← België

Arrest 247862 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.862 Rolnummer: A. 229188/VII-40642 Zaak: Arrest 247862 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-23 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:34 Fiche Arrest nr 247.862 van 23 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.862 van 23 juni 2020 in de zaak A. 229.188/VII-40.642 In zake : Karin VAN MECHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 23 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-1316 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 13 augustus 2019 in de zaak 1718-RvVb-0092-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 10 oktober
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.642-1/8 Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juni 2020, om 15 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ellen Voortmans, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Met een besluit van 3 augustus 2017 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning te verlenen aan verzoekster “voor het herbouwen van een woning”. 3.
  6. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van verzoekster tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. VII-40.642-2/8 IV. Onderzoek van het middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoekster voert de schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Zij licht toe dat zij in het middel voor de RvVb “omstandig [heeft] aangetoond dat het de iure niet relevant is of er nu domiciliëring is geweest of niet. Het enige wat telt is feitelijke permanente bewoning. Daarbij heeft verzoekende partij tevens aangetoond dat ook de verwijzing door [de deputatie] naar de historiek van aanvragen van het gebouw en naar de constructiewijze en het voorkomen van het gebouw evenmin enige juridische relevantie vertoont aangezien voor de toepassing van artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het deelRUP het enkel van belang is dat er een bewijs van permanente bewoning van vóór 1984 voorligt, wat verzoekende partij had aangetoond aan de hand van getuigenissen. [...] Om het middel af te wijzen, zegt de [RvVb] in het bestreden arrest enkel dat het middel gesteund is op loutere opportuniteitskritiek met betrekking tot de beoordeling van de waarachtigheid en de bewijskracht van de getuigenverklaringen. De [RvVb] heeft het enig middel van verzoekende partij derhalve klaarblijkelijk niet begrepen, of minstens hier een foutieve lezing aan gegeven. Zoals hierboven reeds vermeld is het enig middel immers in hoofdzaak genomen uit schending van zowel het vermoeden van vergunning van functiewijziging als van artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het deelRUP Konijntjesberg-Lemingberg, aangezien de deputatie in de bestreden beslissing heeft verwezen naar een zogenaamde inschrijving in het bevolkingsregister om aan te tonen dat zogezegd niet zou voldaan zou zijn aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het deelRUP, terwijl artikel 2 helemaal niets bepaalt over de wijze waarop het bewijs van permanente bewoning van vóór 1984 geleverd zou moeten worden. [...] Door in het bestreden arrest te overwegen dat het enig middel louter eerder is gesteund op opportuniteitskritiek, miskent het VII-40.642-3/8 bestreden arrest de bewijskracht van het inleidend verzoekschrift dd. 12 oktober
  8. Door immers abstractie te maken van de opgeworpen schending van het vermoeden van vergunning van functiewijziging en van artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het deelRUP, geeft het bestreden arrest een lezing aan het inleidend verzoekschrift, die onverenigbaar is met de bewoordingen van het verzoekschrift, aldus de bewijskracht schendend van het verzoekschrift als akte”. Zij voegt toe: “De [RvVb] gaat nergens in het bestreden arrest in op het feit dat de deputatie, door te verwijzen naar een zogenaamde afwegingstabel waarin gesteld wordt dat men zich enkel zou kunnen beroepen op de uitbreiding van de basisrechten van een zonevreemde woning uit voormeld artikel 2 indien er vóór 9 september 1984 inschrijving in het bevolkingsregister heeft plaatsgevonden, een voorwaarde toevoegt aan artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het deeIRUP die niet in het voorschrift zelf is opgenomen. Meer bepaald heeft verzoekende partij in het enig middel ingeroepen dat de deputatie artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het deelRUP heeft geschonden door een draagwijdte te geven aan deze regeling die deze wettelijk niet heeft, inzonderheid door er vanuit te gaan dat het zou vereist zijn dat er domiciliëring wordt bewezen, getuige waarvan het bestreden besluit verwijst naar zogenaamde inlichtingen met betrekking tot het bevolkingsregister. [...] Alwaar de [RvVb] in het bestreden arrest overweegt dat 'de kritiek van verzoekende partij, in het bijzonder wat betreft de appreciatie van de getuigenverklaringen (...), [betreft] derhalve eerder opportuniteitskritiek, waarbij zij haar visie inzake de beoordeling van de waarachtigheid en de bewijskracht van deze getuigenverklaringen (en de daarmee samenhangende kwalificatie van het gebouw in het kader van de toets van de aanvraag aan artikel 2 PRUP) stelt tegenover die van verwerende partij', waarna verwezen wordt naar het feit dat de [RvVb] zich niet in de aan [de deputatie] toegekende appreciatiebevoegdheid inzake de beoordeling van de bewijswaarde van de stukken van het dossier, in de plaats kan stellen, betreft dit dus een complete misvatting en negatie van het standpunt dat verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift had vooropgesteld. Verzoekende partij heeft immers in de procedure voor de [RvVb] juist betoogd dat de deputatie niet op wettige wijze de getuigenverklaringen kon opzijschuiven door te verwijzen naar de inschrijving in het bevolkingsregister (en bij uitbreiding de zogezegde verwijzing naar de historiek van het dossier), omdat dat er juridisch niet toe doet. VII-40.642-4/8 Het is immers niet zo dat [de deputatie] deze getuigenissen van de hand heeft gedaan omwille van hun bewijswaarde, maar enkel omwille van de veronderstelling dat de permanente bewoning niet met een domiciliëring kan worden aangetoond, terwijl uit het vermoeden van vergunning van functiewijziging integendeel voortvloeit dat het moet gaan om feitelijke permanente bewoning en niet om juridische permanente bewoning”. Beoordeling
  9. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het middel van verzoekster op volgende gronden: – de aanvraag ligt binnen de perimeter van het PRUP in een zone voor natuurgebied met overdruk zonevreemde woningen; – de aanvraag dient in eerste instantie te worden getoetst aan de verordenende voorschriften van artikel 2 van dit PRUP; – het voorwerp van de aanvraag betreft de herbouw en uitbreiding van een bestaand vergund geacht en niet verkrot zonevreemd gebouw dat in 1963 als weekendverblijf werd opgericht; – dit gebouw kan overeenkomstig de voorwaarden van artikel 2 van dit PRUP worden herbouwd in zoverre het kan worden gekwalificeerd als zonevreemde woning; – de voorschriften van artikel 2 van dit PRUP gelden ook voor weekendverblijven die reeds voor 1984 permanent bewoond worden en als een zonevreemde woning moeten beschouwd worden; – het staat aan de deputatie te oordelen in hoeverre verzoekster redelijkerwijze afdoende aantoont dat er reeds voor 9 september 1984 effectief sprake is van permanente bewoning van het weekendverblijf; – verzoekster mag het feitelijk gebruik van het weekendverblijf voor permanente bewoning aantonen met alle rechtens toegelaten bewijsmiddelen, inbegrepen getuigenbewijs; – de deputatie stelt in eerste instantie vast dat geen bewijs van inschrijving in het bevolkingsregister vóór 1984 voorligt; zij oordeelt vervolgens dat de door verzoekster aangebrachte getuigenbewijzen geen afdoende bewijs vormen van een VII-40.642-5/8 effectieve permanente bewoning van het weekendverblijf voor 1984 en betrekt de kenmerken en de vergunningshistoriek van het gebouw in haar beoordeling; – verzoekster slaagt er niet in aan te tonen dat de beoordeling door de deputatie foutief of kennelijk onredelijk is. Het bestreden arrest concludeert vervolgens dat verzoekster niet aantoont “dat het oordeel van [de deputatie], dat uit de voorliggende stukken van het dossier redelijkerwijze niet afdoende blijkt dat het betreffende weekendverblijf reeds voor 9 september 1984 permanent werd bewoond (en derhalve als zonevreemde woning in aanmerking komt voor herbouw), foutief is dan wel kennelijk onredelijk. Zij maakt niet aannemelijk dat [de deputatie] de voorliggende bewijsstukken niet zorgvuldig heeft beoordeeld, dan wel dat zij de bewijswaarde hiervan heeft miskend. In tegenstelling tot hetgeen verzoekende partij stelt, steunt voormeld oordeel niet louter op de ontstentenis van een inschrijving in het bevolkingsregister voor 1984 (conform het afwegingskader in de toelichting bij het PRUP), maar wordt dit gegeven afgewogen tegenover de andere bewijsstukken, in het bijzonder de getuigenverklaringen, de vergunningshistoriek en de kenmerken van het gebouw. De kritiek van verzoekende partij, in het bijzonder wat betreft de appreciatie van de getuigenverklaringen (die de facto het enige bewijselement vormen waarop zij haar stelling steunt dat het weekendverblijf reeds sinds 1982 permanent wordt bewoond), betreft derhalve eerder opportuniteitskritiek, waarbij zij haar visie inzake de beoordeling van de waarachtigheid en de bewijskracht van deze getuigenverklaringen (en de daarmee samenhangende kwalificatie van het gebouw in het kader van de toets van de aanvraag aan artikel 2 PRUP) stelt tegenover die van verwerende partij. Zij toont daarbij evenwel niet aan dat verwerende partij de haar toegekende appreciatiebevoegdheid inzake (de beoordeling van de bewijswaarde van) de stukken van het dossier niet naar behoren heeft uitgeoefend, terwijl het zoals gesteld niet aan de [RvVb] toekomt om zijn beoordeling hieromtrent in de plaats te stellen van deze van [de deputatie]”.
  10. In zoverre verzoekster de miskenning aanvoert van de bewijskracht van haar verzoekschrift omdat het bestreden arrest overweegt dat VII-40.642-6/8 haar middel “louter is gesteund op opportunitetskritiek”, stelt de Raad van State vast dat de RvVb – enkel de kritiek van verzoekster “wat betreft de appreciatie van de getuigenverklaringen” als “eerder opportuniteitskritiek” bestempelt, en – oordeelt dat verzoekster niet aantoont dat de deputatie haar appreciatiebevoegdheid inzake de bewijswaarde van de dossierstukken niet naar behoren heeft uitgeoefend. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest het middel van verzoekster verwerpt omdat het “louter is gesteund op opportuniteitskritiek” mist feitelijke grondslag.
  11. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is uitgesproken. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. In zoverre het middel de beoordeling in feite van de gegevens van de zaak door de RvVb bekritiseert, is het onontvankelijk. In zoverre het middel de miskenning van de aan de RvVb voorgelegde akten aanvoert en het de Raad van State ertoe verplicht om na te gaan of die akten het bewijs van een feit bevatten, is het onontvankelijk.
  12. De bewijskracht van een akte wordt miskend door de rechter die aan die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan. VII-40.642-7/8
  13. Het bestreden arrest geeft geen uitlegging van de argumentatie in het verzoekschrift van verzoekster, maar beoordeelt enkel de bewijswaarde ervan. Het kan aldus de bewijskracht ervan niet miskennen. Het middel dat de schending aanvoert van de bewijskracht van een akte mist feitelijke grondslag.
  14. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  16. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken op drieëntwintig juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.642-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.862 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.