← België

Arrest 247806 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/06/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.806 Rolnummer: A. 224543/X-17160 Zaak: Arrest 247806 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-17 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 247.806 van 17 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 247.806 van 17 juni 2020 in de zaak A. 224.543/X-17.160 In zake : de CVBA HUIS VAN DE GERECHTSDEURWAARDERS VAN HET GERECHTELIJK ARRONDISSEMENT BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Access Building Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de GEMEENTE ANDERLECHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Manuela von Kuegelgen en Renaud van Melsen kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 149 bus 20 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
  3. de NV BPI REAL ESTATE BELGIUM
  4. de NV GOODWAYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Michel Karolinski en Morgane Borres kantoor houdend te 1000 Brussel Koningsgalerij 30 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-17.160-1/19 I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 15 februari 2018, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Anderlecht van 28 september 2017 houdende de definitieve vaststelling van het bijzonder bestemmingsplan ‘Biestebroeck’, met bijhorend onteigeningsplan en bijhorende documenten en b. het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 7 december 2017 houdende goedkeuring van het voornoemde bijzonder bestemmingsplan met bijhorend onteigeningsplan en bijhorende documenten. II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv BPI Real Estate Belgium en de nv Goodways hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 3 mei
  7. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen, de tussenkomende partijen en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 februari
  8. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. X-17.160-2/19 Advocaat Eline Schroyens, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Renaud van Melsen, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Andy Hoedenaeken, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de tweede verwerende partij en advocaat Camille Courtois, die loco advocaat Michel Karolinski verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten
  10. In de gemeente Anderlecht wordt de wijk tussen, enerzijds, de zuidoostelijke oever van het kanaal Brussel-Charleroi, de noordelijke grens van het perceel met kadastraal nummer 198/p en de zuidelijke rooilijn van de Kommenstraat en, anderzijds, de spoorweg, doorsneden door de Grondelstraat (hierna: de wijk rond de Grondelstraat). De verzoekende partij is een coöperatieve vennootschap met als statutair doel het ondersteunen van gerechtsdeurwaarders in het gerechtelijk arrondissement Brussel. Zij is eigenaar van een bebouwd perceel in de wijk rond de Grondelstraat (hierna: verzoeksters perceel). Verzoeksters perceel paalt in het noorden aan de Grondelstraat en in het zuiden aan het gebogen gedeelte van de Klein Eilandstraat. Dit perceel is, volgens de bepalingen van het gewestelijke bestemmingsplan, gelegen in ondernemingsgebied in een stedelijke omgeving. De tussenkomende partijen, die projectontwikkelaars zijn, hebben zakelijke rechten op een terrein ten noorden van de wijk rond de Grondelstraat, dat paalt aan de Kommenstraat (hierna: het terrein van de X-17.160-3/19 tussenkomende partijen). Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit de basiskaart van de website brugis.be, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht.
  11. Op 27 mei 2010 beslist de gemeenteraad van de gemeente Anderlecht de procedure te starten voor de opmaak van een bijzonder X-17.160-4/19 bestemmingsplan (hierna: BBP) ‘Biestebroeck’ voor de wijk rond de Grondelstraat en noordelijk van die wijk gelegen terreinen, waaronder het terrein van de tussenkomende partijen.
  12. In opdracht van de gemeente Anderlecht wordt voor het BBP ‘Biestebroeck’ een – uitsluitend in het Frans gesteld – planmilieueffectrapport opgemaakt (hierna: de eerste versie van het plan-MER).
  13. Op 24 mei 2016 beslist het college van burgemeester en schepenen het ontwerpplan, samen met de eerste versie van het plan-MER over te maken aan het begeleidingscomité.
  14. Op 23 juni 2016 geeft de gemeenteraad het college van burgemeester en schepenen de opdracht om het ontwerpplan, samen met de eerste versie van het plan-MER, aan een openbaar onderzoek te onderwerpen.
  15. Tijdens het openbaar onderzoek, dat van 30 augustus tot 30 september 2016 plaats vindt, worden verschillende adviezen ingewonnen en bezwaren ingediend.
  16. Op 28 november 2016 brengt de overlegcommissie advies uit. De overlegcommissie adviseert gunstig op voorwaarde dat het BBP en het onteigeningsplan worden aangepast, een “bijkomend” plan-MER wordt opgemaakt en een nieuw openbaar onderzoek wordt georganiseerd. De overlegcommissie benadrukt onder meer de noodzaak om eigendommen langs de Grondelstraat te onteigenen om de ambitie van “de creatie van een doorlopende groene ruimte” te kunnen realiseren.
  17. In opdracht van de gemeente Anderlecht wordt een “bijkomend” plan-MER opgemaakt, wat resulteert in de – uitsluitend in het Frans gestelde – eindversie van het plan-MER.
  18. Op 26 januari 2017 beslist de gemeenteraad het aangepaste X-17.160-5/19 ontwerpplan en de eindversie van het plan-MER aan een openbaar onderzoek te onderwerpen.
  19. Op 28 maart 2017 oordeelt het begeleidingscomité dat de eindversie van het plan-MER volledig is.
  20. De gemeente Anderlecht laat in het Belgisch Staatsblad van 7 april 2017 volgend bericht verschijnen: “Gemeente Anderlecht Beric[h]t van onderzoek Het volgende dossier wordt in onderzoek gesteld van 28 april 2017, tot 28 mei 2017: – PLANONTWERP VAN HET BBP ‘BIESTEBROEK’ EN ZIJN MER – ONTEIGENING VOOR OPENBAAR NUT […] – ROOILIJNEN Dit dossier ligt ter inzage van het publiek op het gemeentehuis, dienst Stadsontwikkeling, Van Lintstraat 6, 2e verdieping, alle werkdagen, van 8u.30m. tot 11u.30m. en ’s maandags van 18 uur tot 20 uur of na telefonische afspraak […]. Bezwaren en opmerkingen dienen schriftelijk gericht, tussen die data, tot het College van Burgemeester en Schepenen. Eenieder kan binnen dezelfde periode vragen om gehoord te worden door de Overlegcommissie.” 13.
  21. Naast onder meer de – uitsluitend in het Frans gestelde – eindversie van het plan-MER, ligt tijdens het openbaar onderzoek op het gemeentehuis een – zowel in Frans als in het Nederlands gestelde – “niet-technische samenvatting” van het plan-MER ter inzage (hierna: de “niet-technische samenvatting”). 13.
  22. In de “niet-technische samenvatting” wordt het volgende gesteld: “De bedoeling van deze samenvatting is in duidelijke en voor iedereen verstaanbare bewoordingen de kernpunten van het eindrapport van de effectenstudie te schetsen. Wie graag meer weet over de details van de argumentatie in de effectenstudie, raadpleegt dus best de eindversie van het MER.” X-17.160-6/19
  23. Op 25 april 2017 bevestigt de gemeenteraad van de gemeente Anderlecht de opdracht aan het college van burgemeester en schepenen om het ontwerpplan aan een openbaar onderzoek te onderwerpen, samen met de eindversie van het plan-MER en de aanvullende documenten zoals het onteigeningsplan en de rooilijnplannen.
  24. Tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerpplan, de eindversie van het plan-MER en de aanvullende documenten, dat van 28 april tot 28 mei 2017 plaatsvindt, dient onder meer de verzoekende partij een bezwaarschrift in. In dit – in het Nederlands gesteld – bezwaarschrift bekritiseert de verzoekende partij de eindversie van het plan-MER als volgt: “[…] het ‘Rapport sur les Incidences Environnementales’ [werd] – in strijd met de taalwetgeving in bestuurszaken (afdeling III van de Wet van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken) – enkel en alleen in het Frans […] opgesteld.”
  25. Op 4 september 2017 brengt de overlegcommissie advies uit. 17.
  26. Op 28 september 2017 stelt de gemeenteraad van de gemeente Anderlecht het BBP ‘Biestebroeck’ met bijhorend onteigeningsplan en bijhorende documenten zoals rooilijnplannen, definitief vast (hierna: het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad). 17.
  27. Zoals blijkt uit het bij het bestreden BBP horende grafische plan betreft het zuidoostelijke deel van het BBP de wijk rond de Grondelstraat. Hetzelfde grafisch plan toont dat verzoeksters perceel deels bestemd wordt tot ‘ondernemingsgebied in een stedelijke omgeving’ en deels tot ‘parkgebied’. Het deel van verzoeksters perceel dat bestemd wordt tot parkgebied, wordt tevens opgenomen in het onteigeningsplan. Het tracé van de aan verzoeksters perceel palende Klein Eilandstraat wordt verlegd. X-17.160-7/19 Ter verduidelijking volgt hierna een weergave van het grafisch plan, waarop de grens tussen het noordwestelijke deel en het zuidoostelijke deel (zijnde de wijk rond de Grondelstraat), evenals andere benaderende aanduidingen zijn aangebracht.
  28. Op 7 december 2017 neemt de Brusselse Hoofdstedelijke regering het volgende besluit: X-17.160-8/19 “Artikel
  29. Goedgekeurd wordt het Bijzonder Bestemmingsplan Biestebroek […] bestaande uit […] een liggingsplan, een plan van de bestaande rechtstoestand, een plan van de bestaande feitelijke toestand, een bestemmingsplan, een onteigeningsplan, een boekwerk met de wettelijke stedenbouwkundige voorschriften, een boekwerk met een uiteenzetting van de motieven en het MER; Art.
  30. Het Bijzonder Bestemmingsplan Biestebroek houdt een volledige wijziging in van het BBP Biestebroek van de gemeente Anderlecht, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 16.09.1969 en gedeeltelijk gewijzigd bij Koninklijk besluit van 19.03.1981; Art.
  31. Wordt goedgekeurd het onteigeningsplan dat verwijst naar het bijzonder bestemmingsplan Biestebroek en wordt het hoogdringende karakter van de onteigening vastgesteld omwille van het openbare nut volgens de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden van de wet van 26 juli 1962; Art.
  32. De minister die Ruimtelijke Ordening in zijn portefeuille heeft, wordt belast met de uitvoering van dit besluit.” Dit besluit (hierna: het goedkeuringsbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering) wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 december
  33. IV. Ontvankelijkheid Aangevoerde excepties
  34. In een eerste exceptie wijst de eerste verwerende partij er op dat op het einde van het verzoekschrift de woorden “maison des huissiers de justice” en “expropriation” voorkomen. Volgens de eerste verwerende partij is het verzoekschrift nietig door het gebruik van woorden “die uitsluitend in een andere taal dan die van de rechtspleging” gesteld zijn.
  35. In een tweede exceptie stelt de eerste verwerende partij dat het verzoekschrift “op zich” niet de nietigverklaring van het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad nastreeft. Uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt immers dat slechts “voor zoveel als nodig” en dan nog enkel “bij toepassing van de leer van de complexe administratieve rechtshandeling” de nietigverklaring van het laatstgenoemde besluit gevraagd wordt. Volgens de eerste verwerende partij is X-17.160-9/19 “dergelijke beperkte vordering” niet ontvankelijk. Beoordeling
  36. Vooraan het verzoekschrift is de naam van het advocatenkantoor dat optreedt voor de verzoekende partij weergegeven met daarna volgende vermelding: “Ref.: 00042340/11- huis van de gerechtsdeurwaarders – onteigening”. Achteraan het verzoekschrift is opnieuw de naam van het laatstgenoemde advocatenkantoor weergegeven, deze keer gevolgd door volgende vermelding “Ref.: 00042340/11 – maison des huissiers de justice […] – expropriation”. Het uitgangspunt van de eerste verwerende partij als zouden in het verzoekschrift woorden voorkomen die “uitsluitend” gesteld zijn in een andere taal dan die van de rechtspleging is onjuist.
  37. Terecht is in het auditoraatsverslag vastgesteld dat uit het geheel van het verzoekschrift blijkt dat het beroep zowel tegen het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad als tegen het goedkeuringsbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering gericht is.
  38. Dat de in de excepties geviseerde woorden voorkomen in het verzoekschrift leidt niet tot de onontvankelijkheid van het beroep.
  39. De aangevoerde excepties worden verworpen. V. Het eerste middel Standpunt van de partijen 25.
  40. Het eerste middel is genomen uit de schending van onder meer artikel 18 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (hierna: de bestuurstaalwet) en artikel 48 van het Brussels Wetboek Ruimtelijke Ordening (hierna: BWRO). X-17.160-10/19 25.
  41. De verzoekende partij wijst er op dat het plan-MER enkel in het Frans werd opgesteld en ter inzage gelegd tijdens het openbaar onderzoek, terwijl dit ook in het Nederlands diende te gebeuren.
  42. In haar memorie van antwoord wijst de eerste verwerende partij er op dat de verzoekende partij belast is met taken die de grenzen van een privaat bedrijf te buiten gaan, zoals bijvoorbeeld de organisatie van een gerechtelijke openbare verkoop. Gelet op het feit dat de verzoekende partij deze taken uitoefent in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, moet zij zelf, zonder onderscheid, het Nederlands én het Frans kunnen gebruiken. In de praktijk gebruikt de verzoekende partij ook het Frans. Zo bestaat er bijvoorbeeld een volledig Franstalige versie van haar website. Daar verzoekende partij het Frans machtig is, berokkent de in het middel aangevoerde schending haar geen enkel persoonlijk nadeel. De eerste verwerende partij vervolgt dat er in casu een “vrij omvangrijke” Nederlandse versie bestond van de “niet-technische samenvatting”. Zij verwijst naar een zaak waarin de Raad van State aanvaard heeft dat de “niet-technische samenvatting” van een milieueffectbeoordeling van een vergunningsaanvraag volstond om het publiek in te lichten en het dienstig gevolg van het openbaar onderzoek te waarborgen. Volgens de eerste verwerende partij blijkt niet dat de aangevoerde onwettigheid de verzoekende partij belet heeft om een bezwaarschrift in te dienen of haar rechten anderszins heeft gekrenkt. De eerste verwerende partij besluit dat het middel onontvankelijk is, minstens kan het niet worden aangenomen.
  43. In haar memorie van antwoord wijst de tweede verwerende partij er op dat de verzoekende partij tijdens het openbaar onderzoek een bezwaarschrift van vijf pagina’s heeft ingediend. In dit bezwaarschrift verwijst verzoekende partij inderdaad naar het feit dat het plan-MER in strijd zou zijn met de taalwetgeving in bestuurszaken, doch zij heeft geen enkel voorbehoud gemaakt dienaangaande, noch bezwaar geuit over het feit dat het voor haar onmogelijk zou zijn met kennis van zaken te kunnen oordelen over het BBP daar zij de Franse taal niet machtig zou X-17.160-11/19 zijn. Wel integendeel, op basis van het neergelegde bezwaarschrift stelt de tweede verwerende partij vast dat de verzoekende partij een uitgebreid bezwaar heeft kunnen uiten. Volgens de tweede verwerende partij “lijkt [het middel] derhalve onontvankelijk”. De tweede verwerende partij vervolgt dat het niet artikel 18 van de bestuurstaalwet is dat in casu bepaalt welke taal de gemeente Anderlecht moest gebruiken. Deze gemeente kan immers gekwalificeerd worden als een centrale dienst binnen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, zodat het betrokken taalgebruik “beoordeeld [moet] worden vanuit de betrekkingen tussen twee centrale diensten”. Uit de bestuurstaalwet volgt dan dat het taalgebruik in casu is bepaald door de taalrol van de behandelende ambtenaar van de gemeente Anderlecht. Die ambtenaar behoort tot de Franstalige taalrol. Volgens de tweede verwerende partij volgt uit de bepalingen van de bestuurstaalwet geenszins een verplichting om de documenten van het aanvraagdossier, waaronder het milieueffectrapport, ook in het Nederlands ter beschikking stellen van het publiek. Dergelijke documenten situeren zich immers in de verhouding tussen de aanvrager en de vergunningverlenende overheid en zijn aldus, wat betreft de taal waarin ze dienen te zijn gesteld, onderworpen aan het taalregime dat op deze verhouding van toepassing is en dat is in dit geval het Frans. De tweede verwerende partij voegt er nog aan toe dat de verplichting van de gemeente om een voorafgaandelijk openbaar onderzoek te organiseren en in het kader daarvan het aanvraagdossier, waaronder het milieueffectrapport, ter inzage te leggen, niet impliceert dat een document dat op basis van het toepasselijke taalregime slechts in één bepaalde taal mag worden opgesteld in een andere taal moet worden vertaald en ter inzage worden gelegd. De tweede verwerende partij meent dat de verzoekende partij in niets geschaad is door de beweerde onwettigheid. De verzoekende partij was immers zeer nauw betrokken bij de lopende vergunningsprocedure en zij heeft ook bij de Raad van State een uitgebreid verzoekschrift ingediend, waaruit onomstotelijk blijkt dat zij volledig geïnformeerd was en is over de bestreden beslissingen. X-17.160-12/19 De tweede verwerende partij besluit dat het middel onontvankelijk, minstens ongegrond is. Beoordeling
  44. Artikel 18 van de bestuurstaalwet stelt: “De plaatselijke diensten, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn, stellen de […] mededelingen […] die voor het publiek bestemd zijn in het Nederlands en in het Frans.” De hiervoor geciteerde wetsbepaling waarborgt mede het door de artikelen 4, eerste lid, (“België omvat […] het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad”) en 30, eerste zinsdeel, van de Grondwet (“Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij”) in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad aan eenieder verleende grondrecht om door de overheid naar vrije keuze en op gelijke voet in het Nederlands of het Frans bediend te worden.
  45. Artikel 48, § 2, BWRO stelt: “§
  46. De gemeenteraad geeft het college van burgemeester en schepenen de opdracht om het ontwerpplan aan een openbaar onderzoek te onderwerpen, samen met het milieueffectenrapport indien dit vereist is, en de documenten, adviezen en beslissing bedoeld in artikel 44 die deel uitmaken van het dossier. […] De documenten bedoeld in het eerste lid worden, tijdens de duur van het onderzoek, ter inzage van de bevolking neergelegd in het gemeentehuis.”
  47. Het bestreden BBP is een reglementaire akte die vastgesteld is door de gemeente Anderlecht. Ook het bij het bestreden BBP horende plan-MER gaat uit van de gemeente Anderlecht, die zoals de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord terecht benadrukt, een openbaar bestuur is. In onderhavige zaak is nergens een vergunningsaanvraag aan de orde, zodat de verwerende partijen zich niet dienstig kunnen beroepen op argumenten die ontleend zijn aan de vergunningsprocedure. X-17.160-13/19
  48. Krachtens artikel 48, § 2, BWRO diende de gemeente Anderlecht het plan-MER aan een openbaar onderzoek te onderwerpen, en meer bepaald het in het gemeentehuis ter inzage van de bevolking te leggen tijdens het van 28 april tot 28 mei 2017 gehouden openbaar onderzoek.
  49. De gemeente Anderlecht is een plaatselijke dienst waarop artikel 18 van de bestuurstaalwet toepasselijk is. Terecht voert de verzoekende partij aan dat een voor een gemeentelijk BBP opgemaakt plan-MER een voor het publiek bestemde mededeling van een plaatselijke dienst in de zin van het laatstgenoemde artikel is. Door tijdens het van 28 april tot 28 mei 2017 gehouden openbaar onderzoek geen in het Nederlands gesteld plan-MER ter inzage te leggen heeft de gemeente Anderlecht artikel 18 van de bestuurstaalwet geschonden.
  50. Ook de “niet-technische samenvatting” van een milieueffectbeoordeling van een BBP is een voor het publiek bestemde mededeling van een plaatselijke dienst in de zin van artikel 18 van de bestuurstaalwet. Het feit dat de gemeente Anderlecht tijdens het openbaar onderzoek een in het Nederlands gestelde “niet-technische samenvatting” ter inzage heeft gelegd, maakt de in het vorige randnummer vastgestelde onwettigheid niet goed, temeer daar – zoals vermeld (randnr. 13.2) – deze “niet-technische samenvatting” uitdrukkelijk aangeeft dat ze er enkel toe strekt “de kernpunten van [de milieueffectbeoordeling] te schetsen” en voor “de details van de argumentatie” verwijst naar het integrale plan-MER. Verder kan de Raad van State niet tot de vaststelling komen dat het bestreden BBP zonder de in het middel aangevoerde onwettigheid niet anders had geluid. Immers, indien tijdens het openbaar onderzoek het integrale plan-MER in het Nederlands ter inzage zou zijn gelegd, zouden er mogelijk andere of meer gedetailleerde bezwaren kunnen zijn ingediend, wat – zoals de verzoekende partij X-17.160-14/19 in haar memorie van wederantwoord aanhaalt – ertoe geleid zou kunnen hebben dat het bestreden BBP niet zou zijn vastgesteld. Overigens wijst de verzoekende partij er in haar laatste memorie terecht op dat van haar niet kan worden verlangd dat zij zou aantonen dat de aangevoerde onregelmatigheid een invloed kan hebben gehad op de draagwijdte van de genomen beslissing (cfr. Grondwettelijk Hof, nr. 103/2015 van 16 juli 2015, overweging B.44.5 en nr. 87/2018 van 5 juli 2018, overweging B.29.3).
  51. De in randnummer 32 vastgestelde onwettigheid impliceert dat aan diegenen die, zoals de verzoekende partij, voor het omtrent het bestreden BBP gehouden openbaar onderzoek gekozen hebben voor het gebruik van het Nederlands, de in randnummer 28 bedoelde waarborg ontnomen is.
  52. In het licht van het voorgaande leiden de omstandigheden dat de verzoekende partij bij het vervullen van wettelijke opdrachten, zoals de organisatie van een gerechtelijke openbare verkoop, Frans moet gebruiken, dat zij in de praktijk, zoals bijvoorbeeld op haar website, Frans gebruikt, en dat zij medewerkers in dienst heeft die het Frans machtig zijn, niet tot de onontvankelijkheid van het middel. Aan de voorgaande vaststellingen wordt evenmin afbreuk gedaan door de door de verwerende partijen aangehaalde elementen dat de verzoekende partij een omvangrijk bezwaarschrift heeft ingediend, dat de verzoekende partij in haar bezwaarschrift weliswaar de schending van de bestuurstaalwet heeft aangehaald, doch ter zake geen voorbehoud heeft gemaakt of bezwaar heeft geuit over het feit dat het voor haar onmogelijk zou zijn met kennis van zaken te kunnen oordelen en dat de verzoekende partij bij de Raad van State een uitgebreid verzoekschrift heeft ingediend.
  53. De conclusie is dat de excepties van de verwerende partijen verworpen worden en dat het middel gegrond is en aanleiding geeft tot nietigverklaring. VI. Omvang van de nietigverklaring X-17.160-15/19 Verzoeken van de verwerende en de tussenkomende partijen
  54. Ondergeschikt vraagt de eerste verwerende partij om een gebeurlijke nietigverklaring te bepreken tot het onteigende deel van verzoeksters perceel, dit is het deel dat door het bestreden BBP tot parkgebied wordt bestemd. De eerste verwerende partij verwijst naar ’s Raads arrest nr. é.147 van 7 december 2015 waardoor, daar er geen sprake was van een planologische samenhang, slechts het onderdeel van het plan van aanleg dat voor de verzoekende partij griefhoudend was, werd vernietigd. Daar in onderhavige zaak verzoeksters perceel door het gewestelijk bestemmingsplan tot “ondernemingsgebied in een stedelijke omgeving” bestemd is, heeft de verzoekende partij volgens de eerste verwerende partij geen belang bij een vernietiging van het bestreden BBP “in zoverre dit plan diezelfde bestemming aan haar goed verleent”.
  55. Volgens de tweede verwerende partij hebben al de in het verzoekschrift aangevoerde onregelmatigheden uitsluitend betrekking op het onteigeningsplan. Daar de verzoekende partij enkel belang heeft bij de op het onteigeningsplan voorziene gedeeltelijke inneming van haar perceel, dient een gebeurlijke nietigverklaring beperkt te worden tot die inneming.
  56. Ook volgens de tussenkomende partijen dient een gebeurlijke nietigverklaring beperkt te worden tot het deel van verzoeksters perceel dat door het bestreden BBP tot parkgebied wordt bestemd. Zij benadrukken dat volgens de rechtspraak van de Raad van State tot een partiële vernietiging van een plan van aanleg kan worden overgegaan als het vernietigde gedeelte afsplitsbaar is van de rest van het plan en als de partiële vernietiging aan de verzoekende partij volledige genoegdoening geeft. Volgens de tussenkomende partijen zou een afsplitsing van verzoeksters perceel van de rest van het bestreden BBP de algemene economie van dit BBP geenszins verstoren. Verzoeksters perceel beslaat immers minder dan 1 % van de totale oppervlakte van het plangebied van het bestreden BBP en is gelegen aan de rand van de parkzone rond de Grondelstraat. Bovendien is het voorzien van X-17.160-16/19 deze parkzone volkomen anekdotisch en bijkomstig ten opzichte van de doelstelling van het bestreden BBP om de betrokken wijk te ontwikkelen en te herdynamiseren. Beoordeling
  57. De tweede verwerende partij gaat er aan voorbij dat het eerste middel gericht is tegen het bestreden BBP en al de daarbij horende documenten en niet enkel tegen het onteigeningsplan.
  58. Er kan pas tot een partiële vernietiging van een plan van aanleg worden overgegaan als het vernietigde gedeelte afsplitsbaar is van de rest van het plan.
  59. Het bestreden BBP impliceert een ingrijpende herstructurering van de wijk rond de Grondelstraat, met inbegrip van tracéwijzigingen van straten. Zo wordt de Klein Eilandstraat, waaraan verzoeksters perceel paalt, rechtgetrokken en verplaatst, zodat de zate van het gebogen gedeelte van de Klein Eilandstraat ingenomen zal worden door bebouwbare private percelen. Dergelijke wijziging van wegtracé betekent dat de bestaande perceelsindeling – onder meer ter hoogte van verzoeksters perceel – zal wijzigen. Uit het administratief dossier blijkt verder dat de creatie van een groene corridor tussen de zuidoostelijke oever van het kanaal en het Grondelplein een cruciaal element is van het bestreden BBP. Met de woorden van de eerste verwerende partij bevestigt het advies van de overlegcommissie dat de aanleg van deze groene ruimte “een prioritaire doel- en belangstelling van het BBP vormt”. Doorheen de bouwblokken in de wijk rond de Grondelstraat – ook het bouwblok waarvan verzoeksters perceel deel uitmaakt – voorziet het bestreden BBP publieke doorgangen voor zacht verkeer die aansluiten op de voornoemde groene corridor. De publieke doorgangen en de corridor vormen aldus een netwerk dat zich over heel de wijk uitstrekt. X-17.160-17/19 Uit een en ander volgt dat het bestreden BBP een onverbrekelijke planologische samenhang vertoont in zoverre het betrekking heeft op de wijk rond de Grondelstraat. Verzoeksters perceel, laat staan een deel ervan, is niet afsplitsbaar van de in het bestreden BBP voorziene herinrichting van de rest van die wijk. Wel kan de uit te spreken vernietiging worden beperkt tot het gedeelte dat betrekking heeft op de wijk rond de Grondelstraat, dit is het gedeelte ten zuidoosten van de zuidoostelijke oever van het kanaal Brussel-Charleroi, de noordelijke grens van het perceel met kadastraal nummer 198/p en de zuidelijke rooilijn van de Kommenstraat. VII. Vraag tot belangenafweging
  60. Nadat in het auditoraatsverslag is vastgesteld dat de gecoördineerde wetten op de Raad van State in het kader van een annulatieberoep geen belangenafweging toelaten, verklaart de tweede verwerende partij ter terechtzitting afstand te doen van de in haar memorie van antwoord geformuleerde vraag daartoe. Van die afstand wordt akte genomen. BESLISSING
  61. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Anderlecht van 28 september 2017 houdende de definitieve vaststelling van het bijzonder bestemmingsplan ‘Biestebroeck’, met bijhorend onteigeningsplan en bijhorende documenten, en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 7 december 2017 houdende goedkeuring van het voornoemde bijzonder bestemmingsplan met bijhorend onteigeningsplan en bijhorende documenten, voor zover ze betrekking hebben op het gedeelte ten zuidoosten van de zuidoostelijke oever van het kanaal Brussel-Charleroi, de noordelijke grens van het perceel met kadastraal nummer 198/p en de zuidelijke rooilijn van de Kommenstraat. X-17.160-18/19 De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  62. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de gedeeltelijk vernietigde besluiten.
  63. De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.160-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.806 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.