← België

Arrest 247803 - Varia (economische zaken) - 16/06/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.803 Rolnummer: A. 225472/XIV-37750 Zaak: Arrest 247803 - Varia (economische zaken) - 16/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-16 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 247.803 van 16 juni 2020 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.803 van 16 juni 2020 in de zaak A. 225.472/XIV-37.750 In zake :

  1. Joris J. DE SMET
  2. bvba Joris J. DE SMET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom De Sutter en Dorien Geeroms kantoor houdend te 9000 Gent, Koning Albertlaan 128, bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Ruben Veranneman, kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 18 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van “het koninklijk besluit van 26 april 2018 ‘houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 april 2018’ (tweede uitgave)”. XIV-37.750-1/23 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Op vraag daartoe van de Raad van State, zijn de partijen ermee akkoord gegaan dat de zaak wordt behandeld zonder openbare terechtzitting. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft vervolgens een geschreven met dit arrest eensluidend advies neergelegd. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 12 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Vóór de opheffing ervan bij artikel 70 van de wet van 11 augustus 2017 ‘houdende invoeging van het Boek XX “Insolventie van ondernemingen”, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht’ (hierna: de wet XIV-37.750-2/23 van 11 augustus 2017), luidde artikel 33 van de Faillissementswet van 8 augustus 1998 als volgt: “Het ereloon van de curators wordt bepaald naar verhouding van het belang en de complexiteit van hun opdracht. Het mag niet uitsluitend worden uitgedrukt in een procentuele vergoeding op basis van de gerealiseerde activa. De regels en barema’s tot vaststelling van het ereloon worden door de Koning bepaald. Hierbij bepaalt de Koning welke prestaties en kosten door het ereloon worden gedekt. De Koning kan tevens bepalen welke kosten afzonderlijk worden vergoed en op welke wijze ze worden begroot. Bij elk verzoek tot toekenning van een ereloon wordt een gedetailleerd overzicht van de te vergoeden prestaties gevoegd. De rechter kan, op verzoek van de curators en op eensluidend advies van de rechter-commissaris provisionele kosten en een provisioneel ereloon vaststellen. Behoudens bijzondere omstandigheden mag het geheel van de provisionele kosten en ereloon niet hoger zijn dan drie vierden van de sommen vastgesteld volgens de door de Koning bepaalde vergoedingsregels. In geen geval kan het provisioneel ereloon worden begroot wanneer de curators de in artikel 34 bedoelde verslagen niet neerleggen.” Op grond van de Hem bij artikel 33 van de Faillissementswet verleende machtiging, vaardigt de Koning het besluit uit van 10 augustus 1998 ‘houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de curatoren’ (hierna: het koninklijk besluit van 10 augustus 1998). 3.
  7. Artikel XX.20, §§ 3, 4 en 5, van het Wetboek economisch recht (hierna: het WER), ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 11 augustus 2017, zoals gewijzigd bij artikel 218 van de wet van 15 april 2018 en in werking getreden op 1 mei 2018 bepalen: “[…] §
  8. De kosten en erelonen van de curatoren worden vastgesteld in verhouding tot het belang en de complexiteit van hun opdracht, in de vorm van een proportionele vergoeding op de gerealiseerde activa en desgevallend rekening houdend met de tijd nodig voor de vervulling van hun prestaties. De kosten en erelonen van de andere insolventiefunctionarissen worden vastgesteld in verhouding tot het belang en de complexiteit van hun opdracht en op grond van de tijd nodig voor de vervulling van hun prestaties en desgevallend rekening houdend met de waarde van de activa. De Koning bepaalt de regels en de barema’s betreffende de vaststelling van de erelonen van de curatoren en stelt de grondslag vast waarop de insolventiefunctionarissen worden vergoed. §
  9. De Koning kan tevens bepalen welke kosten afzonderlijk worden vergoed en op welke wijze ze worden begroot. XIV-37.750-3/23 Bij elk verzoek tot toekenning van een ereloon wordt een gedetailleerd overzicht van de te vergoeden prestaties gevoegd. Bij elk verzoek tot toekenning van de kostenvergoeding, worden de stukken die deze kosten verantwoorden gevoegd. Voor de faillissementen waarvan de activa niet voldoende zijn om de beheers- en vereffeningskosten van de boedel te dekken, wordt een forfaitaire vergoeding van de curator bepaald waarvan het jaarlijks geïndexeerd bedrag door de Koning wordt bepaald. §
  10. Op verzoek van de curatoren en op eensluidend advies van de rechter-commissaris kan de rechtbank de curator toestaan om onkostenvergoedingen en een provisioneel ereloon in te houden waarvan zij het bedrag bepaalt. Behoudens bijzondere omstandigheden mag het geheel van de provisionele kosten en het provisioneel ereloon niet hoger zijn dan drie vierden van de sommen vastgesteld volgens de door de Koning bepaalde vergoedingsregels. In geen geval kan het provisioneel ereloon worden toegekend wanneer de curatoren de in het artikel XX.130 bedoelde verslagen niet in het register neerleggen. De rechtbank kan op verzoek van de andere insolventiefunctionarissen onkostenvergoedingen en een provisioneel ereloon toekennen. […]”. 3.
  11. De wet van 11 augustus 2017 bevat de volgende opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen: “Afdeling X. - Opheffingsbepalingen Art.
  12. Onder voorbehoud van de toepassing ervan op de faillissementsprocedures die lopen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, wordt de Faillissementswet van 8 augustus 1997 opgeheven. De artikelen 19 en 101 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 worden opgeheven op de dag van de inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat betreft de zekerheidsrechten en de afschaffing van diverse bepalingen ter zake. Art.
  13. Onder voorbehoud van de toepassing ervan op de procedures van gerechtelijk reorganisatie die lopen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, wordt de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen opgeheven. Hoofdstuk IV. - Overgangsbepalingen Art.
  14. De bepalingen van deze wet zijn toepasselijk op insolventieprocedures geopend vanaf de inwerkingtreding van deze wet. De verrichtingen van openbare verkoop, uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 1193, 1209, 1214, 1224 en 1587 van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan de dag van de eerste verkoopzitting of, in geval van gedematerialiseerde biedingen, de dag van het begin van de biedingen oorspronkelijk wordt bepaald binnen een termijn van vier maanden na de inwerkingtreding van de artikelen 27, 30, 31, 32, 35, 36, 39, 41 tot 47, blijven geregeld door de bepalingen zoals zij van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van deze wet.” XIV-37.750-4/23 Overeenkomstig artikel 76 treedt de wet van 11 augustus 2017 en dus ook artikel XX.20 WER ervan, in werking op 1 mei
  15. 3.
  16. Op grond van de Hem verleende machtigingen neemt de Koning het besluit van 26 april 2018 ‘houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen’ (BS, 27 april 2018). Dit is het bestreden besluit. 3.
  17. Het bestreden besluit maakt tevens het voorwerp uit van een ander beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, gekend onder het nummer G/A 225.215/XV-
  18. Bij tussenarrest nr. 246.083 van 14 november 2019 wordt in die zaak na verwerping van de meeste middelen, een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  19. De verzoekende partijen voeren een schending aan van artikel 105 van de Grondwet, artikel 72 van de wet van 11 augustus 2017, artikel 33 van de Faillissementswet en artikel XX.20 van het WER. Zij zetten uiteen dat artikel 72, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017 geen bijzondere toelichting heeft gekregen in de parlementaire voorbereiding waaruit zij afleiden dat het een duidelijke wettelijke bepaling is die correct door de Koning moet worden uitgevoerd. Elke bepaling van de wet van 11 augustus 2017 is - zonder enig onderscheid - slechts toepasselijk op insolventieprocedures geopend vanaf de inwerkingtreding van deze wet op 1 mei
  20. Artikel XX.20, §§3, 4 en 5, van het WER is dus eveneens slechts van toepassing op insolventieprocedures geopend XIV-37.750-5/23 vanaf de inwerkingtreding van deze wet op 1 mei
  21. Uit het samenlezen van de artikelen 1, 15, 16 en 17, van het bestreden besluit blijkt dat in tegenspraak met artikel 72, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017 de nieuwe regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen niet enkel van toepassing zijn op de faillissementen/insolventieprocedures vanaf 1 mei 2018, maar ook “op lopende insolventieprocedures waarin de curator het verzoek tot toekenning van een ereloon en een kostenvergoeding nog niet heeft neergelegd, vanaf de inwerkingtreding van dit besluit”, zijnde dus deze lopende voorafgaand aan 1 mei
  22. Meer nog, zo stellen de verzoekende partijen, “[d]e door de insolventiefunctionaris reeds ontvangen provisies worden op de uiteindelijke kostenstaat verrekend”. De nieuwe regels worden bijgevolg onverkort toegepast op prestaties die reeds vóór 1 mei 2018 zijn geleverd; “[d]e retroactieve toepassing van het bestreden besluit op de reeds voorafgaand aan 1 mei 2018 lopende faillissementen/insolventieprocedures is uitdrukkelijk in strijd met artikel 72, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017 en aldus onwettig”. Op de reeds voorafgaand aan 1 mei 2018 lopende faillissementen/insolventieprocedures kunnen enkel de (oude) regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen worden toegepast. De Koning heeft met miskenning van artikel 105 van de Grondwet zijn uitvoerende bevoegdheid onwettig aangewend. Het samenlezen van artikel 72 van de wet van 11 augustus 2017 met de artikelen 1, 15, 16 en 17 van het bestreden besluit leidt volgens de verzoekende partijen tot de conclusie dat alhoewel de faillissementen/insolventie- procedures geopend vóór de datum van 1 mei 2018, onderworpen zijn aan de vroegere wetgeving, inzonderheid de Faillissementswet en de wet van 31 januari 2009 ‘betreffende de continuïteit van de ondernemingen’ (hierna: de wet van 31 januari 2009), het bestreden besluit van deze wettelijke regel afwijkt door voor te schrijven dat de nieuwe barema’s en regels tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen op deze insolventieprocedures van toepassing zijn zoals vastgelegd in het bestreden besluit. Zowel vanuit praktisch, als vanuit juridisch oogpunt is deze situatie uitermate problematisch. De verzoekende partijen wijzen daarvoor “bij wijze van voorbeeld” op de regeling XIV-37.750-6/23 voor de ‘kosten aan derden’ binnen het kader van een faillissementsprocedure: onder de (oude) Faillissementswet geldt de regel dat deze door de rechter-commissaris worden begroot (artikel 53 van de Faillissementswet), terwijl onder het regime van boek XX van het WER deze kosten voortaan door de rechtbank worden begroot (artikel XX.145, van het WER). Zij vragen zich af wat de rechter-commissaris en de curator moeten doen met betrekking tot ‘kosten aan derden’ die zijn of worden gemaakt in de op 1 mei 2018 lopende faillissementen/insolventieprocedures: zal de rechter-commissaris krachtens artikel 53 van de Faillissementswet deze kosten moeten begroten, nu de regels van Boek XX krachtens artikel 72 van de wet van 11 augustus 2017 niet van toepassing zijn en de oude wetgeving geldt? Of primeert dan toch de nieuwe regeling zoals voorzien in artikel XX.145, van het WER, zoals verder uitgewerkt in artikel 7, § 2, 1°, van het bestreden besluit? Volgens de verzoekende partijen is het in elk geval onmiskenbaar dat de vraag naar de mogelijke onwettigheid van het bestreden besluit een vlotte afhandeling en afsluiting van de faillissementen/insolventie- procedures zal verhinderen nu de discussies hierover voorafgaandelijk zullen moeten worden gevoerd bij de beoordeling van de taxatieverzoeken. Noch artikel 33 van de Faillissementswet, noch artikel XX.20, van het WER kunnen een rechtsgrond bieden voor de retroactieve toepassing van het bestreden besluit. De machtiging aan de Koning om de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen vast te stellen, houdt immers op geen enkele wijze enige machtiging in om regels retroactief toe te passen en afbreuk te doen aan de gecreëerde verwachtingen en aanspraken van de insolventie- functionarissen die een opdracht hebben aanvaard onder andere voorwaarden. De verzoekende partijen stellen tot slot nog dat “[i]n afwachting van een uitspraak van de Raad van State over het beroep tot nietigverklaring, het aan elke burgerlijke insolventierechter toe[komt] om op grond van artikel 159, Grondwet (exceptie van onwettigheid) het bestreden besluit buiten toepassing te laten bij de bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen en de oude regels en barema’s toe te passen.”. XIV-37.750-7/23 In hun memorie van wederantwoord volharden de verzoekende partijen. Zij herhalen in hun memorie van wederantwoord hun kritiek op het bestreden besluit wat de ‘kosten aan derden’ betreft waarvoor krachtens artikel 7, § 2, 1° van het bestreden besluit de rechter-commissaris voorafgaande machtiging dient te verlenen om ten laste van de boedel te kunnen worden gebracht. Artikel XX.154, tweede lid, van het WER schrijft evenwel voor dat de “kosten aan derden voortaan door de rechtbank worden begroot”. Hierdoor heeft artikel 52 van de Faillissementswet “ingrijpende wijzigingen” ondergaan. Het wettelijk voorschrift uit artikel 72 van de wet van 11 augustus 2017 wordt tegengesproken door de onmiddellijke inwerkingtreding van het bestreden besluit dat voorschrijft dat omtrent de kosten betaald aan derden de rechter-commissaris een machtiging moet verlenen en de uiteindelijke begroting door de rechter dient te gebeuren zoals dit omschreven staat in artikel XX.145 van het WER dat volgens de verzoekende partijen krachtens de overgangsbepaling van artikel 72 van de wet van 11 augustus 2017 echter nog niet van toepassing is omdat die bepaling over faillissementen gaat die open worden verklaard vóór 1 mei
  23. Krachtens die bepaling moet voor oude faillissementen de rechter-commissaris de kosten aan derden begroten conform artikel 52 van de Faillissementswet terwijl het bestreden besluit dit uitdrukkelijk niet meer voorziet, zodat een schending van de in het eerste middel aangehaalde bepalingen vaststaat. Ter weerlegging van het verweer van de verwerende partij dat een wet slechts terugwerkende kracht heeft wanneer deze rechtsgevolgen vastknoopt aan rechtsfeiten die dateren van vóór de inwerkingtreding ervan of ingeval van “durende rechtsfeiten die zijn afgelopen vóór de inwerkingtreding”, voeren de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord aan dat het precies dat is wat het bestreden besluit doet. “Bij wijze van voorbeeld” kan daartoe volgens de verzoekende partijen worden verwezen, eensdeels, naar “de post ‘kosten’, met name de administratieve kosten en andere kostenposten die niet onder de regeling vallen van artikel 7 van het bestreden besluit” en, anderdeels, naar “het feit dat in het bestreden besluit niet langer wordt voorzien in een vergoeding voor de curator met betrekking tot het ‘buitengewoon ereloon’.”. Wat XIV-37.750-8/23 die administratieve kosten en andere kostenposten betreft, blijkt uit het verslag aan de Koning bij het bestreden besluit dat die kosten niet afzonderlijk aan de boedel kunnen worden aangerekend maar voortaan door het ereloon worden gedekt terwijl de kostenposten die daar wel onder vallen per geval worden beoordeeld door de rechtbank en er voor die kosten geen forfaitaire berekeningswijze moet worden voorzien. Artikel 7 van het bestreden besluit voorziet volgens de verzoekende partijen niet meer in de vergoeding van “administratiekosten en andere kantoorkosten” terwijl dat wel het geval was in artikel 11 van het koninklijk besluit van 10 augustus
  24. Er is dan ook wel degelijk sprake van “rechtsgevolgen vastknopen aan rechtsfeiten die dateren van voor hun inwerkingtreding of die, ingeval van durende rechtsfeiten, zijn afgelopen voor hun inwerkingtreding” en bijgevolg van terugwerkende kracht van het bestreden koninklijk besluit. Het gegeven dat de vergoeding voor administratie- en andere kantoorkosten onder het regime van het bestreden koninklijk besluit niet meer bestaat schendt het rechtmatig vertrouwen van die curator die ze gemaakt heeft en het gegeven dat de vaststelling van de vergoeding voor deze soort kosten pas gebeurt door de rechtbank in het taxatievonnis verandert niets aan de vaststelling dat het nieuwe koninklijk besluit ook hier wel degelijk terugwerkende kracht heeft, wat tot gevolg heeft dat de rechtbank zelfs niet meer de mogelijkheid heeft om de curator te vergoeden voor de administratie- en andere kantoorkosten die hij gemaakt heeft, in de wetenschap dat de curator deze wel vergoed zou krijgen in toepassing van de regelgeving zoals die bestond, namelijk het voormelde koninklijk besluit van 10 augustus
  25. Het rechtsfeit is in deze de administratie- en kantoorkosten die gemaakt zijn en het rechtsgevolg van het bestreden koninklijk besluit is de vaststelling dat de curator voor deze in het verleden gemaakte kosten met betrekking tot oude faillissementen niet meer wordt vergoed en niet meer kan noch mag worden vergoed. Volgens de verzoekende partijen “slaat de [verwerende partij] de bal ook mis” waar zij stelt dat voor de curator het recht om te worden vergoed pas ontstaat bij de taxatie van zijn ereloon en kosten. Volgens hen geniet de curator dit recht krachtens de regelgeving zelf op het ogenblik dat de kosten worden gemaakt (artikel 11 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998). Wat het “buitengewoon ereloon” betreft, wijzen de verzoekende partijen “bij wijze van XIV-37.750-9/23 tweede voorbeeld” op het feit dat in de bestreden regeling niet langer wordt voorzien in een vergoeding voor de curator met betrekking tot het “buitengewoon ereloon” dat werd vergoed, al dan niet bij sluiting van het faillissement, terwijl het “buitengewoon ereloon” onder het regime van het bestreden besluit niet langer bestaat. Hierdoor wordt het rechtmatig vertrouwen geschonden van die curator. Dat de toekenning van dit buitengewoon ereloon pas gebeurt door de rechtbank in het taxatievonnis verandert niet de vaststelling dat het bestreden besluit wel degelijk terugwerkende kracht heeft, namelijk doordat de rechtbank zelfs niet meer de mogelijkheid heeft om de curator, die van buitengewone prestaties doet blijken, bijzonder te vergoeden met een buitengewoon ereloon. In hun laatste memorie verwijzen de verzoekende partijen naar de uiteenzettingen in hun eerdere procedurestukken waarin zij volharden. Voorts repliceren zij daarin dat, anders dan in het auditoraatsverslag wordt gesteld, hun kritiek met betrekking tot de administratiekosten en andere kantoorkosten niet laattijdig is doch slechts een illustratie vormen dat het bestreden besluit wel degelijk terugwerkende kracht heeft waarbij afbreuk wordt gedaan aan hun rechtmatige verwachtingen en rechten in plaats van “onmiddellijke inwerkingtreding”. Op lopende faillissementen behoort de oude regelgeving van toepassing te blijven tenzij de nieuwe regeling gunstiger zou zijn. De verzoekende partijen laten evenmin een subjectief recht gelden op het ongewijzigd blijven van een reglementering. Zij menen daarentegen wel dat de reglementering over de vergoeding van hun kosten en ereloon, van toepassing op het ogenblik van het aanvaarden van de opdracht als curator, van toepassing moet blijven op opdrachten welke nog niet zijn afgerond. Een nieuwe reglementering kan uiteraard worden uitgevaardigd voor opdrachten die na de inwerkingtreding van de nieuwe reglementering worden aangenomen. Op dat moment kan de curator beslissen de opdracht al dan niet aan te nemen. Beoordeling XIV-37.750-10/23
  26. Uit de artikelen 1, 15, 16 en 17 van het bestreden besluit leiden de verzoekende partijen af dat aan het bestreden besluit terugwerkende kracht wordt verleend. Artikel 1 van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de vergoeding van de curator bepaalt: “Artikel
  27. De bepalingen in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de vergoedingen van curatoren bedoeld : - in artikel 33 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997; - in artikel XX.20, § 3, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht.”. De artikelen 15 tot 17 ervan die deel uitmaken van ‘Hoofdstuk 3 - inwerkingtredings-, overgangs- en opheffingsbepalingen’ luiden: “Art.
  28. Dit besluit treedt in werking op 1 mei
  29. De bepalingen van dit besluit zijn toepasselijk op lopende insolventie- procedures waarin de curator het verzoek tot toekenning van een ereloon en een kostenvergoeding nog niet heeft neergelegd, vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. De door de insolventiefunctionaris reeds ontvangen provisies worden op de uiteindelijke kostenstaat verrekend. Art.
  30. Het Koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de curatoren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 10 mei 2006, wordt opgeheven. Art.
  31. Het Koninklijk besluit van 30 september 2009 houdende vaststelling van de regels en barema’s betreffende de erelonen en de kosten van de gerechtsmandatarissen en van de voorlopige bestuurders wordt opgeheven.”.
  32. De verzoekende partijen voeren aan dat er retroactieve toepassing is van het bestreden besluit doordat de nieuwe regels onverkort worden toegepast op prestaties die reeds voor 1 mei 2018 zijn geleverd hoewel de Koning niet de bevoegdheid heeft gekregen zijn regeling te laten terugwerken. Krachtens een algemeen rechtsbeginsel hebben reglementaire besluiten geen terugwerkende kracht zodat zij in beginsel geen bindende rechtsgevolgen kunnen sorteren op een datum voorafgaand aan de bekendmaking ervan. Een reglement heeft terugwerkende kracht wanneer het van toepassing XIV-37.750-11/23 wordt gemaakt op vóór zijn bekendmaking definitief verworven toestanden, verrichte handelingen of gebeurde feiten. De terugwerkende kracht is een uitzondering op de regel van de onmiddellijke werking. De onmiddellijke werking of toepassing van de regel houdt in dat de nieuwe regel van toepassing is op de toestanden die na zijn inwerkingtreding zijn ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere regel ontstane toestanden, die zich voordoen of voortduren onder gelding van de nieuwe regel. De toepassing van de nieuwe regel vermag echter geen afbreuk te doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
  33. Anders dan de verzoekende partijen het zien, heeft de bestreden regeling geen terugwerkende kracht maar kent hij onmiddellijke toepassing. Het bestreden besluit bevat immers een overgangsregeling voor de curatoren die reeds een verzoek tot toekenning van een ereloon en een onkostenvergoeding hebben neergelegd. Dit blijkt niet alleen uit de hiervoor aangehaalde artikelen 15 tot 17 maar ook uit het verslag aan de Koning waarin daarover kan worden gelezen: “Deze artikelen bepalen de toepassing in de tijd en de inwerkingtreding van dit besluit. Het besluit zal in werking treden op 1 mei
  34. Vanaf 1 mei 2018 zullen de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn op alle lopende faillissementsprocedures in welke de curator het verzoekschrift tot begroting van zijn ereloon en kostenstaat nog niet heeft neergelegd ter griffie. Wanneer de insolventiefunctionaris reeds een deel van zijn vergoeding heeft ontvangen op basis van het vorig besluit, dan wordt deze vergoeding verrekend op de uiteindelijke vergoeding waarop de insolventiefunctionaris recht heeft. Het is evenwel niet de bedoeling te raken aan reeds verkregen rechten, zoals een toegekend buitengewoon ereloon op basis van artikel 7 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 dat de regels en de barema’s vaststelt ter berekening van de erelonen en de kosten van de curatoren. Door de reeds verkregen vergoedingen te verrekenen wordt slechts vermeden dat de curator tweemaal wordt vergoed voor zijn prestaties. Het is nodig het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 dat de regels en de barema’s vaststelt ter berekening van de erelonen en de kosten van de curatoren op te heffen daar dit besluit van toepassing zal zijn zowel op vergoedingen op basis van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 als op basis van boek XX van het Wetboek van economisch recht. Het is evenwel nodig het koninklijk besluit van 30 september 2009 houdende vaststelling van de regels en barema’s betreffende de erelonen en de kosten van de gerechtsmandatarissen en van de voorlopige bestuurders dat de regels en de barema’s vaststelt ter berekening van de erelonen en de kosten op te heffen daar dit besluit van toepassing zal zijn zowel op vergoedingen op basis van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen als op basis van boek XX van het Wetboek van economisch recht.”. XIV-37.750-12/23
  35. De bestreden regeling vindt rechtsgrond in artikel XX.20, § 3, derde lid, § 4, eerste en derde lid en § 5, eerste lid, van het WER, artikel 33, eerste lid, van de Faillissementswet en artikel 71, § 2, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 ‘betreffende de continuïteit van de ondernemingen’ (hierna: de wet van 31 januari 2009) . Uit de aangehaalde artikelen 70 en 72 van de wet van 11 augustus 2017 (cfr. punt 3.3) volgt dat artikel XX.20 van het WER niet van toepassing is op insolventieprocedures die geopend waren vóór de inwerkingtreding van de wet van 11 augustus 2017, met name op 1 mei
  36. De eerbiedigende werking van de wet van 11 augustus 2017 leidt, zoals hierna wordt uiteengezet, niet tot de vaststelling dat het bestreden besluit door het in artikel 15 ervan gehanteerde (temporeel) toepassingsgebied, terugwerkende kracht heeft of afbreuk doet aan deze wet. Het bestreden besluit is immers enkel toepasselijk op lopende insolventieprocedures waarin de curator vanaf de inwerkingtreding van dit besluit het verzoek tot toekenning van een ereloon en een kostenvergoeding nog niet heeft neergelegd. Zoals hiervoor is gebleken, vindt het bestreden besluit rechtsgrond in zowel artikel XX.20 van het WER als in artikel 33 van de Faillissementswet. Artikel 33 van de Faillissementswet was nog van toepassing op het ogenblik van het uitvaardigen van het bestreden besluit op 26 april
  37. De wet van 11 augustus 2017 heeft uitvoerbare kracht sedert haar afkondiging door de Koning en de datum van inwerkingtreding van het bestreden besluit, dit is 1 mei 2018, is dezelfde als deze van de wet van 11 augustus 2017 waarbij artikel XX.20 in het WER werd ingevoegd. Zowel het WER (artikel XX.145) als de Faillissementswet (artikel 52) bepalen dat de kosten en erelonen (definitief) worden begroot door de rechtbank op basis van een daartoe strekkend verzoekschrift ingediend door de curator. XIV-37.750-13/23 Te dezen dient vastgesteld, zoals dat reeds is gebleken uit ’s Raads tussenarrest nr. 246.083 van 14 november 2019 (cfr. punt 3.5), dat de in artikel 15, tweede lid, van het bestreden besluit uitgewerkte overgangsregeling bepaalt dat de bepalingen van het bestreden besluit toepasselijk zijn “op lopende insolventieprocedures waarin de curator het verzoek tot toekenning van een ereloon en een kostenvergoeding nog niet heeft neergelegd, vanaf de inwerkingtreding van dit besluit”. Het bepaalde in artikel 15, tweede lid, moet evenwel worden gelezen in samenhang met het derde lid ervan dat erin voorziet dat de door de insolventiefunctionaris reeds ontvangen provisies op de uiteindelijke (dit is de definitieve) kostenstaat worden verrekend. Door de reeds verkregen vergoedingen te verrekenen wordt vermeden dat de curator tweemaal wordt vergoed voor zijn prestaties. Hieruit volgt dat enkel de neerlegging vóór 1 mei 2018 van het verzoek tot het sluiten van een faillissementsprocedure aangevat onder de oude Faillissementswet en, derhalve, van een verzoek waarin alle erelonen en kostenvergoedingen zijn vervat, de toepassing van het bestreden besluit verhindert. Zowel artikel 52, tweede lid, van de Faillissementswet als artikel XX.145, tweede lid, van het WER bepalen dat de kosten en erelonen (definitief) worden begroot - en derhalve toegekend - door de rechtbank op basis van een daartoe strekkend verzoekschrift ingediend door de curator. Het bestreden besluit berust derhalve in wezen op de gedachte dat de toekenning van provisionele kosten- en erelonen geen “onherroepelijk vastgesteld recht” creëert.
  38. In zoverre de verzoekende partijen nog stellen dat het temporeel toepassingsgebied van het bestreden besluit zowel vanuit praktisch als juridisch oogpunt problematisch is, waarbij zij “bij wijze van voorbeeld” wijzen op de regeling voor de “kosten aan derden” zoals geregeld in artikel 52 van de Faillissementswet respectievelijk artikel XX.145 van het WER, moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit zoals hierna wordt uiteengezet de temporele werking van de wet van 11 augustus 2017, noch van de Faillissementswet, noch van de wet van 31 januari 2009 wijzigt. Evenmin kunnen zij worden bijgetreden waar zij in hun memorie van wederantwoord stellen dat de temporele toepassing van artikel 7, § 2, 1°, van het bestreden besluit, wat de kosten aan derden betreft, tot XIV-37.750-14/23 problemen leidt en het wettelijk voorschrift in artikel 72 van de wet van 11 augustus 2017 tegenspreekt omdat krachtens die bepaling voor oude faillissementen de rechter-commissaris de kosten aan derden moet begroten conform artikel 52 van de Faillissementswet, terwijl het bestreden besluit dit uitdrukkelijk niet meer voorziet. De verzoekende partijen zaaien aldus verwarring. Artikel 7 van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de op de boedel aanrekenbare kosten bepaalt wat volgt: “Art.
  39. §
  40. De volgende kosten kunnen ten laste van de boedel worden gebracht : 1° de retributies bedoeld in artikel 1, 2° tot 4°, van het Koninklijk besluit van 27 maart 2017 houdende de bepaling van het bedrag van de retributie, evenals de voorwaarden en de modaliteiten van de inning ervan in het kader van het Centraal Register Solvabiliteit; 2° andere kosten die voortvloeien uit de toepassing van de wet; §
  41. Om ten laste van de boedel te kunnen worden gebracht, worden de volgende uitgaven voor voorafgaande machtiging voorgelegd aan de rechter-commissaris. 1° het ereloon en de kosten betaald aan derden, in het bijzonder advocaten, revisoren, accountants; 2° buitengewone kosten, zoals deze veroorzaakt door onvoorziene procedures of door verplaatsingen naar het buitenland, gemaakt door de curator, die nuttig of nodig waren bij de afhandeling van het faillissement; 3° de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de curator en de medecurator voor hun activiteiten die worden gesteld op basis van boek XX van het Wetboek van economisch recht. §
  42. Indien het ereloon hoger ligt dan het minimum ereloon zoals bepaald in artikel 6, § 2, kan de rechter op gemotiveerd verzoek van de curator, deze laatste machtigen om de kosten, andere dan deze bedoeld in §§ 1 en 2, ten laste van de boedel te leggen wanneer die hoger liggen dan de minimale percentages van het gerealiseerd actief per schijf overeenkomstig bijlage
  43. De rechter doet uitspraak op verslag van de rechter-commissaris. Artikel 7, § 2, 1°, van het bestreden besluit spreekt over de “voorafgaande machtiging” van de rechter-commissaris om het ereloon en de kosten betaald aan derden ten laste te leggen van de boedel, terwijl zowel artikel 52 van de Faillissementswet als artikel XX.145 WER louter spreken over “de begroting” van de kosten aan derden. De machtiging en begroting zijn van elkaar te onderscheiden begrippen en leiden niet tot toepassingsproblemen. Daarbij komt dat het hiervoor aangehaalde artikel 7, § 2, 1°, van het bestreden besluit een loutere herneming is van artikel 10, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 augustus XIV-37.750-15/23 1998 dat bepaalt dat “[h]et ereloon en de kosten betaald aan derden, advocaten, revisoren, accountants, technische adviseurs, bewaarders van goederen en andere personen die de curator in zijn opdracht bijstaan, slechts ten laste van de boedel [mogen] worden gebracht als de rechter-commissaris daartoe vooraf machtiging heeft verleend.”. In het verslag aan de Koning van het bestreden besluit over het ontworpen artikel dat artikel 7, § 2, 1° van het bestreden besluit is geworden, kan overigens worden gelezen dat die bepaling “artikel 10, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de curatoren [herneemt] en geen toelichting [behoeft]”. Artikel 7, § 2, 1°, van het bestreden besluit leidt aldus niet tot de door de verzoekende partijen geopperde problemen noch wijzigt het de (temporele) werking van de eerdere regeling zodat het in de aangegeven mate niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden.
  44. Tot slot, in zoverre de verzoekende partijen voor het eerst in hun memorie van wederantwoord bij hun wettigheidskritiek betrekken dat in het bestreden besluit, eensdeels, niet langer wordt voorzien in de vergoeding van “administratiekosten en andere kantoorkosten” terwijl dat wel het geval was in artikel 11 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 en, anderdeels, niet langer wordt voorzien in een vergoeding voor de curator met betrekking tot het “buitengewoon ereloon”, tonen de verzoekende partijen niet aan dat zij deze argumenten niet reeds in hun verzoekschrift hadden kunnen ontwikkelen. Aldus geven de verzoekende partijen op laattijdige en niet ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Aan die vaststelling kan geen afbreuk worden gedaan door te stellen, zoals de verzoekende partijen in hun laatste memorie trachten te doen, dat die kritieken niet laattijdig zijn aangevoerd omdat deze kritieken (die zij in hun memorie van wederantwoord hebben aangebracht “bij wijze van voorbeeld”) slechts “illustreren” dat het bestreden besluit terugwerkende kracht heeft in plaats van onmiddellijke werking. XIV-37.750-16/23 Deze laattijdig aangevoerde argumenten of “illustraties” kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
  45. Het eerste middel, in zoverre het ontvankelijk is, is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  46. In hun tweede middel voeren de verzoekende partijen een schending aan van artikel 105 van de Grondwet, artikel 72 van de wet van 11 augustus 2017, al dan niet samen gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het gelijkheidsbeginsel, het rechtzeker- heidsbeginsel en vertrouwensbeginsel, artikel 33 van de Faillissementswet en artikel XX.20, van het WER. Zij zetten in een eerste middelonderdeel van het tweede middel uiteen dat uit het samenlezen van de artikelen 1, 15, 16 en 17, van het bestreden besluit blijkt dat in tegenspraak met artikel 72, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017 de nieuwe regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen niet enkel van toepassing zijn op de faillissementen/insolventieprocedures vanaf 1 mei 2018 maar ook “op lopende insolventieprocedures waarin de curator het verzoek tot toekenning van een ereloon en een kostenvergoeding nog niet heeft neergelegd, vanaf de inwerkingtreding van dit besluit”, zijnde dus deze lopende voorafgaand aan 1 mei
  47. Meer nog, “(d)e door de insolventiefunctionaris reeds ontvangen provisies worden op de uiteindelijke kostenstaat verrekend”. De nieuwe regels worden bijgevolg onverkort toegepast op prestaties die reeds voor 01 mei 2018 zijn geleverd. Voor zover artikel 72 van de wet van 11 augustus 2017 er zelf niet aan in de weg zou staan dat het bestreden besluit retroactief wordt toegepast op de reeds voorafgaand aan 1 mei 2018 lopende faillissementen en insolventieprocedures XIV-37.750-17/23 (quod non), moet volgens de verzoekende partijen in elk geval worden vastgesteld dat er geen wettelijke machtiging bestaat die toestaat dat het bestreden besluit een retroactieve werking kan geven aan de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen. Een reglementaire administratieve rechtshandeling kan niet zonder uitdrukkelijke wettelijke machtiging een retroactieve werking hebben. Een dergelijke retroactieve werking is niet toegestaan op grond van artikel 2 van het B.W. en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het rechtszekerheids- en vertrouwens- beginsel. De impact van de retroactieve toepassing is des te belangrijker vermits het net de grote faillissementen/insolventieprocedures zijn die langer duren en waarvan aldus de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon retroactief worden gewijzigd. Noch artikel 33 van de Faillissementswet, noch artikel XX.20, van het WER kunnen overigens een rechtsgrond vormen voor de retroactieve toepassing van het bestreden besluit. De machtiging aan de Koning om de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen vast te stellen, houdt op geen enkele wijze enige machtiging in om regels retroactief toe te passen en afbreuk te doen aan de gecreëerde verwachtingen en aanspraken van de insolventiefunctionarissen die een opdracht hebben aanvaard onder andere voorwaarden. De Koning heeft met miskenning van artikel 105 van de Grondwet zijn uitvoerende bevoegdheid onwettig aangewend. De eenvormigheid en transparantie van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventie- functionarissen kan geen verantwoording vormen voor de retroactieve werking. Uit niets blijkt dat de wetgever om deze redenen enige machtiging zou hebben verleend. Overigens kan deze vermeende verantwoording, zelfs indien ze zou moeten worden toegerekend aan de wetgever, niet worden weerhouden. In een tweede middelonderdeel van het tweede middel zetten de verzoekende partijen nog uiteen dat het gelijkheidsbeginsel er zich tegen verzet dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. De verzoekende partijen XIV-37.750-18/23 oordelen dat de insolventiefunctionarissen die zijn aangesteld voor het beheer van faillissementen/insolventieprocedures vóór 1 mei 2018 en deze die zijn aangesteld na 1 mei 2018 twee verschillende categorieën van personen zijn die hun opdrachten hebben aanvaard of zullen aanvaarden onder de voorwaarden die respectievelijk vóór en na deze datum van toepassing waren of zijn. Niettemin worden de twee verschillende categorieën van insolventiefunctionarissen op een gelijke wijze behandeld. Het zijn de regels en barema’s van het bestreden besluit die van toepassing zijn op zowel de faillissementen/insolventieprocedures daterend van na 1 mei 2018 als op de nog lopende faillissementen/insolventie- procedures daterend van vóór 1 mei
  48. Voor zover de Raad van State van mening zou zijn dat de retroactieve werking van het bestreden besluit wel degelijk een grondslag zou kunnen vinden in artikel 33 van de Faillissementswet en artikel XX.20 van het WER en niet in tegenspraak zou zijn met artikel 72 van de wet van 11 augustus 2017, stellen de verzoekende partijen voor om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen: “Schenden artikel 33, Faillissementswet 08 augustus 1997 en artikel XX.20, Wetboek Economisch Recht en artikel 72, Wet 11 augustus 2017 houdende invoeging van het Boek XX ‘Insolventie van ondernemingen’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht de artikelen 10 en 11, Grondwet al dan niet samen gelezen met het verbod op het retroactiviteit zoals uitgedrukt in artikel 2, Burgerlijk Wetboek en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel als deze zo kunnen worden geïnterpreteerd dan wel kunnen worden toegepast dat het mogelijk is om de gewijzigde regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen middels het koninklijk besluit van 26 april 2018 (Belgisch Staatsblad 27 april 2018, tweede uitgave) ook van toepassing te verklaren op de insolventieprocedures die reeds lopende zijn voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormelde koninklijk besluit van 26 april 2018?”. In hun memorie van wederantwoord “volharden” de verzoekende partijen. Wat het eerste middelonderdeel betreft, verwijzen zij naar de uiteenzetting bij het eerste middel waaruit duidelijk blijkt dat het bestreden koninklijk besluit wel degelijk terugwerkende kracht heeft. Wat het tweede middelonderdeel betreft, repliceren zij dat de verwerende partij opnieuw van een XIV-37.750-19/23 verkeerd uitgangspunt vertrekt daar waar zij meent dat het bestreden besluit onmiddellijke werking heeft. Omdat volgens de verzoekende partijen aangetoond is dat het bestreden besluit wel degelijk terugwerkende kracht heeft is de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof omtrent de onmiddellijke toepassing van een norm niet relevant. Zij stellen nog dat “[i]n weerwil met hetgeen verwerende partij betoogt, wordt door haar manier van handelen wel degelijk afbreuk gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Zoals hierboven middels twee voorbeelden wordt aangetoond, bestaat er een rechtmatig vertrouwen bij een curator die is aangesteld in een faillissement voor 1 mei 2018 dat hij recht zal hebben op de vergoeding van administratie- en andere kantoorkosten en eventueel op een ’buitengewoon ereloon’. Aan dit rechtmatig vertrouwen wordt wel degelijk afbreuk gedaan door de bestreden reglementering.”. Tot slot herhaalt zij dat door het bestreden besluit wel degelijk twee onderscheiden categorieën van curatoren worden gecreëerd, met name de insolventiefunctionarissen die zijn aangesteld voor het beheer van faillissementen/insolventieprocedures voor 1 mei 2018 en deze die zijn aangesteld na 1 mei 2018, zonder dat hiervoor een redelijke verantwoording bestaat. Het stellen van de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof is dan ook wel degelijk relevant. Wat het tweede middel betreft, verwijzen de verzoekende partijen in hun laatste memorie “wat dit onderdeel betreft” naar hetgeen zij in het inleidend verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord hebben uiteengezet en waarin zij volharden. Wat de terugwerkende kracht van het bestreden besluit betreft verwijzen zij in hun laatste memorie “naar de uiteenzetting inzake het eerste middel” waarin zij volharden, evenals in het verzoek om de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. XIV-37.750-20/23 Beoordeling
  49. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen. “[…] In tegenstelling tot bestuurshandelingen die een individuele draagwijdte hebben, kunnen bestuurshandelingen van reglementaire aard ten allen tijde en onder alle omstandigheden het voorwerp uitmaken van opheffing of vervanging. De bevoegdheid van het bestuur kan naar de toekomst toe immers niet worden ingeperkt door de initiële handeling. Er kan geen subjectief recht op het ongewijzigd blijven van een reglementering worden ingeroepen. Uit het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de verworven rechten volgt evenmin dat aanspraak kan worden gemaakt op het ongewijzigd blijven van een bepaalde regeling. Eerste onderdeel De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden besluit retroactieve werking heeft. Zoals uit de bespreking van het eerste middel blijkt, heeft het bestreden besluit geen terugwerkende kracht. Dit wordt ook bevestigd door het arrest nr. 246.083 van 14 november
  50. Dit volstaat om dit middelonderdeel te verwerpen. Tweede onderdeel In het tweede onderdeel vragen de verzoekende partijen aan de Raad van State om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Zij gaan ervan uit dat door de retroactieve werking van het bestreden besluit twee verschillende categorieën van insolventiefunctionarissen gelijk worden behandeld, met name zij die betrokken zijn bij insolventieprocedures daterend van na 1 mei 2018, als zij die betrokken zijn bij nog lopende procedures, maar gestart zijn voor 1 mei
  51. Zoals hiervoor reeds is gesteld, heeft het besluit geen terugwerkende kracht. Daarenboven ligt de aangevoerde ongelijkheid niet in artikel 33 Faillissementswet 8 augustus 2018, noch in artikel XX.20 WER. Dit volstaat om dit middelonderdeel te verwerpen.”
  52. De verzoekende partijen betwisten deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, hebben zij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij verzuimen immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperken zich tot een verwijzing naar en het “volharden” in wat zij eerder hebben uiteengezet, zonder iets wezenlijks toe te voegen aan hun standpunt. XIV-37.750-21/23 In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. V. Kosten en bijdrage
  53. Ingevolge de ongegrondheid van de aangevoerde middelen en de verwerping die er uit volgt, dienen de kosten ten laste van de verzoekende partijen te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
  54. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om ambtshalve de terugbetaling te bevelen van de door de verzoekende partijen onterecht betaalde bijdrage, in casu 20 euro. XIV-37.750-22/23 BESLISSING
  55. De Raad van State verwerpt het beroep.
  56. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  57. De onterecht betaalde bijdrage, ten bedrage van 20 euro, dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.750-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.803 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.