id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.839 Rolnummer: A. 230926/VII-40838 Zaak: Arrest 247839 - Milieuvergunningen - 19/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-19 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 247.839 van 19 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 247.839 van 19 juni 2020 in de zaak A. 230.926/VII-40.838 In zake: de BVBA TIM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelse Steenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 5 juni 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 4 mei 2020 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de burgemeester van de stad Ninove van 20 januari 2020 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de VII-40.838-1/14 zaken’, waarvan de termijn is verlengd bij koninklijk besluit van 4 mei 2020 en 18 mei 2020, wordt de zaak behandeld zonder openbare terechtzitting. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De verzoekende partij heeft vervolgens een pleitnota ingediend. Het aangewezen lid van het auditoraat heeft een schriftelijk advies neergelegd. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 16 juni 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij exploiteert een afvalverwerkend bedrijf aan de Elisabethlaan 151 te Ninove. Ze beschikt voor haar activiteiten over een milieuvergunning verleend door de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 23 januari 2003, voor een termijn van twintig jaar. 3.
- Tussen 2003 en 2017 worden meerdere processen-verbaal opgesteld en bestuurlijke maatregelen opgelegd, onder meer wegens het niet-naleven van de vergunningsvoorwaarden, het overschrijden van de voor bepaalde afvalstoffen vergunde opslagcapaciteit, het zonder vergunning opslaan VII-40.838-2/14 van bepaalde andere afvalstoffen, het niet uitvoeren van de opgelegde bestuurlijke maatregelen, en stedenbouwkundige inbreuken. 3.
- Naar aanleiding van een inspectie op 19 september 2018 wordt op 1 oktober 2018 een proces-verbaal opgemaakt, waarin opnieuw een reeks inbreuken worden vastgesteld. 3.
- Na de verzoekende partij gehoord te hebben, neemt de toezichthouder op 22 oktober 2018 een beslissing waarbij aan de verzoekende partij bestuurlijke maatregelen worden opgelegd. Luidens artikel 1 van die beslissing wordt het bevel gegeven om de aanvoer en bewerking van eender welke afval- of grondstof onmiddellijk en volledig stop te zetten tot wanneer aan de bepalingen van artikel 3 is voldaan. De legale afvoer van afval- of grondstoffen blijft toegestaan. Deze bestuurlijke maatregel zal minstens wekelijks worden gecontroleerd, en het niet naleven ervan heeft tot gevolg dat een bestuurlijke dwangsom wordt geheven van 3.000 euro per inbreuk (tot een maximum van 100.000 euro). 3.
- Tegen deze beslissing dient de verzoekende partij op 9 november 2018 beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.
- Bij besluit van 12 december 2018 bevindt het afdelingshoofd van de afdeling Handhaving het beroep onontvankelijk. Dit besluit wordt door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 244.521 van 16 mei 2019 en vervolgens vernietigd bij arrest nr. 245.381 van 10 september
- 3.
- Op 12 juli 2019 leggen twee toezichthouders van de Omgevingsinspectie Oost-Vlaanderen opnieuw bestuurlijke maatregelen op aan de verzoekende partij: - de aanvoer en de bewerking van alle afvalstoffen en grondstoffen moet onmiddellijk worden stopgezet, enkel de legale afvoer ervan is nog toegestaan; per VII-40.838-3/14 overtreding wordt een dwangsom geheven van 3.000 euro, tot maximaal 200.000 euro; - binnen vier maanden na de kennisgeving moeten zowel de onvergunde afvalstoffen als de vergunde afvalstoffen die de vergunde capaciteit overschrijden worden afgevoerd; na die termijn worden volgende dwangsommen geheven: - voor brandbaar restafval: 100 euro per dag, tot maximaal 50.000 euro; - voor andere vergunde afvalstoffen bij overschrijding van de vergunde capaciteit: 50 euro per dag,tot maximaal 25.000 euro; - voor onvergunde afvalstoffen: 50 euro per dag, tot maximaal 25.000 euro. 3.
- Ook tegen het opleggen van deze bestuurlijke maatregelen stelt de verzoekende partij beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.
- Op 25 oktober 2019 verklaart de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het beroep “gegrond” en legt zij aan de verzoekende partij “nieuwe” bestuurlijke maatregelen en dwangsommen op, die als volgt luiden: “Artikel 1 Aan de exploitant van de inrichting TIM B.V.B.A., Elisabethlaan 151, B-9400 Ninove wordt het bevel gegeven om de aanvoer en bewerking van eender welke afval- of grondstof onmiddellijk en volledig stop te zetten. Het niet naleven van deze bestuurlijke maatregel (m.a.w. elke vaststelling van aanvoer en/of bewerking van afval -of grondstoffen) heeft tot gevolg dat een bestuurlijke dwangsom wordt geheven van € 3.000 per vastgestelde inbreuk, met een maximum van € 200.
- Artikel
- De nog aanwezige afvalstoffen worden zo snel mogelijk afgevoerd conform de geldende regelgeving inzake afval. De afvalstoffen worden afgevoerd door geregistreerde IHM's (inzamelaars, handelaars of makelaars van afvalstoffen) naar vergunde afvalverwerkers. De afvoer van alle aanwezige afvalstoffen, dient te zijn voltooid uiterlijk op 27 december
- Het niet naleven van deze termijn heeft tot gevolg dat een bestuurlijke dwangsom wordt geheven van 100 euro per dag. Het maximum te verbeuren bedrag wordt op € 25 000 gesteld waarboven geen dwangsom meer kan worden verbeurd. Art.
- Alle afvoer van afval- of grondstoffen dient met zorg genoteerd in een afvoerregister, dat volgende items dient te bevatten: 1° de hoeveelheid afval- of grondstoffen in ton, kubieke meter, liter of kilogram; VII-40.838-4/14 2° de aard en de samenstelling van de afval- of grondstoffen, met vermelding van de EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1, 3° de verwerkings- of toepassingswijze van de afval- of grondstoffen 'storten, verbranden met energiereruperatie (R1), andere afvalverbranding (D10), hergebruik, composteren, recyclage, sorteren, andere voorbehandeling', 4° Wie voert het afval af 'naam, adres en identificatienummer van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, van Belgische inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer', 5° Wie verwerkt het afval 'naam, adres en identificatienummer van de verwerker van de afval- of grondstoffen, van Belgische verwerkers het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer'. Het afvoerregister dient maandelijks per elektronische drager overgemaakt aan de gewestelijke toezichthouder”. 3.
- Bij arrest nr. 246.518 van 23 december 2019 verwerpt de Raad van State de tegen het voormelde besluit ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, op grond van onder meer de volgende overwegingen: “Daar komt nog bij dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet onmiddellijk een nuttig effect zou opleveren voor de verzoekende partij. Ingevolge het ministerieel besluit tot opheffing van de vergunningen voor de exploitatie van de inrichting, zou de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing immers niet tot gevolg hebben dat de verzoekende partij haar exploitatie kan hervatten zonder geldige uitvoerbare milieu- of omgevingsvergunning. Een schorsing zou dan ook de door de verzoekende partij beschreven onherroepelijke schadelijke gevolgen niet kunnen afweren. In dit verband verliest zij ook uit het oog dat aan de opheffingsbeslissing van 27 augustus 2019 zelfstandige dwingende voorwaarden zijn verbonden met betrekking tot het afvoeren van de aanwezige afvalstoffen”. 3.
- Intussen zijn de aan de verzoekende partij verleende vergunningen voor de exploitatie van het afvalverwerkend bedrijf opgeheven bij besluit van de bevoegde Vlaamse minister van 27 augustus
- Aan de opheffingsbeslissing zijn de volgende voorwaarden verbonden: VII-40.838-5/14 “
- De nog op het terrein van de bvba Tim, Elisabethlaan 151 te 9400 Ninove, aanwezige afvalstoffen worden onmiddellijk afgevoerd conform de geldende regelgeving inzake afval. De afvalstoffen worden afgevoerd door geregistreerde IHM's (inzamelaars, handelaars of makelaars van afvalstoffen) naar vergunde afvalverwerkers.
- De afvalstoffen worden uiterlijk binnen een termijn van 4 maanden na de datum van dit besluit afgevoerd”. De tegen het voormelde besluit ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt door de Raad voor Vergunningsbetwistingen verworpen bij arrest nr. RvVb-UDN-1920-0285 van 22 november
- 3.
- Op 20 januari 2020 legt de burgemeester van de stad Ninove aan de verzoekende partij de volgende bestuurlijke maatregelen op: “Artikel 1 Het bedrijfsterrein van TIM bvba, gelegen aan de Elisabethlaan 151, 9400 Ninove zal uiterlijk 23 januari 2020 door de lokale politie van Ninove worden verzegeld in toepassing van artikel 16.4.7, § 2 DABM zodat verdere aanvoer van afvalstoffen onmogelijk wordt gemaakt. Alle kosten gemaakt voor deze verzegeling zullen verhaald worden op TIM bvba. Artikel 2 De afvoer van afvalstoffen blijft mogelijk onder toezicht van de lokale Politie van Ninove. De exploitant kan daartoe 1 maal per week, niet op zaterdag-, zon- en feestdagen, afvalstoffen en/of grond afvoeren. De zaakvoerder verwittigt de lokale politie van Ninove uiterlijk 24 uur voor de geplande afvoer aanvangt, zodat deze de verzegeling ongedaan kan maken en na de afvoer opnieuw tot verzegeling kan overgegaan worden. Artikel 3 Aan de volgende voorwaarden moet voldaan worden om deze bestuurlijke maatregel op te heffen: de exploitant moet beschikken over een geldige omgevingsvergunning voor al zijn activiteiten en de voorwaarden opgenomen in deze omgevingsvergunning moeten integraal nageleefd worden”. 3.
- De verzoekende partij stelt op 5 februari 2020 bij de bevoegde Vlaamse minister beroep in tegen voormelde beslissing. VII-40.838-6/14 3.
- Op 27 maart 2020 adviseert de afdeling Handhaving om het beroep ongegrond te verklaren. 3.
- Bij besluit van 4 mei 2020 verklaart de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het door de verzoekende partij ingestelde beroep ongegrond. Dit is de thans bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd: “In een proces-verbaal van 16 januari 2020 noteerde de toezichthouder van de stad Ninove haar vaststellingen gedaan tijdens een controle in de inrichting van beroepsindiener van dezelfde datum. Van op de openbare weg stelde zij vast dat op het terrein nog grote hoeveelheden ongesorteerd brandbaar afval aanwezig waren, alsook grond. Dit is een vergunningsplichtige inrichting terwijl beroepsindiener voor de exploitatie van de inrichting niet beschikte over een geldige milieu- of omgevingsvergunning. De toezichthouder staafde haar vaststellingen met foto’s die ze toevoegde aan het proces-verbaal. Met een besluit van 20 januari 2020 ging verwerende partij over tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen, namelijk een verzegeling van het terrein met enkel mogelijkheid tot afvoer van afvalstoffen eenmaal per week na voorafgaande verwittiging van de politie. Dit is de bestreden beslissing. Ten gronde Artikel 16.4.5, eerste lid, van het DABM bepaalt dat bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd na de vaststelling van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf. Artikel 16.1.2, 2° van het DABM definieert een milieumisdrijf als een gedraging in strijd met een milieuvoorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van titel XVI van het DABM, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van diezelfde titel. Beroepsindiener betwist de vaststellingen van verwerende partij in bovenvermeld proces-verbaal op zich niet, met name dat op 16 januari 2020 een onvergunde opslag van afval en grond werd vastgesteld. Beroepsindiener betwist echter de geldigheid van het proces-verbaal van 16 januari 2020: het proces-verbaal vermeldt namelijk dat het terrein moest ontruimd zijn tegen 27 december 2020, een foutieve vermelding die volgens beroepsindiener maakt dat het proces-verbaal niet als basis kon dienen om een bestuurlijke maatregel op te leggen. Beroepsindiener verwijst daarbij naar artikel 16.4.5 van het DABM. Het proces-verbaal vermeldt onder 'reden van de controle' inderdaad als datum van de beslissing van de minister over de opheffing van de milieuvergunning '27 augustus 2020' en als uiterlijk datum voor afvoer van de afvalstoffen '27 december 2020'. Dit betreft echter duidelijk materiële vergissingen, waarbij de 2020 telkens als 2019 moet worden gelezen. Deze VII-40.838-7/14 materiële vergissingen doen geen afbreuk aan de bewijswaarde van het proces-verbaal en aan de vaststelling van het milieumisdrijf. Het blijft, ondanks de vergissing, afdoende duidelijk welk milieumisdrijf in hoofde van beroepsindiener werd vastgesteld. De vaststellingen uit het proces-verbaal van 16 januari 2020 houden een schending in van artikel 5.2.1 van het DABM, artikel 6 van het Omgevingsvergunningendecreet en artikel 12 van het Materialendecreet. Deze regelgeving wordt gehandhaafd overeenkomstig titel XVI van het DABM en de feiten vormen aldus een milieumisdrijf in de zin van het DABM. Het milieumisdrijf staat afdoende vast in hoofde van beroepsindiener en verwerende partij kon derhalve rechtmatig overgaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel aan beroepsindiener. Beroepsindiener stelt dat de bestreden beslissing artikel 16.4.4 van het DABM schendt omdat de opgelegde verzegeling buiten proportie is met de feiten. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij om de bestuurlijke maatregelen op te leggen die zij passend acht en om eveneens een gepaste uitvoeringstermijn aan de maatregelen te verlenen. Evenwel mag er overeenkomstig artikel 16.4.4 van het DABM geen kennelijke wanverhouding bestaan tussen de feiten die aan de bestuurlijke maatregel ten grondslag liggen en de maatregel die op grond van die feiten wordt opgelegd. De bestreden beslissing houdt volgens beroepsindiener een schending in van artikel 16.4.4 DABM omdat de bestreden beslissing ook gevolgen heeft voor de bvba BART, terwijl de bestreden beslissing geen enkele overweging bevat over de bvba BART en terwijl er ook nooit een proces-verbaal lastens de bvba BART is opgesteld. Het klopt dat in het dossier geen proces-verbaal zit waarin milieumisdrijven zijn vastgesteld lastens de bvba BART. De bestreden beslissing is echter opgelegd aan beroepsindiener en niet aan de bvba BART. Dat de bvba BART ook wordt geraakt in haar activiteiten door de bestuurlijke maatregel, vindt haar enige oorzaak in de illegale activiteiten van beroepsindiener. Dit doet geen afbreuk aan de rechtmatigheid van de bestreden beslissing. Beroepsindiener stelt dat verwerende partij overeenkomstig artikel 60 van het Milieuhandhavingsbesluit beperkte bevoegdheden heeft zodat zij niet bevoegd was om aan de bvba BART een maatregel op te leggen omdat er bij de bvba BART geen sprake is van een exploitatie van een ingedeelde inrichting zonder te beschikken over een omgevingsvergunning. Artikel 60, 3° van het Milieuhandhavingsbesluit zegt inderdaad dat de burgemeester bevoegd is voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen als een vergunningsplichtige inrichting wordt geëxploiteerd zonder omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. De bestreden beslissing werd echter niet opgelegd aan de bvba BART maar aan beroepsindiener. Verwerende partij was bevoegd om de bestuurlijke maatregel op te leggen aan beroepsindiener aangezien zij een vergunningsplichtige inrichting exploiteert zonder vergunning. Dat de bestreden beslissing ook gevolgen heeft voor de exploitatie van de bvba BART doet niet anders besluiten. VII-40.838-8/14 Beroepsindiener stelt dat de afvoer van het COPRO-gekeurd materiaal op haar site afhankelijk is van de weersomstandigheden en dus van de vraag. Hierdoor mist de voorwaarde dat slechts eenmaal per week mag worden afgevoerd na afspraak met de politie volgens beroepsindiener haar doel. Nochtans had de zaakvoerder van beroepsindiener tijdens de hoorzitting met verwerende partij voorafgaand aan het nemen van de bestreden beslissing zelf verklaard slechts eenmaal per week te kunnen afvoeren. De bestreden beslissing houdt hiermee rekening. Beroepsindiener deelde op de hoorzitting bij de cluster sanctionering en advisering ook mee dat hij slechts één vracht gemengd brandbaar afval per week kan afvoeren wegens een verzadiging van de markt. Op de vraag hoeveel verwerkers hij heeft aangezocht, deelde hij mee enkel contact te hebben opgenomen met een verwerker te Ronse, waar hij naar afvoert, aangezien dit de dichtstbijzijnde verwerker is. Andere ondernemingen werden niet gecontacteerd om na te gaan of er verwerkingscapaciteit is omdat dit volgens beroepsindiener verder rijden is. De bewering van beroepsindiener dat zij moeilijkheden ondervindt bij het uitvoeren van de bestreden beslissing, namelijk door de voorwaarde dat slechts eenmaal per week mag worden afgevoerd, is dan ook weinig geloofwaardig. De bestreden beslissing houdt geen schending in van artikel 16.4.4 van het DABM. Nog tijdens de hoorzitting bij de cluster sanctionering en advisering wierp beroepsindiener op dat haar administratie en de administratie van de bvba BART op het terrein worden uitgevoerd in een bureelcontainer. De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat ook de burelen mee werden verzegeld en elke administratieve opvolging van beroepsindiener en van de bvba BART onmogelijk wordt gemaakt. De lokale politie zou volgens beroepsindiener ter plaatse hebben benadrukt dat deze bureelruimten mee verzegeld waren en dat toegang dus onmogelijk was tot de boekhoudkundige stukken, nodig voor de bedrijfsvoering van beide vennootschappen. Beroepsindiener stelt dat het voor zich spreekt dat, ondanks de opheffing van de omgevingsvergunning bij besluit van 25 augustus 2019, haar administratieve en financiële verplichtingen blijven lopen en dat zij deze ook moet voldoen. Het staat vast dat beroepsindiener een vergunningsplichtige inrichting exploiteert zonder te beschikken over een geldige vergunning. De naleving van de vergunningsplicht behoort tot de meest elementaire verplichtingen van de exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit. Beroepsindiener kent bovendien een uitgebreide historiek van schendingen van de milieuregelgeving, zoals hierboven weergegeven. De blijvende weigering van beroepsindiener om de milieuregelgeving na te leven en het aanhoudende gebrek aan respect voor opgelegde bestuurlijke maatregelen, maken dat een drastisch ingrijpen gerechtvaardigd en zelfs genoodzaakt is. Dat beroepsindiener haar administratieve en financiële verplichtingen ingevolge de verzegeling tijdelijk niet kan nakomen, is een gevolg van een maatregel die noodzakelijk is om de beroepsindiener te dwingen de milieuregelgeving na te leven en om zich in regel te stellen. Bovendien staat het allesbehalve vast dat zij de genoemde verplichtingen door de verzegeling niet meer kan nakomen. Het verslag van verzegeling vermeldt dat een VII-40.838-9/14 opening in de afsluiting van één meter werd gelaten zodat de zaakvoerder nog door de afsluiting kan bewegen. Vele financiële, administratieve en andere verplichtingen kunnen de dag van vandaag telefonisch, digitaal of op een andere manier worden nagekomen. Eens beroepsindiener door het naleven van de bestuurlijke maatregelen een opheffing ervan kan verkrijgen, kan zij de genoemde verplichtingen opnieuw nakomen. Hetzelfde geldt voor het oriënterend bodemonderzoek dat door de verzegeling tijdelijk wordt uitgesteld. Er is dan ook geen sprake van een schending van artikel 16.4.4 van het DABM. Dat de bestreden beslissing ook gevolgen zou hebben voor de administratieve en financiële verplichtingen van de bvba BART, wat eveneens allerminst vaststaat, vindt haar enige oorzaak in de illegale activiteiten van beroepsindiener. Dit doet geen afbreuk aan de rechtmatigheid van de bestreden beslissing. Al deze elementen maken dan ook dat de bestreden beslissing, zowel wat betreft de noodzaak om bestuurlijke maatregelen op te leggen als de aard en uitvoeringsmodaliteiten ervan, niet in kennelijke wanverhouding staan tot de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen”. IV. Onderzoek van de vordering
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verzoekende partij staaft het bestaan van een dringende noodzakelijkheid als volgt: “Verzoekster heeft kennis genomen van de bestreden beslissing op 12 mei 2020 dmv email aan de opvolgende raadsman. De beslissing zelf, is slechts aangetekend ontvangen door verzoekster op 2 juni 2020; De bestuurlijke maatregel bevestigt [sic] in het bestreden besluit betreft een verzegeling, dus een stopzetting van exploitatie, slechts 1 maal per week, kan er ontzegeld worden en worden afgevoerd. VII-40.838-10/14 Dit maakt de exploitatie en de afvoer van andere afvalstoffen/grondstoffen zo goed als onmogelijk, waardoor ook het financieel voortbestaan van verzoekster in het gedrang komt. De verzegeling en de stopzetting van elke activiteit, zelfs de ernstige beperking van de afvoer, lijdt tot een zwaar financieel verlies in hoofde van verzoekster die de continuïteit van de onderneming bedreigt. Verzoekster kan zelfs niet binnen een redelijke termijn de opheffing van de bestuurlijke maatregel vragen, aangezien als voorwaarde wordt gesteld, de afvoer van alle afvalstoffen. Het voortbestaan van de onderneming van verzoekster komt derhalve in het gedrang. Verzoekster heeft niet de intentie om de exploitatie te hervatten, zij kan dit ook voorlopig niet […] aangezien bij ministerieel besluit de vergunningen werden opgeheven, alhoewel deze ministeriële beslissing wordt aangevochten voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, maar zij wenst de aanwezige afvalstoffen en andere grondstoffen binnen een redelijke termijn af te voeren, teneinde dan binnen een redelijke termijn de opheffing van de bestuurlijke maatregel te verzoeken, alsook een nieuwe omgevingsvergunning aan te vragen. In geval van faling van het bedrijf van verzoekster, zal er zelfs niet 1 dag per week meer kunnen afgevoerd worden en zal mogelijks het bedrijf van verzoekster geconfronteerd worden met de kosten van een ambtshalve sanering. De schadelijke gevolgen van de verzegeling zijn aanzienlijk en laten zelfs een afvoer binnen een redelijke termijn niet meer mogelijk. Er is derhalve wel degelijk sprake van uiterst dringende noodzakelijkheid. Verzoekster dient ook te verwijzen naar het arrest van Uw Raad dd. 16.05.2019 waarbij inzake een procedure schorsing tegen bestuurlijke maatregelen dd. 22.10.2018 werd geoordeeld door Uw Raad dat er sprake is van hoogdringendheid, aangezien 'de toekomstige bedrijvigheid in het gedrang kan worden gebraxht [sic] en diensvolgens [sic] de mogelijke schadelijke gevolgen dermate ernstig kunnen zijn dat het aangewezen is de zaak in kort geding te beoordelen'. Zowel het ernstig nadeel als de spoedeisendheid werden aanvaard door Uw Raad. In casu is er nu zeker sprake van uiterste hoogdringendheid, aangezien niet alleen een bestuurlijke maatregel werd opgelegd aan verzoekers, maar zelfs een verzegeling waarbij er slechts 1 maal per week afvalstoffen na voorafgaandelijke ontzegeling door de Politie kunnen worden afgevoerd. De omzetdaling voor 2020 van verzoekster, sedert de bestuurlijke maatregel Stad Ninove, is drastisch en dramatisch; [….]”.
- In haar pleitnota beklemtoont de verzoekende partij dat zij niet de intentie heeft om de inrichting zonder omgevingsvergunning verder te exploiteren, maar er enkel naar streeft om “binnen een redelijke termijn, de aanwezige afvalstoffen en nog aanwezige COPRO-gekeurde bouwstoffen en grondstoffen af te voeren”. Ook stelt zij dat de bestreden maatregel verhindert dat VII-40.838-11/14 de COPRO-gekeurde grondstoffen (zoals zand en hout) kunnen verkocht worden omdat “dit volgens vraag dient te gebeuren en afhankelijk is van de weersomstandigheden”. Beoordeling
- De bestreden beslissing sterkt ertoe de inrichting van de verzoekende partij te verzegelen, behoudens op één dag in de week waarop de opgeslagen afvalstoffen mogen worden afgevoerd. De verzoekende partij betwist niet dat die maatregel wordt opgelegd omdat voor de opslag van de betrokken afvalstoffen geen geldige vergunning voorhanden is.
- Een vordering tot schorsing (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) mag slechts aangewend worden ter voorkoming van nadelen of schadelijke gevolgen die hun oorzaak vinden in de bestreden beslissing.
- In zoverre de verzoekende partij vreest voor haar voortbestaan wegens de zware financiële impact van de bestreden beslissing, verliest zij uit het oog dat de inrichting actueel niet mag geëxploiteerd worden. Bij ministerieel besluit van 27 augustus 2019 werden de lopende vergunningen voor de exploitatie van het afvalverwerkend bedrijf immers opgeheven en bij arrest nr. RvVb-UDN-1920-0285 van 22 november 2019 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen de tegen het voormelde besluit ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen. Het spreekt voor zich, en het tegendeel zou verwonderen, dat de verzoekende partij haar omzet “drastisch en dramatisch” heeft zien dalen door de verplichte stopzetting van de activiteiten. De bestreden beslissing waarbij wordt overgegaan tot de verzegeling van de inrichting voegt echter niets toe aan het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel of schadelijke gevolg. Dat nadeel of schadelijke gevolg kan ook niet onmiddellijk worden afgewend door een bevel tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing. VII-40.838-12/14
- Voorts wordt niet ingezien hoe de bestreden beslissing de afvoer van de aanwezige afvalstoffen ernstig zou belemmeren, in het bijzonder nu niet wordt ontkend dat de zaakvoerder tijdens een hoorzitting heeft verklaard dat slechts eenmaal per week afvalstoffen kunnen worden afgevoerd, voornamelijk wegens economische marktomstandigheden. Tot slot is het de Raad van State niet duidelijk waarom de afvoer van de aanwezige grondstoffen in functie van de vraag geen exploitatie zou vormen in de normale betekenis van dat woord. Het streven om een bestaande onwettige situatie in stand te houden, vormt geen aanvaardbare rechtvaardiging voor een spoedeisende behandeling van de zaak.
- Er is niet voldaan aan minstens één van de bij artikel 17, §§1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-40.838-13/14 Dit arrest is uitgesproken op negentien juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.838-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.839 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.596 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div