id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.826 Rolnummer: A. 226910/XII-8657 Zaak: Arrest 247826 - Wegverkeer van goederen - 18/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-18 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 01:33 Fiche Arrest nr 247.826 van 18 juni 2020 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 247.826 van 18 juni 2020 in de zaak A. 226.910/XII-8657 In zake: de NV DECLERCQ STORTBETON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 2 oktober 2018, waarbij aan de nv Declercq Stortbeton een administratieve geldboete wordt opgelegd van 6.400 euro. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. XII-8657-1/20 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Er is toepassing gemaakt van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend schriftelijk advies gegeven dat de partijen met een e-mailbericht ter kennis werd gebracht. Het debat is gesloten op 15 mei
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 10 november 2017 wordt een geleed voertuig, dat werd bestuurd door Steven Declercq en waarvan de nv Declercq Stortbeton, de verzoekende partij, de verlader is, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E17 te Kortrijk, richting Frankrijk. Bij de controle wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op de eerste as van de trekker bedraagt de overlading 464 kg, hetzij 6,2%, op de tweede as van de trekker bedraagt de overlading 3.064 kg, hetzij 25,5 %. De maximaal toegelaten massa van de trekker werd overschreden met 4.408 kg, hetzij 23,2 %. De maximaal toegelaten massa van de sleep werd overschreden met 4.433 kg, hetzij 11,4%. Er wordt proces- verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, lid 1 en 2, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport). XII-8657-2/20 3.
- Op 1 december 2017 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Oudenaarde. 3.
- Nadat de termijn om strafvervolging in te stellen is verstreken beslist de wegeninspecteur-controleur op 21 maart 2018 om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 6.400 euro op te leggen. 3.
- Op 30 maart 2018 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing. Op 15 mei 2018 vindt een hoorzitting plaats waarop de verzoekende partij besluiten neerlegt. Op 6 juni 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 6.400 euro. 3.
- Op 20 juni 2018 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Op 10 september 2018 heeft een hoorzitting plaats waarbij de verzoekende partij opnieuw besluiten neerlegt. Op 2 oktober 2018 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 6.400 euro op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt met een aangetekend schrijven van dezelfde dag aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. XII-8657-3/20 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel verwijt de verzoekende partij aan de verwerende partij een “onvolledigheid van het administratief dossier”. De verzoekende partij meent dat haar rechten van verdediging werden geschonden omdat zij zich diende te verweren tegen een administratieve geldboete die volgde op een controle waar zij niet bij betrokken was, waar zij geen afschrift ontving van de stukken en waar de stukken die haar wel werden overgemaakt onvolledig waren. Zo zou zij niet kunnen nagaan welke antwoorden werden gegeven door de vrachtwagenbestuurder of werkgever van de vrachtwagenbestuurder op de vermoedelijk door hen ingevulde vragenlijst. Zij zou dan ook de waarachtigheid van de stellingen ingenomen door de wegeninspectie niet kunnen controleren. Dat het dossier ten laste van de verlader beoordeeld zou worden onafhankelijk van het dossier ten laste van de vervoerder is volgens de verzoekende partij niet relevant aangezien zij kennis moet kunnen nemen van alle stukken met betrekking tot dezelfde feiten opdat zij haar rechten van verdediging zou kunnen uitoefenen. Beoordeling
- Ter bescherming van de rechten van verdediging rust er op de bestuurlijke overheid onder meer een verplichting om de bestuurde waaraan men een administratieve boete wil opleggen, inzage te geven van het volledige dossier dat werd samengesteld met het oog op het nemen van de beslissing. De te dezen bestreden beslissing betreft de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete aan de verzoekende partij als XII-8657-4/20 verlader van de vracht die werd vervoerd op 10 november 2017 met een geleed voertuig waarbij een overlading werd vastgesteld. De bestreden beslissing steunt op artikel 14, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport dat luidt: “§
- De opdrachtgever en de verlader worden, overeenkomstig de strafbepalingen, vermeld in de §§ 1 en 2, gestraft als ze instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die hebben geleid tot een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan.” Er werd een proces-verbaal met nummer KO 93 WG 232763 17 opgemaakt waarin een inbreuk op artikel 14, § 3, juncto artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport werd vastgesteld in hoofde van de verzoekende partij. Het is naar de in dat proces-verbaal vastgestelde feiten dat in de bestreden beslissing wordt verwezen. In dit proces-verbaal wordt, enerzijds, de overlading vastgesteld van het gewogen voertuig en wordt, anderzijds, vastgesteld dat de nv Declercq Stortbeton, de verzoekende partij, de verlader is. Dit laatste gegeven werd blijkens het proces-verbaal vastgesteld op grond van de leveringsbon nr. 86867 van 10 november 2017 die zich in het voertuig bevond. Een foto van deze leveringsbon werd bij het proces-verbaal gevoegd. De overlading werd vastgesteld aan de hand van de weging op de weegbrug waarvan de resultaten zijn weergegeven op de weegbon die eveneens bij het proces- verbaal werd gevoegd. De verzoekende partij toont niet aan dat de verwerende partij haar beslissing op andere stukken zou hebben gesteund dan het proces- verbaal KO 93 WG 232763 17 en de daarbij gevoegde weegbon en foto van de leveringsbon om de inbreuk ten aanzien van de verzoekende partij vast te stellen. Bijgevolg toont de verzoekende partij niet aan dat haar rechten van verdediging werden geschonden doordat haar geen andere stukken ter inzage werden gegeven dan het voormelde proces-verbaal met de vermelde bijlagen. In de mate dat de verzoekende partij het feit hekelt dat zij geen inzage zou hebben gekregen in de vragenlijst die werd ingevuld door de vrachtwagenbestuurder van het voertuig of zijn werkgever wordt vooreerst opgemerkt dat, voor zover dergelijke ingevulde vragenlijst zou bestaan, zoals gezegd deze geen deel blijkt uit te maken van de stukken op grond waarvan de XII-8657-5/20 bestreden beslissing ten aanzien van de verzoekende partij werd genomen. Het loutere feit dat de vastgestelde overlading tevens aanleiding heeft gegeven tot het opstellen van een proces-verbaal ten aanzien van de vrachtwagenbestuurder van het overladen voertuig dan wel zijn werkgever, leidt er niet toe dat de stukken die betrekking hebben op de vaststelling van die inbreuk in ieder geval beschouwd moeten worden als deel uitmakend van het administratief dossier dat werd samengesteld ter voorbereiding van de bestreden beslissing. Bovendien werd het ten laste van de vrachtwagenbestuurder-transporteur opgestelde proces- verbaal samen met de bestreden beslissing overgemaakt aan de verzoekende partij. Daarnaast houdt de verzoekende partij voor dat het gebrek aan kennisname van de vragenlijst ingevuld door de vrachtwagenbestuurder haar verhindert om de waarachtigheid van de stellingen ingenomen door de wegeninspectie te kunnen controleren. Zij verduidelijkt echter geenszins welke vaststellingen van de verwerende partij omtrent de in haren hoofde vastgestelde inbreuk zij in twijfel trekt, laat staan dat zij aantoont dat de vermeende vragenlijst relevant zou zijn voor de waarachtigheid van de ten aanzien van haar vastgestelde feiten. Overigens merkt de verwerende partij, hierin niet tegengesproken door de verzoekende partij, in haar memorie van antwoord nog op dat de transporteur de vragenlijst in ieder geval ook niet invulde. De bestreden beslissing kan dan ook geenszins worden geacht mede te zijn gesteund op andere stukken dan diegene waarvan de verzoekende partij kennis had. De verzoekende partij toont bijgevolg geen schending aan van haar rechten van verdediging.
- Het middel is niet gegrond. XII-8657-6/20 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert de verzoekende partij aan dat de “vaststelling door onbevoegde ambtenaren” is gebeurd. De verzoekende partij stelt de vraag of de regeling met betrekking tot de bevoegdheid van de wegeninspecteurs zoals die is opgenomen in artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport en artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 2013 ‘betreffende de handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ voldoende is om de belangrijke bevoegdheden die aan de wegeninspecteurs zijn toegekend, te rechtvaardigen in het licht van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: BWHI). De verzoekende partij meent dat de regeling nopens de aanstelling van de wegeninspecteurs strijdig is met het voormelde artikel aangezien voorzien wordt in controleambtenaren die niet de juiste hoedanigheid hebben, noch correct beëdigd zijn. In de bestreden beslissing worden geen draagkrachtige motieven aangedragen die de kritiek die de verzoekende partijen hieromtrent in hun beroepschrift aanvoerden, kunnen weerleggen. Niet blijkt dat de wegeninspecteurs beëdigd werden, noch blijkt dat de inspecteurs de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie hebben.
- In de laatste memorie vraagt de verzoekende partij de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Is art. 16 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met art. 2, § van het Besluit van 20 december 2013 betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, strijdig met art. 11 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in zo verre in controleambtenaren wordt voorzien die noch de juiste hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie hebben noch correct beëdigd zijn.” XII-8657-7/20 Zij benadrukt voorts dat de vermeende inbreuk eveneens strafrechtelijk gesanctioneerd kan worden door de rechtbanken van de rechterlijke macht, en dit na eenzelfde vaststelling door dezelfde controleambtenaren, zodat zij betwist dat een administratieve geldboete niet zou kunnen worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 11 BWHI. Beoordeling
- Artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt: “Onverminderd de bevoegdheid van andere personen houden de wegeninspecteurs die de Vlaamse Regering aanwijst, toezicht op de naleving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de kentekens van hun functie. De wegeninspecteurs kunnen in het kader van de uitoefening van hun opdracht : 1° bevelen geven aan de bestuurders; 2° inlichtingen inwinnen en controle uitoefenen door personen te ondervragen en inzage te nemen van documenten en andere informatiedragers; 3° het vastgestelde overtollige gewicht en/of de te hoge, te brede of te lange lading doen afladen of herverdelen; 4° de bijstand van de politie vorderen; 5° de vergunning, bedoeld in artikel 4, eerste lid, of artikel 7, § 1, inhouden totdat de overtreding ophoudt te bestaan. De wegeninspecteurs zijn bovendien bevoegd om inbreuken op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan vast te stellen bij proces-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. Binnen veertien dagen na de vaststelling van de inbreuk wordt een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder en, in voorkomend geval, aan de onderneming toegestuurd. […]” Artikel 2 van het besluit van 20 december 2013 luidt: “§
- De wegeninspecteurs en de wegeninspecteurs-controleurs zijn ambtenaren van het Agentschap Wegen en Verkeer. Ze worden aangewezen door het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer. De aanstelling blijkt uit een legitimatiekaart als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende de legitimatiekaarten van de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die belast zijn met inspectie- of controlebevoegdheden. §
- Het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer en de wegeninspecteur-controleur zijn, met toepassing van artikel 19, § 5, tweede XII-8657-8/20 lid, van het decreet van 3 mei 2013, bevoegd tot het geven en uitvoerbaar verklaren van dwangbevelen.”
- Te dezen werd het proces-verbaal opgesteld door wegeninspecteurs van het agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaamse Gewest, benoemd in overeenstemming met artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport en houder van een legitimatiekaart zoals bedoeld in artikel 2 van het besluit van 20 december
- De kritiek van de verzoekende partij dat deze controleambtenaren “onbevoegd” zouden zijn om inbreuken vast te stellen in een proces-verbaal, aangezien deze wegeninspecteurs niet “correct” beëdigd zijn noch beschikken over de hoedanigheid van agent dan wel officier van gerechtelijke politie wordt niet bijgevallen.
- Het uitgangspunt van het middel – namelijk dat het opstellen van processen-verbaal een specifieke en exclusieve bevoegdheid van de gerechtelijke politie zou zijn – valt niet af te leiden uit het aangevoerde artikel 11 BWHI. Het voormelde artikel 11 BWHI bepaalt dat de decreten binnen de grenzen van de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar kunnen stellen, de straffen wegens niet-naleving kunnen bepalen en dat de bepalingen van Boek I van het Strafwetboek hierop van toepassing zijn, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere inbreuken door een decreet kunnen worden gesteld. Tevens bepaalt dit artikel dat de decreten binnen die grenzen het volgende kunnen: 1° de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie toekennen aan de beëdigde ambtenaren van de Gemeenschaps- of Gewestregering of van instellingen die onder het gezag of het toezicht van de Gemeenschaps- of Gewestregering ressorteren; 2° de bewijskracht regelen van processen-verbaal; 3° de gevallen bepalen waarin een huiszoeking kan plaatshebben. XII-8657-9/20 De omstandigheid dat de wegeninspecteurs niet beëdigd zouden zijn noch de hoedanigheid zouden hebben van agent of officier van gerechtelijke politie neemt niet weg dat zij krachtens artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport bevoegd zijn om processen-verbaal op te stellen met bewijswaarde ‘tot bewijs van het tegendeel’. Uit artikel 11 BWHI mag niet worden afgeleid dat de decreetgever enkel aan ambtenaren van de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie de bevoegdheid kan toekennen om de betrokken processen-verbaal op te maken.
- Wat de door de verzoekende partij in de laatste memorie gevraagde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof betreft, wordt in de eerste plaats opgemerkt dat een prejudiciële vraag om proceseconomische redenen en wegens de vereiste wapengelijkheid van de procespartijen in beginsel in limine litis moet worden geformuleerd, of minstens in het eerste processtuk waarin de betrokken partij dit vermocht te doen, wat te dezen niet het geval blijkt te zijn, zodat het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is. Daarenboven legt de bestreden beslissing aan de verzoekende partij met toepassing van artikel 17 van het decreet bijzonder wegtransport een administratieve geldboete op. In zijn arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 oordeelde het Grondwettelijk Hof reeds met betrekking tot het voorheen geldende gelijkaardige artikel 59 van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ dat de administratieve geldboete waarin deze bepaling voorzag niet kan worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 11 BWHI. De prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof dient dan ook niet te worden gesteld.
- Het middel faalt naar recht. XII-8657-10/20 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel voert de verzoekende partij een gebrek in de motivering aan. Zij meent dat in de bestreden beslissing niet voldoende werd geantwoord op het argument dat zij aandroeg in haar beroepschrift dat niet dezelfde garanties worden geboden bij vaststellingen die worden gedaan door wegeninspecteurs als bij de vaststellingen die worden gedaan door leden van de lokale en federale politie. Beoordeling
- In de bestreden beslissing wordt op de argumentatie van de verzoekende partij inzake de vermeende discriminatie bij de vaststelling van feiten door de wegeninspecteurs het volgende geantwoord: “Appellant laat na weer te geven op welke wijze zij nadeel zouden hebben ondervonden aan de situatie waarbij de controle geschiedde door de wegeninspecteurs van het Agentschap Wegen en Verkeer, zodoende dit middelonderdeel 1.
- feitelijke grondslag mist. Er is geen sprake van discriminatie ten aanzien van de overtreder.” Met de verwerende partij mag worden vastgesteld dat de verzoekende partij in haar beroepschrift alsook tijdens de hoorzitting en in de conclusies die zij bij die gelegenheid neerlegde, heeft nagelaten aan te tonen welke concrete verschillen er zouden bestaan in de vaststellingen van inbreuken op het voormelde decreet al naargelang deze vaststellingen gebeuren door wegeninspecteurs, enerzijds, dan wel door leden van de lokale of federale politie, anderzijds, en hoe de verzoekende partij hierdoor concreet werd benadeeld. Zij beperkt zich ertoe erop te wijzen dat de toegang tot en de uitoefening van de functie van wegeninspecteurs, enerzijds, en de leden van de lokale en federale politie, anderzijds, verschillend zouden zijn – zij wijst dan in het bijzonder op een verschil inzake beëdiging, een verschil in vereiste diploma’s, in al dan niet XII-8657-11/20 onderworpen zijn aan een deontologische code – zonder in concreto aan te geven hoe zij hierdoor werd benadeeld bij de vaststelling van de inbreuk. Hierbij dient te worden benadrukt dat het te dezen gaat om een eenvoudige inbreuk waarvoor duidelijk bewijsmateriaal wordt vergaard met gebruik van een asdrukweger en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen, zodat niet blijkt, minstens toont de verzoekende partij niet aan waarom het verschil inzake beëdiging of het verschil in vereiste diploma’s voor dergelijke inbreuken de verzoekende partij zou benadelen. In die omstandigheden wordt op de door de verzoekende partij aangevoerde argumentatie in haar beroepsconclusie door de verwerende partij op afdoende gemotiveerde wijze geantwoord in de bestreden beslissing nu daarin werd vastgesteld dat de verzoekende partij niet aangaf welk nadeel zij had ondervonden door de controle door de wegeninspecteurs.
- Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel voert de verzoekende partij aan dat er sprake is van een “discriminatie bij de vaststellingen”. Zij herhaalt hierbij de argumentatie die zij in haar beroepsconclusie ontwikkelde omtrent verschillen in de toegang tot en de uitoefening van de functie van wegeninspecteurs, enerzijds, en de leden van de lokale en federale politie, anderzijds. Zij wijst in het bijzonder op een verschil inzake beëdiging, een verschil in vereiste diploma’s en een verschil in reglementering van de opleiding.
- In de laatste memorie vraagt de verzoekende partij een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, geformuleerd als volgt: XII-8657-12/20 “Is art. 16 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met art. 2, § van het Besluit van 20 december 2013 betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, strijdig met art. 10 en 11 van de Grondwet in zo verre een controle door controleambtenaren die noch de juiste hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie hebben noch correct beëdigd zijn met heel wat minder wettelijke garanties naar opleiding en functionering is omkleed dan in geval van een controle door een politieagent.” Beoordeling
- Zoals de verzoekende partij reeds aanvoerde in haar beroepschrift tijdens de bestuurlijke procedure die aanleiding gaf tot de bestreden beslissing en zoals blijkt uit de beoordeling van het derde middel, beperkt de verzoekende partij zich er opnieuw toe erop te wijzen dat de toegang tot en de uitoefening van de functie van wegeninspecteurs, enerzijds, en van leden van de lokale en federale politie anderzijds, verschillend zou zijn – zij wijst dan in het bijzonder op het vermeend verschil inzake beëdiging, een verschil in vereiste diploma’s en opleiding en toepasselijkheid van een deontologische code – zonder in concreto aan te geven hoe zij hierdoor werd benadeeld bij de vaststelling van de inbreuk. Zij geeft niet aan hoe zij ongelijk of verschillend zou zijn behandeld nu de vaststelling van de inbreuk geschiedde door een wegeninspecteur en niet door een lid van de lokale of federale politie. Een dergelijke vermeende ongelijke behandeling valt ook niet onmiddellijk in te zien aangezien de wegeninspecteurs wier aanstelling blijkt uit hun legitimatiekaart bovendien geacht mogen worden een bijzondere deskundigheid en kennis te hebben met betrekking tot de decretale en reglementaire bepalingen ter zake en de te stellen handelingen bij het vaststellen van de inbreuken, gezien hun tewerkstelling binnen het agentschap Wegen en Verkeer en hun specialisatie onder meer inzake de controle op inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport en zijn uitvoeringsbesluiten. Bovendien, zoals de verwerende partij terecht opmerkt in haar memorie van antwoord en de verzoekende partij ook zelf bevestigt in haar vijfde middel, heeft de verbalisant een eerder beperkte rol bij de vaststelling van de inbreuk die, het weze herhaald, een eenvoudig vast te stellen inbreuk is aangezien de voertuigen worden gewogen door een automatische asdrukweger. Ook in die XII-8657-13/20 omstandigheden valt niet in te zien op welke wijze de verzoekende partij ongelijk zou worden behandeld ten aanzien van rechtsonderhorigen waarbij eenzelfde inbreuk wordt vastgesteld door leden van de lokale of federale politie.
- Daarenboven ligt, zoals de verzoekende partij reeds zelf opmerkt, de door haar beweerde vermeende discriminatie besloten in artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport aangezien dit artikel erin voorziet dat de wegeninspecteurs inbreuken op het decreet of de uitvoeringsbesluiten kunnen vaststellen bij proces-verbaal. De Raad van State is niet bevoegd om dat artikel 16 van het decreet te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
- Voorts, zoals bij de beoordeling van het tweede middel reeds is opgemerkt dient het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag in beginsel in limine litis te worden geformuleerd, hetgeen ook te dezen niet het geval blijkt te zijn, zodat het verzoek niet ontvankelijk is. Daarenboven is er overigens geen grond om hieromtrent een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, aangezien de verzoekende partij op geen enkele wijze het feitelijk bestaan van die ongelijke behandeling staaft, minstens minimaal aannemelijk maakt. De verzoekende partij maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat mede in het licht van de beperkte rol van de verbalisant bij de vaststelling van de inbreuk, de beëdiging, opleiding en functionering van de leden van de wegeninspectie minder wettelijke garanties zouden bieden dan die van de leden van de lokale of federale politie.
- Het middel is niet gegrond. XII-8657-14/20 E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vijfde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) in zoverre in de bestreden beslissing wordt geweigerd om getuigen te horen. De verzoekende partij stelt dat de verbalisering van de overladingsinbreuken sterk geautomatiseerd is aangezien het proces-verbaal voor dergelijke overladingsinbreuken wordt afgedrukt rechtstreeks op grond van het weegprogramma van de weegbrug waarbij de verbalisanten enkel een reeks gegevens invullen. Alle processen-verbaal inzake overlading in het Vlaamse Gewest worden op dezelfde wijze vastgesteld, ongeacht of zij door wegeninspecteurs of andere verbalisanten werden getekend. In die omstandigheden lijkt het de verzoekende partij onontbeerlijk om de betrokken verbalisanten te kunnen horen als getuigen omtrent de concrete omstandigheden van het beweerde misdrijf en de interceptie van het voertuig. Zo wenst zij verduidelijking omtrent de juiste omstandigheden en plaats van onderschepping van het voertuig, de overbrenging ervan naar de weegbrug, de uiterlijke staat van het voertuig, de eigenlijke weegverrichtingen waarbij niet is geweten of er dynamisch dan wel statisch werd gewogen en of er bij dynamische bewegingen meerdere wegingen plaatsvonden. De ondervraging zou net dienen om eventuele problemen bij de weging aan het licht te brengen. Daarnaast wenst de verzoekende partij de verbalisanten ook als getuigen te laten verhoren omtrent hun hoedanigheid en opleiding ingevolge de problematiek die zij heeft uiteengezet in de voorgaande middelen. Aangezien de administratieve geldboete te dezen dient te worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 6 EVRM, beschikt de verzoekende partij op grond van artikel 6.
- EVRM over het recht om getuigen à décharge te doen oproepen en te XII-8657-15/20 ondervragen. De motivering in de bestreden beslissing om het verzoek af te wijzen voldoet niet. Het is niet omdat het getuigenverhoor enige organisatie vergt, dat het verzoek ter zijde kan worden geschoven, ook niet omwille van de korte termijnen waaraan de procedure voor het opleggen van een administratieve geldboete onderworpen is. Bovendien was er tussen de hoorzitting en de bestreden beslissing nog ruim anderhalve maand wat meer dan voldoende tijd was om een getuigenverhoor te organiseren.
- In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat de eerbiediging van de rechten van verdediging ook reeds tijdens de bestuurlijke fase is vereist omdat ze anders illusoir zouden worden tijdens de procedure bij de rechterlijke instantie met volle rechtsmacht. In ondergeschikte orde herhaalt zij haar verzoek tot ondervraging van de verbalisanten. Beoordeling
- Het door de verzoekende partijen geschonden geachte artikel 6, § 3, (d) EVRM luidt: “
- Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (a) […] (b) […] (c) […] (d) de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge; (e) […].”
- Het recht om getuigen te ondervragen betreft geen absoluut recht. Een aangevoerde schending van het recht op getuigenverhoor moet dan ook steeds worden onderzocht vanuit de vraag of de eventuele weigering van een getuigenverhoor ook effectief heeft geleid tot een schending van het recht op een eerlijk proces. Het komt aan de nationale rechter toe om te beoordelen in een concrete procedure of het ondervragen van een getuige kan bijdragen aan de waarheidsvinding. XII-8657-16/20 De verzoekende partij geeft op geen enkele wijze in concreto aan hoe het feit dat de verbalisanten niet als getuige werden opgeroepen, de waarheidsvinding in de weg zou kunnen hebben gestaan. In de eerste plaats hebben de verklaringen van de verbalisanten in het proces-verbaal bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel overeenkomstig artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport. De verbalisanten zijn als het ware officiële getuigen van de vaststellingen die ze opnemen in het proces-verbaal. De verzoekende partij geeft geen enkele concrete reden aan waarom er te dezen zou moeten worden getwijfeld aan de vaststellingen van de verbalisanten en hoe een getuigenverhoor hierover duidelijkheid zou kunnen brengen. Zoals reeds bij de beoordeling van de vorige middelen is opgemerkt, gaat het te dezen over een eenvoudige inbreuk. Alle inlichtingen met betrekking tot de inbreuk en de omstandigheden van de overlading worden in het proces-verbaal vastgesteld. De verzoekende partij geeft ook geenszins aan welke concrete omstandigheden met betrekking tot de interceptie van het voertuig of de uiterlijke staat van het voertuig zouden kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de vaststellingen zoals weergegeven in het proces-verbaal, terwijl de vrachtwagenbestuurder van de verzoekende partij nochtans aanwezig was bij de interceptie van het voertuig. In dat verband moet ook worden opgemerkt dat deze gegevens werden opgenomen in het proces- verbaal dat binnen de drie dagen werd meegedeeld aan de verzoekende partij met de vraag mogelijke opmerkingen met betrekking tot de in het proces-verbaal gedane vaststellingen mee te delen. Het contradictoir karakter van de vaststellingen en de uitgevoerde metingen werd dan ook verzekerd door het feit dat een afschrift van het proces-verbaal, opgesteld door de met het toezicht belaste wegeninspecteur, in overeenstemming met artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport binnen veertien dagen na de vaststelling van de overlading aan de verzoekende partij werd bezorgd, zodat vanaf dat ogenblik de betrouwbaarheid of de geldigheid van de uitgevoerde metingen door de verzoekende partij kon worden betwist. De verzoekende partij heeft tijdens de bestuurlijke procedure op geen enkel ogenblik enige concrete opmerking gemaakt omtrent de materiële juistheid van de in het proces-verbaal gedane vaststellingen. XII-8657-17/20 In die omstandigheden valt niet in te zien hoe de verwerende partij, door te oordelen dat het horen van getuigen niet noodzakelijk was omdat alle inlichtingen aangaande de omstandigheden van de inbreuk werden opgenomen in het proces-verbaal en dat de verzoekende partij geen omstandigheden naar voren bracht aangaande de overlading waardoor twijfel zou kunnen ontstaan, een inbreuk zou hebben gepleegd op de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces in hoofde van de verzoekende partij.
- Ook op het in ondergeschikte orde gevraagde verzoek tot het horen van getuigen hoeft om dezelfde redenen niet te worden ingegaan.
- Het middel is niet gegrond. F. Zesde middel
- In een zesde middel voert de verzoekende partij aan: “er is geen bewijs dat verzoekster de verlader is/dat verzoekster foutief heeft gehandeld”. De verzoekende partij betoogt dat de leveringsbon niet bewijst dat zij de verlader van het transport is aangezien de vrachtwagenbestuurder of de vervoerder evengoed kunnen hebben geladen. Bovendien is de foto van de leveringsbon ter zake veel te onduidelijk om hier maar iets te kunnen uit afleiden. Evenmin is er enig bewijs dat de verzoekende partij een fout zou hebben begaan aangezien geen bewijs voorligt dat zij daden heeft gesteld of instructies heeft gegeven die geleid hebben tot de inbreuk. Dergelijk bewijs kan ook niet worden geleverd in afwezigheid van enige ondervraging of een ander element wat zulks ook maar zou kunnen aantonen. Beoordeling
- Uit de leveringsbon met nummer 86867 opgemaakt door de verzoekende partij, die zich op het ogenblik van de vaststelling van de inbreuk XII-8657-18/20 aan boord van het gecontroleerde voertuig bevond, mocht de verwerende partij afleiden dat de verzoekende partij de verlader was van het gecontroleerde transport. Uit het door de verzoekende partij niet betwiste verslag van de hoorzitting van 10 september 2018 blijkt overigens dat zij bij monde van haar raadsman bevestigde de verlader van het gecontroleerde transport te zijn. Artikel 2, 3°, van het decreet bijzonder wegtransport luidt: “Art.
- In dit decreet wordt verstaan onder: 3° overtreder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inbreuk pleegt op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan;” In de toelichting bij het ontwerp van decreet ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (Parl. St. Vl. Parl. 2012-2013, 1870/1, blz. 5) wordt met betrekking tot de definitie van overtreder in artikel 2 verduidelijkt: “Met betrekking tot de definitie van overtreder dient te worden verduidelijkt dat onder overtreder zowel de chauffeur van het in overtreding zijn de voertuig als zijn werkgever als de opdrachtgever en de verlader begrepen kan worden.” Artikel 14, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport luidt: “§
- De opdrachtgever en de verlader worden, overeenkomstig de strafbepalingen, vermeld in de §§ 1 en 2, gestraft als ze instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die hebben geleid tot een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan.” De verzoekende partij werd geïdentificeerd als de verlader van het betreffende transport. Door het voertuig te laden op een wijze dat de maximaal toegestane druk op de assen werd overschreden heeft zij een daad gesteld die heeft geleid tot de in het proces-verbaal vastgestelde inbreuken.
- Het middel is niet gegrond. XII-8657-19/20 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken op achttien juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8657-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.826 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.