← België

Arrest 247986 - Onteigeningen - 01/07/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.986 Rolnummer: A. 220882/X-16801 Zaak: Arrest 247986 - Onteigeningen - 01/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-10 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:31 Fiche Arrest nr 247.986 van 1 juli 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 247.986 van 1 juli 2020 in de zaak A. 220.882/X-16.801 In zake : Luc COPPENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Hillegem (Herzele) Dries 77 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Access Building Keizer Karellaan 586/9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 5 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 25 augustus 2016 van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw “waarbij de bouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur – volgens de bijgevoegde goedgekeurde grondinnemingsplannen nummers 22.376C/1/10-3-5.4/5 met revisie 16 van 17 mei 2016 en 22.376C/1/10-3-5.5/5 met revisie 15 van 26 januari 2016 en de bijbehorende goedgekeurde legende, plannummer 22.376C/1/10-3-3 met revisie X-16.801-1/14 15 van 26 januari 2016 van het project in het investerings-, optimalisatieprogramma 2010 bekend onder nummer 22376C bij VMM, Afdeling Economisch Toezicht, – onder, op of boven private onbebouwde gronden, die niet omsloten zijn met een muur of een omheining overeenkomstig de bouw- of stedenbouwverordeningen, gelegen op het grondgebied van de gemeente Lede, van openbaar nut wordt verklaard ten gunste van de nv Aquafin [...].” II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 237.337 van 10 februari 2017 is het verzoek tot tussenkomst van de nv Aquafin ingewilligd en is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Suttter heeft een verslag opgesteld. Verzoeker, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 juni
  3. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jürgen De Staercke, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Thomas Quintens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat X-16.801-2/14 Michael Eeckhout, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 7 januari 2020, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is onverdeeld eigenaar van de percelen gelegen te Lede, kadastraal gekend onder afdeling 1, sectie B, nrs. 368a en 368b. Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem zijn beide percelen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen. Een zuidelijke strook van 12,5 meter van het perceel nr. 368b is in woongebied gelegen. 3.
  6. De nv Aquafin kreeg van het Vlaamse Gewest de opdracht om het stedelijk afvalwater te zuiveren en daarvoor de nodige infrastructuur te beheren en op te richten. In het kader daarvan kreeg de nv Aquafin op 16 februari 2009 de opdracht om het optimalisatieprogramma 2010-2014, inzonderheid het project “22376: Lede: afkoppeling Stationstraat-Kasteel van Mesen-Vijver Nachtegaallaan” te realiseren. Dit project beoogt het regenwater af te koppelen van de bestaande rioleringsinfrastructuur en houdt onder meer in dat bestaande grachten worden geruimd en/of geherprofileerd. Voor verzoeker betekent dit dat op zijn percelen in een nieuwe gracht wordt voorzien. X-16.801-3/14 3.
  7. Op 10 februari 2016 dient de nv Aquafin een aanvraag in om de verklaring van openbaar nut voor de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de gemeente Lede te verkrijgen. 3.
  8. Tijdens het openbaar onderzoek, dat van 3 maart 2016 tot en met 4 april 2016 over de voormelde aanvraag wordt georganiseerd, worden drie bezwaarschriften ingediend, waaronder ook één door verzoeker. 3.
  9. Bij besluit van 25 augustus 2016 verleent de verwerende partij de gevraagde verklaring van openbaar nut. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  10. Bij besluit van 28 januari 2016 verleent de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar aan nv Aquafin een stedenbouwkundige vergunning voor de afkoppeling Stationstraat – Kasteel van Menen – Vijver Nachtegaallaan en sanering overstort Bosstraat. Die aanvraag heeft onder meer betrekking op de aanleg van de gracht die over verzoekers percelen zal lopen. Tegen deze vergunning werd geen beroep ingesteld bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
  11. Verzoeker roept in een eerste middel de schending in van “artikel 11 van de wet van 12 april 1965 ‘betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen’ [hierna: de gaswet]”. X-16.801-4/14 Hij zet uiteen dat op zijn perceel een open gracht met een breedte van 2 meter wordt aangelegd, waardoor het weiland in twee wordt opgesplitst en de achterste helft vanaf het voorliggend gedeelte “onbereikbaar wordt voor een normale landbouwexploitatie”. Hierdoor gaat de bestemming als landbouwgrond “verloren” en wordt een “normale landbouwexploitatie onmogelijk gemaakt”. 4.
  12. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de verwerende en de tussenkomende partij geenszins aantonen op welk “recht of welke titel” het door hen aangevoerde recht van doorgang zou gevestigd zijn. Aangezien de afkoppeling louter in functie van een visvijver gebeurt, die op privé-eigendom van een sociale huisvestingsmaatschappij is gelegen, is er volgens verzoeker sprake van een particuliere aansluiting. Zelfs indien op de constructies enig “doorgangsrecht” zou bestaan, is het volgens verzoeker duidelijk dat dit een precair karakter heeft. 4.
  13. In zijn laatste memorie doet verzoeker nog gelden dat “[a]angezien Aquafin [...] een openbaar rechtspersoon is, [...] de infrastructuur [...] onder het openbaar domein [ressorteert]”, en dat de kwestieuze constructie “op basis van een accessoir opstalrecht dat is gekoppeld aan de erfdienstbaarheid van openbaar nut, integraal eigendom is van Aquafin”. Beoordeling 5.
  14. Het toentertijd geldende artikel 11, eerste lid, van de gaswet luidt: “Het gebruik waartoe het openbaar of het privaat domein dat gedeeltelijk wordt bezet, is bestemd, moet worden geëerbiedigd. Deze bezetting brengt generlei bezitsberoving mee, maar vormt een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die elke daad verbiedt welke de gasvervoerinstallatie of de exploitatie ervan kan schaden.” 5.
  15. Blijkens de plannen bij de verklaring van openbaar nut behoudt verzoeker op twee plaatsen een recht van doorgang over de kwestieuze gracht, X-16.801-5/14 waardoor het nog steeds mogelijk is om het achterste deel van zijn weiland met landbouwvoertuigen te bereiken. Het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, mist feitelijke grondslag. Het betoog in verzoekers memorie van wederantwoord dat het recht van doorgang slechts “precair” is, kan geen bijval vinden. Dit recht is precies ten behoeve van verzoeker in de voormelde plannen opgenomen en is ten aanzien van de tussenkomende partij afdwingbaar. 5.
  16. Waar verzoeker eerst in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de kwestieuze afkoppeling louter in functie van een visvijver gebeurt en een particuliere aansluiting betreft, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. Uit de beoordeling van het tweede onderdeel van het derde middel hierna (randnummer 9.2.1), mag bovendien de ongegrondheid van dit standpunt blijken. 5.
  17. Het middel is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.
  18. Verzoeker roept in een tweede middel de schending in van “de formele motiveringsverplichting zoals o.m. vervat in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ [hierna: de motiveringswet] en in het beginsel van behoorlijk bestuur van de motiveringsplicht en van het verbod op rechtsmisbruik”. Uit de bestreden beslissing blijkt volgens verzoeker niet dat alle redelijke en haalbare mogelijkheden werden onderzocht, noch waarom de gekozen oplossing het meest aangewezen zou zijn. De bestreden beslissing erkent volgens hem zelfs expliciet dat op geen enkele wijze onderzocht is geweest in welke mate andere, minder schadelijke, oplossingen mogelijk waren. X-16.801-6/14 Verder is de motivering van het bestreden besluit intern tegenstrijdig. Er wordt immers, enerzijds, geponeerd dat alle redelijke maatregelen zullen worden getroffen om een normaal gebruik van de grond mogelijk te maken, terwijl, anderzijds, de gracht dermate wordt uitgewerkt dat een normaal gebruik van het weiland niet langer mogelijk is. 6.
  19. Verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat de vijver probleemloos met het overstort kan verbonden worden zonder de gracht dwars over zijn percelen te laten lopen. Wat de discussie over de onbereikbaarheid van het achtergelegen gedeelte van het weiland betreft, verwijst verzoeker naar het eerste middel. 6.
  20. Verzoeker stelt in zijn laatste memorie nog dat voor publiekrechtelijke erfdienstbaarheden sowieso een restrictieve interpretatie geldt en dat de bestreden beslissing expliciet erkent dat mogelijke alternatieven nooit in de beoordeling betrokken zijn geweest. Beoordeling 7.
  21. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de keuze voor het kwestieuze tracé van de gracht is ingegeven door concrete motieven, waaronder de aanwezigheid van geplande tuinen: “Overwegende dat tijdens de onderhandelingsfase voor de aanleg van de gracht in de Zwaluwstraat bleek dat een deel van het weiland boven de grens woongebied/landschappelijk waardevolle gebieden in een latere fase als tuin wordt aangewend; dat vandaar geopteerd wordt om de nieuwe gracht, voorzien op de percelen kadastraal gekend als Lede, 1ste afdeling, sectie B, nummers 368B, 368A en 360, ten opzichte van het plan 22.376B/1/10-3-5.4/4 met revisie 3 van 22 mei 2012 in het ministerieel besluit houdende Verklaring Openbaar Nut voor het project 22376B, noordwaarts te verschuiven tot voorbij de geplande tuinen.” De keuze van het kwestieuze tracé wordt in het bestreden besluit zodoende op afdoende wijze verantwoord, minstens toont verzoeker het tegendeel niet aan. X-16.801-7/14 7.
  22. De verwerende partij was er, anders dan verzoeker dit ziet, niet toe gehouden om in het bestreden besluit een afweging van “alle redelijke en haalbare” alternatieven voor het aangenomen tracé te maken. 7.
  23. Verzoekers betoog dat het bestreden besluit expliciet erkent dat mogelijke alternatieven voor het tracé nooit in de beoordeling betrokken zijn geweest, mist feitelijke grondslag. Het door hem geviseerde citaat heeft immers louter betrekking op de in zijn bezwaar aangevoerde alternatieven ter vervanging van de vijver: “Overwegende dat het statuut van de vijver en mogelijke alternatieven niet het voorwerp uitmaken van huidige aanvraag tot ministerieel besluit houdende Verklaring van Openbaar Nut;” 7.
  24. In zoverre verzoeker de “gekozen ligging […] volkomen onbegrijpelijk [vindt], nu de kwestieuze gracht bijvoorbeeld ook aan de perceelsgrens rond perceel nr. 368/B naar het perceel 360 kan worden gelegd” en het gekozen tracé bekritiseert, uit hij loutere opportuniteitskritiek die niet tot vernietiging kan leiden. Verzoeker toont immers niet aan dat de keuze voor het tracé de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. 7.
  25. Waar verzoeker opnieuw uitgaat van de onbereikbaarheid van het achterste gedeelte van zijn weiland, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling van het eerste middel (zie randnummer 5.1 e.v.). De door verzoeker aangevoerde “interne tegenstrijdigheid” van de motieven van het bestreden besluit, die op deze onbereikbaarheid steunt, wordt dan ook niet aangetoond. 7.
  26. Verzoeker toont gezien het voormelde geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 7.
  27. Het middel is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond. C. Derde middel X-16.801-8/14 Uiteenzetting van het middel 8.
  28. Verzoeker roept in een derde middel de schending in van de artikelen “5.1.0., 11.4.
  29. en 15.6.
  30. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen’ [...], en van de formele motiveringsverplichting zoals o.m. vervat in de [motiveringswet] en in het beginsel van behoorlijk bestuur van de motiveringsplicht”. 8.1.
  31. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat in het grondinnemingsplan de grens tussen het woongebied en het landschappelijk waardevol agrarisch gebied verkeerd wordt weergegeven. Daardoor wordt bij de behandeling van zijn bezwaar van verkeerde veronderstellingen uitgegaan, zodat het antwoord erop, te weten dat de kwestieuze werken op de bebouwbaarheid van het woongebied geen invloed hebben omdat de gracht in het huidig ontwerp voorzien is op 30 à 35 meter achter de grens tussen het woongebied en het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, manifest onjuist is. 8.1.
  32. In een tweede middelonderdeel stelt verzoeker dat de gracht aangelegd wordt om een visvijver met een louter recreatieve functie van de riolering af te koppelen en deze op een bestaande gracht ter hoogte van Braekenhaag aan te sluiten. Bijgevolg heeft ook de gracht een louter recreatieve functie, wat noch in woongebied, noch in landschappelijk waardevol agrarisch gebied is toegestaan. 8.
  33. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de vijver thans een louter privatieve recreatieve functie heeft en dat de gracht enkel tot doel heeft om die functie van de openbare riolering af te koppelen. Bijgevolg is er geen sprake van enig openbaar nut. De bestreden beslissing wordt misbruikt opdat de exploitant van de visvijver voor de bestendiging van zijn recreatieve activiteit geen recht van uitweg zou moeten vorderen voor de vrederechter. X-16.801-9/14 Verder betoogt verzoeker dat de grens tussen het woongebied en het landschappelijk waardevol agrarisch gebied ook in het huidige grondinnemingsplan verkeerd is aangeduid. 8.
  34. Verzoeker doet in zijn laatste memorie nog gelden dat het feit dat regen- van afvalwater moet worden afgekoppeld, niet impliceert “dat hetgeen voorbij de rooilijn op particuliere eigendom aan leidingen en/of grachten wordt aangelegd om een particulier project conform de verplichte scheiding van regen- en afvalwater aangesloten te krijgen op de openbare riolering, hierdoor plotsklaps komt te vallen onder de openbare riolering”. Beoordeling 9.1.
  35. Vastgesteld wordt dat het oorspronkelijke grondinnemingsplan de grens tussen het woongebied en het waardevol agrarisch gebied ingevolge een materiële vergissing foutief weergeeft. Evenwel werd de weergave van die grens precies naar aanleiding van verzoekers bezwaar aangepast. Verzoeker heeft aldus geen belang bij dit onderdeel van het middel. 9.1.
  36. Eerst in zijn memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat “ook in het huidige grondinnemingsplan […] de grens verkeerd wordt aangeduid”. Het betreft evenwel een loutere bewering die bovendien reeds in het verzoekschrift had kunnen worden aangevoerd. Het middel is in zoverre onontvankelijk. 9.1.
  37. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 9.2.
  38. Het doel van de kwestieuze gracht bestaat erin, zoals uit de bestreden beslissing blijkt, ervoor te zorgen dat “de verdunning van het afvalwater beperkt wordt”. Het betreft een doel van algemeen nut. De vaststelling dat het af te koppelen water afkomstig is van een, al dan niet vergunde, vijver met recreatieve functie, doet niet tot een recreatief doel van de kwestieuze gracht besluiten. X-16.801-10/14 9.2.
  39. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. 9.
  40. Het middel wordt in zijn geheel verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 10.
  41. Verzoeker roept in een vierde middel de schending in van “de formele motiveringsverplichting zoals o.m. vervat in de [motiveringswet] en in het beginsel van behoorlijk bestuur van de motiveringsplicht en van artikel 10 Gaswet”. Verzoeker betoogt dat de afkoppeling gebeurt in functie van een visvijver die op privaat eigendom van een sociale huisvestingsmaatschappij is gelegen, zodat zij geenszins tot een openbaar nut strekt, maar integendeel tot een privaat nut. De vijver heeft geen openbaar nut, beschikt niet over een stedenbouwkundige vergunning en kan evenmin als vergund geacht beschouwd worden. De verklaring van openbaar nut kan er niet toe strekken deze onrechtmatige toestand te bestendigen. 10.
  42. In zijn memorie van wederantwoord doet verzoeker nog gelden dat noch de verwerende partij, noch de tussenkomende partij het onvergund karakter van de visvijver betwisten. Beoordeling 11.
  43. Het te dezen toepasselijke artikel 10, eerste lid, van de gaswet luidt: “Na onderzoek kan de Koning van openbaar nut verklaren het oprichten van een gasvervoerinstallatie onder, op of boven private gronden die niet bebouwd zijn en die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedebouwverordeningen.” X-16.801-11/14 11.
  44. Zoals uit de beoordeling van het derde middel blijkt, vermocht het bestreden besluit de kwestieuze gracht terecht van openbaar nut te beschouwen (zie randnummer 9.2.1). Verder doet dit besluit geen enkele uitspraak over de stedenbouwkundigevergunningstoestand van de visvijver. 11.
  45. Het middel is ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 12.
  46. Verzoeker roept in een vijfde middel de schending in van artikel 10 van de gaswet. Hij bekritiseert dat het grondinnemingsplan 22.376C/1/10-3- 5.4/5 na het openbaar onderzoek werd gewijzigd, zonder dat het gewijzigde plan aan een nieuw openbaar onderzoek werd onderworpen. 12.
  47. In zijn memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat de doorgevoerde wijziging wel degelijk als substantieel moet worden beschouwd. Ook in de voorliggende procedure blijft immers betwisting bestaan over de exacte grens tussen het woongebied en het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Een nieuw openbaar onderzoek zou hem in staat gesteld hebben op de foutieve weergave van de grens te wijzen. X-16.801-12/14 Beoordeling 13.
  48. Zoals reeds hoger onder randnummer 9.1.1 werd gesteld, betreft de wijziging van het grondinnemingsplan de rechtzetting van een louter materiële misslag bij de aanduiding van de grens tussen woongebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en dit naar aanleiding van verzoekers bezwaar. Aan het tracé van de leidingen is ingevolge die wijziging niets veranderd. Verzoeker overtuigt er niet van dat aan de oorspronkelijk ingediende aanvraag een essentiële wijziging werd aangebracht die tot een nieuw openbaar onderzoek zou nopen. 13.
  49. Het middel is ongegrond. BESLISSING
  50. De Raad van State verwerpt het beroep.
  51. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-16.801-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.801-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.986 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.337 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.