id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.989 Rolnummer: A. 231092/IX-9726 Zaak: Arrest 247989 - Varia (onderwijs en cultuur) - 01/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-03 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-20 01:31 Fiche Arrest nr 247.989 van 1 juli 2020 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 247.989 van 1 juli 2020 in de zaak A. 231.092/IX-9726 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Edward Carlier en Catherine Kerrebrouck kantoor houdend te 1200 Brussel Brand Whitlocklaan 87/10 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 22 juni 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse overheid van 11 juni 2020, waarbij XXXX bij wijze van voorlopige maatregel wordt ontheven van zijn taken, een contactverbod wordt opgelegd en de toegang tot de gebouwen van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie wordt ontzegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9726-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 juli 2020, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jan Ghysels en Tess Van Gaal, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Catherine Kerrebrouck, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is aangesteld als lid van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Op 11 juni 2020 deelt de secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse overheid verzoeker met een aangetekende brief mee dat het comité van ministers van de NVAO op 10 juni 2020 een klacht heeft ontvangen “over feiten die u als bestuurslid van de NVAO ten laste gelegd worden” en die omschreven worden als “ernstig, normoverschrijdend gedrag”. Verzoeker wordt uitgenodigd om over de feiten te worden gehoord op 17 juni
- Verzoeker wordt “in afwachting” en “bij wijze van voorlopige maatregel” tijdelijk ontheven van zijn taken bij de NVAO, met behoud van loon. Hem wordt IX-9726-2/6 gevraagd om geen contact te hebben met het personeel en de bestuurders van de NVAO en de toegang tot de gebouwen van de NVAO wordt hem ontzegd. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid kan niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden beslissing haar volledige uitwerking heeft gehad. Om aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid te voldoen, moet deze vaststelling gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. IX-9726-3/6
- In zijn uiteenzetting onder het opschrift ‘de uiterst dringende noodzakelijkheid’ vermengt verzoeker op weliswaar omstandige wijze de schorsingsvoorwaarden en verwart hij het belang bij het beroep met de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid. Hij zet immers bijna uitsluitend uiteen waarom de beslissing hem schaadt – een aspect van het vereiste belang – en hoe onregelmatig ze wel is omdat ze de rechten van verdediging schendt en een schijn van partijdigheid wekt – een aspect van de gegrondheid of ernst van het middel. In zoverre verzoeker ter adstructie van de uiterst dringende noodzakelijkheid aldus refereert aan zijn belang bij het beroep en de onwettigheid van de bestreden beslissing, wijst de Raad van State erop dat een belang niet volstaat om de gevraagde schorsing te verantwoorden en dat de ernst van een middel op zich de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering niet aantoont. De gegrondheid – minstens de ernst – van de middelen en de uiterst dringende noodzakelijkheid zijn afzonderlijke voorwaarden.
- Over de thans besproken schorsingsvoorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid is in het verzoekschrift niet meer te lezen dan wat volgt: “In het huidig geval dringt een tussenkomst bij uiterst dringende noodzakelijkheid zich op om de rechten van verdediging van verzoekende [partij] te waarborgen alsook om te vermijden dat geen onherstelbaar afbreuk wordt gedaan aan zijn goede naam een eer van de verzoekende partij en te waarborgen dat hij juist in het belang van de dienst zijn onderzoek kan verder zetten.”
- Verzoeker laat hiermee geenszins begrijpen waarom hij niet de uitkomst kan afwachten van de gewone schorsingsprocedure – of zelfs van een procedure ten gronde. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, moet een verzoekende partij in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid immers aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de IX-9726-4/6 annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. De voorwaarde van spoedeisendheid ligt met andere woorden in die van de uiterst dringende noodzakelijkheid besloten.
- Voor zover een maatregel aan wie erdoor is getroffen morele schade toebrengt – verzoeker spreekt van “afbreuk […] aan zijn goede naam en eer” – wordt aangenomen dat die schade in beginsel wordt hersteld door de tussen te komen nietigverklaring. Het lag dus op de weg van verzoeker om zowel aan te tonen dat dit in de huidige zaak anders ligt en bovendien te overtuigen waarom hij die morele schandvlek tussentijds niet kan lijden. Noch over het ene, noch over het andere maakt het verzoekschrift de Raad ook maar enigszins wijzer.
- Er is meer. De maatregel is opgelegd “in afwachting” van het verhoor van verzoeker. Op vraag van verzoeker is die hoorzitting, die was gepland op 17 juni 2020, uitgesteld. Na die hoorzitting zal de verwerende partij hoe dan ook een nieuwe beslissing moeten nemen. Ofwel wordt de thans bestreden, tijdelijke maatregel dan ingetrokken of opgeheven, ofwel wordt ze vervangen door een nieuwe maatregel. Zelfs indien ze wordt verlengd, is dit na het verhoor geen louter bevestigende maatregel aangezien ze dan mede zal steunen op het verweer van verzoeker. Dit laat veronderstellen dat de thans bestreden tijdelijke maatregel slechts gedurende een korte tijd uitwerking zal hebben. Aangezien een schorsingsarrest enkel voor de toekomst werkt, laat dit nog minder toe om te begrijpen waarom verzoeker meent thans een beroep te mogen doen op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en dus van de Raad van State te mogen vragen zijn zaak vóór alle andere te onderzoeken. Het lag des te meer op de weg van verzoeker om aan de hand van precieze en concrete gegevens aan te tonen dat zelfs het resultaat van de hoorzitting niet kan worden afgewacht en dat het afwikkelen van de procedure ten gronde, minstens van de gewone schorsingsprocedure, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of zijn belangen veilig te stellen. IX-9726-5/6
- Verzoeker toont niet aan dat hij de afwikkeling van een beroep tot nietigverklaring niet kan afwachten. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van één juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9726-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.989 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.