand compleet is, scannen van het sleutelbeen), aanbevolen door de AGFAD (Arbeitsgemeinschaft für Forensische Altersdiagnostik) van de Duitse vereniging voor forensische geneeskunde. Op basis van drie adviezen van deskundigen was de Commissie van mening dat de in Zwitserland toegepaste methoden voor de beoordeling van de medische leeftijd, indicatoren zijn die, afhankelijk van het resultaat, een verschillende weging moeten krijgen om te bepalen of iemand meerderjarig is, waardoor de driepijler-methode een hoge bewijskracht heeft (overweging 4.2.2). Hij bevestigde dat de gebruikelijke procedureregels voor de beoordeling van bewijsmateriaal van toepassing zijn. Tot slot wees hij erop dat, in een context van toenemend gebruik van de driepijler methode, hoe meer medische beoordelingen erop wijzen dat, als indicatie dat de persoon meerderjarig is, er minder behoefte is aan een algemene beoordeling van de bewijzen (overweging 4.2.2). […] Met andere woorden, deze methode kan, afhankelijk van de concrete resultaten, een hoge bewijskracht krijgen bij gebrek aan andere bewijzen. Het lijkt momenteel de beste wetenschappelijke optie te zijn (in die Emanuele Sironi/Joëlle Vuille/Franco Taroni, Forensic Estimation of the Age of Young Migrants, A Note on the Scientificity of the Methods Used in Switzerland, in: Jusletter, 8 oktober 2018, Rz 59). De evaluatie van de skeletontwikkeling van de linkerhand (of de rechterhand voor linkshandigen) met behulp van de Greulich & Pyle Atlas is gebaseerd op een schatting en maakt het mogelijk om het de betrokkene slechts een bepaalde ontwikkelingsfase toe te kennen, met een minimum- en een maximumleeftijdswaarde. Het bereik van plus of min twee standaardafwijkingen rond het gemiddelde vertegenwoordigt 95% van alle waarden, mits de waarden op een normale manier worden verdeeld. Het is vooral bekend dat sociaal-economische factoren de rijping van het bot kunnen beïnvloeden. Om deze redenen heeft de voormalige Commissie van Beroep voor asielzaken (hierna: ‘CRA’), die zich moest uitspreken over gevallen waarin de onduidelijkheden over de identiteit die hadden geleid tot een beslissing om geen gevolg te geven aan een asielverzoek, geoordeeld dat de enige resultaten van het onderzoek in kwestie alleen de verklaringen van de aanvrager over zijn leeftijd in twijfel konden trekken indien de geschatte leeftijd meer dan drie jaar verschilde van de opgegeven leeftijd (JICRA 2000 nr. 19, overweging 8, en overweging 4 quater van overweging 23, overweging 4 quater van de JICRA 2000). Het CRA had erop gewezen dat dit onderzoek alleen kon worden gebruikt om vast te stellen dat de persoon probeerde de autoriteiten te misleiden ten aanzien van zijn of haar identiteit, en niet als bewijs om de chronologische leeftijd van de persoon vast te stellen of om formeel vast te stellen, ongeacht de uitkomst, dat de persoon meerderjarig of minderjarig was. De resultaten van het botonderzoek voor een persoon die beweert ten tijde van het onderzoek 16 jaar of ouder te zijn, XIV-38.067-10/19 kunnen uit juridisch oogpunt worden beschouwd als ten hoogste een lage index voor of tegen de vermeende minderjarigheid (zie JICRA 2005 nr. 16, overwegingen 2.3, 2004 nr. 30, overwegingen 6.2 en 6.4.1). Deze jurisprudentie blijft geldig, zodat bij aanwezigheid van forensische resultaten van één enkele beoordeling op basis van een röntgenfoto van de linkerhand, de SEM niet mag concluderen dat de betrokken asielzoeker in de meerderjarigheid is, zonder dat er een algemene beoordeling van de bewijzen heeft plaatsgevonden.’ Dit arrest handelt over de situatie waarbij een minderjarig geen enkele documenten m.b.t. zijn identiteit had voorgelegd. Het is duidelijk dat de documenten die verzoeker in casu heeft voorgelegd zeker mee in overweging moet worden genomen bij de algemene beoordeling van zijn leeftijd. Zoals wordt uiteengezet zijn de resultaten van het medisch onderzoek in haar huidige vorm hoogst onbetrouwbaar te noemen. Verwerende partij dient niet enkel gebruik te maken van de mogelijkheid die haar geboden wordt een psycho-affectieve test uit te voeren, deze zou op basis van het voorgaande een positieve verplichting moeten zijn. In de bestreden beslissing stelt verwerende partij dat ‘overwegende dat het medische onderzoek door de wet is ingesteld als ultiem bewijsmiddelen om al dan niet minderjarigheid van de betrokkene te achterhalen’. Dit is een schending van artikel 3 laatste lid van het KB van 22 december 2003. Wat betreft de eigenlijke testuitslagen dient het volgende opgemerkt te worden. Voor de handpolsradiografie wordt gesteld dat gebruik gemaakt werd van de ‘Radiographic atlas of skelettal development of the hand and wrist’, van Geulich en Pyle (second edition 1959). Deze methode werd niet ontwikkeld om op basis van de botleeftijd de werkelijke leeftijd van een persoon te kunnen afleiden, maar om een andere reden: de tabellen werden opgesteld om vroeg- of laattijdige botrijping op te sporen en zo een groeiachterstand bij kinderen of adolescenten vast te stellen. De methode is dus bedoeld om de leeftijd van het skelet te bepalen ten opzichte van de chronologische leeftijd, en niet omgekeerd. In casu wordt de methode van Greulich en Pyle omgekeerd toegepast, hetgeen nooit door de auteurs van de methode gevalideerd werd (stuk 3, p. 19). Bovendien geven de onderzoeksresultaten van de handpols-radiografie aan dat het ‘wijst in de richting van een persoon met matuur skelet’. Er wordt bijgevolg niet uitgesloten dat de polsleeftijd ook kan overeenkomen met een botleeftijd onder de 18 jaar. Wat betreft het onderzoek van de wijsheidstanden dient ook hier gewezen te worden op het controversiële karakter van de test. Een vaak terugkerende kritiek is dat men er niet vanuit kan gaan dat deze resultaten ook gelden voor jongeren van ander origine (zie hoger). De bewoordingen van het medisch advies geven aan dat er ruimte is voor twijfel. Los van de onbetrouwbaarheid van de resultaten valt namelijk de volgende bewoording op in de bestreden beslissing: ‘het tandheelkundig onderzoek wijst in de richting van...’, ‘het onderzoek van de handpols-radiografie wijst in de richting van...’ en ‘het onderzoek van de clavicula-radiografie toont hier aan dat de persoon in kwestie waarschijnlijk een leeftijd heeft rond...’. Deze testen kunnen bijgevolg geen uitsluitsel bieden dat verzoekers aangegeven leeftijd niet zou kloppen. Indien we dan nog in rekening brengen dat er voor deze testen afwijkingen mogelijk zijn van meerdere jaren voor jongens, zeker waar geen rekening werd gehouden met etnische origine, sociaaleconomische afkomst en voedingspatroon, zitten we met onnauwkeurige resultaten, waarbij er sterke indicaties zijn dat verzoeker zijn verklaarde leeftijd heeft. Verwerende partij ging dan ook onzorgvuldig te werk door op basis van een medisch onderzoek waarbij geen relevante criteria zijn gebruikt die rekening houden met verzoekers afkomst, etnie, socio-economische geschiedenis en XIV-38.067-11/19 voedingspatroon, te besluiten dat verzoeker meerderjarig is. Het feit dat van de mogelijkheid vervat in artikel 3 van het KB van 22 december 2003 omtrent psycho-affectieve tests geen gebruik werd gemaakt, leidt tot een schending van de zorgvuldigheidsplicht. Verder werd ook de motiveringsplicht geschonden. Uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 blijkt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet tevens afdoende zijn. Gelet op het feit dat met betrekking tot de precieze informatie die verzoeker verschaft werd, en zijn instemming of het gebrek eraan geen motieven werden opgenomen, gelet op het feit dat er onvoldoende gemotiveerd wordt waarom er geen rekening gehouden wordt met de authentieke documenten van verzoeker en gelet op het feit dat de beslissing wordt genomen op basis van medische onderzoeken die geen weerslag vinden in de vakliteratuur wordt de motiveringsplicht geschonden. Tot slot werd ook artikel 7 van Titel XIII, hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de Programmawet van 24 december 2002 geschonden. Dit artikel bepaalt immers dat in geval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek, er met de jongste leeftijd rekening wordt gehouden. In casu biedt het medisch onderzoek geen zekerheid omtrent de meerderjarigheid van verzoeker, waardoor verwerende partij de jongste leeftijd van verzoeker had moeten aanhouden. Het feit dat er geen relevante criteria zijn gebruikt die rekening houden met verzoekers afkomst, etnie, socioeconomische geschiedenis en voedingspatroon en er afbreuk gedaan werd aan de bewijswaarde van de authentieke akten, miskennen het hoger belang van het kind zoals vervat in artikel 24.2 van het EU Handvest, dat de eerste overweging zou moeten vormen. Het feit dat van de mogelijkheid vervat in artikel 3 van het KB van 22 december 2003 omtrent psycho-affectieve tests geen gebruik werd gemaakt, leidt eveneens tot een miskenning van het hoger belang van het kind. Er had immers veel zorgvuldiger kunnen omgesprongen worden met verzoekers minderjarigheid, de gebreken van de tests en de authentieke akten die hij voorgelegd heeft. De bestreden beslissing dient te worden nietig verklaard.” 5. In de memorie van wederantwoord verwijst verzoeker nog naar overweging 33 van richtlijn 2013/32, naar luid waarvan het belang van het kind een eerste overweging van de lidstaten dient te zijn bij de toepassing van die richtlijn. De medische leeftijdstest is een toepassing van artikel 25.5 van die richtlijn. Verzoeker acht artikel 24.2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing en hij wijst vervolgens op de in artikel 41 van het Handvest vervatte motiveringsplicht die ook als algemeen rechtsbeginsel geldt. Waar de verwerende partij stelt dat conform artikel 30 van het WIPR authentieke documenten geen bewijskracht hebben indien ze niet gelegaliseerd zijn, merkt verzoeker op dat dit niet wordt vermeld in de bestreden beslissing. De Iraakse documenten zijn beëdigd vertaald en verzoeker kan XIV-38.067-12/19 onmogelijk de originele stukken overleggen. Verzoeker wijst ook op de samenwerkingsplicht op grond waarvan de lidstaten moeten samenwerken met de betrokkenen om alle elementen te verzamelen. Hij laat gelden dat het medisch onderzoek, gelet op de onbetrouwbaarheid ervan, geen geschikt tegenbewijs vormt voor de aangebrachte Iraakse documenten. Verzoeker gaat nader in op de richtlijnen van het Europees Ondersteuningsbureau voor Asielzaken, waarin wordt gewezen op de voorrang die psychosociale tests genieten boven medische tests, en op rechtsleer in dezelfde zin. Op grond van dit alles is verzoeker van oordeel dat de beperking van het onderzoek tot een medische leeftijdstest, zonder enige motivering hierover, niet verzoenbaar is met het hoger belang van het kind. Er dient een interview te worden afgenomen van verzoeker, waarbij rekening wordt gehouden met de authentieke Iraakse documenten die overeenstemmen met zijn verklaarde leeftijd. Verzoekers hoger belang is niet gebaat bij een dermate snelle beslissing over zijn leeftijd dat hij daarover niet eerst uitvoerig kan worden gehoord. De verwerende partij is derhalve onzorgvuldig te werk gegaan door uitsluitend gebruik te maken van de medische test, zonder te motiveren waarom geen psychosociale test werd afgenomen en zonder andere informatie in ogenschouw te nemen. Verzoeker acht het onredelijk in de gegeven omstandigheden dat hij niet het voordeel van de twijfel geniet. Beoordeling 6. Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32 kunnen “de lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van deze bepaling, kan er geen verplichting uit worden afgeleid om aan de vreemdeling, nadat deze laatste een verklaring heeft afgelegd, mee te delen welke de redenen XIV-38.067-13/19 zijn om te twijfelen aan de door de vreemdeling opgegeven leeftijd. In de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” van 21 februari 2018, die deel uitmaakt van het administratief dossier, staat overigens aangegeven dat de betrokkene werd geïnformeerd over de geuite twijfel. Naar luid van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32, zorgen de lidstaten ervoor dat “de niet-begeleide minderjarige, voordat het verzoek om internationale bescherming wordt behandeld, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen” en wordt daarbij “onder meer informatie verstrekt over de onderzoeksmethode en over de mogelijke gevolgen van het medische onderzoek voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, alsook over de gevolgen indien de niet-begeleide minderjarige weigert het medische onderzoek te ondergaan”. Te dezen staat in de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” betreffende verzoeker vermeld dat hij het document dat hem informeert over het verloop van de leeftijdstest heeft ontvangen en dat hij zich niet verzet tegen de uitvoering van een leeftijdstest. Uit het verslag van het leeftijdsonderzoek blijkt dat verzoeker op 18 maart 2019 was vergezeld van “personeel van fedasil en/of dienst voogdij”. Ook toen heeft verzoeker zich niet verzet tegen het leeftijdsonderzoek, dat zonder zijn medewerking immers niet had kunnen worden uitgevoerd. Omwille van deze elementen blijkt dan ook niet dat de voornoemde voorwaarden van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32 niet werden gerespecteerd. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond. 7. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in die XIV-38.067-14/19 beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan achttien jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Verzoeker blijkt trouwens kennis te hebben van het verslag van het deskundig onderzoek vermits hij in het middel ingaat op de (resultaten van
  2. de)verschillende deelonderzoeken en zich verzet tegen de beoordeling van die resultaten in de bestreden beslissing. In de bestreden beslissing wordt ook verwezen naar de door verzoeker overgelegde identiteitskaart en nationaliteitsbewijs. Dienaangaande wordt overwogen dat het medisch onderzoek door de wet is ingesteld als ultiem bewijsmiddel om de al dan niet minderjarigheid van de betrokkene te achterhalen, dat op grond van artikel 28 van het WIPR de bewijskracht van authentieke documenten een vermoeden iuris tantum is zodat het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten met alle bewijsmiddelen kan worden geleverd en dat het medisch onderzoek dergelijk bewijsmiddel vormt. Vervolgens wordt overwogen dat de verschillen tussen de ondergrens van het medisch onderzoek en de documenten zich binnen een redelijke marge moeten bevinden om de documenten in aanmerking te nemen, dat te dezen een verschil van zeven jaar blijkt tussen de in de documenten gestipuleerde geboortedatum en de resultaten van het medisch onderzoek, dat dit verschil niet redelijk is en dat bijgevolg de resultaten van het medisch onderzoek voorrang hebben. Uit deze motivering blijkt duidelijk waarom in de bestreden beslissing voorrang wordt gegeven aan de resultaten van het leeftijdsonderzoek boven de gegevens in verzoekers documenten. Het enige middel is ongegrond wat de aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ betreft. XIV-38.067-15/19 8. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 18 maart 2019 om “een leeftijd […] van ouder dan 18 jaar waarbij 24,4 jaar een minimumleeftijd is”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de XIV-38.067-16/19 deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Verzoeker geeft een eigen interpretatie aan de verschillende onderzoeksresultaten doch hij toont daarmee niet aan dat de eindconclusie van het medisch verslag in strijd is met de gedane vaststellingen. Het gebruik van de woorden “wijst in de richting van” of “waarschijnlijk” duidt niet op twijfel, zoals verzoeker insinueert, doch het betreft een eerste schatting in iedere afzonderlijke test zonder dat de exacte leeftijd moet worden bepaald. Bij de handpolsradiografie wordt niet enkel aangegeven dat deze “wijst in de richting van een persoon met een matuur skelet”, maar wordt concreet vastgesteld “dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een volwassen skelettale leeftijd” en dat op basis hiervan “de skelettale leeftijd geschat [kan] worden op minstens 18 jaar”. Bij de radiografie van het sleutelbeen wordt aangegeven “dat de mediale epiphysaire kraakbeen van beide sleutelbeenderen reeds verbeend is, met visualisatie van een dense lijn type ‘scar’”, wat overeenstemt “met een gemiddelde leeftijd van 26,7 jaar en een standaarddeviatie van 2,3 jaar”. Bij het orthopantomogram wordt aangegeven dat bij deze techniek een bovengrens geldt, dat, eens alle wijsheidstanden volledig afgevormd zijn, men geen oudere leeftijd kan vaststellen en dat het ontwikkelingsstadium bij drie volledig afgevormde wijsheidstanden “tenminste 21,39 jaar” bedraagt. Deze afzonderlijke resultaten zijn geenszins in strijd met de eindconclusie dat verzoeker ouder dan 18 jaar blijkt te zijn. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. Het enige middel is ongegrond wat de schending van artikel 7 van de voogdijwet en van het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur betreft. XIV-38.067-17/19 9. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de informatie uit de overgelegde documenten wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. Gezien hetgeen supra is gesteld over het medisch onderzoek als door de wet ingesteld bewijsmiddel bij twijfel over de opgegeven leeftijd, was de dienst Voogdij er evenmin toe gehouden andere vormen van onderzoek te voeren. Het enige middel is in die mate ongegrond. 10. Anders dan verzoeker voorhoudt, moet de dienst Voogdij een identiteitskaart en een nationaliteitsbewijs niet laten primeren op de resultaten van het medisch leeftijdsonderzoek. Hiervoor kan, onder meer, worden gewezen op artikel 28, § 2 van het WIPR, naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten met alle middelen mag worden aangebracht. Het resultaat van een medische leeftijdsbepaling vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel en verzoekers kritiek daartegen is ongegrond bevonden. XIV-38.067-18/19 Het enige middel is in die mate ongegrond. 11. Verzoeker kan niet dienstig verwijzen naar artikel 24.2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, vermits met de bestreden beslissing is vastgesteld dat hij ouder is dan 18 jaar en zijn kritiek daartegen ongegrond is bevonden. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.067-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.786 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.