id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.044 Rolnummer: A. 231187/XIV-38409 Zaak: Arrest 248044 - Tucht (openbaar ambt) - 13/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-16 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 01:32 Fiche Arrest nr 248.044 van 13 juli 2020 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.044 van 13 juli 2020 in de zaak A. 231.187/XIV-38.409 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dimitri Dedecker en Rob Trips kantoor houdend te 8000 Brugge Maria Van Bourgondiëlaan 33A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5419 SCHELDE-LEIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Van Cauter kantoor houdend te 9000 Gent Gustaaf Callierlaan 175 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 juli 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone 5419 Schelde-Leie van 30 juni 2020, waarbij aan verzoekster als zware tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 juli 2020, om 14.00 uur. XIV-38.409-1/10 Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Verstraeten, die loco advocaten Dimitri Dedecker en Rob Trips verschijnt voor verzoekster en advocaten Joris Van Cauter en Gaëlle De Reu, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is commissaris van politie bij de lokale politiezone Schelde-Leie (PZ 5419). 3.
- Met een beslissing van 30 juni 2020 wordt aan verzoekster de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege opgelegd. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. XIV-38.409-2/10 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid, stelt verzoekster onder het kopje “middelen” dat de uitzonderlijke procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid zich opdringt omdat niet alleen de gewone procedure tot nietigverklaring te laat zou komen, maar ook de schorsing in kort geding. Zij betoogt dat zij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar werk, inkomen, alsmede alle andere financiële voordelen heeft verloren, zodat zij moet vaststellen dat de bestreden beslissing onmiddellijke gevolgen heeft voor haar financiële situatie, haar professionele status, haar toekomst en welzijn. Ter adstructie hiervan zet verzoekster vooreerst uiteen dat zij alleenstaande is en geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering, hetgeen volgens haar wordt bevestigd door een attest van 3 juli 2020 vanwege het ACLVB. Het betwiste ontslag van ambtswege wordt immers beschouwd als een dringende reden, hetgeen wordt aanzien als een “vrijwillige werkloosheid” in welk geval er gedurende een welbepaalde termijn – die door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: RVA) nog moet worden vastgesteld –, geen recht op werkloosheidsuitkering is. Uit de e-mail vanwege het ACLVB blijkt dat verzoekster hoe dan ook geen werkloosheidsuitkering zal ontvangen. Evenmin verwacht zij van iemand enige vorm van financiële steun. Zij stelt ook nog bij te dragen aan het levensonderhoud van haar bejaarde moeder. Haar vaste kosten, die zij op maandbasis begroot op een bepaald substantieel bedrag, blijven evenwel doorlopen. Zij beschikt over weinig tot geen financiële reserves en zij kan bijgevolg hoogstens anderhalve maand overbruggen alvorens zij in zware financiële problemen geraakt, waarbij zij ook haar huur niet meer zou kunnen betalen. Verzoekster stelt aldus in een precaire financiële situatie te verkeren, zodat zij ook voor de huidige procedure een beroep dient te doen op haar syndicale vakorganisatie. XIV-38.409-3/10 Ten tweede heeft de bestreden beslissing volgens haar onmiskenbaar een negatieve impact op haar professionele reputatie en hypothekeert die haar professionele toekomst nu de bestreden beslissing haar in een slecht daglicht stelt bij de zoektocht naar een andere loopbaan. Voorts heeft de emotionele schok en het met het ontslag gepaard gaande gezichtsverlies, een negatieve invloed op haar welzijn en geestelijke gezondheid. Zij was zo zwaar aangedaan door de bestreden beslissing dat zij kampt met een hoge mate van stress gepaard gaande met depressieve gevoelens. Zulks staat volgens haar onherroepelijk vast aangezien op 15 juni 2020 haar persoonlijke bewapening werd ontnomen, waarbij die beslissing door de waarnemende korpschef werd genomen “vanuit een oprechte bezorgdheid” om haar welzijn. Verzoekster stelt tot slot dat zij de bestreden beslissing niet kan plaatsen omdat zij gedurende de tuchtprocedure op geen enkel ogenblik (preventief) werd geschorst. Zij behield haar prerogatieven en haar positie zodat zij niet begrijpt dat het vertrouwen op een dergelijke wijze ontwricht zou zijn dat een ontslag van ambtswege aan de orde is. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake- XIV-38.409-4/10 lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsings- procedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure de verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- Verzoekster beroept zich in de eerste plaats op een onherstelbaar financieel nadeel. Dat de opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege voor verzoekster ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak en dat het volledig wegvallen van verzoeksters maandelijks beroepsinkomen op een wezenlijke wijze XIV-38.409-5/10 haar levensstandaard aantast, kan op zich bezwaarlijk worden betwist. In het raam van een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid volstaat die vaststelling evenwel op zich niet: verzoekster moet aannemelijk maken aan de hand van precieze en concrete gegevens dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van verzoekster veilig te stellen. In wezen is het immers voor de beoordeling van de uiterst dringende noodzakelijkheid, niet alleen de vraag of verzoekster zwaar wordt getroffen door de bestreden beslissing, maar ook of enkel een schorsing volgens de gewone procedure te laat zal komen om hieraan nog soelaas te bieden.
- Ter staving van haar standpunt voert verzoekster aan dat zij over weinig financiële reserve beschikt enerzijds en dat zij geen financiële steun en inzonderheid geen werkloosheidsuitkering kan verwachten anderzijds. Beide aspecten worden hierna op hun merites onderzocht. Wat de aangevoerde penibele financiële toestand en het aangevoerde gebrek aan voldoende financiële reserves betreft, komt het aan verzoekster toe om door middel van geloofwaardige stukken, een globaal inzicht te geven in haar bestaande financiële toestand, zodat de Raad van State met kennis van zaken dit kan beoordelen. Zij mag zich derhalve niet beperken tot het enkel overleggen van (gedeeltes van) stukken die haar eigen stelling moeten ondersteunen. Het enige stuk dat verzoekster tot bewijs van haar precaire financiële reserves overlegt, is een, wat verzoekster noemt, “overzicht spaarrekening, stand eind juni 2020” (hierna: spaarrekening), met de stand op 29 juni
- Het overgelegde overzicht van de spaarrekening beslaat de periode van 25 maart 2019 tot en met 29 juni
- Het omvat blijkbaar twee pagina’s, maar verzoekster legt er maar één over. Uit dat overgelegde stuk blijkt voorts dat verzoekster op 29 juni 2020 een bepaald wezenlijk bedrag op haar spaarrekening crediteerde afkomstig van een andere rekening op haar naam (hierna: de tweede XIV-38.409-6/10 rekening), die volgens de IBAN-code verschilt van de eerste rekening. Uit de bijgebrachte stukken blijkt aldus dat verzoekster beschikt over twee onderscheiden rekeningen. Wat die tweede rekening betreft, legt verzoekster detail over van een aantal (debet)verrichtingen die doen blijken van het feit dat verzoekster aan een aantal financiële verplichtingen moet voldoen. Deze verrichtingen, die zich situeren in de periode tussen 1 juni 2020 (verrichting nr. 194 en 29 juni 2020 (verrichting nr. 223), dragen geen opeenvolgend nummer. De overgelegde stukken inzake die tweede rekening bieden bijgevolg geen, laat staan een afdoende, inzicht in nog andere (credit- en/of debet-)verrichtingen op die tweede rekening. Verzoekster geeft bovendien evenmin enig zicht op het (al dan niet beschikbare of positieve) saldo op die tweede rekening. Dit alles doet besluiten dat verzoekster verzuimt een voldoende volledig en betrouwbaar beeld te verlenen van haar financiële reserves op het tijdstip van haar ontslag. De (weinige) stukken die verzoekster wel bijbrengt, tonen niet aan dat zij door de bestreden beslissing in een dermate precaire financiële situatie terechtkomt dat een menswaardig bestaan in het gedrang komt of dat de omvang van het door haar ingeroepen nadeel een zodanige impact heeft op haar levensstandaard, dat zij de duur die een gewone vordering tot schorsing in beslag neemt, niet zal kunnen dragen. In zoverre verzoekster doet gelden dat zij geen financiële steun en in het bijzonder geen werkloosheidsuitkering zal ontvangen, doet verzoekster niet gelden, noch maakt zij aannemelijk dat zij, zodra haar arbeidsverhouding is beëindigd, niet overeenkomstig de ter zake geldende regels bepaald in artikel 9, samen gelezen met artikel 7, § 1 van de wet van 20 juli 1991 ‘houdende sociale en diverse bepalingen’, voor de duur van haar prestaties tijdens de bij artikel 10, § 1, 1°, van de voornoemde wet bedoelde periode, zonder onderbreking is onderworpen aan de bepalingen van de wet van 27 juni 1969 ‘tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders’ en dit onder meer met betrekking tot de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid. Het overgelegde “attest” van het ACLVB – dat een e-mail blijkt te zijn afkomstig van die vakorganisatie – lijkt niet meer te zijn dan het persoonlijk standpunt van die vakorganisatie. Ongeacht de bewijswaarde XIV-38.409-7/10 ervan, vermag het geen afbreuk te doen aan de voorgaande vaststelling. Met toepassing van artikel 52 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 ‘houdende de werkloosheidsreglementering’ kan verzoekster voorts weliswaar worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 4 en ten hoogste 26 weken, maar een dergelijke beslissing van de bevoegde dienst ligt thans niet voor. Los van het feit dat verzoekster - welke ook de uitspraak inzake de duur ervan zou zijn - evenmin aantoont dat zij die alsnog concreet te bepalen uitsluitingsperiode niet zal kunnen overbruggen tot aan een uitspraak in een volgens de gewone schorsingsprocedure ingeleide vordering tot schorsing van de bestreden beslissing, mag er derhalve bij de beoordeling van het dringend noodzakelijke karakter van de voorliggende vordering vooralsnog niet op worden vooruitgelopen. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster niet op afdoende wijze aantoont dat zij, zoals zij zelf aanvoert in het verzoekschrift, hoogstens anderhalve maand kan overbruggen alvorens zij in zware onherstelbare financiële problemen geraakt. Het ingeroepen financieel nadeel volstaat te dezen op zich niet om een behandeling bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het voorliggende beroep te verantwoorden.
- In zoverre verzoekster zich ook beroept op de imagoschade, de ondergane emotionele schok en het gezichtsverlies, betreft het morele schade. Het bestreden ontslag van ambtswege schaadt verzoekster onmiskenbaar moreel. Verzoekster voert een aantal (mogelijke) morele gevolgen aan van de bestreden beslissing die kunnen worden ingepast, maar zij licht evenwel niet toe, noch maakt zij duidelijk dat de bestreden beslissing in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, haar in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing. Tevens moet worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat verzoekster ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan. XIV-38.409-8/10 Dat verzoeksters gezondheid onder het ontslag lijdt, tracht verzoekster aan te tonen door het overleggen van de beslissing tot voorlopige intrekking van de bewapening als voorzorgsmaatregel. Deze beslissing dateert van vóór het thans bestreden ontslag. Voorts blijkt uit de door verzoekster niet-betwiste formele motivering van de bevestiging op 24 juni 2020 van die voorlopige intrekking, dat de geraadpleegde arbeidsgeneesheer adviseerde dat verzoekster voldoende geschikt was om haar functie van commissaris van politie uit te oefenen, maar dat het dienstwapen ingetrokken diende te worden en dat verzoekster niet mocht deelnemen aan schietoefeningen. Voorts doet die beslissing noch de in dat kader geraadpleegde arbeidsgeneesheer uitspraak over verzoeksters gezondheidstoestand. Los van het feit of aldus deze aan de bestreden beslissing voorafgaande beslissing tot ontneming van het wapen kan worden betrokken op de gevolgen van de bestreden beslissing, toont verzoekster hiermee evenmin aan dat haar gezondheidstoestand ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van die aard is dat een schorsing volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zou komen. Evenmin kan de aangevoerde sociale uitsluiting de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen, nu verzoekster die in haar verzoekschrift niet verder concretiseert, noch aantoont waarom zij haar sociale contacten niet kan blijven onderhouden – weze het dan nog enigszins anders ingevuld.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. XIV-38.409-9/10 VII. Rechtsplegingsvergoeding
- Wat de vraag van de partijen betreft tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Debersaques XIV-38.409-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.044 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.498 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.