id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.904 Rolnummer: A. 231026/VII-40857 Zaak: Arrest 247904 - Stortplaatsen - 25/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-25 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-20 01:35 Fiche Arrest nr 247.904 van 25 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stortplaatsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 247.904 van 25 juni 2020 in de zaak A. 231.026/VII-40.857 In zake: de BV SNOEYS ACHILLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ (OVAM) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64 bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 12 juni 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna:OVAM) van 11 juni 2020 waarbij de registratie van de verzoekende partij als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar wordt geschorst. II. Verloop van de rechtspleging
- Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de VII-40.857-1/22 rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’ zal de zaak worden behandeld zonder openbare terechtzitting. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De verzoekende en de verwerende partij hebben vervolgens een pleitnota ingediend. Het aangewezen lid van het auditoraat heeft een geschreven advies neergelegd dat de partijen op 22 juni 2020 via elektronische weg ter kennis werd gebracht. Tegelijk met de mededeling van dit advies heeft kamervoorzitter Eric Brewaeys het debat gesloten en de zaak in beraad genomen. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij exploiteert een afvalverwerkend bedrijf in Brecht. Ze beschikt daarvoor over een milieuvergunning, op 1 september 2016 verleend door de deputatie. Zij is onder het OVAM-nr. 8804 geregistreerd als vervoerder van afvalstoffen tot 3 mei 2025 en erkend als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar (hierna:IHM) tot 18 juni
- 3.
- In februari 2020 verschijnen er persberichten over illegale VII-40.857-2/22 dumpingen van afval in Noord-Frankrijk, nabij de Belgische en Luxemburgse grenzen. Het afval zou afkomstig zijn uit België. Ook de verzoekende partij wordt genoemd. 3.
- De verzoekende partij contacteert de Omgevingsinspectie, en vraagt om een onderhoud, waarin ze haar goede trouw wil aantonen. Op 25 februari 2020 gaan er twee toezichthouders ter plaatse. Op 26 februari 2020 wordt ten laste van de verzoekende partij een proces-verbaal opgemaakt wegens inbreuken op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna DABM), het decreet van 23december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna:Materialendecreet) en EVOA (nr. 4N64.H1.0038-20). Het proces-verbaal wordt aan de procureur des Konings te Antwerpen bezorgd. 3.
- Op 27 februari 2020 gaan twee toezichthouders ter plaatse bij een bedrijf in Ternat. Diezelfde dag wordt een proces-verbaal opgemaakt ten laste van een aantal betrokkenen, waaronder de verzoekende partij, wegens diverse inbreuken op de milieuregelgeving (nr. HV64.H1.0045-20). Het proces-verbaal wordt aan de procureur des Konings te Halle-Vilvoorde bezorgd. 3.
- Omdat in een commissiezitting in het Vlaams Parlement door de bevoegde minister wordt gezegd dat door de afdeling Handhaving aan OVAM zal worden gevraagd om de "erkenning" van de verzoekende partij als IHM "in te trekken", bezorgt de verzoekende partij "proactief" op 2 april 2020 een verweer VII-40.857-3/22 aan OVAM. 3.
- Deze brief kruist een brief van OVAM van 2 april 2020 waarmee aan de verzoekende partij het voornemen wordt meegedeeld tot schorsing van de registratie van de verzoekende partij als IHM: “De OVAM start vanaf vandaag de procedure tot schorsing van uw registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of-makelaar (IHM). Snoeys Achille bvba is bij de OVAM geregistreerd als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van zowel gevaarlijke als niet-gevaarlijke afvalstoffen. Bij een inspectie op 27 februari 2020 door de afdeling Handhaving op de terreinen van Snoeys Achille bvba te Vaartkant Rechts in Brecht werden er ernstige tekortkomingen aan de voorwaarden voor het inzamelen of handelen of makelen van afvalstoffen vastgesteld. Bovendien werden er door de OVAM in het verleden reeds tekortkomingen aan de werkwijze als IHM van Snoeys Achille bvba vastgesteld, dit onder meer bij een terreincontrole op 29 mei
- Als IHM van gevaarlijke afvalstoffen dient Snoeys Achille bvba over een goedgekeurd kwaliteitsborgingsysteem (KBS) conform art. 6.1.1.4 VLAREMA te beschikken. De vaststellingen die werden gedaan door zowel de afdeling Handhaving als de OVAM wijzen er op dat Snoeys Achille bvba echter niet handelt volgens de methoden beschreven in het KBS. Volgens artikel 6.1.3.
- van het VLAREMA kunnen de vastgestelde tekortkomingen aan (de naleving van) het KBS, het misbruik van de registratie als IHM en overtredingen aan de voorwaarden voor het inzamelen, handelen of makelen van afvalstoffen leiden tot het schorsen van de registratie als IHM. Voor deze procedure tot schorsing overeenkomstig artikel 6.1.3.
- van het VLAREMA beroept de OVAM zich onder meer op volgende tekortkomingen die door de afdeling Handhaving en/of de OVAM werden vastgesteld:
- Tekortkomingen bij de acceptatie en controle van ingezamelde afvalstoffen - Uit de controle door afdeling Handhaving bleek dat door Snoeys Achille bvba opgehaalde containers, die gemengd bouw- en sloopafval horen te bevatten ook grote hoeveelheden aan andere afvalstoffen bevatten VII-40.857-4/22 waaronder AEEA (afgedankte elektrische en elektronische apparatuur). De acceptatie- en controleprocedure gehanteerd door Snoeys Achille bvba is bijgevolg ontoereikend of onbestaande. - Uit een eerdere controle door de OVAM op 29 mei 2018, bleek dit ook al. AEEA werd toen reeds opgehaald via gemengd bouw- en sloopafval en de opslag ervan op de site gebeurde niet correct. In een aanmaning van de OVAM van 22 juni 2018 werd duidelijk aangehaald dat dit niet kan. - Deze vaststellingen wijzen op een ontoereikende werkmethode of het niet naleven van de werkmethode uit het KBS die aangeeft op welke wijze verzekerd wordt dat de afvalstoffenproducenten de nodige inlichtingen krijgen over de afvalstoffen die zij verplicht gescheiden moeten aanbieden.
- Niet vergunde opslag en uitsortering van afvalstoffen - Snoeys Achille bvba mag AEEA inzamelen, overeenkomstig zijn registratie als IHM. Snoeys Achille bvba is echter niet vergund voor het opslaan of uitsorteren van deze afvalstoffen op zijn terreinen. Dit zijn activiteiten die door de afdeling Handhaving wel vastgesteld werden op de site. Hieruit kan geconcludeerd worden dat alvast het ingezamelde AEEA niet conform art. 6.1.1.
- van het VLAREMA naar vergunde verwerkers afgevoerd wordt. - De OVAM legde via de aanmaning van 22 juni 2018 reeds op dat Snoeys Achille bvba een weigeringsbeleid moest toepassen voor de opslag van AEEA op zijn terrein. Deze aanmaning volgde op eerdere vaststellingen die door de OVAM gedaan werden m.b.t. de opslag van AEEA op de terreinen van Snoeys Achille bvba.
- Onvolledig afvalstoffenregister - De IHM dient een register bij te houden van de afvalstoffen die ingezameld of verhandeld zijn of waarin zij gemakeld hebben. Het register van ingezamelde, verhandelde of gemakelde afvalstoffen van Snoeys Achille bvba bevat niet alle vereiste gegevens zoals beschreven in artikel 7.2.1.
- van het VLAREMA, zo blijkt uit de controle van de OVAM en de afdeling Handhaving. - Het afvalstoffenregister dient overeenkomstig artikel 7.2.3.2 van het VLAREMA te worden bijgehouden op een elektronische drager met het oog op een eenvoudige uitwisseling van registergegevens tussen de OVAM, de toezichthouder en de houder van het register. Bij zowel controle door de OVAM als controle door de afdeling Handhaving werden hierbij tekortkomingen vastgesteld. - In de loop van januari 2020 werden door de afdaling Handhaving de registers opgevraagd ter controle. Deze registers bleken een samenraapsel te zijn van dikwijls beschadigde bestanden en bevatten niet altijd de vereiste informatie. - Ook tijdens de controle door de OVAM op 29 mei 2018 werd vastgesteld dat de afvalstoffenregisters niet in orde waren. De registers bevatten niet alle nodige gegevens. Dit werd mee opgenomen in de aanmaning van 22 juni
- - Deze vaststellingen wijzen op een ontoereikende werkmethode of het niet naleven van de werkmethode uit het KBS die aangeeft op welke manier het afvalstoffenregister wordt bijgehouden, welke data dat register bevat en VII-40.857-5/22 waar dat register ter inzage ligt.
- Inzamelen, handelen en makelen van afvalstoffen onder foutieve EURAL-codes - Het afval dat door Snoeys Achille bvba werd ingezameld in containers en op de site werd opgeslagen in 'stortvak 3' werd ingezameld en opgeslagen onder de EURAL-code 17 09 04 voor gemengd bouw- en sloopafval. Bij de inspectie door de afdeling Handhaving op 27 februari 2020 werd vastgesteld dat het afval niet overeenkomt met de beschrijving van afvalstoffen die onder EURAL-code 17 09 04 vallen. Zo werd er o.a. vastgesteld dat dit 'gemengd bouw- en sloopafval' grote hoeveelheden AEEA bevat. In het afval dat vervolgens werd afgevoerd onder EURAL-code 17 09 04 werd geen AEEA meer vastgesteld, maar wel grote hoeveelheden kunststof en plasticfolies.
- Overbrenging van afvalstoffen door niet geregistreerde vervoerders, naar niet vergunde verwerkers - Uit het proces-verbaal van 26 februari 2020 met kenmerk AN64.Hl.0038-20 ten laste van Snoeys Achille bvba blijkt dat het bedrijf Mondial Services ingeschakeld werd voor de afvoer van afval ingezameld door Snoeys. Afval dat vervolgens illegaal gedumpt werd over de grens in Frankrijk, en dus niet bij een vergunde verwerker terechtkwam. Mondial Services is niet geregistreerd als vervoerder van afvalstoffen, noch geregistreerd als IHM binnen het Vlaams Gewest. Snoeys Achille bvba heeft nagelaten te controleren of Mondial Services beschikte over de wettelijk verplichte registratie als vervoerder, registratie als IHM, en of/vergunningen als verwerker in het Vlaams Gewest. Dit is in overtreding met artikel 6.1.1.
- van het VLAREMA. - Deze vaststellingen wijzen bovendien op een ontoereikende werkmethode of het niet naleven van de werkmethode uit het KBS die aangeeft op welke wijze wordt nagegaan dat de gekozen bestemmeling vergund of erkend is voor de aanvaarding van de aangeboden afvalstoffen”. De verzoekende partij beschikt over een termijn van 14 dagen om haar verweermiddelen kenbaar te maken, en kan vragen om gehoord te worden. 3.
- De verzoekende partij bezorgt een verweernota, en vraagt om te worden gehoord. 3.
- Met een e-mail van 8 mei 2020 vraagt OVAM inzage in volgende afvalstoffenregisters van Snoeys bvba. Dit telkens voor de periode 1 januari 2019 tot 31 maart 2020: “• het register als IHM (voor de vervoerde afvalstoffen): digitaal • het register als verwerker (inkomend register): digitaal • het register als producent (uitgaand register): digitaal of op papier VII-40.857-6/22 Wij wensen deze registers ten laatste op woensdag 13 mei te ontvangen aub”. 3.
- Deze vraag wordt herhaald in een e-mail van 12 mei 2020, met toevoeging van de vraag "om in deze registers te duiden welke afvalstromen afgeleverd werden aan Mondial Services, waarvan sprake is inzake het dossier omtrent het illegale afvaltransport en de hierop volgende dumping in Frankrijk". 3.
- Met drie e-mails van later diezelfde 12 mei 2020 worden bezorgd: - ‘afvoer 2019’, bestaande uit 24 digitale bestanden; - ‘aanvoer 2019’, bestaande uit 22 digitale bestanden; - ‘aanvoer 2020’, bestaande uit 20 digitale bestanden; - ‘afvoer 2020’, bestaande uit 15 digitale bestanden. 3.
- Op 13 mei 2020 stuurt OVAM een e-mail: “Bedankt om ons deze documenten te bezorgen. Kan u in deze registers verduidelijken welke afvalstromen werden afgenomen door Mondial Services aub (en nadien illegaal getransporteerd werden naar Frankrijk)?”. 3.
- De verzoekende partij antwoordt diezelfde dag per e-mail: “Als u kijkt bij totaalafvoer 2019 ziet u de afgenomen hoeveelheden per klant . De tonnages door Mondial Services afgehaald voor Brussel zijn rood gemarkeerd. U vind de gedetailleerde lijst ook per klant terug. Hoeveel van deze vrachten naar Frankrijk zijn afgevoerd weet alleen de opdrachtgever van de transporteurs zijnde Mondial Services”. 3.
- Op 14 mei 2020 vindt de hoorzitting plaats (per videoconferentie). 3.
- Met een brief en e-mail van 18 mei 2020 vraagt OVAM, naast bijkomende informatie over de acceptatieprocedure: VII-40.857-7/22 “De OVAM wenst voor de periode 2019-2020 volgende afvalstoffenregisters te ontvangen van Snoeys Achille bvba:
- Register als afvalstoffenproducent van bedrijfsafvalstoffen conform VLAREMA art. 7.2.1.
- Register van de afvalstoffen die ingezameld of verhandeld zijn, of waarin zij gemakeld hebben - in de hoedanigheid van inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar conform VLAREMA art. 7.2.1.
- Register als afvalstoffenverwerker van de door Snoeys verwerkte afvalstoffen conform VLAREMA art. 7.2.1.
- De afvalstoffenregisters moeten alle nodige informatie bevatten zoals vermeld onder VLAREMA artikel 7.2.1.1, 7.2.1.
- en 7.2.1.
- Deze registers moeten als een overzichtelijk geheel - per afzonderlijk register - worden aangeleverd en mogen niet bevuild zijn met allerlei andere gegevens die geen essentieel onderdeel van de registers uitmaken”. 3.
- De verzoekende partij antwoordt met een e-mail van 27 mei
- Er worden opnieuw digitale bestanden bezorgd, alsook een "juridische nota". 3.
- Op 11 juni 2020 neemt OVAM de bestreden beslissing: de registratie van de verzoekende partij als IHM inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar wordt geschorst: “De OVAM schorst vanaf 11 juni 2020 uw registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar. U moet bijgevolg al uw activiteiten als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar (IHM) onmiddellijk stopzetten, zowel voor gevaarlijke als voor niet-gevaarlijke afvalstoffen. U wordt opgenomen in het register van geschorste inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars. Duiding van de schorsing De OVAM heeft u via een aangetekend schrijven op 02 april 2020 op de hoogte gebracht van een voornemen tot schorsing van uw registratie als IHM. We ontvingen uw schriftelijke verweermiddelen op 15 april 2020 en u werd vervolgens door de 0VAM gehoord op 14 mei
- Een van de argumenten in het voornemen tot schorsen van 2 april 2020 is dat Snoeys Achille bvba niet in het bezit is van een afvalstoffenregister als IHM conform het VLAREMA art. 7.2.1.
- Volgend op het schriftelijk verweer van 15 april 2020 werd door de OVAM in een mail van 08 mei 2020 aan Snoeys Achille bvba gewaagd om voor de periode 2019-2020 al haar afvalstoffenregisters: als producent van bedrijfsafvalstoffen (uitgaand register), als verwerker van afvalstoffen (inkomend register) en als IHM VII-40.857-8/22 (voor de vervoerde afvalstoffen) over te maken aan de OVAM. Deze registers komen respectievelijk overeen met VLAREMA artikels 7.2.1.1, 7.2.1.4 en 7.2.1.
- De aangeleverde afvalstoffenregisters, ontvangen op 12 mei 2020, bleken niet te voldoen aan de voorwaarden conform VLAREMA art. 7.1.1.1, 7.2.1.4 en 7.2.1.
- Op de hoorzitting van 14 mei 2020 werd onder meer afgesproken dat Snoeys Achille bvba de correcte en volledige afvalstoffenregisters op korte termijn zou aanleveren: volledig conform het VLAREMA onderafdeling 7.2.
- Deze vraag werd door de OVAM ook schriftelijk, via maíl op 18 mei 2020,aan Snoeys Achille bvba en raadsheren overgemaakt. De OVAM ontving de opgevraagde informatie op 27 mei
- De hierin meegestuurde afvalstoffenregisters bleken nog steeds niet te voldoen aan de voorwaarden zoals opgelegd in het VLAREMA en besproken tijdens de hoorzitting. De OVAM ontving geen apart register als IHM dat voldoet aan de voorwaarden beschreven in VLAREMA art. 7.2.1.
- Dit artikel stelt dat de IHM een register dient bij te houden van de afvalstoffen die ingezameld of verhandeld zijn of waarin zij gemakeld hebben. Het register van ingezamelde, verhandelde of gemakelde afvalstoffen moet volgende gegevens bevatten:
- de datum van het inzamelen, handelen of makelen;
- de datum van het effectieve vervoer van de afvalstoffen;
- het ondernemíngsnummer en de naam en het adres van de afvalstoffenproducent of de naam en het identíficatienummer van het schip waar de afvalstoffen werden ingezameld, alsook de vermelding van de ligplaats;
- de hoeveelheid afvalstoffen in ton, kubieke meter, liter of kilogram;
- de aard en samenstelling van de afvalstoffen, met vermelding van de EURAL-code;
- indien van toepassing, naam, adres en identificatienummer van de vervoerder van de afvalstoffen, van Belgische vervoerders het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer;
- de verwerkings- of toepassingswijze van de afvalstoffen: storten, verbranden met energierecuperatie (R1), andere afvalverbranding (D10), hergebruik, composteren, recyclage, sorteren, andere voorbehandeling;
- naam, adres en identificatienummer van de verwerker van de afvalstoffen, van Belgische verwerkers het ondernemingsnummer en van buítenlandse het btw-nummer. De registers die u bezorgde via uw raadsman op 27 mei 2020 vermelden de afvalstoffen die werden aangevoerd naar de site en de afvalstoffen die werden afgevoerd van de site. Die registers kunnen echter niet beschouwd worden als conforme afvalstoffenregisters. Op basis van de aangeleverde registers kan niet met zekerheid worden bepaald voor welke transporten Snoeys Achille bvba heeft opgetreden als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar. Voor alle transporten waarvoor Snoeys Achille bvba mogelijk heeft opgetreden als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar ontbreken VII-40.857-9/22 onder meer volgende gegevens: - bij ‘Producent Ontvanger’ ontbreken regelmatig adres en ondernemingsnummer en in geval van een buitenlandse verwerker het btw-nummer; - aangezien afvalproducent en verwerker (benoemd als ‘ontvanger’ in de aangeleverde lijsten) in eenzelfde kolom staan, ontbreken dus per lijn telkens de gegevens van één van beide actoren. Conform VLAREMA art. 7.2.1.2 moeten voor beide actoren gegevens worden opgenomen in het register van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar; - de EURAL-code werd niet overal ingevuld; - de verwerkings- of toepassingswijze van de afvalstoffen ontbreekt regelmatig; - in geval Snoeys Achille bvba als IHM heeft gebruikgemaakt van een derde geregistreerde vervoerder, dan ontbreken adres en identíficatienummer van de vervoerder van de afvalstoffen, van Belgische vervoerders het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer. Op basis van de aangeleverde gegevens kunnen we echter niet opmaken voor welke transporten Snoeys Achille bvba als IHM heeft opgetreden. Wetgeving Artíkel 6.1.3.
- van het VLAREMA stelt dat een ontoereikend kwaliteitsborgingssysteem, een negatief keuringsverslag van het kwaliteitsborgingssysteem, elk misbruik van de registratie en elke overtreding van de voorwaarden voor het inzamelen, handelen of makelen van afvalstoffen, kunnen leiden tot het schorsen van de registratie als IHM. Het beschikken over een afvalstoffenregisters als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar dat voldoet aan de inhoudelijk voorwaarden beschreven in art. 7.2.1.
- van het VLAREMA, is een voorwaarde voor het inzamelen, handelen of makelen van afvalstoffen (art. 6.1.1.3.3° van het VLAREMA). De OVAM besluit op basis van informatie die zij verworven heeft dat Snoeys Achille bvba niet aan deze voorwaarde voldoet. Het is op basis van dit argument dat de OVAM uw registratie als IHM schorst. Het VLAREMA art. 6.1.3.5 bepaalt dat een schorsing van kracht blijft voor een termijn die afloopt samen mat de einddatum van de registratie. Als de IHM intussen kan aantonen dat de aanleiding tot de schorsing niet meer bestaat, kan de schorsing ongedaan worden gemaakt. Tijdens de periode van de schorsing kan u geen nieuwe registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar verkrijgen”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden VII-40.857-10/22
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, RvS-Wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van de verzoekende partij
- In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van: - Artikel 6.1.3.5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna: Vlarema); - Artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), minstens het materieel motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - De hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; - Het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - Het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - En uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. De verzoekende partij zet uiteen dat haar registratie als IHM wordt geschorst op het enige motief dat haar registers zogezegd niet in orde zouden zijn, terwijl tot dusver werd voorgehouden dat de rechtstreekse aanleiding van de schorsingsprocedure gelegen was in de illegale dumpingactiviteiten in Noord-Frankrijk en terwijl de verweermiddelen van verzoekende partij niet tegemoet worden getreden. Zij meent dat er sprake is van “misleidende en VII-40.857-11/22 incorrecte motieven”. In een eerste onderdeel verwijst zij naar artikel 6.1.3.5, tweede lid, Vlarema dat aan de verwerende partij oplegt dat de geregistreerde IHM door OVAM op de hoogte moet worden gebracht van de voorgenomen beslissing tot schorsing en de motieven daartoe. Het is duidelijk dat de schorsingsprocedure werd opgestart naar aanleiding van de illegale dumpingactiviteiten in Noord-Frankrijk. Dit blijkt met zoveel woorden uit het verslag van de Commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening en Energie van de Vlaamse regering van 4 maart 2020, waarin werd besloten dat er naar aanleiding van dit dossier een krachtig en streng signaal diende gegeven te worden om illegale dumping van afvalstoffen tegen te gaan. In een tweede onderdeel stelt de verzoekende partij dat artikel 6.1.3.5, tweede lid, Vlarema voorschrijft dat de geregistreerde IHM over een termijn van 14 dagen beschikt, na kennisname van de voorgenomen beslissing tot schorsing en de motieven daartoe, om zijn verweermiddelen kenbaar te maken of om aan te tonen dat zijn zaken ondertussen in orde zijn gebracht. Hieruit volgt dat een registratie nooit op wettige wijze kan worden geschorst wanneer ofwel voldoende verweermiddelen worden aangevoerd, die niet (kunnen) worden weerlegd, ofwel wordt aangetoond dat men zich inmiddels in regel heeft gesteld. De verzoekende partij heeft omstandige verweermiddelen aangevoerd in haar verweernota’s van 2 april 2020 en 15 april 2020 en heeft daarenboven een juridische nota ingediend bij de OVAM op 27 mei
- Noch van de verweernota van 2 april 2020, noch van de juridische nota van 27 mei 2020 wordt melding gemaakt in de bestreden beslissing. De daarin opgenomen argumentatie wordt bijgevolg niet weerlegd in de bestreden beslissing. VII-40.857-12/22 Beoordeling Eerste onderdeel
- De verwerende partij heeft met een brief van 2 april 2020 aan de verzoekende partij kennis gegeven van haar voornemen om de registratie te schorsen. In die brief worden vijf tekortkomingen opgesomd die daartoe aanleiding hebben gegeven. Als derde van die vijf tekortkomingen wordt vermeld dat het afvalstoffenregister onvolledig is: De verzoekende partij stelt ten onrechte "dat de brief van de OVAM dd. 2 april 2020, waarin het voornemen tot schorsing van de registratie als IHM werd aangekondigd, louter en alleen gesteund was op de processen-verbaal van 26 en 27 februari 2020, die zijn opgemaakt naar aanleiding van de illegale dumpingactiviteiten in Noord-Frankrijk, en voor het overige enkel verwijst naar oude, gedateerde vaststellingen uit 2018". Die brief verwijst echter duidelijk naar de tekortkoming in verband met de onvolledigheid van het afvalstoffenregister. In die brief is geen sprake van de processen-verbaal van 26 en 27 februari
- In de aanvang van de brief is er sprake van "een inspectie op 27 februari 2020 door de afdeling Handhaving op de terreinen van Snoeys Achille bvba te Vaartkant Rechts in Brecht" -waarmee blijkbaar het plaatsbezoek op 25 februari wordt bedoeld- en van "een terreincontrole op 29 mei 2018". Bij de genoemde derde tekortkoming wordt nog verwezen naar het in de loop van januari 2020 door de afdeling Handhaving opvragen van de registers ter controle. De processen-verbaal van 26 en 27 februari 2020 werden overgemaakt aan de bevoegde procureurs des Konings. Pas nadat deze zouden hebben laten weten niet strafrechtelijk te vervolgen zou een procedure tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete kunnen worden overwogen. De hier bestreden schorsing van de registratie staat los van een mogelijke strafrechtelijke of bestuurlijke bestraffing voor de misdrijven waarvan sprake in die processen-verbaal. Als er in hoofde van de verzoekende partij onduidelijkheid VII-40.857-13/22 bestond over de voor de voorgenomen schorsing van de registratie opgegeven motieven of de aard van deze procedure lijkt dat niet aan de verwerende partij te wijten. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. Tweede onderdeel
- Het tweede onderdeel komt in strijd met het eerste onderdeel. In dat eerste onderdeel houdt de verzoekende partij voor dat pas in de bestreden beslissing is gebleken wat het motief is voor de schorsing van haar registratie, zodat ze wat dat motief betreft geen verweer heeft kunnen voeren. Dat valt niet te rijmen met haar argumentatie in het tweede onderdeel als zou er geen rekening zijn gehouden met haar verweer. Ze laat bovendien na te specifiëren op welke verweermiddelen aangaande de volledigheid van de registers er in de bestreden beslissing niet wordt geantwoord. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van de verzoekende partij
- De verzoekende partij beroept zich op de schending van de volgende bepalingen en beginselen: - Artikelen 6.1.1.3 en 7.2.1.2 Vlarema; - Artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, minstens het materieel motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - Het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - Het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - En uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. VII-40.857-14/22 Zij meent dat er sprake zou zijn van een schending van de aangevoerde bepalingen en beginselen omdat in de bestreden beslissing zou worden gesteld dat de afvalstoffenregisters niet in overeenstemming zouden zijn met artikel 7.2.1.2 Vlarema. De OVAM komt in de bestreden beslissing niet verder dan de loutere bewering dat de registers niet zouden kunnen beschouwd worden als conforme afvalstoffenregisters of de zeer vage verwijzing naar een aantal zogezegd ontbrekende gegevens (adres, ondernemingsnummer, gegevens voor producent en verwerker, EURAL-codes, verwerkings- of toepassingswijze, vervoerdersgegevens), zonder dat wordt gepreciseerd waarin de vermeende niet-conformiteit zou gelegen zijn, of waar en hoe vaak de desbetreffende gegevens dan zogezegd zouden ontbreken. De OVAM spreekt herhaaldelijk van het zogenaamde "regelmatig" ontbreken van deze gegevens, maar het is niet duidelijk wat daaronder verstaan moet worden en al evenmin waar die gegevens dan exact regelmatig zouden ontbreken in de registers. De OVAM geeft ook niet aan welke registers zij precies onderzocht heeft, zodanig dat verzoekende partij hier ook niet op heeft kunnen repliceren. Uit het bestreden besluit kan hieromtrent niets worden afgeleid. Die proportionaliteitstoets ontbreekt volledig in het bestreden besluit, dat integendeel gesteund lijkt te zijn op cherry picking, waarbij men in de talloze beschikbare gegevens in de registers specifiek is gaan zoeken naar een aantal vermeldingen die hier en daar zouden ontbreken, teneinde een registratieschorsing te kunnen opleggen, met desastreuze gevolgen voor verzoekende partij, terwijl er in werkelijkheid geen enkel structureel probleem voorhanden is met betrekking tot de afvalstoffenregisters van de verzoekende partij. Dit klemt des te meer, nu uit de bestreden beslissing blijkt dat de gehele redenering van de OVAM evenmin coherent is. De OVAM beweert immers enerzijds dat er geen apart IHM-register zou zijn bijgehouden door de verzoekende partij, maar anderzijds heeft men toch zogezegd kunnen vaststellen dat er gegevens zouden ontbreken in het IHM-register. Bijgevolg is de bestreden beslissing gemotiveerd in strijd met de gegevens van het administratief dossier, op grond van een verkeerde analyse van de voorhanden zijnde registers, zodat de bestreden VII-40.857-15/22 beslissing onzorgvuldig en kennelijk onredelijk is. De OVAM is kennelijk onredelijk geweest en is duidelijk de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten gegaan bij het beoordelen van de afvalstoffenregisters van de verzoekende partij. Beoordeling
- De verzoekende partij voegt bij haar verzoekschrift een uittreksel uit een van de door haar voorgelegde registers, waarin alle vereiste gegevens zouden zijn opgenomen. De verwerende partij voegt in haar nota met opmerkingen meerdere uittreksels toe uit aan haar voorgelegde registers, met aanduiding waar gegevens ontbreken. In haar replieknota stelt de verzoekende partij dat in de formele motivering van de bestreden beslissing had moeten worden uiteengezet waar precies in de registers er gegevens ontbreken. Het is voor de Raad van State onmogelijk om in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid te beoordelen of de verwerende partij in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat het ontbreken van gegevens in de voorgelegde omvangrijke registers van die aard is dat deze registers niet conform zijn aan de door Vlarema gestelde vereisten. Aangezien de kwestieuze registers werden opgemaakt door de verzoekende partij zelf, toont het argument dat in de formele motivering van de bestreden beslissing had moeten worden aangeduid waar precies er gegevens ontbraken onvoldoende ernst om een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen verantwoorden. Het tweede middel is niet ernstig. VII-40.857-16/22 C. Derde middel Uiteenzetting van de verzoekende partij
- De verzoekende partij beroept zich op de schending van de volgende bepalingen en beginselen: - Artikel 6.1.3.5 Vlarema - Artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, minstens het materieel motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - Het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - Het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - En uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. De OVAM is volgens de verzoekende partij overgegaan tot schorsing van de registratie van de verzoekende partij als IHM, zonder dat hieraan een deugdelijke feitengaring aan vooraf is gegaan, aangezien de OVAM heeft nagelaten de resultaten van het plaatsbezoek van de afdeling Milieu-inspectie van 8 juni 2020 bij haar beslissing te betrekken, ofschoon deze tijdens dat plaatsbezoek blijkbaar heeft vastgesteld dat de afvalstoffenregisters van de verzoekende partij volledig duidelijk zijn. De verzoekende partij meent dat de verwerende partij zou zijn overgegaan tot schorsing van de registratie van verzoekende partij als IHM zonder dat er aan deugdelijke feitengaring werd gedaan. Specifiek stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, heeft nagelaten om de resultaten van het plaatsbezoek van de afdeling Milieu-inspectie van 8 juni 2020 bij haar beslissing te betrekken. De verzoekende partij houdt voor dat tijdens dit plaatsbezoek de afdeling Milieu-inspectie zou hebben vastgesteld dat de afvalstoffenregisters van de verzoekende partij voldoende duidelijk zijn. VII-40.857-17/22 Beoordeling
- De verwerende partij heeft bij de afdeling Handhaving navraag gedaan naar deze bewering van de verzoekende partij, en legt het antwoord voor van de betrokken ambtenaar. Deze spreekt het relaas van de verzoekende partij tegen. De verzoekende partij repliceert dat OVAM de ambtenaar van de afdeling Handhaving op ongeoorloofde wijze onder druk heeft gezet om haar relaas tegen te spreken. OVAM ontkent dat zij druk heeft uitgeoefend, en wijst er ook op dat de verzoekende partij hoe dan op geen enkele manier enigszins aannemelijk maakt dat de afdeling Handhaving zou hebben verklaard dat de afvalstoffenregisters voldeden. De verzoekende partij brengt echter in het verzoekschrift niets meer aan dan een loutere bewering, en in de replieknota niets meer dan de suggestie dat OVAM kwaadwillig heeft gehandeld en dat de betrokken ambtenaar van de afdeling Handhaving liegt. Het derde middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van de verzoekende partij
- De verzoekende partij voert de schending aan van de volgende bepalingen en beginselen: - Artikelen 6.1.3.5 Vlarema; - Artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, minstens het materieel motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; VII-40.857-18/22 - De rechten van verdediging ex artikel 6 EVRM; - De hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; - Het fair play-beginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - Het vertrouwensbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - Het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - Het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - En uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. Zij betoogt dat de bestreden beslissing werd genomen met miskenning van de hoorplicht, aangezien de verzoekende partij haar verweermiddelen heeft moeten ontwikkelen zonder in het bezit te zijn gesteld van het administratief dossier en aangezien de OVAM zich niet gehouden heeft aan de afspraken die gemaakt zijn tijdens de hoorzitting van 14 mei
- Beoordeling
- Artikel 6, § 1, eerste lid, van het Materialendecreet legt als voorwaarde voor het mogen beheren van afvalstoffen op dat een afvalstoffenregister moet worden bijgehouden. De Vlaamse regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de inhoud en de voorwaarden van dat afvalstoffenregister. Artikel 6.1.3.5 Vlarema maakt het mogelijk om een registratie te schorsen wanneer de ervoor geldende voorwaarden, waaronder deze betreffende het afvalstoffenregister, niet worden nageleefd. Deze schorsing maakt geen deel uit van de strafrechtelijke of bestuurlijke handhaving van titel XVI van het DABM, noch kan ze bij gebrek aan punitief karakter op enige andere wijze worden bestempeld als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM. De verzoekende partij stelt zoals in het eerste middel ook hier ten onrechte dat OVAM bij de kennisgeving van het voornemen te schorsen enkel heeft verwezen naar de processen-verbaal van 26 en 27 februari
- Ze hangt aan VII-40.857-19/22 die verkeerde voorstelling van zaken een uitvoerige argumentatie op over de bewijskracht van die pv’s, verwijzend naar de procedure bestuurlijke handhaving van het DABM, zonder toe te lichten waarom die procedure hier van toepassing zou zijn. Uitgaande van een voorstelling als zou OVAM haar op slinkse wijze zo hard mogelijk hebben willen treffen ("De schorsing komt immers in wezen neer op de zwaarste strafsanctie die voor rechtspersonen mogelijk is, m.n. de ontbinding van de rechtspersoon (artikel 7bis Sw.)"), stelt ze ook meer algemeen procedurele eisen voorop die geen grond vinden in artikel 6.1.5.3 van Vlarema. Het vierde middel is niet ernstig. E. Vijfde middel Uiteenzetting van de verzoekende partij
- De verzoekende partij beroept zich op de schending van de volgende bepalingen en beginselen: - Artikel 6.1.3.5 Vlarema; - Het recht op vrijheid van ondernemerschap, zoals gewaarborgd in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in de artikelen II.2, II.3 en II.4 WER; - Artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, minstens het materieel motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - Het proportionaliteitsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - Het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - Het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; - En uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. In de bestreden beslissing wordt de schorsing van de registratie van de verzoekende partij als IHM bevolen op het enkele motief dat er hier en daar een vermelding zou ontbreken in de afvalstoffenregisters van de verzoekende partij. De verzoekende partij meent dat de schorsing die enkel geënt zou zijn op het VII-40.857-20/22 feit dat er hier en daar een vermelding zou ontbreken in de afvalstoffenregisters disproportioneel zou zijn. Beoordeling
- In de brief van OVAM waarmee kennis werd gegeven van het voornemen om de registratie te schorsen werden zoals gezegd vijf tekortkomingen genoemd. Dat in de bestreden beslissing slechts een daarvan als motief voor de schorsing wordt gehanteerd kan niet zomaar worden begrepen als zou OVAM tot het besluit zijn gekomen dat de overige vier zonder grond waren. Maar als dat wel zo zou zijn, zou dat nog steeds niet betekenen dat de ene weerhouden tekortkoming daardoor minder ernstig zou zijn. De verzoekende partij betwist niet dat er voorwaarden kunnen worden opgelegd voor het mogen uitoefenen van activiteiten als IHM, en dat daarvoor bijhorend een registratie vereist is. Ze betwist ook niet deze voorwaarden als zodanig. Bij het tweede middel werd vastgesteld dat het voor de Raad van State onmogelijk is om in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid te beoordelen of de verwerende partij in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat het ontbreken van gegevens in de voorgelegde omvangrijke registers van die aard is dat deze registers niet conform zijn aan de door Vlarema gestelde vereisten. Ook de proportionaliteit van het schorsen van de registratie omwille van deze veronderstelde niet-conformiteit, kan niet worden beoordeeld zonder een grondiger onderzoek van deze registers dan mogelijk is in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Het vijfde middel is niet ernstig.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die VII-40.857-21/22 cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken op vijfentwintig juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.857-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.904 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.213 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div