id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.953 Rolnummer: A. 222495/VII-40027 Zaak: Arrest 247953 - Milieuvergunningen - 30/06/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-06-30 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 01:32 Fiche Arrest nr 247.953 van 30 juni 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Afstand Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.953 van 30 juni 2020 in de zaak A. 222.495/VII-40.027 In zake :
- de BVBA DRANKENHANDEL RAOUL GAGELMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Persoons kantoor houdend te 2000 Antwerpen Godefriduskaai 18, bus 62 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de CVBA TOP FOOD GROUP
- de BVBA HORECA TOTAAL BRUGGE
- de NV VANDAEL HORECA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Berchem Uitbreidingstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Tussenkomende partij: de NV SLIGRO-ISPC BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els Empereur kantoor houdend te 2018 Antwerpen Generaal Lemanstraat 67 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 6 april 2017 waarbij de bestuurlijke beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen VII-40.027-1/13 van 28 oktober 2016, houdende het verlenen aan de nv Sligro België van de milieuvergunning voor het exploiteren van een “distributiecentrum voor horeca”, gelegen te Antwerpen, Straatsburgdok-Zuidkaai, ongegrond worden verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 239.824 van 9 november 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De tweede, derde en vierde verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 maart
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de tweede, derde en vierde verzoekende partijen, adviseur Mark Michiels, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Olivier Drooghmans, die loco advocaat Els Empereur verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-40.027-2/13 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 5 augustus 2016 dient de nv Sligro België bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een nieuw “distributiecentrum voor horeca”, gelegen aan het Straatsburgdok - Zuidkaai te Antwerpen. Voordien verkreeg de aanvrager een ontheffing van de verplichting tot het opstellen van een milieueffectenrapport. Volgens het geldende gewestplan Antwerpen is de inrichting gelegen in een KMO-gebied en een reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied. 3.
- Bij besluit van 28 oktober 2016 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen de gevraagde milieuvergunning. 3.
- Tegen deze beslissing worden twee bestuurlijke beroepen ingediend bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 3.
- In het kader van de beroepsprocedure wordt advies uitgebracht door de afdeling Milieuvergunningen (ongunstig), de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar (ongunstig) en de Provinciale Milieuvergunningscommissie (gunstig). VII-40.027-3/13 3.
- Met het thans bestreden besluit van 6 april 2017 wijst de deputatie van de provincieraad van Antwerpen de ingediende beroepen als ongegrond af en bevestigt zij de in eerste aanleg genomen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen, mits het toevoegen van de bijzondere voorwaarde dat de “klantenzone [...] enkel toegankelijk [mag] zijn voor professionelen uit de horeca, dit wil zeggen voor klanten met een BTW-nummer”. IV. Afstand van het geding
- De eerste verzoekende partij deelt bij brief van 26 november 2018 aan de Raad van State mee dat zij afstand doet van haar beroep. V. Ontvankelijkheid van het beroep
- In het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt het belang van de tweede, derde en vierde verzoekende partij (hierna: verzoekende partijen) bij het annulatieberoep als volgt toegelicht: “[…]. Tweede verzoeker, de Top Food Group, is een koepelorganisatie met als leden de aankooporganisaties Interfrost Foodservice en Resto-Frit. Als belangenbehartiger van een aanzienlijk deel van de horecagroothandelaars op de Belgische markt, heeft ook tweede verzoeker een evident belang om het verzoekschrift in te dienen. […] Derde en vierde verzoekers zijn eveneens concurrenten van Sligro. Zij hebben een totaalaanbod voor horecazaken, dat volledig overlapt met het aanbod van Sligro. Zij ontplooien hun activiteiten (onder meer) op de Antwerpse markt, en zullen dus ernstige concurrentiële nadelen ondervinden ingevolge de komst van beursgenoteerde internationale speler op de markt. […]. Ten overvloede wensen verzoekers aan te stippen dat verwerende partij hun administratief beroep ontvankelijk heeft verklaard bij brief van 7 december 2016, hetgeen ook wordt bevestigd in de aanhef van de bestreden beslissing […]. Verwerende partij erkent in de bestreden beslissing uitdrukkelijk dat verzoekers de door artikel 49 Vlarem I vereiste hoedanigheid hebben om beroep aan te tekenen. De beroepen werden overigens ongegrond verklaard, hetgeen noodzakelijk veronderstelt dat zij eerst ontvankelijk werden bevonden. Bij gebrek aan ontvankelijk beroep is VII-40.027-4/13 er immers geen devolutieve werking en is de deputatie niet bevoegd om uitspraak te doen over het dossier. Ten tijde van het instellen van het administratief beroep bepaalden art. 24, § 1, 5° Milieuvergunningsdecreet en art. 49, § 1, 1e lid, 4° Vlarem I dat het administratief beroep tegen een door het schepencollege verleende milieuvergunning kon ingesteld worden door ‘elke natuurlijke en rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden’. Verwerende partij heeft dus bevestigd dat verzoekers hinder kunnen ondervinden ingevolge de vergunde exploitatie. In het kader van zijn marginaal wettigheidstoezicht kan Uw Raad slechts akte nemen van die beslissing, die geenszins onzorgvuldig of onjuist voorkomt. Minstens beschikken verzoekers over een voldoende procedureel belang om beroep in te stellen tegen de beslissing die hun administratief beroep ontvankelijk maar ongegrond verklaart. […]. Commercieel belang […] […]. Voor de andere verzoekende partijen spelen in de eerste plaats commerciële belangen. Zij verzetten zich tegen de oneerlijke concurrentie die voortvloeit uit de exploitatie van een concurrerend bedrijf waarvan de vergunningen niet op wettige wijze tot stand zijn gekomen. Zij hebben dus een rechtstreeks belang bij het beroep tegen de bestreden milieuvergunning. […]. Mogelijk zal in het kader van de procedure bij Uw Raad het belang van tweede, derde en vierde verzoekers plots betwist worden. Verzoekers wensen er om die reden reeds anticipatief op te wijzen dat een commercieel nadeel wel degelijk aanvaard wordt als rechtstreekse hinder in de zin art. 24, § 1, 5° Milieuvergunningsdecreet en art. 49, § 1, 1e lid, 4° Vlarem I. Op dat vlak kan verwezen worden naar de gezaghebbende rechtsleer en de rechtspraak van zowel de Raad van State als de Raad voor Vergunningsbetwistingen. […]. De exploitatie op grond van een mogelijk onwettige of onwenselijke vergunning berokkent de betrokkene immers onmiskenbaar een nadeel, zodat hij een perfect legitiem belang heeft wanneer hij dit nadeel wenst af te wenden. De wetgever maakt ter zake geen onderscheid […]. In diverse arresten heeft de Raad van State beroepen van ondernemingen tegen de vergunningen van hun concurrenten ontvankelijk verklaard (zie bv. RvS 13 november 2008, nr. 187.866, 16 maart 2009, nr. 191.451, 11 februari 2016, nr. é.798, Heytens). Ook in maart 2011 oordeelde de Raad van State nog dat een handelsbelang geen ongeoorloofd belang is en dat geen wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen verzet dat een verzoekende partij de rechtsmiddelen aanwendt die haar ter beschikking staan om haar zaak tegen concurrentie te beschermen (zie RvS 4 maart 2011, nr. 211.818, Buffel). Een beroep tot nietigverklaring gericht tegen een stedenbouwkundige vergunning voor een inrichting die dezelfde handelsactiviteiten als de verzoekende partij ontwikkelt en die is gelegen binnen een afstand waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hetzelfde cliënteel kan worden beoogd, kan als een zodanig rechtsmiddel VII-40.027-5/13 worden beschouwd […]. Ook de Raad voor Vergunningsbetwistingen aanvaardde in diverse arresten dat een commercieel belang volstaat in het kader van de (administratieve of jurisdictionele) beroepsprocedures inzake ruimtelijke ordening. Zo werd een commercieel belang in het arrest nr. A/2013/0456 van 6 augustus 2013 aanvaard, omdat de aantasting van deze belangen ook reeds aan bod was gekomen in de bezwaren tijdens het openbaar onderzoek (dat te dezen ten onrechte niet georganiseerd werd, cf. infra). In het arrest BVBA De Vuyst - Meiresonne, nr. A/2015/0380, 23 juni 2015, aanvaardt de Raad voor Vergunningsbetwistingen het belang van een distributeur van fruit en groenten tegen een groothandel voor horeca van de Metro-groep. De verzoekende partij steunt haar belang in de vernietigingsprocedure enerzijds op het feit dat de geplande winkel in de onmiddellijke nabijheid wordt opgericht van de vestiging waar zij een distributiecentrum uitbaat, en anderzijds op het argument dat de geplande winkel dezelfde klanten beoogt aan te trekken. De Raad meent dat dit voldoende is om het verzoek ontvankelijk te verklaren en bevestigt daarmee nogmaals dat een louter handelsbelang effectief een geoorloofd belang kan zijn om beroep in te stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen […]. […]. Redelijkerwijze kan niet ontkend worden dat verzoekers rechtstreekse hinder zullen ondervinden ingevolge de besteden beslissing. Zij tonen aan dat zij belangrijke concurrentiële druk zullen ondervinden van een beursgenoteerde keten, die bij de intrede op de Belgische markt zeker in een eerste fase en voor bepaalde productcategorieën een zeer agressieve prijzenpolitiek zal voeren […]. Zij hebben er dus een bewezen, objectief en legitiem belang bij te laten vaststellen door Uw Raad dat de beoogde vestiging van Sligro steunt op onwettige vergunningen. […]. In het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Verdrag van Aarhus en het EVRM. Het verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden geniet in de Belgische rechtsorde rechtstreekse werking (cf. GwH 30 maart 2010, nr. 30/2010), minstens moeten de bepalingen van het nationale recht worden uitgelegd in overeenstemming met de doelstellingen van dit verdrag (RvVb 6 september 2016, nr. RvVb/A/1617/0009, VZW ABLLO). Het verdrag werd bij Richtlijn 2005/370/EG ook geïncorporeerd in de Europese rechtsorde. Het Grondwettelijk Hof toetst de Belgische wetgeving aan de bepalingen van dit verdrag, voor zoveel als nodig in samenhang met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet […]. Art. 9.3 van het Verdrag van Aarhus regelt de toegang tot de rechter: ‘Aanvullend op en onverminderd de in het voorgaande eerste en tweede lid bedoelde herzieningsprocedures, waarborgt elke Partij dat leden van het publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu.’ VII-40.027-6/13 Het ‘betrokken publiek’ wordt in het verdrag zeer ruim omschreven als ‘het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn’. Uw Raad heeft uit deze bepaling in eerdere rechtspraak aangenomen dat ook milieuverenigingen toegang dienen te hebben tot de rechter (RvVb 11 oktober 2016, nr. RvVb/A/1617/0144, VZW Aktiekomitee Red de Voorkempen). Het Hof van Justitie heeft reeds geoordeeld dat de interne rechters ‘het nationale procesrecht en de voorwaarden voor het instellen van een bestuursrechtelijk beroep of beroep bij de rechter, zo veel mogelijk in overeenstemming met zowel de doelstellingen van artikel 9, lid 3, van dat Verdrag als de effectieve rechterlijke bescherming van de door het recht van de Unie verleende rechten uit te leggen, teneinde een [lid van het betrokken publiek] in staat te stellen, bij de rechter op te komen tegen een na een bestuursrechtelijke procedure gevolgde beslissing die in strijd zou kunnen zijn met het milieurecht van de Unie’ (HvJ nr. C-240/09, 8 maart 2011). De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft in eerdere rechtspraak aangenomen dat de bepalingen van de VCRO die de toegang tot de beroepsprocedures regelen in overeenstemming met het Verdrag van Aarhus gelezen moeten worden: ‘De voorbereidende werken bij geciteerd artikel 4.7.21, § 2 VCRO (memorie van toelichting, Vl. Parl., 2008-2009, stuk nr. 2011/1, 184; zie ook verslag, Vl. Parl., 2008-2009, stuk nr. 2011/6, 57) overwegen het volgende onder de titel ‘beroepsindieners’: ‘Een belangrijk principieel uitgangspunt is dat het administratief beroep (ook) openstaat voor derden-belanghebbenden ... De mogelijke beroepsindieners worden zeer duidelijk opgelijst … Het nieuwe artikel … moet worden gekaderd in artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus, volgens hetwelk de overheid dient te waarborgen dat burgers ‘wanneer zij voldoen aan de eventuele in het nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechterlijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu.’ In navolging van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van 25 juni 1998 heeft de decreetgever derhalve de verplichting op zich genomen om te waarborgen dat de toegang van burgers tot (onder meer) bestuursrechtelijke procedures wordt verzekerd, ingeval zij het met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig geacht handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties willen betwisten, mits zij voldoen aan de in het nationale recht neergelegde criteria. Deze criteria, met name in casu de criteria in de VCRO, mogen niet zodanig worden omschreven of uitgelegd dat zij de toegang van deze burgers tot bestuursrechtelijke procedures in de betreffende gevallen onmogelijk maken. Ze moeten integendeel worden uitgelegd in VII-40.027-7/13 overeenstemming met de doelstellingen van artikel 9.3 van het Verdrag van Aarhus.’ (RvVb 21 juni 2016, RvVb/A/1516/1271, 21 juni 2016; zie in dezelfde zin RvVb 28 februari 2017, RvVb/A/1617/0611, Demil e.a.). […]. Verder dient ook verwezen te worden naar het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door art. 6 EVRM, dat niet op onevenredige wijze beperkt mag worden, hetgeen het geval zou zijn wanneer het de betrokkene moeilijk of zelfs onmogelijk zou worden gemaakt om tijdig beroep in te stellen (cf. EHRM (2e afd.) nr. 49230/07, 24 februari 2009 (L'Erablière A.S.B.L. / België)). […]. Art. 24, § 1, 5° Milieuvergunningsdecreet, art. 49, § 1, 1e lid, 4° Vlarem I en art. 19, 1e lid van de Gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State (de wetsbepalingen die de toegang tot het administratief beroep en het beroep bij Uw Raad regelen) moeten dus gelezen worden in overeenstemming met het Verdrag van Aarhus en het EVRM. Bijgevolg dient noodzakelijk aangenomen te worden dat ook commerciële belangen een voldoende reden kunnen zijn om de herziening van een onwettige vergunning te vragen. […]. Ondergeschikt dient Uw Raad in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: ‘Schenden art. 24, § 1, 5° Milieuvergunningsdecreet en art. 19, 1e lid van de Gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 9 van het verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden en het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door art. 6 van het EVRM, in zoverre commerciële nadelen niet kunnen ingeroepen worden als voldoende benadeling, belang of hinder voor het instellen van een administratief beroep tegen een milieuvergunning, of een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen een milieuvergunningsbeslissing genomen in laatste administratieve aanleg?”.
- De tussenkomende partij werpt op dat de verzoekende partijen zich enkel beroepen op een commercieel belang dat geen verband houdt met de hinder die door de bestreden milieuvergunning zou kunnen worden teweeggebracht.
- In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat hun belang zonder enig voorbehoud werd aanvaard in het kader van de administratieve beroepsprocedure en dat de tussenkomende partij afstand heeft gedaan van het beroep tot nietigverklaring dat zij bij de Raad van State heeft ingesteld tegen de bestreden beslissing in zoverre de ingediende bestuurlijke VII-40.027-8/13 beroepen ontvankelijk zijn verklaard (zaak A. 222.497/VII-40.029), zodat zij thans geacht moet worden het belang van de verzoekende partijen bij die beroepen te erkennen.
- De verzoekende partijen laten in hun laatste memorie nog het volgende gelden: “[…] Uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoekers bijzonder zwaar getroffen worden door de opening van het zgn. distributiecentrum van eerste tussenkomende partij. Het betreft inderdaad in de eerste plaats concurrentiële nadelen die verzoekers ondervinden doordat zij beconcurreerd worden vanuit een winkel die niet steunt op rechtmatige vergunningen. Het ware onaanvaardbaar dat in een dergelijke omstandigheden, zeker bij een project dat onderworpen is aan de Europese Project-MER-Richtlijn, de toegang tot de beroepen (zowel administratief als jurisdictioneel) volledig afgesloten blijven. De decreetgever heeft inmiddels met betrekking tot de omgevingsvergunning in artikel 105 § 2 Omgevingsvergunningsdecreet bepaald dat een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen kan worden ingesteld door ‘het betrokken publiek’, i.e. ‘elke natuurlijke persoon of rechtspersoon alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn’. Aangezien de decreetgever het in het algemeen heeft over gevolgen die een natuurlijke persoon of rechtspersoon zou kunnen ondervinden ingevolge de afgifte van een vergunning, is er ook hier geen enkele reden om bepaalde gevolgen (commerciële of concurrentiële gevolgen) uit te sluiten. Artikel 57/1 Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt: […]. De decreetgever heeft in de parlementaire werken de volgende toelichting opgenomen bij dit artikel, dat ingevoegd werd met art. 44 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid: ‘Aan het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wordt een artikel 57/1 toegevoegd dat aangeeft dat beroepen over aanvragen die uitsluitend kleinhandelsactiviteiten omvatten en die louter gebaseerd zijn op economische criteria, onontvankelijk zijn. Als we deze bepaling niet opnemen, dan moeten dergelijke beroepen inhoudelijk behandeld worden. Door het devolutief karakter van het beroep moet de beroepsinstantie zich over de aanvraag uitspreken en niet enkel de beroepsargumenten behandelen. Het lijkt ongewenst dat dit gebeurt, in die gevallen dat de beroepsindiener enkel (door de Dienstenrichtlijn verboden) economische argumenten zoals schrik voor concurrentievervalsing en VII-40.027-9/13 dergelijke, aanhaalt in zijn beroepsschrift. Deze bepaling laat toe dergelijke beroepen binnen de dertig dagen als onontvankelijk af te wijzen. De beroepsprocedure kan op die manier niet door concurrenten gehanteerd worden om economische achterstand te veroorzaken bij de aanvrager van de vergunning door de vertraging die opgelopen wordt tijdens de beroepsprocedure. Daarenboven is het de bevoegde overheid verboden om een vergunning te beoordelen op basis van economische criteria, gehanteerd voor het behalen van economische doelstellingen. Door deze bepalingen in het decreet op te nemen, wordt gezorgd voor aansluiting bij de Europese Dienstenrichtlijn.’ (Parl St. Vl. Parl. 2015-2016, nr. 767/1, 81) De decreetgever geeft aldus aan dat een beroep afkomstig van een concurrent, en dus per hypothese gesteund op een economisch belang, wel degelijk ontvankelijk is, voor zover deze concurrent zijn beroep (lees: zijn grieven tegen het project) tenminste inhoudelijk niet (louter) steunt op economische (opportuniteits)argumenten. Indien een concurrent zich daarentegen beroept op legitieme wettigheidsbezwaren, waarbij hij ook een voldoende belang heeft (omdat de nietigverklaring hem een voordeel verschaft), is er geen reden om het beroep onontvankelijk te verklaren. […]. In hun cassatieberoep tegen het inmiddels reeds vernietigde arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 6 november 2018, hadden verzoekers het volgende middel ingeroepen: […]. […] […]. Verzoekers hernemen deze kritiek die mutatis mutandis van toepassing is op de hier in het geding zijnde bepalingen uit het oude Milieuvergunningsdecreet en de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State. Verzoekers volharden ook in de prejudiciële vraag, die nog niet eerder werd voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof”.
- De tussenkomende partij voegt in haar laatste memorie nog toe: “Verzoekende partijen verwijzen naar artikelen 105 § 2 en 57/1 van het Omgevingsvergunningsdecreet, maar gaan eraan voorbij dat het Omgevingsvergunningsdecreet niet van toepassing is in onderhavig beroep en bijgevolg irrelevant. Voorts werpen [zij] een nieuw middel op, zijnde een herneming van een middel van hun cassatieberoep tegen het arrest van de RvVb van 6 november 2018: […]. Het is vaststaande rechtspraak van uw Raad dat laatste memories geen nieuwe middelen of argumenten mogen bevatten die reeds eerder hadden kunnen worden opgeworpen of ontwikkeld (RvS 18 december 2003, nr. 126.554; RvS 21 maart 2002, nr. 104.999). Bijgevolg is dit middel onontvankelijk. […]”. VII-40.027-10/13 Beoordeling
- De tweede verzoekende partij zegt in het verzoekschrift dat zij optreedt als “koepelorganisatie” en als “belangenbehartiger van een aanzienlijk deel van de horecagroothandelaars op de Belgische mark”. De derde en de vierde verzoekende partij enten hun belang uitdrukkelijk op de “ernstige concurrentiële nadelen” die zij zouden ondervinden door “de komst van [een] beursgenoteerde internationale speler op de markt”.
- Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kunnen de annulatieberoepen voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. De verzoekende partij moet doen blijken van het rechtens vereiste, rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang bij de gevraagde vernietiging.
- Om belang te hebben bij het bestrijden van de aan de tussenkomende partij verleende milieuvergunning moeten de verzoekende partijen derhalve aantonen of minstens aannemelijk maken dat zij hinder of nadeel kunnen ondervinden door de vergunde exploitatie. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).
- De omstandigheid dat het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen tegen de in eerste aanleg genomen vergunningsbeslissing ontvankelijk werd bevonden, is niet relevant voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het annulatieberoep omdat de respectievelijke ontvankelijkheidsvoorwaarden niet dezelfde zijn en omdat de Raad van State in zijn beoordeling niet kan worden beperkt door een eerdere beslissing van een administratieve overheid. VII-40.027-11/13
- Een commercieel nadeel kan slechts in aanmerking worden genomen indien het rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeit uit de bestreden milieuvergunning voor de betrokken exploitatie. In dit geval stellen de verzoekende partijen op te komen voor “commerciële belangen”. Meer bepaald verzetten zij zich tegen “de oneerlijke concurrentie die voortvloeit uit de exploitatie van een concurrerend bedrijf waarvan de vergunningen niet op wettige wijze tot stand zijn gekomen”. Aldus beroepen de verzoekende partijen zich op een zuiver commercieel nadeel dat geen uitstaans heeft met de hinder die teweeggebracht wordt door de exploitatie van de handelszaak in kwestie in hun onmiddellijke omgeving. Voorts wordt vastgesteld dat de aangevoerde middelen geen schendingen van hun concurrentiepositie of handelsbelang betreffen maar uitsluitend ontleend zijn aan schendingen van de regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening en de stedenbouw en het leefmilieu. De middelen voeren aldus de schending van regels aan die uitsluitend in het leven zijn geroepen om belangen -in essentie de goede ruimtelijke ordening en een gezond leefmilieu- te beschermen die geheel vreemd zijn aan de commerciële belangen waarop de verzoekende partijen zich beroepen ter adstructie van de ontvankelijkheid van het annulatieberoep. In zoverre zijn die middelen, en derhalve ook het beroep zelf, bij gebrek aan het rechtens vereiste belang niet ontvankelijk.
- Voormelde beoordeling vormt geen belemmering voor het recht op toegang tot de Raad van State dat de wetgever met artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor ogen had, en schendt zodoende artikel 6, § 1, van het EVRM, noch artikel 9.3 van het verdrag van Aarhus dat luidens artikel 1 tot doel heeft bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, en met dat doel bepaalt dat “elke Partij” het recht waarborgt op onder meer “inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag”.
- Aangezien in randnummer 14 wordt besloten tot de onontvankelijkheid van alle middelen en derhalve ook van het beroep zelf, hoeft de VII-40.027-12/13 gesuggereerde prejudiciële vraag niet aan het Grondwettelijk Hof gesteld te worden. BESLISSING
- De Raad van State verleent akte van de afstand in hoofde van de eerste verzoekende partij.
- De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.600 euro, elk voor een vierde. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken op dertig juni tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.027-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.953 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.824 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div