id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.993 Rolnummer: A. 231115/X-17740 Zaak: Arrest 247993 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 02/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-07 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 01:33 Fiche Arrest nr 247.993 van 2 juli 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 247.993 van 2 juli 2020 in de zaak A. 231.115/X-17.740 In zake: Dominique GILLET-WOLTER HOFMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nic Reynaert kantoor houdend te 1140 Brussel Stroobantsstraat 48B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE KOKSIJDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Sonck kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 juni 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “het protocol inzake organisatie insteekzone Duinpark (Sycod – Windekind) d.d. 30.06.2020”, ondertekend door de gemeente Koksijde, de vzw Sycod en de vzw Windekind. Tevens wordt gevraagd “een dwangsom toe te kennen van 5.000,00 EUR per dag dat het College van Burgemeester en Schepenen het protocol dd 30.06.2020 in de praktijk zou omzetten”. X-17.740-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 juli 2020, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nic Reynaert, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Stefaan Sonck, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 23 december 2019 verklaart het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde zich ermee akkoord om de zwemzone Duinpark te sluiten en te laten opgaan in één grote insteekzone voor watersporters, lopend van de club Sycod tot en met de club Windekind. Overwogen wordt dat het aantal watersporters elk jaar toeneemt en het aantal baders elk jaar afneemt. Het voorstel tot reorganisatie van het strand wordt op 13 februari 2020 toegelicht in de gemeenteraadscommissie Financiën, Personeel en Administratie. Verzoekster, gemeenteraadslid, is aanwezig. Uiteengezet wordt X-17.740-2/8 onder meer dat de wijziging voor Duinpark tot gevolg heeft dat de dichtstbijzijnde zwemzone zich bij hoogwater op 350 m bevindt en bij laagwater op 70 m. Het voorstel, zo wordt verklaard, beoogt “vooral een optimalisatie van de reddingsdienst en het verhogen van de veiligheid van de reddingsdienst en het verhogen van de veiligheid van de baders en watersporters en iedere gebruiker van het strand”. Op 17 februari 2020 neemt de gemeenteraad de “principiële beslissing om verdere uitvoering te geven aan het voorstel van het college van burgemeester en schepenen tot reorganisatie strand en insteekzones vanaf 2020”. Verzoekster is aanwezig. Een schepen licht toe dat de zwemzone Duinpark verdwijnt “omwille van de niet-veilige toestand”. Op 18 mei 2020 stemt de gemeenteraad over het voorstel om de afschaffing van de zwemzone Duinpark uit te stellen. Verzoekster is aanwezig. Het is, aldus de indiener van het voorstel, een opportuniteit om de ruimte op het strand uit te breiden. Een schepen antwoordt dat het strand momenteel groot genoeg is om de massa op te vangen. Het voorstel wordt verworpen. Het college van burgemeester beslist op 25 mei 2020 het protocol tussen watersportclub Windekind, watersportclub Sycod en de gemeente goed te keuren. Overwogen wordt dat de gemeenteraad besliste goedkeuring te verlenen tot verdere uitvoering van het voorstel van het college van burgemeester en schepenen “tot reorganisatie strand en insteekzones i.k.v. de veiligheid en dit vanaf seizoen 2020”, maar dat “na overleg met de federale overheidsdienst mobiliteit en de Afdeling Maritieme Dienstverlening kust de gevraagde wijzigingen enkel uitvoering krijgen indien een protocol wordt opgemaakt waar de afspraken omtrent veiligheidsmaatregelen worden vastgelegd tussen de betrokken partijen”. X-17.740-3/8 In dit protocol – dat het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing is – wordt in artikel 1 uitgelegd: “Naar aanleiding van het verzoek van de gemeente Koksijde tot wijzigen van bestaande zwemzones, insteekzones voor brandingsporten en het beoefenen van watersport dienen bijkomende afspraken gemaakt te worden tussen gemeente Koksijde en […] watersportclubs [vzw Sycod en vzw Windekind] met het oog op de handhaving en het verzekeren van de veiligheid van alle gebruikers binnen de diverse zones. Met het protocol willen partijen mogelijke conflictsituaties vermijden. Dit protocol is een aanvulling op de bestaande gebruiksovereenkomsten afgesloten tussen gemeente Koksijde waarbij de verwachtingen naar de watersportclub met het oog op het bewaken van de veiligheid en het gebruik van de zones reeds wordt vastgelegd. We verwijzen daarbij naar het artikel 18 van de gebruiksovereenkomsten: ‘Buiten de uren van bewaking door de redders aan zee, aangesteld door de gemeente Koksijde, is de gebruiker verantwoordelijk voor de organisatie van de reddingsdienst en de EHBO in het kader van zijn exploitatie.” Bij besluit van 27 mei 2020 verleent de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar van de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, directoraat-generaal Scheepvaart, aan de gemeente Koksijde onder voorwaarden de toelating om de brandingsporten toe te laten in de insteekzones aangeduid op de goedgekeurde plannen van de gemeente. IV. Ontvankelijkheid
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Een onderzoek van en een uitspraak over de excepties zouden zich alleen opdringen mocht aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. X-17.740-4/8 V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoekster
- Verzoekster voert ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid in het verzoekschrift aan: - dat zij pas op 24 juni 2020 in kennis en in het bezit is gesteld van het volledige administratief dossier; - dat de bestreden beslissing in veiligheidsmaatregelen voorziet waarover geen voorafgaande bespreking en stemming is gehouden door de vertegenwoordigers van de fracties in de gemeenteraad in het kader van een “overkoepelend overlegorgaan” en door de gemeenteraadsleden; dat het protocol inzake de organisatie van de insteekzone Duinpark nochtans absoluut op voorhand en in een openbaar debat moest zijn behandeld; - dat een zwemzone van 300 m afgeschaft wordt en de betrokken strandcabines verplaatst worden; dat dit voor “een onnodige verhoging van concentratie van strandgebruikers in tijden van Covid19” zorgt; dat “zonder enige motivatie” wordt gekozen voor het concentreren van strandgebruikers op een kleiner stuk strand voor de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 augustus”, terwijl “lokale overheden een plicht hebben om zoveel mogelijk verspreiding van strandgebruikers mogelijk te maken”, opdat de social distancing-regels geëerbiedigd kunnen worden. X-17.740-5/8 Beoordeling
- Een verzoekende partij die vordert dat de beslissing die zij bestrijdt, bij uiterst dringende noodzakelijkheid in haar tenuitvoerlegging wordt geschorst, moet van die bijzondere hoogdringendheid overtuigen aan de hand van voldoende concrete, precies omschreven en verifieerbare gegevens, die overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ worden aangevoerd in de vordering. Een belangrijke toetssteen van de aangevoerde urgentie is het optreden van de verzoekende partij zelf en meer bepaald de diligentie waarvan zij daarbij, al dan niet, doet blijken. Wie pretendeert redenen te hebben die een zodanige urgentie verantwoorden dat niet alleen niet de uitkomst van een beroep tot nietigverklaring kan worden afgewacht, maar zelfs niet een schorsing die volgens de gewone procedure zou worden bevolen, dient zich daar ook naar te gedragen.
- Wat dat laatste betreft, wordt vastgesteld dat verzoekster niet haar vordering heeft ingesteld met de voortvarendheid die in het geval van een uiterst dringende noodzakelijkheid mocht worden verwacht. Naar blijkt, verkreeg zij reeds op 5 juni 2020 volledige mededeling en kennis van het protocol. Zij heeft haar vordering uiteindelijk pas op 28 juni 2020 ingesteld, dat is meer dan drie weken later. Dit staat haaks op verzoeksters claim dat er sprake is van een uiterst dringende noodzakelijkheid.
- Dat het protocol onwettig is doordat er niet voorafgaandelijk door de vertegenwoordigers van elke fractie van de gemeenteraad in het kader van een “overkoepelend overlegorgaan” en door de gemeenteraadsleden over X-17.740-6/8 gedebatteerd en gestemd is, betreft de schorsingsvoorwaarde van een ernstig middel. De voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid, is van die van een ernstig middel echter te onderscheiden en laat zich er niet zonder meer toe herleiden. Verzoekster blijft ertoe gehouden om, naast het aanvoeren van een ernstig middel, ook het bestaan van een uiterste hoogdringendheid inzichtelijk en aannemelijk te maken.
- Blijft het argument dat de verwerende partij zonder motivering overgaat tot een onnodige verhoging van concentratie van strandgebruikers ofschoon strandgebruikers vanwege COVID-19 juist zoveel mogelijk gespreid moeten worden. Blijkens het feitenrelaas zijn voor de sluiting van de zwemzone Duinpark wel redenen voorhanden en wordt met de sluiting beoogd de veiligheid van de baders en watersporters te verhogen. De suggestie van verzoekster dat de verhoging van het aantal strandgebruikers elders, die uit de sluiting zou volgen, zal meebrengen dat de regels van social distancing er niet gevolgd zullen kunnen worden, wordt met geen enkel concreet gegeven toegelicht, laat staan gestaafd. Verzoekster doet niet aannemen dat het om meer dan een gratuite, theoretische bedenking gaat. Dat is des te meer het geval omdat de zwemzone Duinpark “het minst aantal baders tov andere zones” zou hebben en omdat ter compensatie van het verdwijnen ervan tegelijk de zwemzone Oostduinkerke-Centrum met 70 meter in de richting Nieuwpoort wordt uitgebreid (stuk 14 van verzoekster).
- Uit wat voorafgaat, volgt dat geen uiterst dringende noodzakelijkheid aannemelijk is gemaakt. X-17.740-7/8 Alvast één van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is niet vervuld. Dit volstaat om de vordering tot schorsing, evenals de vordering tot het opleggen van een dwangsom ter naleving van de schorsing, te verwerpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het opleggen van een dwangsom. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.740-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.993 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.672 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div