id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.812 Rolnummer: A. 229243/VII-40647 Zaak: Arrest 247812 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-17 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:32 Fiche Arrest nr 247.812 van 17 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.812 van 17 juni 2020 in de zaak A. 229.243/VII-40.647 In zake : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE KUURNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de NV LADEVAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michiel Deweirdt kantoor houdend te 8500 Kortrijk Doorniksewijk 66 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-1344 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna RvVb) van 27 augustus 2019 in de zaak 1718-RvVb-0636-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 16 oktober
- VII-40.647-1/7 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Michiel Deweirdt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 13 april 2018 verklaart het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kuurne (hierna: college) de aanvraag VII-40.647-2/7 van de nv Ladevan “voor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van een grond in 6 kavels” onontvankelijk. 3.
- Het bestreden arrest vernietigt op vordering van de nv Ladevan de vergunningsbeslissing van het college. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van de partijen
- Het college voert de schending aan van artikel 105, § 1, “iuncto de artikelen 19 en 21” van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: OVD) en artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna: BWHI). Het betoogt dat de RvVb zijn beslissing van 13 april 2018 “tot het onontvankelijk en onvolledig verklaren van een aanvraagdossier [kwalificeert] als een in laatste administratieve aanleg genomen beslissing over een omgevingsvergunning” en dat de RvVb “een foute lezing geeft aan artikel 105, § 1 [OVD] en hierdoor het beroep van de nv Ladevan onterecht ontvankelijk heeft verklaard” en “op deze wijze […] ook afbreuk [heeft] gedaan aan artikel 10 BWHI”. In een eerste middelonderdeel argumenteert het college dat zijn beslissing van 13 april 2018 “geen beslissing betreffende een omgevingsvergunning” is maar een beslissing die “betrekking [heeft] op de aanvraag” waarin “zodus geen uitspraak [wordt] gedaan over de ‘vergunning’ of de vergunbaarheid maar enkel en alleen over de ‘aanvraag’, zijnde de formele kant van het dossier”. Artikel 19 OVD maakt het onderscheid tussen de uitspraak in eerste instantie over de aanvraag en de beslissing in tweede instantie “inzake de vergunning”. “Een beslissing over de aanvraag is geen voor [vernietiging door] de VII-40.647-3/7 [RvVb] vatbare beslissing”. Uit het arrest nr. 8/2011 van 27 januari 2011 van het Grondwettelijk Hof en de parlementaire voorbereiding blijkt “dat de bevoegdheid van de [RvVb] enkel betrekking heeft op beslissingen betreffende het afgeven of weigeren van de vergunningen, wat wijst op een inhoudelijke beoordeling, en dus niet kan slaan op een beslissing betreffende de ‘aanvraag’”. Het college argumenteert in een tweede middelonderdeel dat de RvVb zijn bevoegdheid uitbreidt en “hierbij afbreuk [doet] aan artikel 10 BWHI”. In de parlementaire voorbereiding van het OVD “wordt [nergens] aangegeven of gemotiveerd dat de bevoegdheid van de [RvVb] ook wordt uitgebreid tot beslissingen inzake het onontvankelijk en onvolledig verklaren van een aanvraag. Gelet op de strikte verantwoordingsvereiste die gepaard gaat met de toepassing van artikel 10 BWHI komt het geenszins aan de [RvVB] toe […] om [zijn] duidelijk omschreven bevoegdheid eigenhandig uit te breiden”. Het college voegt toe dat “niet verzocht wordt om de bepalingen van het [OVD] of de VCRO rechtstreeks te toetsen aan” artikel 10 BWHI omdat de schending van artikel 105, § 1, OVD automatisch leidt tot een miskenning van deze wettelijke bepaling.
- De nv Ladevan betwist de ontvankelijkheid van het middel van het college omdat: - het geen antwoordnota voor de RvVb heeft ingediend en het middel over de interpretatie van artikel 105 OVD bijgevolg voor het eerst en derhalve “niet op ontvankelijke wijze [kan] ontwikkelen [...] voor de Raad van State”; - het heeft nagelaten de beroepsmogelijkheden op zijn beslissing te vermelden en bijgevolg “zich nu niet meer kan beklagen over het feit dat de [RvVb] niet bevoegd zou zijn”, “[m]instens heeft dit tot gevolg dat wanneer het cassatiemiddel gegrond zou zijn [het college] tot de kosten moet worden veroordeeld”. VII-40.647-4/7 Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
- Het cassatieberoep van het college is gericht tegen de verwerping van de tegensprekelijk aangevoerde ambtshalve exceptie tot onontvankelijkverklaring van het beroep van de nv Ladevan wegens onbevoegdheid van de RvVb. Het college heeft als één der betrokken partijen de hoedanigheid en het belang om cassatieberoep in te stellen tegen deze uitspraak.
- De excepties van de nv Ladevan worden verworpen. Gegrondheid van het middel
- Artikel 105, § 1, OVD bepaalt: “§
- De uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning, genomen in laatste administratieve aanleg [...] kan bestreden worden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk VIII, van de VCRO”. De artikelen 19 en 21 OVD bepalen dat: - de bevoegde overheid de vergunningsaanvraag op haar ontvankelijkheid en volledigheid onderzoekt; - het resultaat van dat onderzoek aan de aanvrager wordt meegedeeld; - tegen de beslissing dat de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp is en tegen de stopzetting van de procedure geen administratief beroep kan worden ingesteld. VII-40.647-5/7
- Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat de beslissing van de bevoegde overheid hetzij dat de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp is, hetzij tot stopzetting van de procedure, een beslissing is betreffende een omgevingsvergunning die in laatste administratieve aanleg wordt genomen en bij de RvVb kan worden bestreden.
- Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.
- De RvVb verwerpt de exceptie van onbevoegdheid van de RvVb op volgende gronden: - uit de samenlezing van de artikelen 19 en 21 OVD volgt dat tegen de beslissing van het college “waarbij de aanvraag onvolledig en zonder voorwerp wordt verklaard, of waarbij de procedure wordt stopgezet, zoals in casu, geen administratief beroep kan worden ingesteld”; - “de bestreden beslissing van het college [...] om een aanvraag onontvankelijk te verklaren is dan ook een uitdrukkelijke in laatste administratieve aanleg genomen, beslissing over een omgevingsvergunning”; - de RvVb “is derhalve bevoegd voor het beoordelen van het beroep tot vernietiging van de bestreden beslissing”.
- Door aldus te beslissen schendt het bestreden arrest niet de artikelen 105, § 1, 19 en 21, OVD noch artikel 10 BWHI.
- Het middel wordt in al zijn onderdelen verworpen. VII-40.647-6/7 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken op zeventien juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.647-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.812 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div