id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.000 Rolnummer: A. 227700/VII-40517 Zaak: Arrest 248000 - Jacht - Reglementen - 06/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-09 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.000 van 6 juli 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Jacht - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.000 van 6 juli 2020 in de zaak A. 227.700/VII-40.517 In zake : de VZW WILDBEHEERSEENHEID CAPREOLUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thierry Walbrecht kantoor houdend te 2000 Antwerpen Frankrijklei 115 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 maart 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Arrondissementscommissaris (dienst jacht Limburg) van ongekende datum (mogelijks 16 januari 2019) houdende de goedkeuring van het jachtplan 2018-2019 zoals ingediend door het Vlaamse Gewest, Agentschap Natuur en Bos met betrekking tot gronden gelegen in de provincie Limburg, regio Maaseik, gekend onder referentienummer 053-87”. II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. VII-40.517-1/10 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans Carême, die loco advocaat Thierry Walbrecht verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Peter De Roover, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) stelt op 30 maart 2018 een voorstel van jachtplan 2018-19 op. 3.2. Bij een op 5 juli 2018 ter post aangetekende brief brengt de arrondissementscommissaris de verzoekende partij ervan op de hoogte dat het voorstel van jachtplan dat zij had ingediend, overlapt met een ingediend voorstel van het ANB. Er wordt gemeld dat het agentschap zijn jachtrechten op de betrokken percelen heeft bewezen en dat de verzoekende partij in de mogelijkheid wordt gesteld om haar schriftelijke bewijzen van jachtrecht te bezorgen. VII-40.517-2/10 3.3. De verzoekende partij antwoordt niet op de brief van de arrondissementscommissaris. Volgens de verwerende partij laat de verzoekende partij op 19 juli 2018 telefonisch weten dat de betrokken percelen uit haar jachtplan mogen worden weggelaten. 3.4. De arrondissementscommissaris deelt bij een op 16 januari 2019 ter post aangetekende brief aan het agentschap mee dat zijn jachtplan is goedgekeurd. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de verzoekende partij bij e-mailbericht van 4 maart 2019 kennis krijgt. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen 4. De verzoekende partij omschrijft in haar inleidende akte haar belang als volgt: “Verzoekster heeft de hoedanigheid en het materieel en concurrentieel belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Krachtens artikel 11 van het Jachtdecreet is „het jagen op de domeinen van openbare besturen alleen geoorloofd ingevolge jachtrecht toegekend volgens de principes van mededinging en transparantie. De zittende jager en een wildbeheerseenheid zoals bedoeld in artikel 12, hebben het recht bij een aanbesteding, voor zover zij deelgenomen hebben aan de aanbesteding, een hoger bod te doen. Voor een wildbeheereenheid geldt de voorwaarde dat het domein in kwestie binnen het werkingsgebied van die wildbeheereenheid gelegen moet zijn of aan het werkingsgebied ervan moet grenzen. Het jachtrecht moet worden toegekend aan de hoogst biedende zo dit hoger bod, gedaan binnen de tien dagen volgend op de aanbesteding meer dan één tiende hoger ligt dan de bij de openbare aanbesteding verkregen prijs. Bij gelijk hoger bod geniet de zittende jager de voorkeur zo hij geen inbreuk heeft gepleegd op de vroegere verpachtingsvoorwaarden. Krachtens artikel 7 alinea 2 van het Jachtdecreet is „elke houder van het jachtrecht die op welke wijze ook van zijn recht gebruikmaakt, verplicht een door hem opgemaakt plan van zijn jachtterrein met aanduiding van de percelen waarbinnen hij geen jachtrecht heeft, in te dienen bij de door de Vlaamse Regering aan te wijzen ambtenaar, in wiens ambtsgebied het jachtterrein of het grootste gedeelte ervan, is gelegen‟. De verwerende partij manifesteert zich kennelijk als houder van het jachtrecht waar zij thans een door haar opgemaakt plan van haar VII-40.517-3/10 jachtterrein heeft ingediend bij de arrondissementscommissaris met het oog op de goedkeuring hiervan. Hiermee werpt de verwerende partij zich op als een met verzoekster concurrerende jachtrechthouder. Verzoekster verzet zich nochtans tegen jachtplannen die zonder voorafgaande toekenning van het jachtrecht volgens de voormelde principes door openbare besturen worden neergelegd. Meer zelfs, met huidige procedure verzet zij zich ertegen dat haar werkingsgebied door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kleiner wordt […]. […] Het voordeel dat verzoekster uit de nietigverklaring van de bestreden beslissing wil halen, bestaat er in dat […] het litigieuze terrein hetzij gevrijwaard wordt van iedere mogelijkheid van bejaging - wat haar tot voordeel strekt aangezien de aldaar levende dieren vrij kunnen migreren naar haar eigen werkingsgebied waar zij dan wel het wild kan beheren -, hetzij wel wordt bejaagd, doch alsdan volgens de regels van artikel 11 van het Jachtdecreet, dit wil zeggen na verhuring van het jachtrecht volgens de principes van mededinging en transparantie, met die bijzonderheid dat verzoekster alsdan het recht van hoger bod zal kunnen uitoefenen, en waarbij zij dan voor zichzelf een jachtplan kan neerleggen overeenkomstig artikel 30 van het Jachtadministratiebesluit. De mogelijkheid om zelf een bieding te doen, zelfs het recht van hoger bod uit te oefenen, en om zelf een jachtplan neer te leggen, bevestigt het persoonlijk belang van verzoekster, te onderscheiden van de belangen van haar leden. Hiermee beantwoordt verzoekster bovendien aan artikel 4 van haar statuten waarin zij zichzelf onder meer tot doel stelt: „1° het bevorderen van een evenwichtige wildstand in overeenstemming met de belangenafweging tussen landbouw, bosbouw, natuurbescherming en jacht. 2° de totstandkoming van een gemeenschappelijk jachtbeleid bij haar leden, welk jachtgebied is gericht op een optimale weidelijke jachtbeoefening door haar leden binnen het kader van een goed wildbeheer ... De vereniging tracht dit doel te bereiken door …
- b)De erkenning van de jachtvelden van de effectieve leden en ledengroepen …
- e)Het tegengaan van jachthuur door buitenstaanders en aangeslotenen, de zogenaamde inbraak, stroperij, onweidelijk jagen, waarbij de richtlijnen van het huishoudelijk reglement gelden als maatstaf‟”. 5. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord de volgende exceptie op: VII-40.517-4/10 “5. De verzoekende partij is een wildbeheerseenheid (hierna: WBE) die actief is in de gemeenten Dilsen-Stokkem, Maaseik en Maasmechelen. […] 6. Voor de goede orde benadrukt de verwerende partij dat het voorstel van jachtplan 2018-2019 door ANB werd ingediend, en de bestreden beslissing door de Arrondissementscommissaris werd genomen. Het is dus in feite niet de verwerende partij die zich manifesteert als houder van het jachtrecht van de betrokken terreinen (zoals de verzoekende partij in haar verzoekschrift stelt), maar ANB. Wat het belang van de verzoekende partij bij het annulatieberoep betreft, merkt de verwerende partij op dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij enig nadeel zou kunnen ondervinden van de bestreden beslissing. Zij beweert weliswaar een concurrerende jachtrechthouder te zijn van het ANB, maar toont niet aan dat zij jachtrechten bezit op (een deel van) de terreinen waarop het voorstel van jachtplan 2018-2019 van ANB betrekking heeft. De bestreden beslissing verhindert de verzoekende partij evenmin om jachtrechten te verwerven overeenkomstig de bepalingen van artikel 11 van het Jachtdecreet, want de bestreden beslissing stelt artikel 11 van het Jachtdecreet niet buiten werking. Het indienen van een jachtplan door een openbaar bestuur doet geen afbreuk aan artikel 11 van het Jachtdecreet dat het effectief jagen op de betrokken terreinen alleen geoorloofd is ingevolge jachtrecht toegekend volgens de principes van mededinging en transparantie. Er kan niet worden ingezien hoe de vernietiging van de bestreden beslissing de verzoekende partij tot voordeel zou kunnen strekken, want dat het terrein alleen effectief kan worden bejaagd overeenkomstig de regels van artikel 11 van het Jachtdecreet, en zonder naleving van de regels van artikel 11 van het Jachtdecreet dus niet effectief mag worden bejaagd, is een gegeven waaraan de bestreden beslissing geen afbreuk doet. De verzoekende partij heeft er dus geen belang bij om zicht te verzetten tegen het indienen van jachtplannen door openbare besturen zonder voorafgaande toekenning van het jachtrecht volgens de principes van artikel 11 van het Jachtdecreet. De verzoekende partij verklaart op geen enkele wijze hoe zij op een andere wijze enig nadeel zou kunnen ondervinden door de bestreden beslissing. Waar zij beweert ook dat haar werkgebied kleiner zou worden door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, kan zij niet worden gevolgd. Dit blijkt niet uit enige vermeende vergelijking van 2 kaarten die in het verzoekschrift zouden zijn opgenomen… want in het eensluidend afschrift van het verzoekschrift dat aan de verwerende partij werd betekend is maar 1 kaart opgenomen. Een vergelijking van 2 kaarten is dus niet mogelijk, en er werden ook geen stukken bij het verzoekschrift gevoegd waaruit die bewering van de verzoekende partij alsnog zou blijken. Waar er naar aanleiding van het door de verzoekende partij ingediende jachtplan wel degelijk werd vastgesteld dat er een aantal percelen daarvan overlappen met het jachtplan van ANB - waardoor het werkgebied van de verzoekende partij dus kleiner zou worden - moet worden opgemerkt dat dit niet volgt uit de bestreden beslissing, minstens dat de verzoekende partij daarvan reeds lang geleden op de hoogte werd gesteld en niet het nodige heeft gedaan om daarop te reageren zoals voorgeschreven door het VII-40.517-5/10 Jachtadministratiebesluit. De Arrondissementscommissaris heeft de verzoekende partij daaromtrent immers reeds aangeschreven met een aangetekend schrijven van 5 juli 2018. Hoewel de verzoekende partij daarin werd verzocht om binnen de 2 weken haar schriftelijke bewijzen te bezorgen van jachtrecht op de overlappende percelen, heeft de verzoekende partij daarop nooit enige schriftelijke reactie laten geworden, doch enkel telefonisch meegedeeld dat de overlappende percelen uit haar jachtplan mochten worden weggelaten. Dit kan dan ook niet (meer) worden ingeroepen als belang bij het annulatieberoep tegen de bestreden beslissing”. 6. De verzoekende partij reageert in de memorie van wederantwoord: “Sub randnummer 6 van de memorie van antwoord beweert zij niet ernstig dat niet zijzelf, maar wel ANB zich als houder van het jachtrecht manifesteert, terwijl ANB geen rechtspersoonlijkheid heeft, maar wel ressorteert onder de rechtspersoonlijkheid van het Vlaamse Gewest, dus de verwerende partij. In ieder geval is het verweer dat verzoekster niet bewijst dat zij jachtrechten bezit op de terreinen waarvoor de verwerende partij een jachtplan heeft neergelegd, niet pertinent aangezien zij precies ingevolge de goedkeuring van het jachtplan helemaal wordt uitgesloten van iedere mogelijkheid om voor die percelen het jachtrecht te verwerven. Dat is wat verzoekster precies betracht, met name dat zij het jachtrecht kan verwerven, wat haar mogelijk zal zijn indien de verwerende partij beslist om het jachtrecht niet zelf uit te oefenen - iets wat haar wettelijk is verboden […] -, maar door het openbaar aan te besteden conform artikel 11 van het Jachtdecreet. Zelfs abstractie makende van die betrachting - alsof verzoekster niet in aanmerking zou komen om het jachtrecht op die gronden te verwerven -, lijdt verzoekster wel degelijk een nadeel ten gevolge van de bestreden beslissing, zo onder meer het feit dat zij geen jachtkansels kan plaatsen op een afstand kleiner dan 150 m ten opzichte van aanpalend gebied waar er niet wordt gejaagd […]. Hiervoor zij verwezen naar het Besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend, inzonderheid de artikelen 4 en 5, die als volgt luiden: Artikel 4. „§ 1. Het is verboden om voederplaatsen voor wild aan te leggen op minder dan 150 meter van de grens van een terrein waarvan het jachtrecht door een andere jachtrechthouder wordt uitgeoefend, tenzij na schriftelijk akkoord van de betrokken jachtrechthouder. …‟ Artikel 5. (01/07/2014- ...) „Het is verboden zich met een jachtwapen te bevinden op jachtkansels die VII-40.517-6/10 op minder dan 150 meter liggen van een terrein waarvan het jachtrecht door een andere jachtrechthouder wordt uitgeoefend, tenzij na schriftelijk akkoord van de betrokken jachtrechthouder. In het eerste lid wordt verstaan onder jachtkansel: iedere constructie of iedere inrichting, met inbegrip van al dan niet ingerichte bomen, die het mogelijk maakt wild te schieten vanaf een punt dat ligt boven het normale niveau van de grond‟. Aangezien de verwerende partij (ANB) zich manifesteert als jachtrechthouder doordat zij een jachtplan heeft neergelegd, is het aan verzoekster verboden om vrij voederplaatsen aan te leggen of jachtkansels te plaatsen op een afstand kleiner dan 150 m ten opzichte van het jachtterrein van de verwerende partij. Dit wettelijk verbod c.q. deze wettelijke restricties zijn een nadeel voor verzoekster zodanig dat de vernietiging van de bestreden beslissing haar tot voordeel strekt aangezien zij alsdan niet langer zal worden beperkt door die voorschriften. Van 2 dingen één. Ofwel wil het Vlaamse Gewest dat haar gronden worden bejaagd, maar dan moet ze dit openbaar aanbesteden en dan heeft verzoekster de kans om zich hierop in te schrijven, zelfs het recht van hoger bod uit te oefenen conform artikel 11 van het jachtdecreet, ofwel wil het Vlaamse Gewest dat haar gronden niet worden bejaagd en dan geniet verzoekster van de mogelijkheid om vrij voederplaatsen aan te leggen en vrij jachtkansels te plaatsen, ongeacht de afstand hiervan ten opzichte van het terrein van de verwerende partij. De vernietiging van de bestreden beslissing strekt haar dus wel degelijk tot voordeel. Zij geniet het rechtens vereiste belang”. 7. In haar laatste memorie ontkent de verzoekende partij dat zij heeft verklaard dat de gronden uit haar jachtplan mochten worden “uitgetekend”. In verband met het verbod om onder meer vrij voederplaatsen aan te leggen of jachtkansels te plaatsen op een afstand kleiner dan 150 meter ten opzichte van het jachtterrein van de verwerende partij, stelt zij: “Dit wettelijk verbod c.q. deze wettelijke restricties zijn een nadeel voor verzoekster zodanig dat de vernietiging van de bestreden beslissing haar tot voordeel strekt aangezien zij alsdan niet langer zal worden beperkt door die voorschriften. Om hiervan te genieten, hoeft zij de litigieuze percelen niet in haar eigen jachtplan ingetekend te zien (en zou zij zich zelfs hebben mogen schikken in de uittekening van die gronden uit haar eigen jachtplan)”. VII-40.517-7/10 Beoordeling 8. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van de genoemde wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden zijn vervuld: hij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook. De verzoekende partij beschouwt de verwerende partij als een “concurrerende jachtrechthouder” omdat ingevolge de bestreden beslissing “haar werkingsgebied” kleiner wordt. Dat gebied wordt door de verzoekende partij voorts omschreven als het “litigieuze terrein” daar “[e]igendommen van het Vlaamse Gewest […] die voorheen (2017-2018) in het werkingsgebied van verzoekster lagen” er nu buiten komen te liggen. De verzoekende partij bevestigt dat zij niet heeft geantwoord op de brief van 5 juli 2018 van de arrondissementscommissaris. Hierdoor heeft zij een gewaarborgde mogelijkheid om haar rechten te vrijwaren prijsgegeven. Volgens haar laatste memorie zou de verzoekende partij “zich zelfs hebben mogen schikken in de uittekening van die gronden uit haar eigen jachtplan”. In die laatste memorie verklaart de verzoekende partij dat zij niet heeft geantwoord op de vraag van de arrondissementscommissaris. Nochtans blijkt het tegendeel uit het administratief dossier en gaat de verzoekende partij pas in de laatste memorie over tot dergelijk betoog, hoewel zij eerder in de mogelijkheid verkeerde om dit op te werpen. De nieuwe feitelijke wending die de verzoekende partij aldus aan het middel wenst te geven, is laattijdig en kan niet op ontvankelijke wijze geschieden. Er mag niet uit het oog worden verloren dat het voordeel dat de VII-40.517-8/10 verzoekende partij met de nietigverklaring wenst te behalen, de bejaging of vrijwaring hiervan op de betrokken percelen is. Hierdoor kan de verzoekende partij heden niet langer haar belang bij onderhavig beroep staven met de vrijwaring of bejaging van de betrokken percelen, waartoe de omschrijving van haar belang in het verzoekschrift was beperkt. De betwisting in de laatste memorie van de verzoekende partij van het feit dat zij had meegedeeld dat de betrokken percelen uit haar jachtplan mochten worden verwijderd overtuigt niet en is hoe dan ook laattijdig. De verzoekende partij ontbeert bijgevolg het rechtens vereiste belang bij haar beroep zoals omschreven in het verzoekschrift. Iedere wildbeheereenheid wordt geconfronteerd met het gegeven dat haar territorium is omlijnd door grenzen die de toepassing van artikel 4, § 1, eerste lid, en artikel 5 van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 kunnen afdwingen. Het is inherent aan de verdeling van de jachtrechten dat de houder van een jachtrecht het recht van een aangrenzende jachtrechthouder moet tolereren. De verzoekende partij kan bijgevolg evenmin voordeel halen uit een nietigverklaring van de bestreden beslissing. Het beroep is onontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-40.517-9/10 Dit arrest is uitgesproken op zes juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.517-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.000 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div