← België

Arrest 247830 - Wegverkeer van goederen - 18/06/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.830 Rolnummer: A. 226829/XII-8653 Zaak: Arrest 247830 - Wegverkeer van goederen - 18/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-18 Raadplegingen: 197 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 247.830 van 18 juni 2020 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 247.830 van 18 juni 2020 in de zaak A. 226.829/XII-8653 In zake: de BVBA VERVOER DEJONGHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 30 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 2 oktober 2018, waarbij aan de bvba Vervoer Dejonghe een administratieve geldboete wordt opgelegd van 1.500 euro. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. XII-8653-1/21 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Er is toepassing gemaakt van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend schriftelijk advies gegeven dat de partijen met een e-mailbericht ter kennis werd gebracht. Het debat is gesloten op 15 mei 2020. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 23 januari 2018 wordt een vrachtwagen met oplegger, die wordt bestuurd door de heer Maciej Tomasz Tomaszczyk, rijdend voor rekening van de bvba Vervoer Dejonghe, de verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E17 te Kruishoutem, richting Kortrijk. Bij de controle wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op de tweede as van de trekker bedraagt de overlading 1.590 kg, hetzij 13,2%. Het toegestane maximum van de totale massa van de trekker werd met 2.199 kg overschreden, hetzij 11,6%. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, lid 1 en 2, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport). XII-8653-2/21 3.2. Op 9 februari 2018 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Oudenaarde. Op 14 februari 2018 beslist de procureur des Konings om geen vervolging in te stellen. 3.3. Op 21 maart 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen. 3.4. Op 23 maart 2018 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing. Op 15 mei 2018 vindt een hoorzitting plaats waarop de verzoekende partij besluiten neerlegt. 3.5. Op 6 juni 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 1.500 euro. 3.6. Op 12 juni 2018 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Op 10 september 2018 vindt een hoorzitting plaats waarop de verzoekende partij besluiten neerlegt. 3.7. Op 2 oktober 2018 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.500 euro op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt met een ter post aangetekend schrijven van dezelfde dag aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. XII-8653-3/21 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. In een eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de “vaststelling door onbevoegde ambtenaren” is gebeurd. De verzoekende partij stelt de vraag of de regeling met betrekking tot de bevoegdheid van de wegeninspecteurs zoals die is opgenomen in artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport en artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 2013 ‘betreffende de handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: besluit van 20 december 2013) voldoende is om de belangrijke bevoegdheden die aan de wegeninspecteurs zijn toegekend, te rechtvaardigen in het licht van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: BWHI). De verzoekende partij meent dat de regeling nopens de aanstelling van de wegeninspecteurs strijdig is met het voormelde artikel aangezien voorzien wordt in controleambtenaren die niet de juiste hoedanigheid hebben, noch correct beëdigd zijn. In de bestreden beslissing worden geen draagkrachtige motieven aangedragen die de kritiek die de verzoekende partij hieromtrent in haar beroepschrift aanvoert, kunnen weerleggen. Niet blijkt dat de wegeninspecteurs beëdigd werden, noch blijkt dat de inspecteurs de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie hebben. 5. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij daar nog aan toe dat stukken in verband met de legitimatiekaart van de verbalisanten en de besluiten met betrekking tot de benoeming en de beëdiging van de verbalisanten haar niet tegenstelbaar zijn aangezien zij deze nooit heeft ontvangen. XII-8653-4/21 6. In de laatste memorie vraagt de verzoekende partij de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Is art. 16 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met art. 2, § van het Besluit van 20 december 2013 betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, strijdig met art. 11 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in zo verre in controleambtenaren wordt voorzien die noch de juiste hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie hebben noch correct beëdigd zijn.” Zij benadrukt voorts dat de vermeende inbreuk eveneens strafrechtelijk gesanctioneerd kan worden door de rechtbanken van de rechterlijke macht, en dit na eenzelfde vaststelling door dezelfde controleambtenaren, zodat zij betwisten dat een administratieve geldboete niet zou kunnen worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 11 BWHI. Beoordeling 7. Artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt: “Onverminderd de bevoegdheid van andere personen houden de wegeninspecteurs die de Vlaamse Regering aanwijst, toezicht op de naleving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de kentekens van hun functie. De wegeninspecteurs kunnen in het kader van de uitoefening van hun opdracht : 1° bevelen geven aan de bestuurders; 2° inlichtingen inwinnen en controle uitoefenen door personen te ondervragen en inzage te nemen van documenten en andere informatiedragers; 3° het vastgestelde overtollige gewicht en/of de te hoge, te brede of te lange lading doen afladen of herverdelen; 4° de bijstand van de politie vorderen; 5° de vergunning, bedoeld in artikel 4, eerste lid, of artikel 7, § 1, inhouden totdat de overtreding ophoudt te bestaan. De wegeninspecteurs zijn bovendien bevoegd om inbreuken op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan vast te stellen bij proces-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. Binnen veertien dagen na de vaststelling van de inbreuk wordt een afschrift van het proces-verbaal XII-8653-5/21 aan de overtreder en, in voorkomend geval, aan de onderneming toegestuurd. […].” Artikel 2 van het besluit van 20 december 2013 luidt: “§ 1. De wegeninspecteurs en de wegeninspecteurs-controleurs zijn ambtenaren van het Agentschap Wegen en Verkeer. Ze worden aangewezen door het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer. De aanstelling blijkt uit een legitimatiekaart als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende de legitimatiekaarten van de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die belast zijn met inspectie- of controlebevoegdheden. § 2. Het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer en de wegeninspecteur-controleur zijn, met toepassing van artikel 19, § 5, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013, bevoegd tot het geven en uitvoerbaar verklaren van dwangbevelen.” 8. Te dezen werd het proces-verbaal opgesteld door wegeninspecteurs van het agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaamse Gewest, benoemd in overeenstemming met artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport en houder van een legitimatiekaart zoals bedoeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 2013. De kritiek van de verzoekende partij dat deze controleambtenaren “onbevoegd” zouden zijn om inbreuken vast te stellen in een proces-verbaal, aangezien deze wegeninspecteurs niet “correct” beëdigd zijn noch beschikken over de hoedanigheid van agent dan wel officier van gerechtelijke politie wordt niet bijgevallen. 9. Het uitgangspunt van het middel – namelijk dat het opstellen van processen-verbaal een specifieke en exclusieve bevoegdheid van de gerechtelijke politie zou zijn – valt niet af te leiden uit het aangevoerde artikel 11 BWHI. Het voormelde artikel 11 BWHI bepaalt dat de decreten binnen de grenzen van de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten de XII-8653-6/21 niet-naleving van hun bepalingen strafbaar kunnen stellen, de straffen wegens niet-naleving kunnen bepalen en dat de bepalingen van Boek I van het Strafwetboek hierop van toepassing zijn, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere inbreuken door een decreet kunnen worden gesteld. Tevens bepaalt dit artikel dat de decreten binnen die grenzen het volgende kunnen: 1° de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie toekennen aan de beëdigde ambtenaren van de Gemeenschaps- of Gewestregering of van instellingen die onder het gezag of het toezicht van de Gemeenschaps- of Gewestregering ressorteren; 2° de bewijskracht regelen van processen-verbaal; 3° de gevallen bepalen waarin een huiszoeking kan plaatshebben. De omstandigheid dat de wegeninspecteurs niet beëdigd zouden zijn noch de hoedanigheid zouden hebben van agent of officier van gerechtelijke politie neemt niet weg dat zij krachtens artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport bevoegd zijn om processen-verbaal op te stellen met bewijswaarde ‘tot bewijs van het tegendeel’. Uit artikel 11 BWHI mag niet worden afgeleid dat de decreetgever enkel aan ambtenaren van de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie de bevoegdheid kan toekennen om de betrokken processen-verbaal op te maken. 10. Wat de door de verzoekende partij in de laatste memorie gevraagde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof betreft, wordt in de eerste plaats opgemerkt dat een prejudiciële vraag om proceseconomische redenen en wegens de vereiste wapengelijkheid van de procespartijen in beginsel in limine litis moet worden geformuleerd, of minstens in het eerste processtuk waarin de betrokken partij dit vermocht te doen, wat te dezen niet het geval blijkt te zijn, zodat het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is. Daarenboven legt de bestreden beslissing aan de verzoekende partij met toepassing van artikel 17 van het decreet bijzonder wegtransport een XII-8653-7/21 administratieve geldboete op. In zijn arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 oordeelde het Grondwettelijk Hof reeds met betrekking tot het voorheen geldende gelijkaardige artikel 59 van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ dat de administratieve geldboete waarin deze bepaling voorzag niet kan worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 11 BWHI. De prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof dient dan ook niet te worden gesteld. 11. Het middel faalt naar recht. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 12. In een tweede middel voert de verzoekende partij een gebrek in de motivering aan. Zij meent dat in de bestreden beslissing niet voldoende werd geantwoord op het argument dat zij aandroeg in haar beroepschrift dat niet dezelfde garanties worden geboden bij vaststellingen die worden gedaan door wegeninspecteurs als bij de vaststellingen die worden gedaan door leden van de lokale en federale politie. Beoordeling 13. In de bestreden beslissing wordt op de argumentatie van de verzoekende partij inzake de vermeende discriminatie bij de vaststelling van feiten door de wegeninspecteurs het volgende geantwoord: “Appellant laat na weer te geven op welke wijze zij nadeel zouden hebben ondervonden aan de situatie waarbij de controle geschiedde door de wegeninspecteurs van het Agentschap Wegen en Verkeer, zodoende dit middelonderdeel 1.3. feitelijke grondslag mist. Er is geen sprake van discriminatie ten aanzien van de overtreder.” XII-8653-8/21 Met de verwerende partij mag worden vastgesteld dat de verzoekende partij in haar beroepschrift alsook tijdens de hoorzitting en in de conclusies die zij bij die gelegenheid neerlegde, heeft nagelaten aan te tonen welke concrete verschillen er zouden bestaan in de vaststellingen van inbreuken op het voormelde decreet al naargelang deze vaststellingen gebeuren door wegeninspecteurs, enerzijds, dan wel door leden van de lokale of federale politie, anderzijds, en hoe de verzoekende partij hierdoor concreet werd benadeeld. Zij beperkt zich ertoe erop te wijzen dat de toegang tot en de uitoefening van de functie van wegeninspecteurs, enerzijds, en de leden van de lokale en federale politie, anderzijds, verschillend zouden zijn – zij wijst dan in het bijzonder op een verschil inzake beëdiging, een verschil in vereiste diploma’s, in al dan niet onderworpen zijn aan een deontologische code – zonder dat zij in concreto aangeeft hoe zij hierdoor werd benadeeld bij de vaststelling van de inbreuk. Hierbij dient te worden benadrukt dat het te dezen gaat om een eenvoudige inbreuk waarvoor duidelijk bewijsmateriaal wordt vergaard met gebruik van een asdrukweger en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen, zodat niet blijkt, minstens toont de verzoekende partij niet aan waarom het verschil inzake beëdiging of het verschil in vereiste diploma’s voor dergelijke inbreuken de verzoekende partij zou benadelen. In die omstandigheden wordt op de door de verzoekende partij aangevoerde argumentatie in haar beroepsconclusie door de verwerende partij op afdoende gemotiveerde wijze geantwoord in de bestreden beslissing nu daarin werd vastgesteld dat de verzoekende partij niet aangaf welk nadeel zij had ondervonden door de controle door de wegeninspecteurs. 14. Het middel is niet gegrond. XII-8653-9/21 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 15. In een derde middel voert de verzoekende partij aan dat er sprake is van een “discriminatie bij de vaststellingen”. Zij herhaalt hierbij de argumentatie die zij in haar beroepsconclusie ontwikkelde omtrent verschillen in de toegang tot en de uitoefening van de functie van wegeninspecteurs, enerzijds, en de leden van de lokale en federale politie, anderzijds. Zij wijst in het bijzonder op een verschil inzake beëdiging, een verschil in vereiste diploma’s en een verschil in reglementering van de opleiding. 16. In de laatste memorie vraagt de verzoekende partij een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, geformuleerd als volgt: “Is art. 16 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met art. 2, § van het Besluit van 20 december 2013 betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, strijdig met art. 10 en 11 van de Grondwet in zo verre een controle door controleambtenaren die noch de juiste hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie hebben noch correct beëdigd zijn met heel wat minder wettelijke garanties naar opleiding en functionering is omkleed dan in geval van een controle door een politieagent.” Beoordeling 17. Zoals de verzoekende partij reeds aanvoerde in haar beroepschrift tijdens de bestuurlijke procedure die aanleiding gaf tot de bestreden beslissing en zoals blijkt uit de beoordeling van het vorige middel, beperkt zij zich er opnieuw toe erop te wijzen dat de toegang tot en de uitoefening van de functie van wegeninspecteurs, enerzijds, en de leden van de lokale en federale politie anderzijds, verschillend zou zijn – zij wijst dan in het bijzonder op het vermeend verschil inzake beëdiging, een verschil in vereiste diploma’s en opleiding en toepasselijkheid van een deontologische code – zonder in concreto XII-8653-10/21 aan te geven hoe zij hierdoor werd benadeeld bij de vaststelling van de inbreuk. Zij geeft niet aan hoe zij ongelijk of verschillend zou zijn behandeld nu de vaststelling van de inbreuk geschiedde door een wegeninspecteur en niet door een lid van de lokale of federale politie. Een dergelijke vermeende ongelijke behandeling valt ook niet onmiddellijk in te zien aangezien de wegeninspecteurs wier aanstelling blijkt uit hun legitimatiekaart bovendien geacht mogen worden een bijzondere deskundigheid en kennis te hebben met betrekking tot de decretale en reglementaire bepalingen ter zake en de te stellen handelingen bij het vaststellen van de inbreuken, gezien hun tewerkstelling binnen het agentschap Wegen en Verkeer en hun specialisatie onder meer inzake de controle op inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport en zijn uitvoeringsbesluiten. Bovendien, zoals de verwerende partij terecht opmerkt in haar memorie van antwoord en de verzoekende partij ook zelf bevestigt in haar vierde middel, heeft de verbalisant een eerder beperkte rol bij de vaststelling van de inbreuk – die, het weze herhaald, een eenvoudig vast te stellen inbreuk is – aangezien de voertuigen worden gewogen door een automatische asdrukweger. Ook in die omstandigheden valt niet in te zien op welke wijze de verzoekende partij ongelijk zou worden behandeld ten aanzien van rechtsonderhorigen waarbij eenzelfde inbreuk wordt vastgesteld door leden van de lokale of federale politie. 18. Daarenboven ligt, zoals de verzoekende partij reeds zelf opmerkt, de door haar beweerde vermeende discriminatie besloten in artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport aangezien dit artikel erin voorziet dat de wegeninspecteurs inbreuken op het decreet of de uitvoeringsbesluiten kunnen vaststellen bij proces-verbaal. De Raad van State is niet bevoegd om dat artikel 16 van het decreet te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 19. Voorts, zoals bij de beoordeling van het eerste middel reeds is opgemerkt, dient het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag in beginsel in limine litis te worden geformuleerd, hetgeen ook te dezen niet het geval blijkt te zijn, zodat het verzoek niet ontvankelijk is. XII-8653-11/21 Daarenboven is er overigens geen grond om hieromtrent een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, aangezien de verzoekende partij op geen enkele wijze het feitelijk bestaan van die ongelijke behandeling staaft, minstens minimaal aannemelijk maakt. De verzoekende partij maakt voorts op geen enkele wijze aannemelijk dat mede in het licht van de beperkte rol van de verbalisant bij de vaststelling van de inbreuk, de beëdiging, opleiding en functionering van de leden van de wegeninspectie minder wettelijke garanties zouden bieden dan die van de leden van de lokale of federale politie. 20. Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 19. In een vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) in zoverre in de bestreden beslissing wordt geweigerd om getuigen te horen. De verzoekende partij stelt dat de verbalisering van de overladingsinbreuken sterk geautomatiseerd is aangezien het proces-verbaal voor dergelijke overladingsinbreuken wordt afgedrukt rechtstreeks op grond van het weegprogramma van de weegbrug waarbij de verbalisanten enkel een reeks gegevens invullen. Alle processen-verbaal inzake overlading in het Vlaamse Gewest worden op dezelfde wijze vastgesteld, ongeacht of zij door wegeninspecteurs of andere verbalisanten werden getekend. In die omstandigheden lijkt het de verzoekende partij onontbeerlijk om de betrokken verbalisanten te kunnen horen als getuigen omtrent de concrete omstandigheden van het beweerde misdrijf en de interceptie van het voertuig. Zo wenst zij verduidelijking omtrent de juiste omstandigheden en plaats van onderschepping van het voertuig, de overbrenging ervan naar de weegbrug, de uiterlijke staat van XII-8653-12/21 het voertuig, de eigenlijke weegverrichtingen waarbij niet is geweten of er dynamisch dan wel statisch werd gewogen en of er bij dynamische bewegingen meerdere wegingen plaatsvonden. De ondervraging zou net dienen om eventuele problemen bij de weging aan het licht te brengen. Daarnaast wenst de verzoekende partij de verbalisanten ook als getuigen te laten verhoren omtrent hun hoedanigheid en opleiding ingevolge de problematiek die zij heeft uiteengezet in de voorgaande middelen. Aangezien de administratieve geldboete te dezen dient te worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 6 EVRM, beschikt de verzoekende partij op grond van artikel 6.3. EVRM over het recht om getuigen à décharge te doen oproepen en te ondervragen. De motivering in de bestreden beslissing om het verzoek af te wijzen voldoet niet. Het is niet omdat het getuigenverhoor enige organisatie vergt, dat het verzoek ter zijde kan worden geschoven, ook niet omwille van de korte termijnen waaraan de procedure voor het opleggen van een administratieve geldboete onderworpen is. Bovendien was er tussen de hoorzitting en de bestreden beslissing nog ruim anderhalve maand wat meer dan voldoende tijd was om een getuigenverhoor te organiseren. 20. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij er nog op dat het recht om getuigen te ondervragen op grond van artikel 6, §3, (

  1. d)EVRM onverkort geldt, ongeacht de complexiteit van de inbreuk. 21. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat de eerbiediging van de rechten van verdediging ook reeds tijdens de bestuurlijke fase is vereist omdat ze anders illusoir zouden worden tijdens de procedure bij de rechterlijke instantie met volle rechtsmacht. In ondergeschikte orde herhaalt zij haar verzoek tot ondervraging van de verbalisanten. XII-8653-13/21 Beoordeling 22. Het door de verzoekende partij geschonden geachte artikel 6, § 3, (
  2. d)EVRM luidt: “3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (
  3. a)[…] (
  4. b)[…] (
  5. c)[…] (
  6. d)de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge; (
  7. e)[…].” 23. Het recht om getuigen te ondervragen betreft geen absoluut recht. Een aangevoerde schending van het recht op getuigenverhoor moet dan ook steeds worden onderzocht vanuit de vraag of de eventuele weigering van een getuigenverhoor ook effectief heeft geleid tot een schending van het recht op een eerlijk proces. Het komt aan de nationale rechter toe om te beoordelen in een concrete procedure of het ondervragen van een getuige kan bijdragen aan de waarheidsvinding. De verzoekende partij geeft op geen enkele wijze in concreto aan hoe het feit dat de verbalisanten niet als getuige werden opgeroepen, de waarheidsvinding in de weg zou kunnen hebben gestaan. In de eerste plaats hebben de verklaringen van de verbalisanten in het proces-verbaal bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel overeenkomstig artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport. De verbalisanten zijn als het ware officiële getuigen van de vaststellingen die zij opnemen in het proces-verbaal. De verzoekende partij geeft geen enkele concrete reden aan waarom er te dezen zou moeten worden getwijfeld aan de vaststellingen van de verbalisanten en hoe een getuigenverhoor hierover duidelijkheid zou kunnen brengen. Zoals reeds bij de beoordeling van de vorige middelen is opgemerkt, gaat het te dezen over een eenvoudige inbreuk. Alle inlichtingen met betrekking tot de inbreuk en de omstandigheden van de overlading worden in het proces-verbaal vastgesteld. De verzoekende partij geeft XII-8653-14/21 ook geenszins aan welke concrete omstandigheden met betrekking tot de interceptie van het voertuig of de uiterlijke staat van het voertuig zouden kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de vaststellingen zoals weergegeven in het proces-verbaal, terwijl de vrachtwagenbestuurder van de verzoekende partij nochtans aanwezig was bij de interceptie van het voertuig. In dat verband moet ook worden opgemerkt dat deze gegevens werden opgenomen in het proces- verbaal dat binnen de drie dagen werd meegedeeld aan de verzoekende partij met de vraag mogelijke opmerkingen met betrekking tot de in het proces-verbaal gedane vaststellingen mee te delen. Het contradictoir karakter van de vaststellingen en de uitgevoerde metingen werd dan ook verzekerd door het feit dat een afschrift van het proces-verbaal, opgesteld door de met het toezicht belaste wegeninspecteur, binnen veertien dagen na de vaststelling van de overlading aan de verzoekende partij werd bezorgd in overeenstemming met artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport, zodat vanaf dat ogenblik de betrouwbaarheid of de geldigheid van de uitgevoerde metingen door de verzoekende partij kon worden betwist. De verzoekende partij heeft tijdens de bestuurlijke procedure op geen enkel ogenblik enige concrete opmerking gemaakt omtrent de materiële juistheid van de in het proces-verbaal gedane vaststellingen. In die omstandigheden valt niet in te zien hoe de verwerende partij, door te oordelen dat het horen van getuigen niet noodzakelijk was omdat alle inlichtingen aangaande de omstandigheden van de inbreuk werden opgenomen in het proces-verbaal en omdat de verzoekende partij geen omstandigheden naar voren bracht aangaande de overlading waardoor twijfel zou kunnen ontstaan, een inbreuk zou hebben gepleegd op de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces in hoofde van de verzoekende partij. 24. Ook op het in ondergeschikte orde gevraagde verzoek tot het horen van getuigen hoeft om dezelfde redenen niet te worden ingegaan. 25. Het middel is niet gegrond. XII-8653-15/21 E. Vijfde middel 26. In een vijfde middel voert de verzoekende partij aan dat het moreel element van het misdrijf niet aanwezig zou zijn. Zij wijst er op dat de verlading niet gebeurde door de verzoekende partij maar door aangestelden van een derde. De verzoekende partij was dan ook afhankelijk van enerzijds de wijze van lading door de verlader en anderzijds de controle die hierop diende te geschieden door haar bestuurder. De chauffeur van de verzoekende partij moest op twee plaatsen een lading ophalen en er werd aan de chauffeur meegedeeld dat na lading in beide plaatsen er een volle lading zou verkregen worden wat een goede gewichtsverdeling met zich meebrengt. Op de eerste laadplaats werden 12 paletten geladen, maar op de tweede laadplaats werden maar 5 paletten geladen, zodat er uiteindelijk geen volledige lading werd geladen en de verdeling van het gewicht niet klopte. De verzoekende partij meent dat dit niet ten haren laste kan worden gelegd maar dat de verlader heeft gefaald. De verzoekende partij had daarentegen wel een marge gelaten van 12 ton. Beoordeling 27. In de bestreden beslissing wordt omtrent het moreel element van de overlading als volgt geoordeeld: “3. Moreel element Artikel 2 van het decreet definieert de overtreder als volgt: ‘natuurlijke of rechtspersoon die een inbreuk pleegt op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan’; Uit voormeld artikel blijkt dat het de wil van de decreetgever is om een regeling uit te werken waarbij, naast natuurlijke personen, ook rechtspersonen gesanctioneerd kunnen worden wegens het overtreden van de bepalingen van het decreet van 3 mei 2013. (RvS 3 oktober 2011, nr. 215.515, BVBA Van Brabant en Co. t. het Vlaams Gewest.); Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor het door zijn aangestelde op zijn bevel of met zijn toelating begane misdrijf (Cass. 12 september 2006, www.cass.be.); Een rechtspersoon kan evenwel enkel strafrechtelijk verantwoordelijk geacht worden voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, XII-8653-16/21 of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd (Art. 5, lid 1 Sw.); In casu bestaat er geen twijfel over het feit dat de chauffeur handelde in naam en voor rekening van de rechtspersoon en het misdrijf aldus voor rekening van de rechtspersoon is gepleegd; Opdat het misdrijf kan worden aangerekend aan de rechtspersoon, moet er niet enkel een intrinsieke band zijn tussen het misdrijf en de rechtspersoon, er moet in hoofde van rechtspersonen ook een moreel element aanwezig zijn (Parl. St. Senaat 1998-99, nr. 1217/1, 5.);) Wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals in casu het geval is, bestaat de schuld uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm uitgesloten heeft wat hij in casu niet deed (Cass. 8 oktober 2002, www.cass.be.); Eenieder die een voertuig gebruikt, moet zich ervan vergewissen dat de massa en de massa onder de assen niet meer bedraagt dan de maximaal toegelaten massa, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass., 2 november 2004, www.cass.be). Op de rechtspersoon rust de wettelijke plicht om de nodige en gepaste maatregelen te nemen opdat de chauffeur in zijn dienst, geen hem toevertrouwd voertuig in het verkeer op de openbare weg bezigt dat overladen is (Cass. 12 september 2006, www.cass.be.). Het moreel element bestaat in casu dan ook uit het nalaten om maatregelen te nemen die de naleving van de geldende regelgeving inzake toegelaten massa's van voertuigen mogelijk maken (Cass. 17 februari 1997, www.cass.be; Cass. 28 september 1999, www.cass.be.). Gelet op het rechtstreeks verband tussen beschadiging van het wegdek enerzijds en de overlading anderzijds kan worden gesteld dat het nalaten om maatregelen te nemen die de naleving van de geldende regelgeving inzake toegelaten massa's van voertuigen mogelijk maken, eveneens voor gevolg heeft dat er een inbreuk wordt gepleegd op artikel 3 van het decreet; Behoudens wanneer de overtreder, met en zekere graad van geloofwaardigheid, de naleving van de voor hem geldende algemene zorgvuldigheidsplicht kan aantonen, door bijvoorbeeld met succes een grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aan te voeren, kan de schuld worden afgeleid uit het materiële feit van de overtreding (Cass. 8 oktober 2002, www.cass.be.); Appellant haalt aan dat de chauffeur diende te laden op twee plaatsen, bij de eerste lading werden 12 paletten vooraan de oplegger geladen, bij de tweede lading werden 5 paletten geladen. Er werd de chauffeur medegedeeld dat na het laden op beide plaatsen de vracht volledig zou gevuld zijn. Achteraf bleek dit niet het geval te zijn, waardoor de verdeling van het gewicht niet correct was. Verder verwijst appellant naar artikel 45bis van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2017 ‘tot wijziging van het XII-8653-17/21 koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, wat bette de ladingzekering’. Appellant haalt aan dat de lading niet verricht werd door de chauffeur, noch door de transportonderneming. Zij is van mening dat de chauffeur aan alle voorwaarden van voorvernoemd artikel heeft voldaan. Anders dan appellant voorhoudt, houdt het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2017 niet de exclusieve verplichting in hoofde van de verlader betreffende het respecteren van de MTM en de massa's onder de assen. Daarnaast handelt het Besluit over de verplichtingen en verantwoordelijkheden inzake ladingzekering. De transporteur blijft verantwoordelijk voor een door hem op de openbare weg in het verkeer gebracht voertuig. Appellant bracht een overladen voertuig in het verkeer en beging daardoor een inbreuk op het decreet. De aangehaalde regelgeving doet geen afbreuk aan het gegeven dat ‘het verboden is het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grand ander een van de assen het toegestane maximum, met meer dan 5 procent overschrijdt.’ (Artikel 3, 2e lid van het decreet 3 mei 2013). Overigens dient te worden vastgesteld dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van de vaststelling nog niet in werking was getreden. De inbreuk dateert van 23 januari 2018, Het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2017 lot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975' trad pas in werking d.d. 27 januari 2018. Appellant slaagt er verder niet in om het gegeven dat de lading gebeurde door een derde op een adequate wijze tot de zaak te betrekken. In deze beslissing wordt de beoordeling gemaakt over het handelen en nalaten van de transportonderneming. Zij had maatregelen moeten nemen, waardoor haar chauffeur de transporten in regel kon uitvoeren en er zich geen asoverladingen zouden voordoen. Het feit dat de chauffeur of de onderneming geen inspraak hadden in de manier van laden, doet hieraan geen enkele afbreuk. Wanneer een transport niet door de chauffeur of de eigen firma wordt geladen, dient dit de transporteur tot extra voorzichtigheid aan te manen. Gelet op het feit dat de overtreder niet aantoont dat er desondanks toch afdoende maatregelen genomen waren om overladingen te vermijden, moet worden geoordeeld dat appellant geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk; De schuld van de overtreder vloeit voort uit zijn kennis van de opdracht van zijn chauffeur om een hem toevertrouwd voertuig in het verkeer op de openbare weg te brengen (Cass. 12 september 2006, www.cass.be.); Het opzet in hoofde van de overtreder is bewezen; De geschetste omstandigheden omtrent de tweedelige lading kunnen echter wel worden aangenomen als verzachtende omstandigheden in hoofde van de overtreder. Appellant haalt geen elementen aan die de gunst van het uitstel rechtvaardigen. Rekening houdend met de verzachtende omstandigheden wordt de XII-8653-18/21 administratieve geldboete bepaald op 1500 euro.” 28. Wat de inbreuk bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport betreft, is niet vereist dat zij wetens en willens werd begaan, de schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten. Wat het moreel bestanddeel van het misdrijf betreft blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat dit aanwezig wordt geacht omwille van de omstandigheid dat de verzoekende partij niet de nodige maatregelen heeft genomen om de inbreuk te voorkomen. Van een normale, voorzichtige rechtspersoon mag immers worden verwacht dat hij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het voertuig niet overladen op de openbare weg wordt gebracht. De verzoekende partij maakt te dezen op generlei wijze aannemelijk dat zij de nodige maatregelen heeft genomen om de overlading van het voertuig te vermijden. Nu de verzoekende partij geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt, kon de verwerende partij in de bestreden beslissing wettig tot het besluit komen dat het moreel bestanddeel van de inbreuk in hoofde van de verzoekende partij bewezen is. 29. De omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading doordat hij het laden niet zelf had uitgevoerd, maakt niet dat de chauffeur geen enkel verwijt meer zou treffen noch kan ze worden aangemerkt als onoverkomelijk. Van een professionele chauffeur mag worden verwacht dat hij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de vrachtwagen die hij in geladen toestand op de openbare weg brengt, voldoet aan de wettelijk toegestane maxima wat de asdrukken betreft, ook al heeft de vrachtwagenbestuurder het voertuig niet geladen en had hij geen controle tijdens de verlading zelf. Van een transportonderneming voor wiens rekening de chauffeur rijdt, mag worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt opdat de chauffeur in staat is ervoor te zorgen dat de vrachtwagen die hij in geladen XII-8653-19/21 toestand op de openbare weg brengt, voldoet aan de wettelijk toegestane maxima wat de asdrukken betreft. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij poneert, is het laten van een marge daarbij niet de enig mogelijke maatregel. Het verzuim te voldoen aan de verplichting tot het nemen van maatregelen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken, vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass. 2 november 2004, AR P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8). De mededelingen van de verlader omtrent het laden van een volle lading ontslaat de chauffeur en de transportfirma niet van de verantwoordelijkheid om te controleren of ervoor te zorgen dat de chauffeur kan controleren dat zij geen overladen vrachtwagen op de openbare weg brengen. Er blijkt geenszins dat de verzoekende partij voldoende maatregelen heeft genomen om het in verkeer brengen van een overladen voertuig te vermijden. Niettemin werden de omstandigheden van de tweeledige lading door de verwerende partij alsnog in aanmerking genomen als verzachtende omstandigheden waardoor een boete van 1.500 euro werd opgelegd in plaats van een boete van 2.000 euro. 30. De verzoekende partij toont dan ook niet aan dat de beslissing waarbij tot de aanwezigheid van het moreel element in haren hoofde werd besloten niet op in feite dan wel in rechte draagkrachtige motieven zou steunen. 31. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XII-8653-20/21 Dit arrest is uitgesproken op achttien juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8653-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.830 Gerelateerde publicatie(
  8. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.