id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.906 Rolnummer: A. 222273/VII-39999 Zaak: Arrest 247906 - Milieuvergunningen - 25/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-25 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:35 Fiche Arrest nr 247.906 van 25 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.906 van 25 juni 2020 in de zaak A. 222.273/VII-39.999 In zake : Wim HEETHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 178 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- de NV EQUILIS
- de NV NOUVEAUX ENTREPÔTS ET GARAGES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Scholasse kantoor houdend te 1300 Waver Chemin du Stocquoy 1-3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 20 april 2017 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het Milieucollege van 4 maart 2013, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Docks Bruxsel voor de uitbating van de ingedeelde inrichtingen van het complex van grote speciaalzaken en ambachtelijke activiteiten, gelegen aan de Werkhuizenkaai 158-163 te Brussel, ongegrond worden verklaard. VII-39.999-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 16 augustus
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Auditeur Jonas Riemslagh heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jorren Garrez, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor verzoeker, advocaat Ivan-Serge Brouhns, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaten Aurélie Trigaux en Morgane Crispin, die loco advocaat Michel Scholasse verschijnen voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Jonas Riemslagh heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-39.999-2/9 III. Feiten 3.
- De tussenkomende partijen zijn initiatiefnemers van een project dat bestaat in de bouw en uitbating van een commercieel centrum aan de Werkhuizenkaai te Brussel, ter hoogte van de Van Praet-brug over het kanaal. Het project was eerst bekend onder de benaming “Just Under The Sky”, maar kreeg nadien de naam “Docks Bruxsel”. 3.
- De woning van verzoeker bevindt zich aan de Lambermontlaan 94 in Brussel, op ongeveer één kilometer van het voormelde project. 3.
- Het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel verleent op 19 juli 2012 een stedenbouwkundige vergunning voor het voormelde project. 3.
- Onder meer verzoeker vordert de nietigverklaring van die vergunning. Zijn beroep wordt bij arrest van de Raad van State nr. 239.346 van 11 oktober 2017 verworpen. Andere beroepen tegen de vergunning worden met arresten nrs. 226.145 van 21 januari 2014 en 239.347 van 11 oktober 2017 verworpen. 3.
- In april 2014 dient onder meer de tweede tussenkomende partij een aanvraag in tot wijziging van de voormelde stedenbouwkundige vergunning. Met de wijzigingsaanvraag worden een aantal bijsturingen van het project beoogd. Daarbij worden onder andere de inplanting, de indeling, de vormgeving, de gevels en de functie van de verschillende onderdelen van het project op meerdere punten aangepast. Ook wordt de ondergrondse parkeercapaciteit met 49 plaatsen verhoogd. Met een besluit van 17 december 2015 verleent de gemachtigde ambtenaar van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. Het beroep van verzoeker tegen deze vergunning wordt bij arrest van de Raad van State nr. 240.698 van 9 februari 2018 verworpen. VII-39.999-3/9 3.
- Met een besluit van 20 juni 2013 verleent de Brusselse Hoofdstedelijke regering een milieuvergunning voor de uitbating van het kwestieuze complex. Verzoeker tekent beroep aan tegen deze beslissing. De Brusselse Hoofdstedelijke regering trekt deze vergunning evenwel in op 2 juli 2015 en verleent diezelfde dag nog een nieuwe milieuvergunning. Opnieuw tekent verzoeker beroep aan. De Brusselse Hoofdstedelijke regering trekt ook die milieuvergunning, met een besluit van 20 april 2017, in en verleent diezelfde dag een nieuwe milieuvergunning. Dit is de thans bestreden beslissing. 3.
- Het beroep dat verzoeker tegen de ingetrokken milieuvergunning van 2 juli 2015 heeft ingesteld, wordt bij arrest van de Raad van State nr. 238.452 van 8 juni 2017 zonder voorwerp bevonden en verworpen. 3.
- De tweede tussenkomende partij vraagt op 23 juli 2012 de socio-economische vergunning aan. Het dossier wordt door het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie (hierna: NSECD) op 26 juli 2012 volledig beschouwd en op 12 september 2012 wordt door het NSECD een ongunstig advies over de aanvraag uitgebracht. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel neemt geen beslissing over de aanvraag binnen de termijn bepaald in artikel 8, § 2, van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, die afloopt op 21 november 2012, waardoor de beslissing geacht wordt gunstig te zijn. 3.9 Tegen de stilzwijgende gunstige beslissing wordt beroep ingesteld door minstens zeven leden van het NSECD. Vervolgens verleent het Interministerieel Comité voor de Distributie (hierna: ICD) op 7 januari 2013 de socio-economische vergunning voor het kwestieuze complex. VII-39.999-4/9 Deze vergunning wordt bij arrest van de Raad van State nr. 230.271 van 24 februari 2015 vernietigd. 3.
- Sinds 1 juli 2014 behoort de vergunning van handelsvestigingen tot de bevoegdheden van de gewesten. Op 9 april 2015 heeft het ICD van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een nieuwe socio-economische vergunning verleend, waartegen verzoeker beroep heeft ingesteld. 3.
- Deze vergunning wordt met een besluit van 9 januari 2017 ingetrokken en diezelfde dag verleent het ICD een nieuwe socio-economische vergunning. 3.
- Verzoeker tekent tegen deze beslissing eveneens beroep aan bij de Raad van State. Bij arrest nr. 247.377 van 8 april 2020 verwerpt de Raad het beroep als onontvankelijk. IV. Ontvankelijkheid Standpunten van de partijen
- Verzoeker wijst ter staving van zijn belang naar het gegeven dat hij in de buurt van het project (in de Lambertmontlaan, “op ongeveer 950 meter”) woont, en stelt dat zijn rustig woongenot wordt aangetast. In het bijzonder stelt hij hinder te ondervinden van het verkeer dat door het project wordt gegenereerd. Enerzijds verwijst hij daarbij naar de parkeerdruk, die in de omgeving drastisch zou toenemen, mede gelet op het volgens hem te geringe aantal parkeerplaatsen dat in de parking op de site is voorzien. Anderzijds voert hij een toegenomen verkeersoverlast in de omgeving aan, als gevolg van zowel de talrijke bezoekers als de vrachtwagens die voor de bevoorrading van het winkelcentrum zorgen. Hij gewaagt daarbij van overlast die de vorm aanneemt van lawaai en stank, toenemende files en verkeersonveiligheid, en de toename van “fijn stof en andere VII-39.999-5/9 polluenten” die het leefklimaat aantasten. Ter staving van de verkeersgevolgen verwijst verzoeker naar het aanvraagdossier van de socio-economische vergunning. Hij wijst er tot slot op dat zijn belang werd aanvaard in het kader van zijn beroep tegen de socio-economische vergunning van 7 januari 2013 en in bepaalde auditoraatsverslagen.
- De verwerende partij werpt als exceptie het gebrek aan belang van verzoeker op. Zij betwist onder meer dat verzoeker van de vergunde inrichting hinder zou ondervinden. Zij betwist dat hij in de nabijheid van het project woont en stelt dat het louter “in de nabijheid wonen” er niet automatisch toe leidt dat verzoeker belang heeft bij het beroep. Hoe dan ook laat verzoeker volgens haar na om aan te tonen op welke wijze hij concreet hinder zou ondervinden. Zij verwijst naar het project-MER, waarin de impact inzake de mobiliteit grondig is geanalyseerd volgens hetwelk zelfs uitgaande van “worst-case-scenario’s” er geen verhoging van het verkeer op de Lambermontlaan zou zijn, onder meer “gezien de capaciteitslimiet van de knooppunten […] is bereikt”. De verwerende partij merkt op dat verzoeker loutere beweringen aanvoert inzake de verkeershinder en parkeerdruk, maar dat het project sinds oktober 2016 effectief wordt uitgebaat en dat de door verzoeker gevreesde negatieve effecten ook effectief zouden kunnen worden aangetoond. Verzoeker beperkt zich volgens haar tot loutere veronderstellingen en voert ter zake geen concrete, laat staan bewezen, hinder aan.
- Ook de tussenkomende partijen betwisten verzoekers belang bij het beroep. Zij wijzen erop dat verzoeker op ongeveer één kilometer afstand van het project woont en dat het aan hem is om aan te tonen dat hij ondanks die afstand in zijn onmiddellijke omgeving hinder ondervindt. Aangezien het winkelcentrum reeds enkele maanden actief was op het ogenblik dat het beroep werd ingesteld, moet dat volgens hen aan de hand van concrete feiten en gegevens gebeuren. De tussenkomende partijen verwijzen naar het “mobiliteitsrapport” van 3 januari 2017, waarnaar wordt verwezen in de bestreden beslissing en dat op empirische gegevens is gesteund. Daaruit blijkt dat er ter hoogte van de woning van verzoeker geen bijkomende files zijn. Evenmin zijn er op die plaats parkeerproblemen vastgesteld. Volgens de tussenkomende partijen blijkt er ook de juistheid van de VII-39.999-6/9 “maximalistische benadering” in de effectenstudie uit. Zij stellen verder dat verzoeker foutieve conclusies uit de effectenstudie over de impact op het verkeer in de Lambermontlaan trekt en wijzen erop dat deze straat hoe dan ook sinds lang een belangrijke verkeersas is, en dat de verkeersgenererende impact van het project op de Van Praet-brug en de Lambermontlaan beperkt is tot een gebied waar verzoekers woning buiten valt. Zij verwijzen naar de effectenstudie waarin werd gesteld dat weinig of geen extra verkeer op de Lambermontlaan verwacht wordt, net omdat deze aan de grenzen van zijn capaciteit zit en de bezoekers van het winkelcentrum andere routes zouden kiezen. Wat de parkeerproblematiek betreft, stellen de tussenkomende partijen dat dit een loutere bewering van verzoeker betreft, die wordt tegengesproken door het rapport van 3 januari 2017, waaruit blijkt dat het autogebruik door bezoekers binnen de perken blijft. Bovendien beschikt verzoeker over een garage en een oprit, waardoor hij minstens twee voertuigen kan stallen.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker zich met betrekking tot de beoordeling van de ontvankelijkheid van zijn beroep naar de wijsheid van de Raad van State te gedragen. Beoordeling
- Verzoeker woont aan de Lambermontlaan, in het verlengde van de Van Praet-brug, op ongeveer één kilometer afstand van de projectsite. Als gevolg van de reële uitbating van het winkelcentrum sedert 20 oktober 2016 is twijfel over verzoekers belang mogelijk. Nu de verwerende partij en de tussenkomende partijen dit ook aanvoeren, staat het aan verzoeker om de concrete bevindingen ter zake te weerleggen. In de nota van 3 januari 2017 van het studiebureau Aries wordt met betrekking tot het verkeer onder meer geconcludeerd dat het niveau van de files aan de Van Praet-brug en in de Van Praet-tunnel van gelijkaardige grootte is als voor de opening, en dat er geen toename van de file als gevolg van Docks VII-39.999-7/9 Bruxsel ter hoogte van verzoekers woning is vastgesteld. Uit die nota kan tevens worden afgeleid dat kort na de opening van het complex het effectieve aantal verkeersbewegingen aanzienlijk lager lag dan in de effectenstudie werd vooropgesteld. Wat de parkeerproblematiek betreft, wordt in het mobiliteitsverslag voor het jaar 2018 geconcludeerd dat de parking voldoende groot is. Inzake het parkeren op de openbare weg wordt een gebied geanalyseerd met het parkeeraanbod op ongeveer tien minuten wandelafstand en waar de woning van verzoeker buiten valt. Binnen dat gebied is de bezettingsgraad van de parkeerplaatsen op straat stabiel tot licht dalend. De gevallen van wildparkeren lijken beperkt te zijn tot de onmiddellijke omgeving van het project. Wat het gegenereerde verkeer betreft, blijkt uit tellingen met behulp van camera’s dat het modale aandeel van de auto op 38 % ligt, wat dicht bij het aandeel van 37,7 % van het jaar voordien ligt. Verzoeker heeft de twijfel omtrent zijn actueel belang niet weggenomen. De excepties van de verwerende partij en de tussenkomende partijen zijn in de aangegeven mate gegrond. Het beroep is onontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-39.999-8/9 Dit arrest is uitgesproken op vijfentwintig juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.999-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.906 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div