id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.877 Rolnummer: A. 223811/X-17072 Zaak: Arrest 247877 - Tucht (openbaar ambt) - 24/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-24 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:33 Fiche Arrest nr 247.877 van 24 juni 2020 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 247.877 van 24 juni 2020 in de zaak A. 223.811/X-17.072 In zake : XXXX tegen :
- de STAD BRUGGE
- het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering en door de beroepscommissie voor tuchtzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 november 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de ongegrond verklaring van [verzoeksters] beroep, vanwege de Beroeps-commissie voor Tuchtzaken van het Statutaire gemeente, provincie- en OCMW-personeel, daterend 15 september 2017”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. Verzoekster en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. X-17.072-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Verzoekster en advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De adjunct-secretaris van de eerste verwerende partij beslist op 3 november 2016 een tuchtonderzoek te starten tegen verzoekster, vastbenoemd erfgoedbewaakster bij de dienst Musea. Het tuchtverslag is van 16 maart
- Daarin wordt geconcludeerd dat verzoekster grensoverschrijdend gedrag vertoont: zij houdt geen rekening met de wens van V. S. om geen contact meer te hebben, mist het zelfinzicht om te beseffen dat ze ongepast gedrag stelt, en laat zich door niets stoppen, ook niet de gesprekken met de dienstleiding en de hulpverleners van de dienst Pesoneel & Organisatie. Verzoekster wordt op 21 april 2017 gehoord. De adjunct-secretaris legt verzoekster op 4 mei 2017 de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. X-17.072-2/8 Na beroep ertegen van verzoekster, verklaart de beroepscommissie voor tuchtzaken (hierna: de beroepscommissie) het beroep op 15 september 2017 ongegrond en bevestigt zij de beslissing van de adjunct-secretaris. IV. Precisering van het voorwerp
- Het dringt zich op dat verzoekster met haar beroep de beslissing beoogt aan te vechten waarmee haar de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. Die beslissing is genomen door de adjunct-secretaris van de stad Brugge op 4 mei
- Deze beslissing dient mee tot het voorwerp van het beroep te worden gerekend. Blijkens haar laatste memorie heeft de stad Brugge daar geen bezwaar (meer) tegen. V. Ontvankelijkheid Exceptie
- De verwerende partijen betwisten de ontvankelijkheid van het beroep omdat het verzoekschrift “bijzonder onduidelijk” is en geen enkel middel bevat. Wel verklaren zij “zo goed als mogelijk” te zullen trachten verzoeksters argumenten te beantwoorden. Beoordeling
- Het verzoekschrift beslaat anderhalve bladzijde, en behelst een aantal grieven waarin hoofdzakelijk wordt aangevoerd dat het bestuur bij zijn beoordeling niet met alle gegevens van de zaak heeft rekening gehouden. X-17.072-3/8 Hierin kan in elk geval de aanvoering van de schending van de zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsplicht worden onderkend. Dat hebben kennelijk ook de verwerende partijen zo begrepen.
- De middelen die gebeurlijk verborgen zouden zitten in de propvolle en moeilijk leesbare memorie van wederantwoord en laatste memorie van verzoekster zijn in beginsel niet ontvankelijk. De middelen dienen immers in het verzoekschrift te worden aangevoerd.
- De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek ten gronde Uiteenzetting van verzoekster
- Verzoekster beklaagt er zich in haar verzoekschrift in de eerste plaats over dat de tuchtstraf die haar is opgelegd, berust op verkeerde veronderstellingen, dat haar een eenzijdig respect voor een collega is opgelegd en, omgekeerd, die collega niet respectvol tegenover haar was, dat zij niet ernstig is genomen door de eerste verwerende partij, dat er valse verklaringen tegen haar zijn afgelegd die zij niet heeft kunnen weerleggen omdat geweigerd werd een confrontatie te organiseren, dat de eerste verwerende partij niet wil optreden als een collega onwaarheden vertelt over een andere collega en niet voldoende inspanningen doet om conflicten tot tevredenheid van iedere partij op te lossen. Voorts doet zij gelden dat “niet is ingegaan op [haar] mededeling dat de Stad Brugge tegen artikel 11 van de Rechten van de Mens heeft gehandeld”. Ten slotte wijst zij erop dat in antwoord op haar vraag aan de adjunct-secretaris van de stad Brugge naar een opzegvergoeding gezegd is dat zij voort loon ontving “als gevolg van de opschorting van het ontslag doordat [zij] in beroep was gegaan, maar niet als opzegvergoeding”. X-17.072-4/8 Beoordeling
- De reden voor het ontslag van ambtswege van verzoekster is haar hardnekkige en niet te stoppen gedrag om zich op een “ongezonde”, “tegennatuurlijke” manier aan collega’s, inzonderheid V. S., vast te klampen en hen lastig te vallen, zonder het zelfinzicht te hebben of ervan overtuigd te kunnen worden dat ze ongepast gedrag stelt. Blijkens de formele motivering van het ontslag heeft de verwerende partij goed nota genomen van verzoeksters zienswijze dat de vele vragen van de dienstleiding om geen contact meer op te nemen met V. S. “vermeden” hadden kunnen worden als er in de plaats “bemiddeld” zou zijn, van het feit dat zij het moeilijk heeft met het weigeren van contact door V. S. en het onbegrip voor haar gevoelens, van haar mening dat zij niet op dezelfde manier wordt behandeld als V. S. en dat haar eigen gevoelens en communicatie niet voor vol worden aanzien door de personeelsdienst, van haar overtuiging dat collega’s valse beschuldigingen en leugens over haar vertellen en dat zij het volste recht heeft om te reageren als haar imago in het gedrang komt, en van het verweer dat zij zich geblokkeerd voelt in haar maatschappelijke engagementen en als voorstander van geweldloze communicatie. Het heeft de eerste verwerende partij er evenwel niet van kunnen weerhouden verzoekster voor haar gedrag de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen.
- Maakt verzoekster met haar uiteenzetting in het verzoekschrift weliswaar duidelijk dat zij had gewild dat aan haar verweer een groter gewicht werd toegekend, de enkele omstandigheid dat dit niet is gebeurd en dat de eerste verwerende partij er een andere mening opna hield, wijst nog niet uit dat zij daarmee een onwettigheid heeft begaan.
- Bij de uitoefening van de tuchtbevoegdheid beschikt de eerste verwerende partij over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Als X-17.072-5/8 wettigheidsrechter komt het de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats van die van de tuchtoverheid te stellen. Wel kan hij nagaan of de tuchtoverheid de feiten terecht voor bewezen heeft kunnen houden en als een tuchtfeit heeft gekwalificeerd, en of zij bij de straftoemeting het evenredigheidsbeginsel niet te buiten is gegaan. Verzoekster doet met haar betoog niet aannemen dat de eerste verwerende partij haar beoordelingsbevoegdheid onwettig heeft gebruikt en dat de tweede verwerende partij, in haar beslissing van 15 september 2017, ter zake verkeerdelijk heeft geoordeeld wat volgt: “De tuchtoverheid beschikt over de discretionaire bevoegdheid om te oordelen of het gedrag van een personeelslid als een tekortkoming/tuchtfeit moet worden beschouwd. De Beroepscommissie is binnen het kader van haar beoordelingsbevoegdheid, van oordeel dat de tuchtoverheid op correcte wijze tot een voorstelling van de feiten is gekomen en de feiten naar recht en redelijkheid werden gekwalificeerd als tuchtvergrijpen uitgaande van de door haar vastgestelde feitelijke gegevens. […] Immers, alle vastgestelde feiten samen genomen zijn een uiting van eenzelfde houding, houding die erin bestaat zich niet te willen schikken naar bevelen van hiërarchische oversten voor het stopzetten van de negatieve handelingen jegens een andere collega. Er kan niet omheen dat XXXX op systematische en volgehouden wijze, ondanks alle pogingen tot bijsturing en ondersteuning, de ernst van de situatie niet inziet en het probleem aanhoudt – wat in het beroepschrift trouwens niet wordt weerlegd – en dit aldus een ernstige tekortkoming uitmaakt in de beroepsplichten zoals dit wordt aangegeven in de eindconclusie van het tuchtonderzoek. De Beroepscommissie schaart zich derhalve achter de beslissing van de tuchtoverheid waarbij geoordeeld wordt dat de feiten terecht als tuchtfeiten worden gekwalificeerd en samen genomen, zeer ernstig zijn zodat elk vertrouwen weg is en niet meer kan hersteld worden waardoor bijgevolg enkel de door de tuchtoverheid opgelegde tuchtsanctie zich opdringt.”
- Voor zover de Raad van State kan vaststellen, is door verzoekster zowel bij de eerste als bij de tweede verwerende partij één enkele keer, zeer terloops, “artikel 11 van de Rechten van de Mens” ter sprake gebracht, in verband met een beschuldiging aan haar adres van ongewenste aanrakingen die zich in de toekomst zouden voordoen. X-17.072-6/8 Het ging telkens om niet meer dan een geïsoleerde, vluchtige opmerking van verzoekster, die des te minder van de verwerende partijen een formele reactie behoefde vermits ze manifest grond mist. De Universele Verklaring van de rechten van de mens is een beginselverklaring die als zodanig geen rechtsgevolgen doet ontstaan. Artikel 11 ervan betreft de vervolging voor strafrechtelijke vergrijpen, wat te dezen niet aan de orde is. Overigens is door de eerste verwerende partij wel degelijk op de betrokken opmerking van verzoekster geantwoord, door namelijk te overwegen dat zij “uitspraken ziet die er niet zijn (beschuldigingen van handtastelijkheden zijn nergens gevallen)”.
- Verzoeksters uitweiding over de opzegvergoeding bevat geen grief.
- Verzoeksters argumentatie verantwoordt geen vernietiging. VII. Kosten
- Er is reden om verzoekster, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te verwijzen van het geding. Die omvatten evenwel slechts één aan de verwerende partijen gezamenlijk verschuldigde rechtsplegingsvergoeding. Er is voor hen een identiek, minstens zeer gelijklopend en gelijkend, verweer gevoerd, door dezelfde raadsman. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-17.072-7/8
- De Raad van State verwijst verzoekster in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die aan de verwerende partijen gezamenlijk verschuldigd is.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.072-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.877 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.