← België

Arrest 248005 - Milieuvergunningen - 06/07/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.005 Rolnummer: A. 221814/VII-39948 Zaak: Arrest 248005 - Milieuvergunningen - 06/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-07 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:31 Fiche Arrest nr 248.005 van 6 juli 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.005 van 6 juli 2020 in de zaak A. 221.814/VII-39.948 In zake : Nic VERSCHELDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Vermaercke en Els De Rammelaere kantoor houdend te 8200 Brugge Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. Serge VAN GINDERACHTER 2. Marc MEIRE 3. Fons STANDAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Charlotte Ponchaut kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 31 maart 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 29 januari 2017 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 28 juli 2016, houdende het verlenen aan Nic Verschelde van de milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe pluimveehouderij, gelegen aan de Bosstraat 9 te VII-39.948-1/14 Zomergem, gegrond worden verklaard, de beroepen vergunningsbeslissing wordt opgeheven en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 7 juni 2017. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 juni 2020. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Els De Rammelaere, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-39.948-2/14 III. Feiten 3.1. Op 22 januari 2016 dient verzoeker een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een nieuwe pluimveehouderij met 56.000 slachtkuikens, gelegen te Zomergem. De betrokken percelen zijn volgens de bepalingen van het gewestplan Eeklo-Aalter gelegen in agrarisch gebied. 3.2. De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleent op 28 juli 2016 de gevraagde vergunning. 3.3. Tegen deze vergunningsbeslissing stellen een aantal omwonenden, de vzw Natuurpunt Meetjesland en het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zomergem bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.4. In het kader van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht:

  1. a)de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert op 12 september 2016 gunstig;
  2. b)het advies van de afdeling Milieuvergunningen van 18 oktober 2016 is voorwaardelijk gunstig: “Overwegende dat de visuele hinder ter hoogte van de woningen beroepers beperkt blijft gelet op het feit dat er nog bosfragmenten en/of bomenrijen gelegen zijn tussen deze woningen en de projectlocatie; Overwegende dat rondom de site een uitgebreid groenscherm wordt aangeplant; dat dit groenscherm werd opgemaakt in samenspraak met een landschapsarchitect van de provincie Oost-Vlaanderen; dat een groenscherm moet zorgen voor de integratie van het bedrijf in de omgeving; dat de aanvrager bereid is om ter hoogte van de loods bijkomend enkele hoogstammen te voorzien ter bevordering van de integratie in de omgeving; Overwegende dat reeds in een bijzondere voorwaarde in het bestreden besluit werd opgelegd dat er in samenwerking met de dienst Landbouw en Platteland van de provincie Oost-Vlaanderen een landschapsbedrijfsplan moet opgemaakt worden”; VII-39.948-3/14
  3. c)het Agentschap voor Natuur en Bos verleent op 20 september 2016 een gunstig advies;
  4. d)op 24 oktober 2016 brengt Ruimte Vlaanderen een gunstig advies uit. 3.5. Op 14 oktober 2016 legt verzoeker een aanvullende nota neer. Hij wordt op 25 oktober 2016 gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscomissie (hierna : GMVC). 3.6. De GMVC verleent op 22 november 2016 een gunstig advies onder voorwaarden. Over de ruimtelijke impact van de beoogde inrichting wordt het volgende gesteld: “Overwegende dat de inrichting is gelegen in een agrarisch gebied; dat de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; dat behoudens bijzondere bepalingen de agrarische gebieden alleen de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen mogen bevatten, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven; dat gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, slechts mogen opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft; dat de afstand van 300 en 100 m evenwel niet geldt in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven; dat er geen nadere ordening geldt; Overwegende dat de bouwvergunning door het college van burgemeester en schepenen voor de betreffende stallingen werd geweigerd; dat de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen, in beroep, op 13 oktober 2016 alsnog de vergunning heeft verleend; Overwegende dat op het bouwplan een loods werd ingetekend van 60 m lang en 22,50 m diep, op ongeveer 60 m, evenwijdig met de voorliggende asfaltverharde gemeenteweg, de Stuiver; dat deze loods, dienstig voor het stallen van voertuigen en opslag, een kroonlijsthoogte van 8 m en een nokhoogte van 12,5 m heeft; dat op 18 m achter deze loods twee 19 m brede en 75 m diepe stallingen worden aangevraagd, dwars op voorliggende loods en op 5 m van elkaar; dat ertussen een betonverharding wordt voorzien; dat achter deze stallingen een infiltratievoorziening wordt voorzien; Overwegende dat de constructies reiken tot een diepte van ongeveer 182 m, beschouwd vanaf de Stuiver; dat de voorgevelbouwlijn van de loods, is bepaald door het voorkomen van het SBZ (Habitatrichtlijngebied: Bossen en heiden van zandig Vlaanderen - oostelijk deel, 8E2300005, tevens VEN Gebied: het Bellebargiebos en het Leen), op 1.130 m ten noorden van de stallen; dat een eerdere aanvraag waarbij de stallingen dichter bij de VII-39.948-4/14 straatkant werden geplaatst stuitte op ongunstig advies van ANB omwille van de impact op SBZ; Overwegende dat er vóór de loods een zone is ingetekend voor de oprichting van de bedrijfswoning; Overwegende dat volgens het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (GRS) de betrokken locatie is gelegen in een open akkerlandcomplex; dat op pagina 75 van het GRS (richtinggevend gedeelte) dit agrarisch gebied wordt geduid in de functioneel samenhangende landbouwgebieden op lokaal niveau: ʻDit zijn gebieden waar de ruimtelijke dynamiek vooral wordt gegenereerd door landbouwactiviteiten, die ruimtelijk - functioneel samenhangend zijn en - die aansluiten op andere grote landbouwgebieden die doorlopen op het grondgebied van de buurgemeenten. Ze beslaan een min of meer grote oppervlakte en dragen een relatief lage bebouwingsgraad; akkers en weilanden worden afgewisseld met verspreid gelegen landbouwzetels. Andere functies zijn slechts in beperkte mate aanwezig en zijn veelal ontstaan vanuit de agrarische bedrijfsvoering. Het beleid is gericht op het ondersteunen van het agrarisch grondgebruik ten behoeve van de beroepslandbouw. Hier kunnen maatregelen genomen worden die de agrarische structuur optimaliseren in functie van de beroepslandbouw (bvb. ruilverkaveling, kavelruil, enz.). De nadruk ligt op de zuiver agrarische bedrijfsvoering. De relatief lage bebouwingsgraad mag in de toekomst slechts beperkt toenemen. Bijkomende agrarische bedrijfszetels zijn uitgesloten, maar een uitbreiding van de bestaande bedrijfsinfrastructuur is mogelijk. Het afbakenen van ontwikkelingsgebieden voor glastuinbouwbedrijven is een provinciale taak. In het ontwerpPRS is er o.a. volgende actie opgenomen: „De provincie bakent, in overleg met de gemeenten, in PRUP's ontwikkelingsgebieden voor glastuinbouw af en start in dit verband een voorbereidend onderzoeksproject op.‟ Hieraan zal het gemeentebestuur constructief meewerken. Als suggestie naar de provincie voor mogelijke gebieden voor serreteelt wordt verwezen naar het open bulkengebied en naar de ruilverkavelingsgebieden. Een uitbreiding van de bestaande bedrijfsinfrastructuur is mogelijk. Deze moet echter aansluiten op de bestaande bedrijfsgebouwen en moet verenigbaar zijn met de landschappelijke structuur (eventueel gepaard gaande met erfbeplanting), de landbouwstructuur en de overige functies van het gebied.ʼ Overwegende dat het GRS voorgaande visie niet overneemt in het bindend gedeelte, dat op zich aan dit GRS geen rechtsgrond kan worden toebedeeld voor de beoordeling; Overwegende dat langs en aan de overzijde van de stuiver een bomenrij staat; dat westelijk langs de Stoktevijver (de stuiver gaat over in Stoktevijver) vanaf ongeveer 300 m bebouwing voorkomt; dat het aan de betreffende zijde eerst een grote woonst met vrijstaande stalling voor paarden betreft; dat deze bebouwing tot bijna 100 m ver van de stuiver reikt; dat ongeveer 50 m verder in die richting een landbouwbedrijf voorkomt, met vrijstaande bedrijfswoning; dat die infrastructuur reikt tot ongeveer 130 m diep in het landschap; dat aan de overzijde van Stoktevijver twee landbouwbedrijven (mogelijks 1 niet langer in uitbating) zijn gesitueerd met VII-39.948-5/14 verschillende apart ingeplant infrastructuur, diepreikend in het landschap; dat verderop verschillende vrijstaande woningen staan, waarvan ook enkele dieper gelegen; dat op ongeveer 700 m zuidzuidwestelijk, richting het Schipdonkkanaal, het tracé van een 380 kV hoogspanningsleiding loopt, markant aanwezig in het landschap; Overwegende dat aan de overzijde van de straat achter de bomenrij akkers voorkomen, met een ringweg rondom; dat daarachter een bos is gelegen; dat oostelijk en schuin tegenover het betreffende project een doorgroende zijtak van de Stuiver verloopt richting noorden; dat aan de westelijke kant, halverwege die zijtak staat een woning; dat op het einde een paardenboxbedrijf voorkomt; dat aan de overzijde van de Stuiver ten oosten van de zijtak een bos is gelegen, met daarnaast een weide; dat vervolgens ten oosten, op ongeveer 250 m afstand van de exploitatie een aantal woningen zijn gelegen; Overwegende dat langs de oostelijke zijde van het betrokken perceel een bomenrij voorkomt; dat daarnaast een paar velden met bomenrijen voorkomen; Overwegende dat midden in het agrarisch gebied in zuidoostelijke richting, op ongeveer 600 m afstand een grootschalig landbouwbedrijf voorkomt, ongeveer 150 m breed; dat dit het huidig landbouwbedrijf is van de aanvrager die deze infrastructuur pacht; dat de eigenaar van die hoeve geen verdere uitbreiding wenst toe te laten, volgens het gunstige advies van departement Landbouw en Visserij van 30 maart 2016, zoals uitgebracht in de procedure van de bouwvergunningaanvraag; Overwegende dat het omliggende akker- en weidelandschap wordt doorkruist door verschillende bossen, bomenrijen langs de weiden en velden; Overwegende dat de bebouwingsvrije strook tussen de eerste westelijk en de eerste zuidelijk (langs de voornoemde zijtak van de Stuiverstraat voorkomende bebouwing amper ongeveer 350 m breed is; dat in noord-zuid richting (dwars op de betrachte exploitatie) die strook ongeveer 600 m breed is; dat het open akkerlandcomplex in die zin gerelativeerd moet worden; dat het hier geen open en homogeen (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied betreft waar voorliggende exploitatie een goede ruimtelijke ordening in het gedrang brengt; Overwegende dat de grootte van de bedrijfsgebouwen mede wordt bepaald door economische overwegingen, dat ze niet hoger zijn dan bedrijfstechnisch voor de uitbating vereist; dat de aanvrager stelt dat de nokhoogte van de loods ingegeven is uit de noodzaak tot het afkippen van voeders in de loods; dat lossen in de open lucht risico's stelt op extra stofhinder, contaminatie en meer bedrijvigheid; Overwegende dat de bedrijfsgebouwen op een compacte wijze zijn ingeplant, dat zij dicht bij elkaar liggen; dat het hierbij niet relevant is of deze bundeling op een langwerpige manier of meer in de breedte dient te gebeuren; dat afhankelijk van de inplantingswijze de perceptie naar impact in het landschap anders is; dat een langwerpige compacte inplanting vooral in de dwarsrichting een impact heeft; dat een inplantingswijze waarbij de bedrijfsgebouwen naast elkaar zijn gelegen de impact in de diepte minder maakt, maar wel aanzienlijk groter in de breedterichting; Overwegende dat waarnemingen veelal gebeuren vanuit de straten in de VII-39.948-6/14 omgeving waarbij rekening wordt gehouden met zichtrelaties die voortdurend wijzigen naarmate men zich verder verplaatst langs die wegen door de bovenvermelde bebouwing en groeninrichting; dat dit tevens geldt voor zichtrelaties vanuit bestaande bebouwing zelf; dat vanuit de Stuiver bekeken het een 60 m brede exploitatie betreft; dat vanuit de westelijk voorkomende zijtak van de Stuiver, de zichtrelatie loodrecht op de lange bedrijfsinfrastructuur is; dat er momenteel vanuit die richting bekeken een bomenrij voorkomt, oostelijk van de geplande exploitatie; dat in die zin dat aantasting van de openheid relatief te noemen is; Overwegende dat de deputatie de stedenbouwkundige vergunning verleende onder meer mits er een voldoende dicht groenscherm wordt voorzien, die ontworpen wordt in samenwerking met dienst Landbouw en Platteland van de provincie; dat door een dicht groenscherm de perceptie in die zin gewijzigd kan worden dat er eerder een bos voorkomt, dan een landschappelijk hinderlijke exploitatie; Overwegende dat de exploitatie bestemmingseigen is; dat in een ʻgewoonʼ (niet landschappelijk waardevol) agrarisch gebied niet zomaar esthetische of landschappelijke criteria kunnen vooropgesteld worden die de facto zouden ímpliceren dat de bestaande open ruimte in geen enkel opzicht mag worden aangetast door een agrarische inplanting; dat de transportbewegingen beperkt zijn; dat de integratie maximaal gebeurt; dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening”. Onder “M.e.r.-screening” adviseert de GMVC het volgende: “ […] dat de exploitatie bestemmingseigen is; dat het open akkercomplex gerelativeerd moet worden; dat het hier geen open en homogeen (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied betreft waar voorliggende exploitatie een goede ruimtelijke ordening in het gedrang brengt; dat een groenscherm werd opgemaakt in samenspraak met een landschapsarchitect; dat het groenscherm moet zorgen voor de integratie van het bedrijf in de omgeving”. 3.7. Met het thans bestreden besluit van 29 januari 2017 willigt de bevoegde Vlaamse minister de ingestelde beroepen in en weigert zij de gevraagde milieuvergunning. Deze beslissing steunt op de volgende motieven: “Overwegende dat een milieuvergunningsaanvraag ook moet getoetst worden aan de goede ruimtelijke ordening; dat waarnemingen veelal gebeuren vanuit de straten in de omgeving waarbij rekening wordt gehouden met zichtrelaties die voortdurend wijzigen naarmate men zich verder VII-39.948-7/14 verplaatst langs die wegen door de bovenvermelde bebouwing en groeninrichting; dat dit tevens geldt voor zichtrelaties vanuit bestaande bebouwing zelf; dat vanuit de westelijk voorkomende zijtak van de Stuiver de zichtrelatie loodrecht op de lange bedrijfsinfrastructuur is; dat door de diepe inplanting van de inrichting deze open zichtrelatie wordt doorbroken; dat dit nog versterkt wordt door de hoogte en de diepte van de inrichtingen; dat op het bouwplan een loods werd ingetekend van 60 m lang en 22,50 m diep, op ongeveer 60 m, evenwijdig met de voorliggende asfaltverharde gemeenteweg, de Stuiver; dat deze loods, dienstig voor het stallen van voertuigen en opslag, een kroonlijsthoogte van 8 m en een nokhoogte van 12,5 m heeft; dat op 18 m achter deze loods twee 19 m brede en 75 m diepe stallingen worden aangevraagd, dwars op voorliggende loods en op 5 m van elkaar; dat ertussen een betonverharding wordt voorzien; dat de constructies reiken tot een diepte van ongeveer 182 m, beschouwd vanaf de Stuiver; dat dit een aantasting met zich mee brengt van het open akkerlandschap; Overwegende dat de Raad van State oordeelt dat de aanleg van een groenscherm geen deugdelijke verantwoording vormt voor het verlenen van een vergunning voor een inrichting die manifest de open ruimte aantast; dat ene groenscherm volgens de Raad van State hoogstens kan zorgen voor een beter visuele integratie van bepaalde bouwwerken; dat een groenscherm niets verandert aan het feit dat die bouwwerken de openheid en het ongeschonden karakter van een gebied tenietdoen en vanuit ruimtelijk opzicht niet aanvaardbaar zijn (arrest nr. 216.729 van 8 december 2011, Stuyvaert); Overwegende het ongunstig advies van PMVC van 26 april 2016; dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied en van de omgeving te zwaar zou worden overschreden; dat de stallen dermate naar achter zijn verschoven op het perceel dat de ruimtelijke draagkracht zou overschreden worden; [...]; dat de goede ruimtelijk ordening evenwel wordt geschaad”. 3.8. Bij arrest nr. RvVb/A/1718/1018 van 19 juni 2018 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen de aan verzoeker verleende stedenbouwkundige vergunning van 13 oktober 2016 voor “het inplanten van een nieuw pluimveebedrijf, het bouwen van 2 braadkippenstallen met aanhorigheden en het bouwen van een nieuwe loods met aanhorigheden”. Vervolgens weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen met een besluit van 24 januari 2019 de stedenbouwkundige vergunning voor het nieuwe pluimveebedrijf. Het beroep tot vernietiging van verzoeker tegen voormelde beslissing wordt door de Raad voor Vergunnningsbetwistingen verworpen bij arrest nr. RvVb-A-1920-0839 van 19 mei 2020. VII-39.948-8/14 IV. Verval van de bestreden beslissing 4. Het voorwerp van voorliggend annulatieberoep is een in laatste administratieve aanleg genomen beslissing waarbij aan verzoeker de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd. In tegenstelling tot wat de tussenkomende partijen schriftelijk menen te moeten opwerpen, kan een dergelijke beslissing niet van rechtswege “vervallen” ingevolge de, beweerd definitieve, weigering van de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning ingevolge arrest nr. RvVb-A-1920-0839 van 19 mei 2020 van de Raad voor Vergunnningsbetwistingen. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen 5. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van artikel 17, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van de artikelen 21, § 2, 25, 2° en 29, 2° van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker acht de in de bestreden vergunningsbeslissing opgegeven motivering omtrent de planologische verenigbaarheid van de inrichting en de overeenstemming ervan met de goede ruimtelijke ordening, ontoereikend. Hij stelt onder meer dat de stedenbouwkundige weigeringsmotieven intern tegenstrijdig zijn, minstens onduidelijk, in het bijzonder omdat in de passage over de MER-screening gesteld wordt dat “het open akkerlandcomplex gerelativeerd moet worden; […] het hier geen open en homogeen (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied betreft waar voorliggende exploitatie een goede ruimtelijke ordening in het gedrang brengtˮ [en] “het groenscherm moet zorgen voor de VII-39.948-9/14 integratie van het bedrijf in de omgeving”, terwijl anderzijds in de stedenbouwkundige weigeringsmotieven sprake is van “een aantasting […] van het open akkerlandschap”, de inrichting “manifest de open ruimte aantast”, het groenscherm “niets verandert aan het feit dat die bouwwerken de openheid en het ongeschonden karakter van een gebied tenietdoen en vanuit ruimtelijk opzicht niet aanvaardbaar zijn” en dat de “ruimtelijke draagkracht van het gebied en van de omgeving te zwaar zou worden overschreden”. 6. De verwerende partij antwoordt dat er geen sprake is van een tegenstrijdige motivering omdat de bevoegde Vlaamse minister enerzijds doelt op de goede ruimtelijke ordening in relatie tot een „open akkerlandcomplex‟ en de aldaar gewenste agrarische structuur -namelijk ruimtelijk-functioneel samenhangende landbouwgebieden op lokaal niveau waarin de inrichting wel zou passen- en anderzijds op de goede ruimtelijke ordening in relatie tot het „open akkerlandschap‟ in de nabije omgeving. 7. De tussenkomende partijen stellen dat de weergave van de MER-screening in de bestreden beslissing louter een parafrasering is van de screeningsnota en geen stedenbouwkundige beoordeling vormt van de verwerende partij. Zij besluit dat het middel steunt op een gebrekkige lezing van de bestreden beslissing en een foutieve vergelijking tussen de inhoud van de screeningsnota en de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de verwerende partij. 8. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker dat de motieven in kwestie geen weergave of parafrasering zijn van de inhoud van de screeningsnota, dat de verwerende partij door het advies van de GMVC in de bestreden beslissing over te nemen en zich de motieven ervan eigen te maken standpunt heeft ingenomen over hoe het voorgenomen project zich verhoudt tot de goede ruimtelijke ordening, dat het verweer in de memorie van antwoord neerkomt op een argumentatie post factum, en dat zowel het begrip „open akkerlandcomplex‟ als het begrip „open landschap‟ kaderen in een ruimere omgevingsbenadering op het vlak van beoordeling van de goede ruimtelijke ordening en dat mogelijke kleine nuanceverschillen daar geen afbreuk aan doen. VII-39.948-10/14 9. In hun laatste memorie benadrukken de tussenkomende partijen dat uit de stedenbouwkundige motivering “een overduidelijke beoordeling [blijkt] van de onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening” omdat de inrichting “het open ruimtegebied en het ongeschonden karakter van het gebied [schaadt]”. Met betrekking tot de overwegingen die voorkomen in de passage over de MER-screening stellen zij dat het gegeven dat het “open ruimte karakter gerelativeerd moet worden” wel letterlijk overgenomen is uit de MER-screeningsnota. Voorts wijzen zij op de “volledig andere finaliteit” van de MER-screening die erop gericht is om aan de hand van een aantal milieutechnische selectiecriteria, vermeld in bijlage II bij het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, te beoordelen of het aangevraagde project geen aanzienlijke milieueffecten zal veroorzaken. Volgens de tussenkomende partijen komt de goede ruimtelijke ordening bij die selectiecriteria niet aan te pas. Beoordeling 10. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat: - in de MER-screeningsnota die verzoeker heeft laten opstellen door de bvba Eco-scan de concrete kenmerken van het landschap in het betrokken projectgebied niet worden beschreven; - de tussenkomende partijen in hun beroepschrift tegen de in eerste aanleg genomen beslissing over de vergunningsaanvraag ten andere zelf hebben opgeworpen dat de screeningsnota “ondermaats” is omdat gegevens ontbreken over onder meer een “beoordeling van de visuele hinder nu de inrichting én in open landschap én in een residentiële buurt wordt ingeplant”; - in het advies van Ruimte Vlaanderen van 24 oktober 2016 wordt gesteld dat het “open akkerlandcomplex […] gerelativeerd [dient] te worden” omdat het “hier geen open en homogeen (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied [betreft] waar voorliggende exploitatie een goede ruimtelijke ordening in het gedrang brengt”; - de GMVC in haar advies van 22 november 2016 bij de overwegingen omtrent de VII-39.948-11/14 MER-screening heeft gesteld dat “het open akkerlandcomplex gerelativeerd moet worden” en dat “het hier geen open en homogeen (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied betreft waar voorliggende exploitatie een goede ruimtelijke ordening in het gedrang brengt”; in dit advies bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening het betrokken agrarisch gebied met dezelfde bewoordingen wordt omschreven; - in de bestreden beslissing wordt besloten dat “in het licht van de kenmerken van het project, de plaatselijke omstandigheden en de kenmerken van zijn potentiële effecten er geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden” en er dan ook geen “milieueffectenrapport moet worden opgemaakt”; deze beoordeling onder meer steunt op de beschouwingen dat “het open akkerlandcomplex gerelativeerd moet worden” en dat “het hier geen open en homogeen (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied betreft waar voorliggende exploitatie een goede ruimtelijke ordening in het gedrang brengt”; voorts wordt in de bestreden beslissing geconcludeerd dat de “ruimtelijke draagkracht van het gebied en van de omgeving te zwaar zou worden overschreden” waarbij onder meer gewag wordt gemaakt van de aantasting van een “open akkerlandschap” en van een inrichting die “manifest de open ruimte aantast”. 11. Door zich aan de ene kant de motieven van de GMVC blindelings eigen te maken met betrekking tot de MER-screening, maar aan de andere kant een eigen opvatting over de goede ruimtelijke ordening in de plaats te stellen die uitgaat van een verschillende kwalificatie van de kenmerken van het betrokken gebied, heeft de bevoegde Vlaamse minister een intern tegenstrijdige beslissing genomen. 12. Het enige middel is gegrond. VII-39.948-12/14 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 29 januari 2017 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 28 juli 2016, houdende het verlenen aan Nic Verschelde van de milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe pluimveehouderij, gelegen aan de Bosstraat 9 te Zomergem, gegrond worden verklaard, de beroepen vergunningsbeslissing wordt opgeheven en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 450 euro, elk voor een derde. VII-39.948-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.948-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.005 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.