id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.861 Rolnummer: A. 228787/VII-40605 Zaak: Arrest 247861 - Milieuvergunningen - 23/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-23 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 247.861 van 23 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Tussenkomst geweigerd Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.861 van 23 juni 2020 in de zaak A. 228.787/VII-40.605 In zake :
- Marcel GYSBRECHTS
- Maria JOOS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE WOMMELGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Keuster kantoor houdend te 2980 Zoersel Handelslei 60 bij wie woonplaats wordt gekozen Verzoekende partij in tussenkomst : de BVBA BURCHTHOEVE ‘T WITHOF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-1189 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 9 juli 2019 in de zaak 1718-RvVb-0144-A. VII-40.605-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 29 augustus
- De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. De bvba Burchthoeve ‘t Withof heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is voorlopig toegestaan bij beschikking van 5 november
- De verzoekende partij in tussenkomst heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juni 2020, om 16 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joeri Letem, die loco advocaat Pieter Jongbloet verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Dirk De Keuster die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Emile Plas, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor de verzoekende partij in tussenkomst, zijn gehoord. Eerste auditeur An van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.605-2/9 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 5 september 2017 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem (hierna: college) “om de aparte woning met apart huisnummer op een perceel gelegen te 2160 Wommelgem, Oelegemsteenweg 10, met als kadastrale omschrijving afdeling 1, sectie B, nummer 128G, niet op te nemen als ‘vergund geacht’ in het vergunningenregister’”. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van de registratiebeslissing van het college. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.
- Artikel 26 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit) bepaalt dat de bij de zaak voor het rechtscollege betrokken partijen, met uitzondering van die genoemd in artikel 12, eerste lid, in het geding mogen tussenkomen overeenkomstig artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet). Uit artikel 26 van het cassatieprocedurebesluit gelezen in samenhang met artikel 21bis van de RvS-wet volgt dat enkel diegenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak kunnen tussenkomen. Enkel een bij het arrest van de RvVb betrokken partij kan dit belang hebben. 4.
- Het cassatieberoep van de verzoekende partijen is beperkt tot de verwerping door het bestreden arrest van de vordering van de verzoekende partijen. VII-40.605-3/9 4.
- Het bestreden arrest verklaart het verzoek tot tussenkomst van de bvba Burchthoeve ‘t Withof onontvankelijk om redenen die niet voor de Raad van State worden betwist. 4.
- De bvba Burchthoeve ‘t Withof is bijgevolg geen bij de zaak voor de RvVb betrokken partij die belang heeft om tussen te komen in de cassatieprocedure. 4.
- De beschikking van 5 november 2019 waarbij de bvba Burchthoeve ‘t Withof voorlopig werd toegestaan om in het debat tussen te komen, doet geen afbreuk aan de vaststelling in randnummer 4.
- 4.
- De bvba Burchthoeve ‘t Withof wordt niet toegestaan in het debat tussen te komen. V. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 5.1.2 en 4.8.2, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 119 (lees: 149) van de Grondwet en het redelijkheidsbeginsel: “Eerste middelonderdeel Doordat, in het bestreden arrest wordt enerzijds geoordeeld dat er in wezen geen mogelijkheid zou bestaan tot actualiseren van een vergunningenregister anders dan de verzoeken conform artikel 5.1.3 VCRO en dat elk verzoek tot opname in het vergunningenregister aldus gekwalificeerd dient te worden als een verzoek om ‘als vergund geacht’ beschouwd te worden conform artikel 5.1.3 VCRO en aan die toepassingsvoorwaarden getoetst dient te worden en anderzijds toch te oordelen dat het verzoek van beroepers dd. 27 oktober 2017 en daarbij horende weigering geen beslissing is waarover de RvVb bevoegd is, Terwijl, in toepassing van artikel 149 GW en vaste rechtspraak van Uw Raad kan een motivering zichzelf niet tegenspreken, VII-40.605-4/9 En terwijl, het vaststaat dat een registratiebeslissing inzake artikel 5.1.3 VCRO wel onder de bevoegdheid van de RvVb valt, En terwijl, men onmogelijk enerzijds kan stellen dat alle verzoeken inzake opname vergunningenregister onder 5.1.3 VCRO vallen (desnoods een oneigenlijk gebruik ervan) om vervolgens te stellen dat de RvVb niet bevoegd zou zijn omdat er géén toepassing van artikel 5.1.3 VCRO zou zijn, En terwijl, de beslissingnemende overheid zélf de aanvraag van beroepers kwalificeert in het bestreden besluit als een aanvraag in toepassing van artikel 5.1.3 VCRO ‘als vergund geacht’, zoals de RvVb zelfs in het arrest benadrukt, Zodat, de motivering een contradictie bevat en het bestreden arrest onwettig is Tweede middelonderdeel Doordat, in het bestreden arrest impliciet wordt geoordeeld dat elke registratiebeslissing, die niet handelt over een toepassing van artikel 5.1.3 VCRO niet onder de bevoegdheid van de RvVb valt, Terwijl, in artikel 4.8.2, 3° VCRO duidelijk wordt gesteld dat registratiebeslissingen onder de bevoegdheid van de Raad vallen, En terwijl, er in casu in alle redelijkheid niet kan worden ontkend dat het besluit dd. 5 september 2017 een registratiebeslissing betreft, erger nog dit besluit wordt door de Raad zelfs zo omschreven: ‘De verwerende partij weigert op 5 september 2017 een registratiebeslissing aan de verzoekende partijen.’ En terwijl, het feit dat in artikel 4.8.2, 3° VCRO wordt verwezen naar constructies die ‘vergund geacht worden opgenomen’ in alle redelijkheid geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de RvVb om over alle registratiebeslissingen te oordelen, Zodat, het bestreden besluit onwettig is daar de bevoegdheid van de RvVb te beperkend wordt geïnterpreteerd, Derde middelonderdeel Doordat, het besluit dd. 5 september 2017 door de beslissingnemende overheid wordt omschreven als een beslissing in toepassing van artikel 5.1.3 VCRO (uitdrukkelijk vermeld), En terwijl, het buiten alle discussie staat dat beslissingen over de toepassing van artikel 5.1.3 VCRO onder de bevoegdheid van de RvVb vallen, Zodat, het bestreden arrest artikel 4.8.2, 3° VCRO schendt”. Beoordeling
- Artikel 4.8.2, eerste lid, 3°, VCRO bepaalt dat de RvVb als administratief rechtscollege, bij wijze van arresten, uitspraak doet over de beroepen die worden ingesteld tot vernietiging van “registratiebeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen waarbij een constructie als ‘vergund geacht’ wordt opgenomen in het vergunningenregister of waarbij dergelijke opname geweigerd wordt”. VII-40.605-5/9 De beslissing tot (niet-)registratie maakt derhalve een bestuurshandeling uit waartegen beroep kan worden ingesteld bij de RvVb.
- Uit het bestreden arrest blijkt dat: – het voorwerp van de vordering van de verzoekende partijen de beslissing is van het college om voormelde woning “niet op te nemen als ‘vergund geacht’ in het vergunningenregister”; – in de feitenuiteenzetting door de RvVb wordt gesteld dat deze beslissing werd genomen naar aanleiding van de aanvraag van de verzoekende partijen “voor een registratiebeslissing voor ‘een aparte woning met apart huisnummer’” en dat het college een registratiebeslissing weigert; – het college in de voor de RvVb bestreden beslissing besluit om het verzoek van de verzoekende partijen “om de nieuwbouw uit 1989 […] als een afzonderlijke woning op te nemen in het vergunningenregister, af te wijzen”; – de kamervoorzitter ter terechtzitting ambtshalve het standpunt van de partijen heeft gevraagd over de vraag of de verzoekende partijen met “de aanvraag tot opname in het vergunningenregister van een gebouw waarvan de bouw is vergund op 15 juli 1989 […], voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.1.3 VCRO, dan wel een oneigenlijke toepassing vragen van artikel 5.1.3 VCRO inzake het vermoeden van vergunning” en of de RvVb “bevoegd is voor de opname in het vergunningenregister zoals die door de verzoekende partijen wordt beoogd”; – de verzoekende partijen geen aanvullende nota hebben ingediend; – het college in zijn aanvullende nota besluit dat de RvVb “niet bevoegd is voor een beslissing tot opname in het vergunningenregister zoals door de verzoekende partijen wordt beoogd”. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen -samengevat- op volgende gronden: – de verzoekende partijen vertrekken “in hun verzoek tot opname van de tweede woning ‘als vergund geacht’ in het vergunningenregister [...] vanuit een verkeerde juridische grondslag en een oneigenlijke toepassing vragen van artikel 5.1.3 VCRO”; VII-40.605-6/9 – de bevoegdheid van de RvVb is beperkt tot beslissingen inzake het opnemen of weigeren van een constructie als ‘vergund geacht’ in het vergunningenregister en strekt zich niet uit tot een beslissing inzake de interpretatie van de definitieve vergunning die is verleend voor de bouw van een constructie na de inwerkingtreding van het gewestplan.
- Het bestreden arrest verklaart zich bijgevolg onbevoegd om uitspraak te doen over de beroepen beslissing tot (niet-)registratie van het college. Door aldus te beslissen schendt het bestreden arrest artikel 4.8.2, eerste lid, 3°, VCRO.
- Het middel is gegrond. B. Overige middelen
- Er is geen grond om de overige middelen te onderzoeken aangezien ze niet tot een ruimere vernietiging of een vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden. VI. Kosten
- De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische VII-40.605-7/9 tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
- Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING
- Het verzoek van de bvba Burchthoeve ‘t Withof wordt afgewezen.
- De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-1819-1189 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 9 juli 2019 in de zaak 1718-RvVb-0144-A.
- Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
- De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 20 euro. De verzoekende partij in tussenkomst wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot tussenkomst, begroot op 150 euro.
- De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. VII-40.605-8/9 Dit arrest is uitgesproken op drieëntwintig juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.605-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.861 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div