id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.858 Rolnummer: A. 220819/IX-8968 Zaak: Arrest 247858 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 23/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-23 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:33 Fiche Arrest nr 247.858 van 23 juni 2020 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.858 van 23 juni 2020 in de zaak A. 220.819/IX-8968 In zake: Dirk DE PAUW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE DIENST VOOR BRANDWEER EN DRINGENDE MEDISCHE HULP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten François Belleflamme en Virginie Feyens kantoor houdend te 1060 Brussel Zwitserlandstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 november 2016, strekt tot de nie- tigverklaring van “[h]et besluit van de directieraad [van de Brusselse Hoofdstede- lijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp] van 27 september 2016 waarbij de volgende personen werden aangesteld om de hogere ambten van majoor uit te oefenen en de rol van officier van week te verzekeren: Cdt. Michel Grignard, Cdt. Luc Sauvage, Cdt. Axel Simonart, Cpt. Peter Roseleth, zoals vervat in de dienstnota 2016-209 van 29 september 2016 [...] en waarbij [Dirk De Pauw] niet werd aangesteld in het hoger ambt van majoor zoals vervat in het schrijven van 30 september 2016 als kennisgeving”. IX-8968-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 237.505 van 28 februari 2017 is de vordering tot schorsing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeen- komstig artikel 3 van koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 4 juni 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- IX-8968-2/17 III. Feiten 3.
- Verzoeker is statutair personeelslid van de Brusselse Hoofd- stedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp. Hij heeft de graad van kapitein (rang A2) en behoort tot de Nederlandse taalrol. 3.
- Bij dienstnota 2016-165 van 28 juli 2016 wordt “in de huidige overgangsfase van de organisatie van de [Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp] en in afwachting van de uitvoering van de hervorming” een oproep tot kandidaatstelling bekendgemaakt aan het personeel van de voornoemde dienst met het oog op de toewijzing van onder meer drie ho- gere ambten van majoor. 3.
- Onder anderen verzoeker stelt zich kandidaat. 3.
- Op 27 september 2016 beslist de directieraad vooreerst “het aantal plaatsen A4 (majoors) uit te breiden naar 4”. Voorts beslist de directieraad Axel Simonart, Luc Sauvage, Michel Grignard en Peter Roseleth aan te stellen in het hoger ambt van majoor. De notulen van de vergadering van de directieraad vermelden in dit verband: “Voorstel tot klassement van de korpschef en de Dienst HR op basis van de ontvangen kandidaturen: Voor de Franstalige kandidaten:
- A. Simonart, commandant
- L. Sauvage, commandant
- M. Grignard, commandant
- [A.W.], kapitein Voor de Nederlandstalige kandidaten:
- P. Roseleth, kapitein
- [T.V.G.], luitenant
- [M.G.] en D. De Pauw, kapiteins (ex aequo) IX-8968-3/17 Alle kandidaten beschikken over meer dan voldoende werkervaring. De twee ex aequo kandidaten hebben de verdienste het kader verlaten te hebben en voeren hun werk eervol uit, maar ze beschikken niet over de academische graad waarover de twee eerst geklasseerde kandidaten wel beschikken. Stemming 2 (geheime stemming): Voorstel geformuleerd door de korpschef en de Dienst HR: bevordering van 3 FR zijnde A. Simonart, L. Sauvage, M. Grignard en 1 NL, zijnde P. Roseleth. Resultaat van de geheime stemming: 3 Ja en 1 Onthouding → Voorstel wordt aangenomen. De 3 FR commandanten, die door een beslissing van de BHR bovendien in de DR zetelen, oefenen reeds verschillende jaren de operationele verantwoor- delijkheden uit, die van wnd. majoors verwacht worden. De best geklasseerde NL kapitein wordt gekozen om het taalevenwicht te benaderen dat in deze graad van de hiërarchie noodzakelijk is en om de direc- tieraad te versterken na het vertrek van [D.]. Teneinde een structuur uit te werken, die het toekomstig organigram bena- dert, zal de korpschef de operationele en administratieve taken die van hen verwacht worden bevestigen door middel van een opdrachtbrief.” Bij dienstnota 2016-209 van 29 september 2016 wordt de aan- stelling van de voornoemde personen in het hoger ambt van majoor bekendge- maakt. Deze nota vermeldt dat de aanstellingen aanvangen op 1 oktober 2016 en “[lopen] tot de aanstelling van de toekomstige mandatarissen”. 3.
- Met een brief van 30 september 2016 delen de waarnemend officier-dienstchef en de waarnemend directeur-generaal van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp aan ver- zoeker mee dat de directieraad op 27 september 2016 de kandidaatstellingen voor het hoger ambt van majoor heeft onderzocht, maar dat verzoekers kandidatuur “niet weerhouden werd”. Voorts vermelden zij: “Dit doet geen afbreuk aan de kwaliteit van uw titels en verdiensten, maar u beschikt niet over de universitaire diploma’s waarover de weerhouden kandidaat beschikt.” IV. Precisering van het voorwerp van het beroep
- Verzoeker vraagt de nietigverklaring van het besluit van de directieraad van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Drin- gende Medische Hulp van 27 september 2016 waarbij Michel Grignard, Luc IX-8968-4/17 Sauvage, Axel Simonart en Peter Roseleth worden aangesteld in het hoger ambt van majoor. Bij de omschrijving van het voorwerp van zijn beroep in het inleidend verzoekschrift vermeldt verzoeker weliswaar dat het voormelde besluit ook inhoudt dat “[hij] niet werd aangesteld in het hoger ambt van majoor”, maar uit geen enkel nader gegeven aangevoerd in dat verzoekschrift of zelfs in latere pro- cedurestukken blijkt dat hij een uitzonderlijke omstandigheid beoogt aan te voeren waardoor de verwerende partij verplicht zou zijn om hem het geambieerde hoger ambt toe te kennen en dat hij aldus een bijkomende vernietiging zou beogen van deze weigering om hem aan te stellen, die impliciet volgt uit de aanstelling van de voornoemde kandidaten door de directieraad. De Raad van State vermag dan ook ervan uit te gaan dat die weigering als zodanig niet mede tot het voorwerp van het beroep moet worden gerekend en geen uitdrukkelijke en afzonderlijke nietigverklaring verdient. Een nietigverklaring van de aanstelling van Michel Grignard, Luc Sauvage, Axel Simonart en Peter Roseleth in het hoger ambt van majoor zou overigens hoe dan ook met zich meebrengen dat verzoeker aanspraak kan maken op het rechtsherstel waartoe de verwerende partij op grond van de in aanmerking genomen vernietigingsgrond gehouden zou zijn. V. Onderzoek van het vierde en het eerste middel A. Vierde middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het vierde middel de schending aan van ar- tikel 43, § 3, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna: de bestuurstaalwet) en van artikel 1 van het besluit IX-8968-5/17 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 juli 2011 ‘houdende vaststelling van de taalkaders van het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp’ (hierna: het taalkaderbesluit van 20 juli 2011). Hij betoogt dat de bestuurstaalwet van openbare orde is en “strikt en beperkt” moet worden geïnterpreteerd. Ook bij aanstellingen in een hoger ambt moet de verwerende partij rekening houden met artikel 43, § 3, van de bestuurstaalwet, zoals deze bepaling voor de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp is geconcretiseerd in het taalka- derbesluit van 20 juli 2011 en in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, eveneens van 20 juli 2011, ‘houdende met het oog op de toepassing van artikel 43 van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, vaststelling van de graden van het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp die een- zelfde trap van de hiërarchie vormen’ (hierna: het taaltrappenbesluit van 20 juli 2011). Verzoeker merkt op dat het taaltrappenbesluit van 20 juli 2011 genomen is op basis van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 mei 2005 ‘houdende vaststelling van de personeelsformatie van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp’, maar dat dit laatstgenoemde besluit met uitwerking vanaf 1 januari 2016 is opgeheven bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 januari
- Hij voegt eraan toe dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 14 juli 2016 heeft beslist om het aangepaste personeelsplan van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp goed te keuren en dat uit de samenvattende tabel, zoals opgenomen in het Belgisch Staatsblad van 30 september 2016, blijkt dat dit personeelsplan, wat niveau A betreft, voorziet in de rangen A5+, A5, A4, A3, A2 en A1, terwijl luidens het IX-8968-6/17 taaltrappenbesluit van 20 juli 2011 de graden van de rangen A5, A4+ en A4 de eerste trap van de hiërarchie vormen. Volgens verzoeker kan het taaltrappenbesluit van 20 juli 2011 niet worden toegepast “met gebruik van” het personeelsplan van 14 juli
- In het taaltrappenbesluit van 20 juli 2011 is er immers geen sprake van een rang A5+ en in het personeelsplan van 14 juli 2016 is er geen sprake van een rang A4+. Voorts is de graad van luitenant-kolonel niet meer opgenomen in het personeels- plan. Het taaltrappenbesluit van 20 juli 2011 is, aldus verzoeker, evenwel een essentiële en noodzakelijke voorwaarde om het taalkaderbesluit van dezelfde datum op de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp te kunnen toepassen. Hij leidt eruit af dat onder meer aanstellingen in een hoger ambt bij de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp zonder een rechtsgeldig taaltrappenbesluit onwettig zijn. In de hypothese dat het taaltrappenbesluit van 20 juli 2011 wél kan worden toegepast op het personeelsplan van 14 juli 2016, moet het volgens verzoeker worden toegepast op het volledige kader van de eerste trap van de hiërarchie – dit wil zeggen op de acht personeelsleden van de rangen A5+, A5, A4+ en A4 – en moet worden besloten dat het bestreden besluit met de aanstelling van drie Franstaligen en één Nederlandstalige het taalevenwicht schendt dat is voorgeschreven door artikel 43 van de bestuurstaalwet.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat verzoeker geen belang heeft bij het middel. Zij argumenteert dat indien een tweede betrekking van waarnemend majoor zou zijn toegekend aan een Neder- landstalige kandidaat, deze zou zijn toegekend aan T.V.G., de tweede gerang- schikte Nederlandstalige kandidaat, en niet aan verzoeker. IX-8968-7/17 Noch in haar memorie van antwoord, noch in haar laatste me- morie gaat de verwerende partij in op de grond van het aangevoerde middel. Beoordeling
- Terecht doet verzoeker gelden dat het vierde middel de openbare orde raakt. Zoals hierna zal blijken uit de beoordeling van de gegrondheid van dit middel, heeft de vastgestelde onwettigheid een weerslag op het bestreden besluit. Gelet tevens op het hierna gegrond bevinden van het eerste middel, kan verzoeker, anders dan de verwerende partij het ziet, na een nietigverklaring op grond van beide middelen bovendien wel een nieuwe kans verkrijgen om in het hoger ambt te worden aangesteld. Verzoeker heeft dan ook belang bij het vierde middel. De ex- ceptie van onontvankelijkheid van het middel wordt verworpen.
- Artikel 43, § 3, van de bestuurstaalwet bepaalt: “De Koning bepaalt, voor een duur van ten hoogste zes jaar, die kan worden verlengd zo geen wijziging optreedt, voor iedere centrale dienst, het percentage betrekkingen dat aan het Nederlands en aan het Frans kader dient toegewezen met inachtneming, op alle trappen van de hiërarchie, van het wezenlijk belang dat de Nederlandse en Franse taalgebieden respectievelijk voor iedere dienst vertegenwoordigen. Nochtans, voor de managementfuncties en voor de staf- functies alsook voor de graden van rang 13 en hoger en de graden die gelijk- waardig zijn en de klassen A3, A4 en A5, onder voorbehoud van de toepassing van § 2, eerst lid, worden de betrekkingen, op alle trappen van de hiërarchie, in gelijke percentages verdeeld tussen de twee kaders. Het tweetalig kader omvat 20% van de betrekkingen van de graden van rang 13 en hoger en van de graden die gelijkwaardig zijn en van de klassen A3, A4 en A5, onder voorbehoud van de toepassing van § 2, eerste lid. Die betrek- kingen worden, op alle trappen van de hiërarchie, in gelijke mate verdeeld tussen de twee taalrollen. […] Voor de toepassing van voorgaande regelen, bepaalt de Koning welke graden of klassen of managementfuncties of staffuncties tot een zelfde trap van de hiërarchie behoren. […]” IX-8968-8/17 Artikel 1 van het taalkaderbesluit van 20 juli 2011 bepaalt: “In de eerste en de tweede trap van de hiërarchie worden de betrekkingen van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp verdeeld overeenkomstig de volgende taalkaders: Tweetalig Nederlands kader Frans kader kader Trappen van % betrekkin- % betrekkingen % Fr. % Ned. de hiërarchie gen 1 40 % 40 % 10 % 10 % 2 40 % 40 % 10 % 10 % ” Artikel 1 van het taaltrappenbesluit van 20 juli 2011, zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, bepaalt: “Met het oog op de toepassing van artikel 43 van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, aan het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medi- sche Hulp, worden de diverse graden die eenzelfde trap van de hiërarchie vormen, vastgesteld als volgt: 1e trap: de graden van de rangen A5, A4+ en A4; […]”
- In beginsel kan er geen rechtsgeldige benoeming of aanstelling in een taalkader gebeuren, zolang het toepasselijke taaltrappenbesluit niet in overeenstemming is gebracht met wijzigingen die zijn aangebracht aan het orga- niek kader. Er moet immers bij benoemingen of aanstellingen, rekening houdend met alle mogelijke betrekkingen waarin het organiek kader voorziet, per trap van de hiërarchie een rechtszekere toepassing kunnen worden gemaakt van de verde- ling van de betrekkingen tussen de taalkaders. In dit geval moet met verzoeker worden vastgesteld dat het goedgekeurde personeelsplan van 14 juli 2016, zoals het van toepassing was op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, wat niveau A betreft, voorzag in de rangen A5+, A5, A4, A3, A2 en A
- IX-8968-9/17 Het toen geldende taaltrappenbesluit van 20 juli 2011 bepaalt dat de graden van de rangen A5, A4+ en A4 de eerste trap van de hiërarchie vormen. Er wordt geen gewag gemaakt van de graden van rang A5+. Het personeelsplan maakt dan weer geen gewag van graden van rang A4+. De rangen waarvan de graden volgens het taaltrappenbesluit van 20 juli 2011 de eerste trap van de hiërarchie vormen, stemmen aldus niet overeen met de rangen waarin is voorzien in het personeelsplan. Het taaltrappenbesluit van 20 juli 2011 werd pas bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 augustus 2018 aangepast aan het personeelsplan en dit met ingang van 1 maart
- Het valt dienvolgens niet in te zien dat het taalkaderbesluit van 20 juli 2011, waarvan de toepassing gesteund is op de indeling van de trappen van de hiërarchie, op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit een rechtsgeldige toepassing kon krijgen. De verwerende partij legt ook niet in het minst uit hoe dat wel mogelijk zou zijn geweest. Alleen al om deze reden moet het middel gegrond worden be- vonden.
- Zelfs indien, louter voor het debat, zou worden aangenomen dat de enige betrekking van rang A5+, namelijk deze van korpschef, waarin het per- soneelsplan voorzag, maar waarmee geen rekening is gehouden in het toepasse- lijke taaltrappenbesluit, geen weerslag vermocht te hebben op de verdeling van de toe te wijzen aanstellingen in de hogere ambten van majoor overeenkomstig het taalkaderbesluit van 20 juli 2011, dan moet met verzoeker worden vastgesteld dat de door dit laatstgenoemde besluit voorgeschreven verdeling van de aanstellingen tussen de taalkaders werd miskend. Op basis van het geldende personeelsplan van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp kunnen IX-8968-10/17 immers acht personeelsleden tot de rangen A5+, A5 en A4 worden gerekend, die – in de hypothese van het debat – de eerste trap van de hiërarchie zouden vormen. Dit zou betekenen dat, overeenkomstig het taalkaderbesluit van 20 juli 2011, in de eerste trap van de hiërarchie maximaal drie personeelsleden mogen behoren tot het Franstalige taalkader, drie personeelsleden tot het Nederlandstalige taalkader en twee personeelsleden tot het tweetalige taalkader. Uit de informatie die door de verwerende partij werd bezorgd aan het met het onderzoek van de zaak belaste lid van het auditoraat blijkt dat na het bestreden besluit de personeelsbezetting in de eerste trap van de hiërarchie als volgt is: Nederlandstalig Franstalig Tweetalig taalkader taalkader taalkader Fr. Ned. Wnd. korpschef 1 Wnd. officier 1 tweede in bevel Wnd. 1 directeur-generaal Wnd. majoor 1 3 Totaal effectieve 2 4 1 bezetting Aldus miskent het bestreden besluit het door het taalkaderbesluit van 20 juli 2011 voorgeschreven evenwicht tussen de beide taalkaders ten nadele van het Nederlandstalige taalkader waartoe verzoeker behoort.
- Het vierde middel is gegrond. IX-8968-11/17 B. Eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van “de formele motiveringsplicht, […] het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, art. 10 en 11 van de Grondwet in relatie tot de vergelijking van titels en verdiensten, […] het zorgvuldigheidsbeginsel, […] art. 118 van het Besluit van de Brusselse Hoofd- stedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest”. Hij betoogt dat de motivering van de genomen beslissing zoals die blijkt uit de kennisgeving van 30 september 2016 die hij heeft ontvangen en uit de notulen van de zitting van de directieraad van 27 september 2016, niet voldoet aan de formelemotiveringsplicht die is bepaald in de wet van 29 juli 1991 ‘be- treffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. De meege- deelde redenen zijn vaag en onduidelijk en laten hem niet toe het bestreden besluit te begrijpen. Zo is het niet duidelijk wat wordt bedoeld met “voldoende werk- ervaring”, “de verdienste het kader te hebben verlaten” en “‘eervol uitvoeren’ van het werk”. Er is niet aangegeven hoe dit werd vastgesteld. Verzoeker merkt op dat het bezit van een academische graad geen vereiste is om te worden benoemd tot majoor. Deze voorwaarde is evenmin vermeld in het functieprofiel van majoor. Hij wijst er ook op dat kandidaat Michel Grignard benoemd is, terwijl deze kandidaat evenmin een universitair diploma heeft. Voorts doet verzoeker gelden dat er geen effectieve vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten is gebeurd. De summiere motivering ter staving van de rangschikking kan bezwaarlijk als een zodanige vergelijking worden beschouwd. De verwerende partij heeft zich enkel gesteund op de criteria IX-8968-12/17 ‘werkervaring’, ‘het eervol uitvoeren van het werk’ en ‘het al dan niet hebben van een academische graad’ om een vergelijking te maken, zonder evenwel de concrete feiten en gegevens te vermelden. Volgens verzoeker is er geen rekening gehouden met “het aantal jaren dienst, graad, andere brevetten”. Hij stelt 34 jaar dienst te hebben, drie jaar kapitein te zijn en in het bezit te zijn van “tal van brevetten”, terwijl kandidaat T.V.G. slechts vier jaar dienst heeft en juist werd bevorderd tot de graad van lui- tenant. Verzoeker merkt nog op dat wat de rangschikking van de Franstaligen betreft, kapitein A.W. universitair is en Michel Grignard niet. Hij leidt eruit af dat het al dan niet hebben van een universitair diploma bij de Franstaligen blijkbaar geen deel uitmaakt van de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten, aangezien laatstgenoemde is aangesteld en eerstgenoemde niet. De gelijkheid van de kandidaten voor de toegang tot het openbaar ambt is dan ook geschonden, zo besluit hij. Verzoeker argumenteert ook dat uit de artikelen 118 en 119 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 ‘hou- dende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’ volgt dat rekening moet worden gehouden met de motivatie van de kandidaten en hun pro- fiel. Noch uit de motivering, noch uit enig stuk blijkt dat het voorstel tot rang- schikking dat heeft gedaan, zo stelt verzoeker. Ten slotte acht verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel ge- schonden, doordat het bestreden besluit niet gesteund is op een zorgvuldige af- weging van de titels en verdiensten van de kandidaten. Bovendien kan het bezit van een academische graad niet het enige of beslissende criterium zijn. Het kan weliswaar een maatstaf zijn, maar moet worden afgewogen tegen de andere titels en verdiensten. IX-8968-13/17
- De verwerende partij antwoordt dat uit de stukken van het ad- ministratief dossier blijkt dat de titels en verdiensten van de kandidaten wel dege- lijk door de directieraad werden vergeleken, zoals daarvóór ook door de korpschef en de dienst Human Resources, en dat de benoemde kandidaten overeenkomstig het statuut werden gekozen, rekening houdend met hun profiel en motivatie. Zij licht toe dat werd vastgesteld dat alle kandidaten over meer dan voldoende werkervaring beschikken. Wat de Franstalige kandidaten betreft, werden de drie kandidaten met de graad van commandant (rang A3) “bij voorkeur” gerangschikt boven de kandidaat met de lagere graad van kapitein (rang A2). Wat de Nederlandstalige kandidaten betreft, werd beslist, gelet op de gelijkwaardige werkervaring, om de kandidaten te verkiezen die beschikken over een academische graad. Aldus werd kapitein Peter Roseleth als eerste voorgesteld, luitenant T.V.G. als tweede en ten slotte kapitein M.G. en verzoeker ex aequo op de derde plaats. De verwerende partij vervolgt dat zij, geconfronteerd met kan- didaten die allen een grote waarde hadden, een keuze moest maken op basis van een objectief criterium. Het criterium ‘academische graad’ werd voorgesteld door de korpschef en de dienst Human Resources en naderhand in aanmerking genomen door de directieraad. De verdienste van verzoeker en zijn collega M.G. werd be- nadrukt, namelijk “het kader te hebben verlaten, wat veronderstelt dat zij in functie in de [Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp] zijn getreden als brandweerman en vervolgens de studies hebben aangevat om officier te worden, in tegenstelling tot de andere ambtenaren die rechtstreeks de [dienst] zijn binnengekomen op graad A aangezien zij beschikten over het daartoe vereiste universitaire diploma”. Omdat zij echter een keuze moest maken, heeft de verwerende partij zich gesteund op het bezit van een universitair diploma om de Nederlandstalige kandidaten te selecteren. Niets verbood haar te opteren voor dit criterium dat geenszins onredelijk is. Ten slotte doet de verwerende partij gelden dat er werd beslist drie Franstalige kandidaten en één Nederlandstalige kandidaat te benoemen. De IX-8968-14/17 drie Franstalige kandidaten beschikken allen over de graad van commandant (rang A3) “bij uitsluiting van alle andere kandidaten”. Zij zetelen overigens alle drie in de directieraad na aanstelling door de regering en zij dragen sedert meerdere jaren de operationele verantwoordelijkheden van majoor. De verwerende partij besluit dat de motivering van de betwiste beslissing van de directieraad “voldoende en afdoende” is. Beoordeling 14.
- Het principe van de gelijke toegang van de burgers tot het openbaar ambt, dat zijn grondslag vindt in het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, vereist dat de benoemende overheid, wanneer zij over een discretionaire benoe- mingsbevoegdheid beschikt, haar benoemingsbeslissing steunt op een zorgvuldig uitgevoerde vergelijking van de titels en verdiensten van de in aanmerking ko- mende kandidaten op basis van objectieve en pertinente criteria die in verband staan met de te begeven betrekking. De formelemotiveringsplicht zoals vervat in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de be- stuurshandelingen’, verplicht de benoemende overheid ertoe in haar beslissing uitdrukkelijk te vermelden welke motieven, die zij heeft geput uit de voormelde vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten, haar ertoe hebben gebracht de voorkeur te geven aan de ene of de andere kandidaat. 14.
- De notulen van de vergadering van de directieraad van 27 sep- tember 2016 vermelden in dit verband slechts dat alle kandidaten over meer dan voldoende werkervaring beschikken en dat de twee kandidaten die ex aequo zijn gerangschikt, onder wie verzoeker, de verdienste hebben “het kader verlaten te hebben” en “hun werk eervol uit [te voeren]”, maar “niet [beschikken] over de academische graad waarover de twee eerst geklasseerde kandidaten wel beschik- ken”. IX-8968-15/17 Dit zijn niet meer dan vage, niet onderbouwde, algemene be- weringen die niet ervan kunnen overtuigen dat daadwerkelijk een vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten is gebeurd op grond van objectieve criteria, die pertinent zijn in het licht van de toe te kennen aanstellingen in het hoger ambt. Zo ook blijkt niet waarom de academische graad van de begunstigde kandidaten zwaarder zou doorwegen dan de aan verzoeker toegeschreven “ver- dienste”.
- Dit geldt des te meer nu in artikel 118 van het toentertijd van toepassing zijnde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdste- delijk Gewest’ kan worden gelezen dat de rangschikking van de kandidaten moet worden opgesteld “rekening houdend met de motivatie van de kandidaten en hun profiel”. Bij dienstnota 2016-165 werd overigens ook aan de kandidaten meege- deeld dat rekening zou worden gehouden met “de geschiktheid van de ambtenaar voor zijn functie, zijn motivatie en zijn ervaring”. Verzoeker moet worden bijgevallen dat uit het bestreden besluit niet kan worden opgemaakt dat de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten overeenkomstig de voornoemde criteria is gebeurd. Hij overtuigt dan ook ervan dat de afweging van de kandidaten niet is gebeurd aan de hand van de vooropgestelde criteria, minstens bevat het bestreden besluit hieromtrent geen afdoende motivering.
- Het eerste middel is gegrond. IX-8968-16/17 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de directieraad van de Brus- selse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp van 27 september 2016 waarbij Michel Grignard, Luc Sauvage, Axel Simo- nart en Peter Roseleth worden aangesteld in het hoger ambt van majoor.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8968-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.858 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.505 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.