id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.905 Rolnummer: A. 220279/VII-39795 Zaak: Arrest 247905 - Milieuvergunningen - 25/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-25 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 247.905 van 25 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.905 van 25 juni 2020 in de zaak A. 220.279/VII-39.795 In zake : Jurgen VAN KERSSCHAEVER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN Tussenkomende partij: de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 september 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 14 juli 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Damme van 26 januari 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV Aquafin voor een inrichting gelegen aan de Sabtsweg te Oostkerke (Damme), wordt afgewezen. VII-39.795-1/28 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 7 november
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 juni
- Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lennart Nijs, die loco advocaat Tom Swerts verschijnt voor de verzoekende partij, jurist Sandy Vanparys, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Laura Vandervoort, die loco advocaat Erika Rentmeesters verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-39.795-2/28 III. Feiten 3.
- De betwisting betreft de exploitatie van een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie (hierna: KWZI) met een capaciteit van 405 IE (inwonerequivalent). De inrichting is gepland op een terrein nabij de hoek gevormd door de Eienbroekstraat en de Sabstweg in Damme, deelgemeente Oostkerke, in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Verzoeker woont ten zuiden van de geplande inrichting, op ongeveer 50 meter afstand, in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, achterliggend aan een strook woongebied met landelijk karakter langsheen de Eienbroekstraat. De geplande inrichting en verzoekers woning bevinden zich tevens in het vogelrichtlijngebied “Poldercomplex”. 3.
- Op 9 september 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen aan de tussenkomende partij een milieuvergunning voor het exploiteren van een KWZI. Verzoeker dient een bestuurlijk beroep in. 3.
- Op 3 november 2014 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: GSA) een stedenbouwkundige vergunning voor de KWZI. Verzoeker dient een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. 3.
- Nadat de tussenkomende partij afstand doet van de milieuvergunning van 9 september 2014 verklaart de deputatie op 5 februari 2015 het bestuurlijk beroep zonder voorwerp. 3.
- De GSA verleent op 13 februari 2015 een stedenbouwkundige vergunning voor het uitvoeren van wegenis- en rioleringswerken ten behoeve van de KWZI. Verzoeker dient een beroep in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna : RvVb). 3.
- Met een aangetekende brief van 15 maart 2015 laat de VII-39.795-3/28 tussenkomende partij weten dat zij verzaakt aan de stedenbouwkundige vergunning van 3 november
- De RvVb zal op 15 maart 2016 de vergunning vernietigen omwille van de rechtszekerheid. 3.
- Op 5 oktober 2015 dient de tussenkomende partij een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in. Op 26 januari 2016 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. Verzoeker dient ook nu een bestuurlijk beroep in. 3.
- In de procedure bestuurlijk beroep tegen de milieuvergunning worden de volgende adviezen verleend: - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar adviseert gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig. 3.
- Op 9 juni 2016 verleent de GSA een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van de KWZI. Verzoeker dient een beroep in bij de RvVb. 3.
- De deputatie verlengt de termijn om te beslissen over het beroep tegen de milieuvergunning van 26 januari 2016, om een plaatsbezoek te kunnen laten uitvoeren op de beoogde locatie en op twee alternatieve locaties. 3.
- Op 14 juli 2016 verwerpt de deputatie verzoekers beroep tegen de milieuvergunning van 26 januari
- Dit is de bestreden beslissing, die in essentie als volgt luidt: “Gelet op de ligging van de inrichting, volgens de ons beschikbare gegevens, in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied van het gewestplan Brugge-Oostkust (d.d. 07/04/1977) waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: ‘de agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de VII-39.795-4/28 exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden. De landschappelijk waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen’. Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, vergunbaar is bij voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Damme is een ontvoogde gemeente. Het advies van het College van Burgemeester en Schepenen vermeldt een gunstig advies van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar d.d. 12/11/2015: ‘in principe dient een dergelijke installatie in woongebied ingeplant te worden omdat het een installatie betreft voor de zuivering van de afvalstromen die in het woongebied gecreëerd worden. Het beperkte woongebied van Oostkerke laat dit niet toe, tenzij er wordt overgegaan tot afbraak van bestaande woningen (na onteigening). Daarom werd een inplantingsplaats gekozen aansluitend bij het woongebied, dit is als dusdanig functioneel inpasbaar. Het meest landschappelijke van de installatie nl. de rietvelden, worden op de grens met het open landbouwgebied ingeplant, de technische installaties sluiten aan bij de woonomgeving. Dit is de meest gunstige inplanting. Het perceel is goed bereikbaar en is nog steeds voldoende aansluitend bij bestaande bebouwing. Er wordt niet te dicht bij bestaande bebouwing gebouwd maar toch nog voldoende aansluitend zodat de open ruimte niet wordt geschaad. De bestemmingen van de omgeving worden niet in het gedrang gebracht. De installatie bestaat uit hoofdzakelijk ondergrondse werken, met uitzondering van de aanleg van de verhardingen, het groenscherm met omheining, het dienstgebouw en de deels bovengrondse biorotoren. Mits de hoogte van de bovengrondse constructies beperkt blijft en de afstand tot de perceelsgrenzen minstens 3 m bedraagt, kan geoordeeld worden dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden. Mits een afwerking met eenvoudige vormgeving en natuurlijke materialen kan geoordeeld worden dat de bovengrondse constructies aansluiten bij de directe groene omgeving.’ Ondertussen blijkt dat op 9/6/2016 de Gewestelijk Stedenbouwkundige Ambtenaar de corresponderende stedenbouwkundige vergunning heeft afgeleverd. Project-m.e.r.-screening: VII-39.795-5/28 De aanvraag heeft betrekking op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij het besluit van de Vlaamse Regering d.d. 1/3/2013 inzake de nadere regels van de project-m.e.r.-screening. De aanvraag werd daarom getoetst aan de criteria van bijlage II van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM). De inrichting valt onder de MER-screening omwille van de rubriek 11c ‘rioolwaterzuiveringsinstallaties’. Bij het aanvraagdossier werd een MER-screening uitgevoerd. Deze werd in de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen Inhoudelijk beoordeeld. De conclusie luidt als volgt: ‘op basis van het aanvraagdossier werd aangenomen dat de opmaak van een project-MER geen meerwaarde zal zijn bij het beoordelen of het project aanzienlijke milieueffecten zal veroorzaken. Er wordt gesteld dat de aanvraag niet MER-plichtig is.’ Deze mening wordt volledig bijgetreden. Activiteiten Nv Aquafin wenst in Oostkerke (Damme) een nieuwe KWZI in te richten voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater met een ontwerpcapaciteit van 405 IE (op basis van 60 g BOD/IE/dag) en dient het afvalwater te verwerken van een agglomeratie in de agglomeratieklasse kleiner dan 2.000 IE. Het betreft een 2de klasse inrichting. Het effluent zal geloosd worden via een niet geklasseerde waterloop en een waterloop 2de categorie in de Zwinnevaart. Dit betreft een waterloop van 1ste categorie met als kwaliteitsdoelstelling brakkepolderwaterloop. De waterzuiveringsinstallatie bestaat uit: - Een influenttoevoer via 2 persleidingen; - Een influentdebietmeting d.m.v. een EM-debietmeter; - 1 voorbezinktank (60 m³) met geïntegreerde slibstockage (21 m³); - Een biologische zuivering door beluchting met 2 biorotoren; - Een nabezinktank (humustank) van 20 m³; - Verdeelconstructie naar de wortelzonerietvelden; - 2 wortelzonerietvelden van 485 m²; - 1 pomp voor verpompen van spuislib van humustank naar voorbezinktank; - Lozing van het effluent; De installatie kan opgedeeld worden in een gedeelte mechanische zuivering, een gedeelte biologische zuivering en een gedeelte tertiaire zuivering via 2 wortelzonerietvelden. De mechanische zuivering omvat de influenttoevoer en een primaire zuivering in een voorbezinktank met slibstockage. De biologische zuivering gebeurt d.m.v. biorotoren waarvan het effluent naar een humustank wordt geleid en waar de scheiding tussen effluent en humusslib plaatsvindt. Vervolgens zal het effluent van de humustank gelijkmatig worden verdeeld over de volledige breedte van het wortelzonerietveld (WZRV). Het wortelzonebed is gevuld met rolgrind en aangelegd in een helling. Het effluent van het WZRV wordt verzameld in een drainagebuis die rechtstreeks naar de effluentmeetput leidt. Het slib zal regelmatig afgevoerd worden voor ontwatering op een andere RWZI van Aquafin. In het verleden werd reeds een milieuvergunning aangevraagd en goedgekeurd (besluit d.d. 09/09/2014) voor de exploitatie van een nieuwe VII-39.795-6/28 RWZI. Er werd echter beroep ingediend (d.d. 09/10/2014) door de heer Vankersschaever Jurgen, wonende Eienbroekstraat 26 te 8340 Damme tegen dit besluit. Hierop heeft Aquafin beslist om afstand te doen van de vergunning. In oktober 2015 werd opnieuw een vergunningsaanvraag ingediend. De huidige milieuvergunningsaanvraag betreft opnieuw een eerste aanvraag voor de exploitatie van een nieuwe inrichting op dezelfde locatie. De geplande inrichting is volgens het gewestplan van Brugge-Oostkust gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en sluit ten westen aan op woongebied met landelijk karakter. De dichtstbijzijnde woningen bevinden zich ten westen en ten zuiden van het terrein, respectievelijk ca. 50 m en 47 m vanaf de terreingrens van de KWZI. De inrichting is gelegen in een Nature 2000-gebied, namelijk het Vogelrichtlijngebied ‘Poldercomplex’. Er werd een passende beoordeling opgemaakt en door LNE-milieuvergunningen werd subadvies gevraagd aan het Agentschap Natuur en Bos. Er werd d.d. 23/05/2014 een positief advies gegeven. De raadsvrouw van de omwonende wijst in de vergadering van de provinciale milieuvergunningscommissie erop dat het ingediende aanvraagdossier dezelfde exploitatie op dezelfde locatie als eerder gevraagd, betreft. Zij geeft mee dat in de eerste procedure in het kader van de stedenbouwkundige aanvraag de bijzondere procedure met projectvergadering met de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar werd gevolgd. Zij citeert uit het betreffend verslag: ‘alle instanties zijn het erover eens dat de locatie-alternatieven beter onderzocht moeten worden. De haalbaarheidsstudie moet dieper worden uitgewerkt.’ De haalbaarheidsstudie is volgens haar dan ook een cruciaal punt in dit dossier. Op genoemde projectvergadering werd door de omwonende een locatie aan de Groene Wandeling voorgesteld, De beroepers menen dat deze locatie onterecht niet werd weerhouden vanwege de ontoegankelijkheid van het terrein. De raadsvrouw verklaart aan de provinciale milieuvergunningscommissie dat dit terrein wel degelijk toegankelijk is en staaft dit aan de hand van ter plaatse genomen foto’s, waarop duidelijk te zien is dat er op het terrein op vandaag reeds werken aan de gang zijn (met een tractor). Verder wijst de raadsvrouw erop dat het terrein veel lager gelegen is dan de door Aquafin huidig voorgestelde locatie, waardoor de installatie niet zichtbaar zou zijn en er dus geen visuele hinder zou optreden. De beroeper verklaart aan de provinciale milieuvergunningscommissie een vergelijkbare installatie in Vlissegem te hebben bezocht, samen met Aquafin en de burgemeester. Hij argumenteert aan de hand van foto’s dat de installatie wel degelijk omvangrijk is. Bovendien verklaart hij dat hij ter plaatse een omwonende heeft bezocht die hem vertelde dat er vanwege de geurhinder bijkomende sproeiers dienden geïnstalleerd te worden. Hij wijst hierbij op het feit dat deze omwonende op 200 m van de installatie woont, terwijl hijzelf slechts op 50 m van de door Aquafin gevraagde installatie woont. De exploitante verklaart aan de provinciale milieuvergunningscommissie dat de door beroeper voorgestelde locatie ligt op de plaats waar de Zwinnevaart zal verbreed worden. Op dit terrein zijn er op dit moment werken aan de gang op initiatief van de Vlaamse Milieumaatschappij. Ze wijst erop dat de tractor niet kan vergeleken worden met de opleggers die VII-39.795-7/28 voor de KWZI op het terrein moeten kunnen om het slib op te halen. Om het terrein te ontsluiten op de door de omwonende voorgestelde locatie zou er dus ook moeten geïnvesteerd worden in een brug; dit is financieel niet haalbaar, noch te verantwoorden. De exploitante verklaart aan de provinciale milieuvergunningscommissie dat op de door Aquafin gevraagde locatie de hellingsgraad ideaal is, waardoor de grootte van de installatie kan beperkt worden. Ze wijst erop dat er sowieso pompstations moeten geplaatst worden om de hoogteverschillen op te vangen. Maar omdat bij de door Aquafin voorgestelde locatie de afstanden korter zijn, kunnen ook de pompstations in grootte beperkt worden. Wat betreft de vergelijking met de installatie in Vlissegem verklaart de exploitante aan de provinciale milieuvergunningscommissie dat afhankelijk van het gebied elke installatie anders is. Ze benadrukt dat de voorgestelde installatie zeer kleinschalig is (405 IE) en grotendeels zal ingegraven worden. De installatie zal slechts 1,5 m boven het maaiveld uitsteken. Het dienstgebouw zal een grootte vergelijkbaar met een tuinhuis hebben. Indien nodig, kunnen er bijkomend geurreducerende maatregelen getroffen worden. Gelet op het advies van de Provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar d.d. 24/05/2016: ‘De plaats van de aanvraag is gelegen langs de Sabtsweg ten noorden van de kern van Oostkerke (Damme) en nabij het kruispunt met de Eienbroekstraat. Het terrein van de aanvraag omvat delen van 4 verschillende percelen en is momenteel onbebouwd. De aanvrager is geen eigenaar van de percelen. De percelen zijn eigendom van 3 verschillende eigenaars. De percelen zijn gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Langs de Eienbroekstraat is een woonlint gelegen (woongebied met landelijk karakter). Ten zuiden van het terrein van de aanvraag is een zonevreemde site gelegen. Een toegangsweg naar deze gebouwen is net ten oosten van de plaats van de aanvraag gelegen. Het ontwerp van de aanvraag betreft het exploiteren van een afvalwaterzuiveringsinstallatie voor 405 IE. De installatie bestaat uit een voorbezinktank met slibstockage, biologische zuivering via 2 biorotoren, een nabezinktank, een bijkomende zuivering in 2 wortelzonerietvelden, een dienstgebouw, en een effluentput. Het effluent wordt daarna geloosd in de nabijgelegen waterlopen (Zwinnevaart). Het dienstgebouw heeft een hoogte van 2,65 m. De hoogste technische constructies (biorotoren) bevinden zich tot 1,4 m boven het maaiveld. Ten westen en ten oosten van de installatie wordt een wadi voorzien. Er wordt voorzien in de aanplant van een groenscherm, riet ter hoogte van de wadi’s, knotwilgen aan de westkant. De dichtste woningen
(3)bevinden zich op ca. 50 m. De beroeper is eigenaar van een aantal percelen waarop de waterzuiveringsinstallatie zal gebouwd worden. De aanvraag betreft het exploiteren van een afvalwaterzuiveringsinstallatie voor 405 IE in Oostkerke. Een waterzuiveringsinstallatie is niet verenigbaar met de agrarische bestemming volgens het gewestplan. Art. 5.6.7 VCRO bepaalt dat voor het verlenen van een milieuvergunning kan afgeweken worden van de stedenbouwkundige voorschriften voor zover de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad en de inrichting stedenbouwkundig vergunbaar is in afwijking van de bepalingen van een VII-39.795-8/28 stedenbouwkundig voorschrift. Art. 4.4.7, §2 VCRO bepaalt dat in een vergunning voor handelingen van algemeen belang die een ruimtelijk beperkte impact hebben, mag worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften. In het besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, §2, en artikel 4.7.1, § , tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester dd. 05.05.2000 wordt bepaald in art. 3 §2, 9° dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van rietvelden en waterzuiveringsinstallaties met een maximale capaciteit van 1000 IE kunnen aanzien worden als handelingen van algemeen belang met een ruimtelijk beperkte impact. Hierbij moet de vergunningsaanvrager motiveren waarom deze werken een ruimtelijk beperkte impact hebben. In het aanvraagdossier wordt gemotiveerd dat de hoogte van de technische installatie zeer beperkt is (maximum 1,4 m) en dat het dienstgebouwtje het uitzicht zal hebben van een houten tuinhuis wat passend is in een landelijke omgeving. Verder wordt verwezen naar de ligging op ruime afstand van de nabijgelegen woningen. Het voorzien van een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie zorgt slechts zeer plaatselijk voor een verstoring van de landbouwfunctie. Het belemmert geenszins het gebruik van de omliggende terreinen in functie van landbouw of in functie van zonevreemd wonen. Bovendien worden maatregelen genomen in functie van landschappelijke integratie. De plaats van de aanvraag is gelegen in de speciale beschermingszone Vogelrichtlijngebied Poldercomplex. Er werd een passende beoordeling opgemaakt en voorgelegd aan het agentschap voor Natuur en Bos. Deze werd gunstig geadviseerd. De waterzuiveringsinstallatie is voorzien op een goed gekozen locatie nabij woonzone en geïntegreerd in het open landschap met riet- en knotwilgaanplanting. Er werd een locatieonderzoek gedaan waarbij verschillende alternatieven tegen elkaar afgewogen worden. De door Aquafin voorgestelde locatie, gekozen op basis van het uitgevoerde alternatievenonderzoek, sluit aan bij de woningen langs de Eienbroekstraat. Op die manier wordt de open ruimte zoveel als mogelijk gevrijwaard. De technische installaties zijn het dichtst bij het woongebied gelegen en de rietvelden sluiten aan bij het open agrarisch gebied. Op die manier wordt het meest rekening gehouden met de omgeving en de bestemmingen bij de opstelling van de onderdelen. Door de aanwezigheid van een toegangsweg naar de zonevreemde woning was het kleine stuk landbouwgrond toch al verloren voor de landbouwfunctie. Andere criteria waarmee rekening werd gehouden bij de keuze van inplanting, zijn de centrale ligging ten opzichte van de te saneren afvalwaters, de bereikbaarheid van de inplanting, het graviteitsprincipe en de afstand tot de woningen. Bij de keuze van de locatie moet een evenwicht gevonden worden tussen het vrijwaren van de open ruimte en het beperken van de hinder voor de omwonenden. Andere locaties bleken minder geschikt omwille van de nood aan extra verpomping, de ondiepe waterloop, de nabijheid van bebouwing, de ligging in VII-39.795-9/28 een ankerplaats of de open ruimte, een moeilijke landschappelijke integratie en een slechte bereikbaarheid. Ook de omvang van het terrein is niet overal optimaal. Zo blijkt de bijkomende locatie 5b (naast het restaurant) minder geschikt omdat die smal is en de rietvelden dan ofwel zeer smal moeten aangelegd worden wat een slechte hydraulische verdeling geeft ofwel achteraan moeten gepositioneerd worden waardoor de technische installatie zeer hoog zou moeten gebouwd worden omwille van het principe van het gravitaire verloop in de installatie. Ook locatie 3 is door het L-vormige terrein niet de beste locatie voor de KWZI. Verder zijn er ondertussen ook plannen voor het verbreden van de Zwinnevaart waardoor sommige locaties hierdoor minder geschikt zijn voor de plaatsing van de KWZI. Er moet hiervoor een langere brug voorzien worden wat kostelijk is en wat ruimtelijk een enorme impact heeft op het landschap. De locaties 2 en 2b blijken onder meer hierdoor minder geschikt. Op deze locaties is er bovendien geen aansluiting bij andere bebouwing. Uit al deze overwegingen blijkt dat de keuze voor locatie 4 niet zomaar uit de lucht komt vallen. De locatie is goed bereikbaar en redelijk centraal gelegen zodat de persleidingen ongeveer even lang zijn en de pompstations een normale capaciteit hebben. Doordat de waterloop voldoende diep is en door de helling in het terrein kan de hoogte van de installatie beperkt gehouden worden, wat de inpasbaarheid ten goede komt. Door de aanwezigheid van een toegangsweg naar de zonevreemde woning was het afgesplitste stuk landbouwgrond toch al verloren voor de landbouwfunctie. Op basis van heel wat criteria werd tot een oordeelkundige beslissing gekomen. Beroeper geeft aan dat het alternatievenonderzoek gebrekkig gevoerd werd. Een alternatievenonderzoek naar de mogelijke locaties werd gevoerd en hierbij werden adviezen gevraagd aan diverse instanties om de diverse locaties tegen elkaar af te wegen. Er werd ook een projectvergadering georganiseerd. Hierbij werd de door beroeper bijkomend gesuggereerde locatie in overweging genomen. Volgens beroeper werden de principes niet allen consequent in rekening gebracht en niet allemaal juist toegepast. Zo zou het gravitatieprincipe niet in rekening gebracht zijn voor locatie 4. Ook werd er onvoldoende rekening mee gehouden dat de locatie het verst van het woongebied verwijderd is. Verder wordt aangegeven dat de ligging nabij woningen voor enkele locaties als argument wordt gebruikt om de locatie als niet haalbaar te bestempelen terwijl dit voor de plaats van de aanvraag net als positief argument wordt gebruikt. Er kan echter opgemerkt worden dat voor sommige locaties de technische installatie vlakbij een woning ingeplant zou worden, zoals bij locatie 3 en 5b. Voor de plaats van de aanvraag, locatie 4, is er toch een tussenruimte van ongeveer 50 m met de dichtstbij gelegen woningen. De beroeper wijst erop dat er door Aquafin een aparte vergunning aangevraagd is voor een pompinstallatie en rioleringswerken wat niet in het alternatievenonderzoek ter sprake is gekomen. Volgens beroeper werd dit bijkomend feit niet bij de contra’s aangegeven voor de plaats van de aanvraag. Er is wel degelijk bij elke locatie een afweging gebeurd en voor elke locatie zijn pompstations nodig maar er is een verschil tussen locaties die eerder centraal gelegen zijn waar pompstations van normale capaciteit nodig zijn en VII-39.795-10/28 deze die afgelegen zijn en waar dan ook nood is aan grotere pompstations (zoals locatie 1, 5 en 5b). Het argument van beroeper dat het alternatievenonderzoek gebrekkig gevoerd werd. kan niet worden bijgetreden. Beroeper geeft aan dat de aanvraag strijdig is met de goede ruimtelijke ordening omdat het rustig en ongestoord zicht wordt aangetast. Aan de noordzijde van het terrein van beroeper is er een omvangrijk groenscherm aanwezig waardoor daar op vandaag ook geen ongestoord zicht is op de velden die in noordelijke richting gelegen zijn. Bovendien zijn de leefruimtes en terrassen meer aan de zuidelijke en westelijke kant van de woning gelegen terwijl de afvalwaterzuiveringsinstallatie ten noorden van het terrein van beroeper gelegen is. Beroeper vreest verder voor hinder bij de aanleg van de KWZI en dat de installatie zal zorgen voor geur- en geluidshinder. In het dossier wordt verduidelijkt welke maatregelen zullen genomen worden om geur en geluid te beperken. In het advies van LNE-milieuvergunningen wordt aangegeven dat de genomen maatregelen voldoende zullen zijn om de hinder voor de omgeving te beperken tot een aanvaardbaar niveau. In het aanvraagdossier wordt melding gemaakt van mogelijke trillingshinder door zwaar verkeer naar de werf. Dit betreft echter tijdelijke hinder ten gevolge van de oprichting van de installatie en geen blijvende milieuhinder door de exploitatie ervan. Er kan besloten worden dat de aanvraag een ruimtelijk beperkte impact heeft waardoor afgeweken kan worden van de bestemmingsvoorschriften en dat de aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening.’ Een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie met een maximale capaciteit van 405 IE kan aanzien worden als een handeling van algemeen belang met een ruimtelijk beperkte impact. De exploitatie is aldus vergunbaar met de bestemming (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied. Op basis van de gegevens in het dossier, de uitgebrachte adviezen en de verklaringen in de vergadering van de provinciale milieuvergunningscommissie dient te worden gesteld dat de exploitant de mogelijkheden tot een alternatieve locatie wel degelijk ten gronde heeft onderzocht. Ook de door beroeper voorgestelde locatie werd in deze overweging mee opgenomen. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de vergunningverlenende overheid in eerste instantie moet nagaan of de gevraagde milieuvergunning ruimtelijk en milieutechnisch aanvaardbaar is (wat in casu het geval is), en niet moet nagaan of eventuele alternatieven misschien niet beter zouden zijn. Voor zover als nodig wordt hierop toch kort ingegaan, gelet op de nadruk die de beroeper hierop legt. Bij de afweging werden voor elke locatie diverse locatiecriteria (de centrale ligging ten opzichte van de te saneren afvalwaters, de bereikbaarheid van de inplanting, het graviteitsprincipe en de afstand tot de woningen) geëvalueerd. De provinciale milieuvergunningscommissie had hieromtrent het volgende geconcludeerd: ‘Het standpunt van de beroeper dat de door hem voorgestelde locatie beter is, kan niet worden bijgetreden. Het terrein ligt weliswaar lager en verder van de woningen weg, wat volgens beroeper de visuele hinder ten goede VII-39.795-11/28 komt, maar de niet centrale ligging ten opzichte van de te saneren afvalwaters en de diepere ligging van het terrein zijn net tegenargumenten: om de hogere hellingsgraad te overbruggen zou moeten geïnvesteerd worden in meer en grotere pompstations om de KWZI operationeel te maken. Bovendien is het terrein al gedeeltelijk ingenomen door werken voor de verbreding van de Zwinnevaart en is het zonder bijkomende grote investering onvoldoende toegankelijk. Bovendien kunnen bij de voorgestelde installatie door het voorzien in een ruime buffer (60 m³) en het inzetten van wortelrietvelden, zowel de nabezinkingstanks als de installatie in zijn geheel, beperkt in omvang blijven. Door de voorgestelde landschappelijke integratie zal er geen visuele hinder optreden. Om al deze redenen wordt locatie 4 als beste locatie weerhouden.’ De beslissingstermijn werd met 30 dagen verlengd teneinde een grondige evaluatie hieromtrent te kunnen doorvoeren. Daartoe werd een uitgebreid plaatsbezoek uitgevoerd door de heer T. Vermeersch, deskundige gebiedswerking milieu en de heer W.Goffin, landschapsconsulent dienst minawa. Zij hebben voornamelijk de ruimtelijke, landschappelijke en toeristische inpassing van dergelijke KWZI bekeken en hebben daarbij gefocust op de voorkeurslocatie van de aanvrager en op de locatie die door de beroeper werd voorgesteld. Ook de locatie in woongebied (met landelijk karakter) werd in ogenschouw genomen. Concluderend werd tot volgende synthese besloten: - Locatie 4: lijkt meest geschikt; landschappelijk inpasbaar, lijkt op aanvaardbare afstand te liggen van woningen, (visuele) hinder valt te remediëren - Locatie 5: lijkt minst geschikt; landschappelijk en ruimtelijk minder goed gelegen, bovendien in zicht van een restaurant (toeristische/economische waarde wat in deze streek heel belangrijk is), landbouw-ontsluiting van resterend perceel minder okee - Locatie 5b: lijkt vanuit ruimtelijk oogpunt haalbaar, maar is landschappelijk en qua afstanden naar buren minder goed dan locatie 4, landbouw-ontsluiting van resterend perceel blijft mogelijk Dit betekent nogmaals een bevestiging dat het locatie-onderzoek wel degelijk grondig is gebeurd en dat de meest geschikte locatie weerhouden werd. Hierbij dient nogmaals herhaald dat de deputatie, als vergunningverlenende overheid gevat in fase van beroep, dergelijk onderzoek in feite niet hoeft te doen, maar in antwoord op het beroepsschrift alsnog dieper is ingegaan op dit aspect. Uit dit verder onderzoek is gebleken dat locatie 4 wel degelijk de meest geschikte locatie lijkt. Het advies van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar dat hierboven werd geciteerd en waarin geconcludeerd werd dat de aanvraag een ruimtelijk beperkte impact heeft waardoor wel degelijk kan afgeweken worden van de bestemmingsvoorschriften en dat de aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening, wordt bijgetreden. De deputatie maakt zich de hierboven gestelde ruimtelijke/stedenbouwkundige motivering eigen. De deputatie treedt ook de in de recent afgeleverde stedenbouwkundige vergunning gehanteerde stedenbouwkundige en landschappelijke argumentatie (en ook die van VII-39.795-12/28 stadsbestuur Damme) bij. Onderstaand wordt een milieutechnische overweging uitgevoerd voor het thans gevraagde. Lozing effluent De RWZI heeft een capaciteit van 450 IE (op basis van 60 g BZV/IE/dag). Het effluent dient te voldoen aan de lozingsvoorwaarden van Vlarem II, bijlage 5.3.1.c (lozing van stedelijk afvalwater van agglomeraties met minder dan 2000 IE): minimum- vermindering emissie- Parameter eenheid t.o.v. grenswaarde influentbelasting in %
(1)Biochemisch zuurstof- verbruik in 5 dagen bij 20°C mg/l 25 90 (BVZ520)
(2)Chemisch zuurstofverbruik mg/l 125 75 (CZV) 60 voor Totale agglomeraties hoeveelheid zwevende mg/l van minder dan 70 stoffen (ZS) 500 IE
(1)Vermindering ten opzichte van de vracht van het influent. Tenzij anders vermeld in de vergunning wordt het minimum percentage van vermindering bepaald op jaarbasis.
(2)Deze parameter kan door een ander worden vervangen (totaal organische koolstof (TOK) of totaal zuurstofverbruik (TZV)) indien er een verband kan worden gelegd tussen BZV en de vervangende parameter. Tenzij anders vermeld in de vergunning gelden voor inrichtingen, die definitief vergund worden na 1 januari 2004, zowel de concentratiewaarde als het minimum percentage van vermindering. Het effluent wordt geloosd via een niet geklasseerde waterloop en een waterloop 2de categorie in de Zwinnevaart. Dit betreft een waterloop van lste categorie met als kwaliteitsdoelstelling brakkepolderwaterloop. Alhoewel de lozing van het effluent in de ontvangende waterloop op de lozingsplaats een bijkomende belasting kan betekenen, zal het bouwen van de geplande KWZI een aanzienlijke verbetering opleveren ten opzichte van de bestaande toestand waarbij meer water ongezuiverd geloosd wordt via overstorten. Verschillende factoren hebben een invloed op de kwaliteit van het influentwater en bijgevolg ook op de effluentkwaliteit. Vermits het hier om een nieuwe inrichting gaat zijn er nog geen bemonsteringsresultaten van het aan te voeren afvalwater, waardoor moeilijk voorspeld kan worden welk zuiveringsrendement gehaald zal worden. De opgelegde concentraties voor het effluent zullen volgens de exploitant gehaald worden. Het is echter niet zeker of de verwijderingspercentages die in de vlaremvoorwaarden zijn vastgesteld haalbaar zijn. Overeenkomstig art. 5.3.1.3, §4 van Vlarem II kan worden afgeweken van de voorgeschreven minimum vermindering: ‘§
- Van de in §2 voorgeschreven minimum vermindering ten opzichte van de influentbelasting (in%) kan slechts worden afgeweken mits uitdrukkelijke toelating in de milieuvergunning’. De exploitant wenst een overgangsperiode van 3 jaar zodat tijdens deze VII-39.795-13/28 periode kan geëvalueerd worden welke percentages gehaald kunnen worden op basis van meetgegevens. Tijdens deze periode worden verwijderingspercentages voorgesteld die zeker gehaald zullen worden: - BZV: verwijderingspercentage > 80% - CZV: verwijderingspercentage > 60% - ZS: verwijderingspercentage > 65% Deze voorgestelde verminderingspercentages zijn aanvaardbaar. Daarnaast wordt er gevraagd om de debietsmeting uit te voeren op het influent in plaats van het effluent. In artikel 4.2.5.4.
- §1 van Vlarem II wordt gesteld: In toepassing van de bepalingen van artikel 62 van titel I van het VLAREM dienen met het oog op de controle op de naleving van de toepasselijke emissiegrenswaarden debietsevenredige 24-uurmonsters genomen op vaste plaatsen in de inlaat en in de afvoer van de behandelingsinstallatie. De registratie van de debietsmeting moet naast het ogenblikkelijk resultaat ook het uurdebiet en het 24-uurdebiet weergeven. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning moet het debiet van het effluentwater continu geregistreerd worden. Hierbij worden goede internationale laboratoriumpraktijken toegepast die gericht zijn op een zo gering mogelijke achteruitgang van het monster tussen de monsterneming en de analyse. Ongeacht wat ter zake in de milieuvergunning is opgelegd, moet geen enkele andere parameter dan het debiet continu worden bemonsterd noch gemeten. Op basis van studies voor gelijkaardige installaties van Aquafin kan gesteld worden dat het debiet van het influent nagenoeg gelijk is aan het debiet van het effluent. Ook deze gevraagde wijziging is aanvaardbaar. Geluidshinder De meest relevante geluidsbronnen zijn vallend water en mechanische apparaten. Om het risico voor geluidshinder te beperken worden de biorotoren en bijhorende motoren overkapt. Er is geen influentpomp aanwezig. De pomp voor het spuislib is ondergedompeld en dus geluidsarm. De overstorthoogtes zullen beperkt worden uitgevoerd om geluid van turbulent water minimaal te houden. De inrichting is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Volgende richtwaarden voor specifiek geluid zijn er van toepassing: 45-40-35 dB(A), voor respectievelijk de dag, ’s avonds en ’s nachts (Vlarem II bijlage 4.5.4). Het betreft een nieuwe inrichting waardoor deze richtwaarden met 5 dB(A) dienen verminderd te worden. Dezelfde richtwaarden zijn van toepassing op de dichtstbijzijnde woningen ten westen van de site gelegen in woongebied met landelijk karakter. Gelet op de afstand tot nabijgelegen woningen, de beperkte omvang van de waterzuiveringsinstallatie, het beperkt vermogen van de geluidsbronnen en de genomen maatregelen kan worden gesteld dat de geluidshinder tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau zal beperkt worden en dat voldaan kan worden aan de geluidsvoorwaarden conform Vlarem II. Lucht/geur De enige luchtemissies zijn stikstofgas en koolstofdioxide. Deze gassen zijn reukloos en onschadelijk. Er zullen geen aërosolen ontstaan bij de gekozen zuiveringstechniek. De mogelijke bronnen van geurhinder zijn de VII-39.795-14/28 voorbezinktank, de biorotoren en de slibopslag. Elk van deze onderdelen zullen afgedekt zijn. In het dossier staat ook aangegeven dat de KWZI van het type laagbelast actief slibsysteem is, waardoor geurhinder minimaal zal zijn ten gevolge van de verregaande slibmineralisatie. Gelet op gelijkaardige installaties kan verwacht worden dat de geur beperkt zal zijn tot maximaal de terreingrenzen. Daarenboven zijn de woningen in een gunstige windrichting gelegen. Er wordt geen onaanvaardbare geurhinder verwacht. In het aanvraagdossier wordt vermeld dat er maatregelen getroffen worden om eventuele uitvoering van curatieve geurhinderbestrijdingsmaatregelen in exploitatiefase te vereenvoudigen. Dit wordt door de exploitante in de provinciale milieuvergunningscommissie bevestigd. In de verleende vergunning werd ook volgende bijzondere voorwaarde opgenomen: ‘Eventuele geurhinder moet opgevolgd worden en ingeperkt door curatieve geurhinderbestrijdingsmaatregelen’. Bodem- en grondwaterverontreiniging Er is geen opslag van gevaarlijke producten. De betonbekkens zijn waterdicht uitgevoerd en de wortelzonerietvelden zijn uitgerust met een ondoorlaatbare folie. De zuiveringsinstallatie zal geen significant effect op bodem en grondwater genereren. Veiligheid De installatie wordt volledig ontoegankelijk gemaakt voor onbevoegden door een omheining en een afgesloten toegangspoort. Alle toegangen tot constructies zijn voorzien van afsluitbare inspectie- of toegangsluiken met valbeveiligingsroosters. Alle operatoren die ter plaatse komen hebben een specifieke cursus betreffende veiligheid gevolgd. Als de nodige voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen zal het veiligheidsrisico tot op een normaal niveau beperkt worden. Watertoets De inrichting bevindt zich in (mogelijk) overstromingsgevoelig gebied en is gesitueerd in het Bekken van de Brugse Polders. De betrokken percelen stromen af naar de Zwinnevaart. Al het hemelwater afkomstig van de verharde oppervlakten van de KWZI kan infiltreren in de ernaast gelegen zone op het terrein van de KWZI (onverharde ondergrond of in waterdoorlatende betonstraatstenen). Er wordt tevens een infiltratievoorziening gerealiseerd door de aanleg van twee wadi’s aan beide langszijden van de KWZI. Volgens de Gewestelijk Stedenbouwkundige Verordening moet de infiltratievoorziening een volume hebben van minimaal 10,275 m³. De infiltratievoorziening heeft een capaciteit van 31,5 m³, wat overeenstemt met een oppervlakte van 187 m². In het besluit van het CBS werd een watertoets opgenomen. De watertoets is uitgevoerd aan de hand van een beoordelingsschema van het Besluit van 20/07/2006 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets. De Zwinnevaart is een onbevaarbare waterloop van de eerste categorie die beheerd wordt door de VMM - Operationeel Waterbeheer, waaraan door het CBS advies werd gevraagd. Het advies luidt: ‘Voor dit project werd reeds eerder advies gevraagd aan de VMM. De plannen werden niet significant VII-39.795-15/28 gewijzigd. Er wordt daarnaast gevraagd aan de VMM om de effecten op het overstromingsregime te begroten. Gezien het beperkte debiet dat zal geloosd worden, verwachten we geen schadelijke effecten voor wat betreft het gewijzigde overstromingsregime. [...]. Gelet op de ligging van de inrichting en de voorzieningen m.b.t. hemelwater, wordt er geen bijkomende impact verwacht op de waterhuishouding, zodat kan geconcludeerd worden dat huidige aanvraag geen bijkomend schadelijk effect zal veroorzaken. Er kan gesteld worden dat het schadelijk effect van de grondwaterwinning op het milieu en op het grondwatersysteem beperkt is. Overwegende dat de elementen aangebracht door de aanvrager, gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie als volgt kunnen weergegeven worden: De voorgestelde locatie ligt op de plaats waar de verbreding van de Zwinnevaart zal plaatsvinden. Een tractor is niet te vergelijken met de opleggers waarmee het slib wordt afgevoerd. We zouden moeten investeren in een brug, dit is niet haalbaar. Er zijn ook fietsers in de zomer op de nabij gelegen fietspaden waarmee er rekening moet worden gehouden. De installatie op voorgesteld perceel kan door ideale hellingsgraad te beperken. Er moeten toch pompstations komen om hoogteverschillen op te vangen. De pompstations kunnen in grootte beperkt worden omdat de afstanden korter zijn. Elke installatie is anders, afhankelijk van het gebied. We kunnen indien nodig bijkomende maatregelen nemen. Overwegende dat deze elementen niets afdoen aan de hierboven vermelde overwegingen en vaststellingen; Overwegende dat de elementen aangebracht door de beroeper en zijn raadsman, gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie als volgt kunnen weergegeven worden: Het cruciaal punt is de haalbaarheidsstudie. Er werd een bijzondere procedure met projectvergadering gevolgd bij de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar. In zijn advies staat: ‘alle instanties zijn het er over eens dat de alternatieven beter uitgewerkt moeten worden.’ Het voorstel locatie 5 aan de Groene Wandeling is onderzocht, maar werd afgeketst, omdat deze locatie niet toegankelijk zou zijn. Op vandaag wordt er reeds op de locatie ontgonnen, ik kan dit aantonen aan de hand van foto’s. Er staat een tractor. Het terrein is dieper gelegen. Ik heb een installatie bezocht in Vlissegem. Aan de hand van foto’s kunnen we aantonen dat de installatie wel omvangrijk is. Er moeten sproeiers bijgeplaatst worden om de geurhinder te beperken voor de omgeving. Overwegende dat deze elementen niets afdoen aan de hierboven vermelde overwegingen en vaststellingen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van de gepaste milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; [...]”. VII-39.795-16/28 3.
- Op 17 februari 2017 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen de stedenbouwkundige vergunning van 13 februari 2015 voor de wegenis- en rioleringswerken. De procedure wordt hernomen, en op 20 april 2017 wordt er een nieuwe vergunning verleend. Deze wordt niet aangevochten. 3.
- Op 3 april 2018 verwerpt de RvVb het beroep tegen de stedenbouwkundige vergunning van 9 juni 2016 voor de KWZI. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van verzoeker
- Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), het gewestplan Brugge-Oostkust, de artikelen 4.4.7, § 2, en 5.6.7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, VCRO, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en “de beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht”. Het middel betreft de mogelijkheid, voorzien in artikel 5.6.7, § 1, VCRO, om een milieuvergunning te verlenen in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, indien zij hoofdzakelijk vergund is. Verzoeker betwist de volgens hem in de bestreden beslissing gehanteerde aanname dat de inrichting stedenbouwkundig vergunbaar was op grond van artikel 4.4.7, § 2, VCRO. Hij VII-39.795-17/28 betoogt dat de bestreden beslissing geen concrete beoordeling bevat aangaande de vraag of de “handelingen de grenzen van het ruimtelijk functioneren van het gebied en de omliggende gebieden niet overschrijden, aan de hand van de aard en de omvang van het project en het ruimtelijk bereik van de effecten van de handelingen”, zoals voorgeschreven in artikel 3, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 waarbij onder meer de handelingen worden aangewezen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, VCRO, zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 9 oktober
- Beoordeling
- Artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, VCRO in zijn historisch toepasselijke versie luidt: "§ 1 Een milieuvergunningsaanvraag kan gunstig geadviseerd worden en vergund worden in afwijking op de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden: 1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; 2° de inrichting is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, is hoofdzakelijk vergund. (...)" Uit de geest van deze bepaling volgt dat voor de toepassing ervan sprake is van een bestaande inrichting zodra een stedenbouwkundige vergunning is verleend voor haar installaties. Dat die stedenbouwkundige vergunning het voorwerp zou zijn van een vordering tot vernietiging voor de RvVb doet daaraan geen afbreuk. De nieuwe stedenbouwkundige vergunning voor het uitvoeren van wegenis- en rioleringswerken ten behoeve van de KWZI, die werd verleend nadat de door de GSA op 13 februari 2015 verleende stedenbouwkundige VII-39.795-18/28 vergunning door de RvVb op 20 april 2017 werd vernietigd, werd niet aangevochten. Op 9 juni 2016 heeft de GSA een stedenbouwkundige vergunning verleend voor de bouw van de eigenlijke waterzuiveringsinstallatie. Het door verzoeker ingediende beroep tegen die stedenbouwkundige vergunning werd door de RvVb op 3 april 2018 verworpen. De inrichting moet worden beschouwd als een bestaande inrichting. Ook bij het nemen van de thans bestreden beslissing, op 16 juli 2016, moest de gevraagde exploitatie beschouwd worden als een bestaande inrichting, en moest niet langer worden beoordeeld of deze stedenbouwkundig vergunbaar was. Verzoeker heeft geen belang bij een nietigverklaring op grond van het eerste middel. Tweede middel Standpunt van verzoeker
- In een tweede middel wordt eveneens de schending aangevoerd van de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit, het gewestplan Brugge-Oostkust, artikel 4.4.7, § 2, VCRO, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en van “de beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. de zorgvuldigheidsplicht, het redelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht”. Verzoeker betoogt dat de aangevraagde exploitatie is gelegen binnen landschappelijk waardevol agrarisch gebied en omwille van de openheid is aangeduid als een relictzone. Hij stelt dat met een relictzone, een gebied wordt bedoeld “waarvan de landschappelijke waarde door de eeuwen heen goed bewaard is gebleven”. Dat de Landschapsatlas een beleidsdocument is zonder verordenende kracht betekent volgens hem niet dat een zorgvuldige overheid er geen rekening mee dient te houden. Toch ontbreekt in de bestreden beslissing “elk formeel motief aangaande de situering in relictzone”. VII-39.795-19/28 De gevraagde exploitatie zou ook gedeeltelijk in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied komen, waarvoor de bestemmingsvoorschriften gelden uit de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit. Verzoeker vervolgt dat de afwijkingsregeling van artikel 4.4.7, § 2, VCRO, geen afbreuk doet aan de verplichting tot uitdrukkelijke motivering betreffende de verenigbaarheid van de constructies met de schoonheidswaarde van het landschap. Verzoeker wijst ten slotte op wat volgens hem een tegenstrijdigheid is in het advies van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, dat de verwerende partij uitdrukkelijk als motivering van haar beslissing overneemt: enerzijds wordt in dit advies verwezen naar “de ligging op ruime afstand van de nabijgelegen woningen” en wordt er op gewezen dat er voor de plaats van de aanvraag toch een tussenruimte is van ongeveer 50 meter met “de dichtstbijgelegen woning”, terwijl anderzijds wordt voorgehouden dat “de waterzuiveringsinstallatie is voorzien op een goed gekozen locatie nabij woonzone en geïntegreerd in het open landschap met riet- en knotwilgaanplanting”, dat “de door Aquafin voorgestelde locatie, gekozen op basis van het uitgevoerde alternatievenonderzoek, (aansluit) bij de woningen langs de Eienbroekstraat”, en dat op die manier de open ruimte zoveel als mogelijk wordt gevrijwaard. Daarmee is de bestreden beslissing volgens verzoeker intern tegenstrijdig.
- In zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat de visie als zou er geen betekenisvolle impact te verwachten vallen van de exploitatie die nog niet gegenereerd wordt door de oprichting van de kwestieuze constructie, geen afbreuk doet aan het feit dat de motiveringsplicht werd miskend. Hij wijst eveneens op arrest nr. 145/2019 van het Grondwettelijk Hof van 17 oktober 2019, waarin de noodzaak wordt onderschreven van het doorvoeren van een strikte toetsing aan het planologisch en esthetisch criterium, door de vernietiging van het ingevoegde artikel 5.7.1 VCRO, dat hierop een aanzienlijke versoepeling vormde. VII-39.795-20/28 Beoordeling
- Het middel stemt in grote mate overeen met het door verzoeker in zijn beroep tegen de stedenbouwkundige vergunning van 9 juni 2016 aangevoerde tweede middel. Het enige relevante verschil bestaat in het aanvoeren van de tegenstrijdigheid in de motivering. De RvVb heeft de argumentatie van verzoeker verworpen. Gelet op de aard van de inrichting lijkt de exploitatie ervan geen betekenisvolle andere ruimtelijke en esthetische impact te kunnen hebben dan de aanwezigheid van de installaties reeds heeft. De Raad van State ziet in het verzoekschrift geen reden om de door de RvVb onderzochte argumenten anders te beoordelen nu ze gericht zijn tegen de milieuvergunning. Wat in het verzoekschrift een tegenstrijdigheid in de motivering wordt genoemd, heet in de bestreden beslissing een noodzakelijke afweging bij het zoeken naar een evenwicht tussen het vrijwaren van de open ruimte en het beperken van de hinder voor de omwonenden. Het is niet omdat door dergelijke afweging de onderscheiden problemen elk op zich beschouwd niet de best mogelijke oplossing krijgen, dat het beoogde evenwicht meteen onaanvaardbaar zou zijn, laat staan onwettig. Wat dat betreft voegt verzoeker niets toe aan wat reeds door de RvVb werd beoordeeld. Verzoekers verwijzing naar arrest nr. 145/2009 van het Grondwettelijk Hof van 17 oktober 2019, verandert hieraan niets. Het tweede middel is niet gegrond. VII-39.795-21/28 Derde middel Standpunt van verzoeker
- In het derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 17, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de artikelen 1.1.4, 4.3.1, en 4.4.7, § 2, VCRO, de artikelen 21, § 2; 2°; 25, 2°; en 50, 3°, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en “de beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel”. Verzoeker stelt dat de vergunningverlenende overheid zich steevast beroept op het oogmerk van algemeen belang van de rioolwaterzuiveringsinstallatie en nalaat om op een deugdelijke manier de overeenstemming van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening en de goede plaatselijke aanleg te toetsen. De overheid die een milieuvergunning verleent, moet nochtans nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, en zowel artikel 4.4.7, § 2, als de artikelen 1.1.4, 4.3.1, §§ 1 en 2, VCRO, verplichten om een aanvraag steeds te screenen op zijn overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening en om de ruimtelijke impact na te gaan. Daarbij moeten onder meer de diverse hinderaspecten, de functionele inpasbaarheid van het project, de visueel-vormelijke elementen, en het ruimtegebruik in ogenschouw worden genomen. Ook bepaalt artikel 5.6.7 VCRO, samengelezen met artikel 4.3.2 van dezelfde codex, dat een milieuvergunning wegens onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening dient te worden geweigerd. Verzoeker licht toe dat de artikelen 21, § 2, 2°, en 25, 2°, van Vlarem I een afdoende stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag vereisen die moet worden onderscheiden van de beoordeling van de vergunningsaanvraag uit milieuhygiënisch oogpunt en dat VII-39.795-22/28 motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting niet zonder meer aantonen dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, waarbij in de eerste plaats rekening gehouden moet worden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Verzoeker wijst erop dat artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, VCRO bovendien bepaalt dat een milieuvergunningsaanvraag slechts kan worden vergund in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan de in die bepaling genoemde voorwaarden dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad en dat de inrichting stedenbouwkundig vergunbaar is in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het om een bestaande inrichting gaat, hoofdzakelijk vergund is. In een eerste onderdeel oefent verzoeker kritiek uit op de beoordeling van de visuele hinder, en stelt hij dat deze hinder zou geminimaliseerd worden. In een tweede onderdeel betoogt verzoeker in essentie dat ook het nieuwe alternatievenonderzoek gebrekkig is, daarbij verwijzend naar artikel 1.1.4 VCRO. Beoordeling
- Het derde middel verschilt slechts van het derde middel dat voor de RvVb werd aangevoerd door de toevoeging van wettelijke bepalingen inzake adviesverlening en formele motivering in de milieuvergunningsprocedure. Wat de rechtsnormen betreft waarover advies moest worden verleend, en waarvan de beoordeling moet kunnen worden begrepen uit de formele motivering, stemmen de middelen in beide beroepen in wezen overeen, zonder dat de verschillen in voorwerp en finaliteit van de twee vergunningen daarin worden onderkend. De RvVb heeft de argumentatie in het voor hem aangevoerde derde middel verworpen. Gelet op de aard van de inrichting blijkt de exploitatie ervan geen betekenisvol andere ruimtelijke impact te kunnen hebben dan de aanwezigheid van de installaties reeds heeft. Verzoeker voert geen argumenten aan VII-39.795-23/28 om de door de RvVb onderzochte argumenten anders te laten beoordelen nu ze gericht zijn tegen de milieuvergunning. Het derde middel is niet gegrond. Vierde middel Standpunt van verzoeker
- In een vierde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 4.3.1 en 4.3.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: milieubeleidsdecreet), de artikelen 2, 30° en 36ter, §§ 3 en 4, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet), artikel 6, lid 3, van de richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 van de Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: habitatrichtlijn), het voorzorgs- en standstillbeginsel vervat in artikel 1.2.1, § 2, van het milieubeleidsdecreet, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, als beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker argumenteert dat bij een vergunning voor de inplanting van een KWZI gelegen te midden van het Vogelrichtlijngebied “Poldercomplex”, dat een speciale beschermingszone (hierna : SBZ) vormt, volgens artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet voor een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, een passende beoordeling vereist is wat betreft de betekenisvolle effecten voor de betrokken SBZ. Er is volgens hem niet aangetoond dat de bestaande natuurwaarden met voorliggende aanvraag niet worden geschaad en dat de werken geen betekenisvolle aantasting voor de instandhoudingsdoelstellingen van de SBZ betekenen, minstens is er volgens hem VII-39.795-24/28 geen motivering opgenomen in de bestreden beslissing dienaangaande, of voldoet die niet aan de vereisten gesteld aan een motivering door verwijzing. Hij betoogt dat er in de bestreden beslissing klaarblijkelijk wordt verwezen naar een advies dat door de afdeling Milieuvergunningen werd ingewonnen bij het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna : ANB) zonder dat in de bestreden beslissing, laat staan in het advies van de afdeling Milieuvergunningen wordt verwezen naar de inhoud van dit subadvies. Bovendien kan volgens hem met de inhoud van dit subadvies bezwaarlijk rekening worden gehouden, nu het dateert van 23 mei 2014 en aldus klaarblijkelijk betrekking heeft op de inmiddels vernietigde stedenbouwkundige vergunning van 3 november 2014, maar niet op de huidige vergunningsaanvraag. Voorts is de motivering van het advies van de afdeling Milieuvergunningen, dat op zijn beurt verwijst naar het subadvies van ANB, op dit punt niet afdoende te noemen. Ook wordt nergens gemotiveerd in hoeverre het eerdere advies wordt beïnvloed door de huidige configuratie van de waterzuiveringsinstallatie, respectievelijk door de wijzigingen aangebracht aan de eerste vergunningsaanvraag. Tot slot wordt in de bestreden beslissing niet gemotiveerd welke concrete bestaande natuurwaarden in het kader van de passende beoordeling worden weerhouden, laat staan op basis waarvan men van oordeel is dat deze met voorliggende aanvraag niet worden geschaad. Beoordeling
- In de bestreden beslissing wordt gesteld dat er een passende beoordeling is opgemaakt en dat door LNE-milieuvergunningen een subadvies werd gevraagd aan het ANB, dat op 23 mei 2004 een positief advies verleende. Anders dan bij de stedenbouwkundige vergunning, waar een eigen onderzoek en motivering werd toegevoegd wat betreft de passende beoordeling, kan er voor de milieuvergunning bezwaarlijk worden besloten dat zij een afdoende motivering bevat aangaande de voorwaarde van artikel 36ter, § 4, van het natuurbehouddecreet dat de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale VII-39.795-25/28 beschermingszone kan veroorzaken. De passende beoordeling maakt geen deel uit van het administratief dossier. De vaststelling dat er in de bestreden beslissing geen afdoende motivering is uitgedrukt aangaande de voorwaarde van artikel 36ter, § 4, van het natuurbehouddecreet die inhoudt dat de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken SBZ kan veroorzaken, leidt evenwel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Gelet op de beperkte omvang van de inrichting, haar ligging aansluitend bij de kleine woonkern, en haar specifieke aard, blijkt niet hoe zij een probleem kan vormen voor deze SBZ die een oppervlakte heeft van 9766 hectare en die zeer belangrijk wordt genoemd net omwille van de aanwezigheid van watervogels. Verzoeker zelf heeft in zijn bestuurlijk beroep in dit verband geen probleem onder de aandacht gebracht van de verwerende partij, en heeft de ligging in de SBZ zelfs niet eenvoudig vermeld. Hij beroept zich op algemene wijze op regelgeving die specifiek bedoeld is om de natuurwaarden van de SBZ te beschermen. De door hem nagestreefde vernietiging van de milieuvergunning zou er toe leiden dat onder meer zijn eigen afvalwater verder ongezuiverd zou worden geloosd in die SBZ. Vernietiging op grond van het vierde middel zou afbreuk doen aan de bescherming die door deze regelgeving wordt beoogd. Het middel kan niet tot nietigverklaring leiden. Vijfde middel Standpunt van verzoeker
- In het vijfde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 30bis, 43, § 2, en 50, 3° van Vlarem I, artikel 4.1.3.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen VII-39.795-26/28 inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), de materiële- en de formelemotiveringsplicht, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, en van het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het voorzorgsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker betoogt dat de vergunningverlenende overheid er dient over te waken dat de vergunning voorwaarden bevat die garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen van Vlarem I en II. Tevens moet de exploitant als een normaal zorgvuldig persoon alle maatregelen treffen opdat hij bij de exploitatie van de inrichting de buurt niet zou hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen en licht. Te dezen blijkt evenwel niet uit de bestreden beslissing dat aan deze twee voorwaarden is voldaan. Hij bekritiseert in het bijzonder de beoordeling inzake geur- en geluidshinder. Beoordeling
- In zijn bestuurlijk beroep heeft verzoeker “procedurele bezwaren” aangebracht, bezwaren inzake de goede ruimtelijk ordening, en milieutechnische bezwaren. Wat mogelijke geluidshinder en geurhinder betreft, waar het in dit middel om gaat, werd in het beroepsschrift, onder het luik milieutechnische bezwaren, enkel zijdelings opgemerkt dat “de mechanische apparaten, de elektromotoren en de turbulentie van water (overstorten) geluidshinder” genereren, en dat “de exploitatie van een rioolwaterzuiveringsinstallatie steeds gepaard (gaat) met geurhinder”. Verzoeker maakt niet concreet aannemelijk dat er een reëel risico bestaat op geluids- of geurhinder die de perken van wat aanvaardbaar mag worden geacht te buiten zou gaan of die niet zou voldoen aan welbepaalde voorwaarden gesteld door Vlarem I of II. Het aanvraagdossier bevat nochtans heel wat technische gegevens over de onderdelen van de installatie. De adviesverleners VII-39.795-27/28 van hun kant hebben geen problemen gesignaleerd wat deze vormen van mogelijke hinder betreft, en verzoeker spreekt hun bevindingen niet tegen. Het vijfde middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken op vijfentwintig juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.795-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.905 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div