← België

Arrest 247860 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.860 Rolnummer: A. 227810/VII-40524 Zaak: Arrest 247860 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-23 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:35 Fiche Arrest nr 247.860 van 23 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.860 van 23 juni 2020 in de zaak A. 227.810/VII-40.524 In zake :

  1. Yves LAURIER
  2. Francine VAN EYKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Menno Meeldijk kantoor houdend te 1980 Zemst Schoolstraat 75 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT Tussenkomende partij : de BVBA ACOS EVENTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Vanstipelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 4 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0632 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 19 februari 2019 in de zaak 1617-RvVb-0651-A. VII-40.524-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 9 mei
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De bvba Acos Events heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 18 september
  6. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juni 2020, om 14 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Menno Meeldijk, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Johan Vanstipelen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An van den broeck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. VII-40.524-2/9 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Met een besluit van 9 februari 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) aan de bvba ACOS Events een stedenbouwkundige vergunning “voor de regularisatie van een paardenhouderij: carport, cafetaria, paardenpiste, wijziging reliëf, schuilhok, bergplaats, paardenstallen en verharding”. 3.
  9. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het eerste middelonderdeel
  10. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 149 en 159 van de Grondwet, het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven, de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 'betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen' (hierna: inrichtingsbesluit), artikel 11 van de omzendbrief van 8 juli 1997 'betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen' (hierna: de omzendbrief), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 'betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen' (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. VII-40.524-3/9 In een eerste onderdeel betogen de verzoekende partijen dat het bestreden arrest uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting van het begrip 'para-agrarisch bedrijf'. Zij stellen dat de RvVb zich baseert op de omzendbrief, terwijl deze geen normatief karakter heeft. Zij argumenteren dat het onderscheid tussen een bedrijf waar zich uitsluitend de eigen paarden van de exploitant bevinden en een bedrijf waar zich uitsluitend paarden van derden bevinden cruciaal is. Met het houden van paarden wordt in de omzendbrief niet bedoeld het stallen van paarden van derden. Dergelijk bedrijf wordt, vooral wanneer bij een dergelijk bedrijf zogenaamde aanhorigheden, zoals een grote rijpiste, aanwezig zijn de facto een manege in agrarisch gebied. Wanneer op een paardenhouderij uitsluitend of hoofdzakelijk paarden van derden worden gehouden is het recreatieve medegebruik van de infrastructuur door de eigenaars van de paarden geen ondergeschikte nevenactiviteit maar een hoofdactiviteit. De stelling van de RvVb valt niet te rijmen met de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit omdat een para-agrarisch bedrijf moet aansluiten bij de landbouwproductie. Een bedrijf waar paarden van derden worden gehouden, waarbij de activiteit van het africhten, opleiden en verhandelen van de paarden ondergeschikt is aan het 'houden van paarden' is geen agrarisch bedrijf maar een pensionstal. De RvVb heeft, aldus de verzoekende partijen, bij wijze van algemene regel geoordeeld dat een paardenhouderij met hoofdzakelijk paarden van derden in agrarisch gebied toelaatbaar is, waardoor een element wordt toegevoegd aan de richtsnoeren van de omzendbrief. Wanneer het gaat om een "volwaardige en professionele paardenhouderij die in hoofdzaak is gericht op het houden van paarden van derden, en eventueel bijkomend op het africhten, opleiden en/of verhandelen ervan, en waaronder ook aanhorigheden (zoals bergingen voor voeder, materieel en onderhoud, gebeurlijke manege, binnen- of buitenpiste, tredmolen, groom, verhardingen en afsluitingen)" valt volgens de verzoekende partijen niet in te zien in welke zin dergelijke activiteit onmiddellijk aansluit bij plaatselijke veeteelt. Het louter houden van dieren maakt geen deel uit van het productieproces. VII-40.524-4/9 Beoordeling
  11. Artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit bepaalt: “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. [...]”.
  12. Uit deze bepaling blijkt dat para-agrarische bedrijven kunnen worden toegelaten in agrarisch gebied. Noch het aangehaalde artikel 11, noch enige andere bepaling van het inrichtingsbesluit definieert het begrip “para-agrarische bedrijven”. Bij ontstentenis van nadere omschrijving ter zake, moet deze term in zijn spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen. Daaronder moet worden verstaan bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw in de ruime zin aansluit en erop afgestemd is.
  13. Het middelonderdeel gaat terug op de verwerping van het eerste onderdeel van het eerste middel van de verzoekende partijen waarin zij betwisten dat de deputatie in de bestreden vergunningsbeslissing behoorlijk onderzocht heeft of het bedrijf van de aanvrager effectief gericht is op landbouwactiviteit, of de aanvraag betrekking heeft op een (para-)agrarisch bedrijf. De RvVb steunt de verwerping van dit middelonderdeel op volgende motieven: – de deputatie verwijst in de bestreden vergunningsbeslissing naar de omzendbrief waarin stallen voor paardhouderijen met minstens 10 paarden, waarbij de hoofdactiviteit is gericht op het fokken en/of houden en eventueel africhten, opleiden en/of verhandelen ervan, en, afhankelijk van de omvang van de VII-40.524-5/9 paardenhouderij als activiteit, inclusief de aanhorigheden, zoals bergingen voor voeder, materieel en onderhoud, de gebeurlijke manege, binnen- of buitenpiste, een tredmolen, een groom, verhardingen en afsluitingen, enz. als para-agrarische bedrijven die minder afgestemd zijn op de grondgebonden landbouw worden beschouwd; – een volwaardige en professionele paardenhouderij is in beginsel verenigbaar met de agrarische bestemming wanneer deze in hoofdzaak is gericht op het houden van paarden van derden, en eventueel bijkomend op het africhten, opleiden en/of verhandelen ervan, en waaronder ook aanhorigheden (zoals bergingen voor voeder, materieel en onderhoud, gebeurlijke manege, binnen- of buitenpiste, tredmolen, groom, verhardingen en afsluitingen) kunnen worden begrepen, afhankelijk van de omvang van de activiteiten; – de verzoekende partijen veronderstellen net als het ongunstig advies van het Departement ten onrechte dat enkel een loutere paardenfokkerij (en dus niet een professionele paardenhouderij) verenigbaar kan zijn met de gewestplanbestemming.
  14. Door aldus te beslissen gaat de RvVb ervan uit dat het op volwaardige en professionele wijze houden van meer dan 10 paarden van derden een activiteit is die onmiddellijk aansluit bij de landbouw in de ruime zin en erop afgestemd is, en derhalve een para-agrarisch bedrijf is.
  15. Deze rechtsopvatting die de RvVb tot de verwerping van het middelonderdeel van de verzoekende partijen doet besluiten, schendt artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit.
  16. Het middelonderdeel is gegrond. VII-40.524-6/9 B. Overige onderdelen tweede middel en overige middelen
  17. Er is geen grond om de overige onderdelen van het tweede middel en de overige middelen te onderzoeken aangezien ze niet tot een ruimere vernietiging of een vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden. V. Kosten
  18. De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 'tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand' en van de wet van 26 april 2017 'houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft', de woorden "per verzoekende partij" vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
  19. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. VII-40.524-7/9 BESLISSING
  20. De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-1819-0632 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 19 februari 2019 in de zaak 1617-RvVb-0651-A.
  21. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
  22. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
  23. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
  24. De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. VII-40.524-8/9 Dit arrest is uitgesproken op drieëntwintig juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.524-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.860 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.