← België

Arrest 248054 - Politie - 14/07/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.054 Rolnummer: A. 231149/XIV-38406 Zaak: Arrest 248054 - Politie - 14/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-23 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 248.054 van 14 juli 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.054 van 14 juli 2020 in de zaak A. 231.149/XIV-38.406 In zake: Kurt VAN DER STRAETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Barbara Speleers kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de LOKALE POLITIEZONE BUGGENHOUT-LEBBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 1 juli 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de stilzwijgende beslissing van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om Kurt Van der Straeten niet te benoemen tot korpschef van de lokale politiezone XIV-38.406-1/11 Buggenhout-Lebbeke en de Belgische Staat te veroordelen tot een dwangsom van 10.000 euro per week dat zij in gebreke blijft om een benoemingsbeslissing te nemen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een nota van 6 juli 2020 heeft de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juli 2020, om 10 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Barbara Speleers, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is commissaris van de politie en wordt op 15 juni 2011 aangesteld als waarnemend korpschef van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke. XIV-38.406-2/11 3.
  5. Op 18 oktober 2018 beslist de politieraad van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke om het mandaat van korpschef vacant te verklaren. 3.
  6. Op 30 oktober 2018 dient verzoeker zijn kandidatuur in voor het mandaat van korpschef. Hij is de enige kandidaat. 3.
  7. Op 8 oktober 2019 wordt verzoeker door de selectiecommissie gunstig gerangschikt voor het mandaat van korpschef. 3.
  8. Op 10 december 2019 beslist de politieraad van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke de voordracht tot benoeming van verzoeker als korpschef niet goed te keuren. Tegen deze beslissing stelt verzoeker een vordering tot schorsing en een annulatieberoep in (gekend onder het rolnummer A. 230.190/XIV-38265). 3.
  9. Met een aangetekende brief van 3 januari 2020 vraagt verzoeker aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om hem aan te wijzen in het mandaat van korpschef van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke. In die brief stelt hij onder meer: “
  10. Bij onderhavig schrijven dienen wij U dan ook beleefd doch formeel aan te manen om over te gaan tot de aanduiding van de door de selectiecommissie geschikt verklaarde kandidaat in het mandaat van korpschef van de PZ Buggenhout - Lebbeke met toepassing van art. 52 WPG. Bij gebreke van gunstig gevolg heb ik mandaat verkregen de zaak onverwijld aanhangig te maken bij het daartoe bevoegde rechtscollege om bewarende maatregelen te zien nemen om de ernstige en re[ë]le kans op benoeming in hoofde van mijn cliënt te vrijwaren. De redelijke beslissingstermijn is ingevolge het bijzonder tijdsverloop van de procedure van de selectiecommissie reeds lang verstreken, daar waar de kandidatuur van cliënt aan een tijdskader is gebonden, ingevolge de toepassing van art. 135 [q]uinquies Wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten.” 3.
  11. Op 20 februari 2020 beslist de politieraad van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke de aanstelling van verzoeker als waarnemend korpschef te beëindigen vanaf l maart
  12. Tegen deze beslissing stelt verzoeker een vordering tot schorsing en annulatieberoep in (gekend onder het rolnummer A. 230.460/XIV-38309). XIV-38.406-3/11 3.
  13. Met een aangetekende brief van 28 februari 2020 herinnert verzoeker de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken aan zijn brief van 3 januari
  14. Deze brief luidt als volgt: “Bij onderhavig schrijven dien ik nogmaals te verwijzen naar mijn eerdere brief van 3 januari 2020 namens cliënt, die tot op heden zonder gevolg blijft. Momenteel hebben wij nog steeds geen kennis genomen van een deugdelijke beslissing vanwege de Minister aangaande de benoeming van cliënt in het mandaat van korpschef van de Politiezone Buggenhout Lebbeke. Er dreigt inmiddels een gekwalificeerd stilzitten in hoofde van de overheid. Ter vervollediging van uw dossier wordt tevens kopie overgemaakt van het aangetekend schrijven zoals verzonden aan de Voorzitter van het Politiecollege, ingevolge een nieuwe wederrechtelijke beslissing van 20 februari 2020 waarbij mijn cliënte omwille van een procedure bij de Raad van State uit het ambt van waarnemend korpschef wordt ontheven. Uiteraard strijdt dergelijke besluitvorming met het rechtstaatbeginsel en het grondrecht op toegang tot de rechter. Ik herneem alle voorbehoud voor de aansprakelijkheid van zowel de zone als de Belgische Staat voor het verloop van deze benoemingsprocedure. Dit schrijven richt ik u onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning.” 3.
  15. Op 10 maart 2020 wordt verzoeker aangewezen als hoofdcommissaris Afdelingshoofd GPJ bij de federale Gerechtelijke Politie met ingang van l april
  16. 3.
  17. Met een aangetekende brief van 26 maart 2020 herinnert verzoeker de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken aan zijn brieven van 3 januari 2020 en 28 februari
  18. Deze brief luidt als volgt: “Bij onderhavig schrijven dien ik nogmaals te verwijzen naar mijn eerdere briefwisseling van 3 januari 2020 en 28 februari 2020 namens cliënt, die tot op heden zonder gevolg blijft. Momenteel hebben wij nog steeds geen kennis genomen van een deugdelijke beslissing vanwege de Minister aangaande de benoeming van cliënt in het mandaat van korpschef van de Politiezone Buggenhout Lebbeke. Er dreigt inmiddels een gekwalificeerd stilzitten in hoofde van de overheid, Voor zover als nodig venwijs ik uitdrukkelijk naar de inhoud van art. 14 §3 Raad van State-Wet, waarvan de inhoud als volgt luidt: „Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden.‟ In mijn schrijven van 3 januari 2020 werd afdoende concreet en eenduidig verwezen naar de wettelijke bepalingen die een handelingsplicht in hoofde van de minister opleggen en het concrete voordeel van benoeming in XIV-38.406-4/11 een mandaatfunctie die cliënt wenst te verkrijgen. Wij voegen voor de goede orde nogmaals kopie van voormeld schrijven en dat van 28 februari
  19. U weet dat elke andere functie waarvoor door cliënt werd gekandideerd en waarvoor bij wijze van mobiliteit de aanstelling onder alle [voorbehoud] werd aanvaard een louter schadebeperkend oogmerk heeft, en geen afbreuk doet aan de blijvende vraag van cliënt om in het mandaatambt van korpschef te worden benoemd. De eerdere voorzieningen bij de Raad van State tegen de besluitvorming van de Politiezone hebben tevens een bewarend karakter en verhinderen de beslissingsbevoegdheid en plicht van de Minister niet. Wij verzoeken u dan ook nogmaals de benoemingsbeslissing te willen treffen. Ik herneem alle voorbehoud voor de aansprakelijkheid van zowel de zone als de Belgische Staat voor het verloop van deze benoemingsprocedure. Dit schrijven richt ik u onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning.” IV. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Aanwijzing van de verwerende partij
  20. In haar nota vraagt de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke om buiten de zaak te worden gesteld als verwerende partij. Volgens haar is het beroep gericht tegen de (vermeend) stilzwijgende weigering van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken met toepassing van artikel 14, § 3, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: de RvS-Wet). Aan de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke werd nooit een aanmaning in de zin van artikel 14, § 3, RvS-Wet gericht. Van een stilzwijgende weigering in de zin van voormelde bepaling kan in hoofde van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke dan ook geen sprake zijn. A fortiori kan aan de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke geen dwangsom worden opgelegd. Dit blijkt ook uit het beroep van verzoeker waarin de lokale politiezone niet als verwerende partij wordt aangeduid, doch enkel de Belgische Staat. 5.
  21. De lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke is door de eerste auditeur-afdelingshoofd aangewezen als verwerende partij. De rechtspleging voor de Raad van State is van inquisitoriale aard, hetgeen inhoudt dat de organen van de Raad van State de rechtspleging leiden. Dit betekent onder meer dat de Raad van State als de verwerende partij XIV-38.406-5/11 aanwijst degene die voor het vervullen van deze rol het meest geschikt voorkomt. De aanwijzing van de verwerende partij heeft als functie een waarborg te zijn voor de deugdelijkheid van de rechterlijke uitspraak over het aangebrachte wettigheidsgeschil door het organiseren van tegenspraak ten aanzien van de vordering van de verzoekende partij. Het lid van het auditoraat dat belast is met het onderzoek van de zaak en dient te waken over de uitvoering van de aan dat onderzoek voorafgaande maatregelen, zal, indien nodig, de aanwijzing van de verwerende partij corrigeren en de correcte instantie als de verwerende partij in de zaak betrekken, zodat meteen de meest geschikte overheidsinstantie in het geding aanwezig is. Het is niettemin uiteindelijk de Raad van State die over de aanwijzing van de verwerende partij definitief beslist en desnoods een partij die (ten onrechte) in het geding werd betrokken, buiten de zaak zal stellen. Een partij die vreemd is aan de bestreden beslissing of niet is betrokken bij het nemen van die beslissing, kan buiten de zaak worden gesteld. 5.
  22. De stilzwijgende beslissing om Kurt Van der Straeten niet te benoemen in het mandaat van korpschef van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke gaat uit van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken. Die beslissing is dan ook vreemd aan lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke, welke als meergemeentezone een van de Belgische Staat afgescheiden rechtspersoon is. Het voorgaande noopt tot het besluit dat in casu enkel de Belgische Staat als verwerende partij moet worden aangewezen. B. Tussenkomst
  23. De lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke stelt echter wel een belang te hebben bij het beroep. Enerzijds omdat er door verzoeker reeds twee beroepen zijn ingediend die verband houden met zijn kandidatuur om tot korpschef te worden aangesteld en waarbij de lokale politiezone de verwerende partij is (A. 230.190/XIV-38265 en A. 230.460/XIV-38309), anderzijds omdat een eventuele inwilliging van huidig beroep gevolgen kan hebben voor de lokale politiezone. Zij vraagt dan ook om te worden toegelaten in de debatten als XIV-38.406-6/11 tussenkomende partij en haar “nota van de verwerende partij” te beschouwen als een verzoek tot tussenkomst.
  24. De lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er dan ook belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg mag haar nota worden opgevat als een verzoek tot tussenkomst en worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid Exceptie
  25. Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij werpen op dat verzoeker het bestuur niet op rechtsgeldige wijze heeft aangemaand om te beschikken. Zij stellen dat noch de aanmaningsbrief van 3 januari 2020 noch de herinneringsbrief van 28 februari 2020 kunnen worden beschouwd als een aanmaning overeenkomstig artikel 14, § 3, van de RvS-Wet. Nergens in die brieven wordt verwezen naar de toepassing van voornoemd artikel 14, § 3, noch naar het feit dat deze brieven een aanmaning zijn in de zin van voormelde bepaling. Evenmin wordt gewezen op de gevolgen van het stilzitten van de overheid, namelijk dat bij gebrek aan een antwoord binnen de termijn van vier maanden dit tot gevolg zal hebben dat desgevallend het stilzwijgen van de overheid zal worden aanzien als een afwijzende beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State. Daarnaast stellen de verwerende partij en de tussenkomende partij dat enkel in de aangetekende brief van 26 maart 2020, waarbij verzoeker zijn eerdere aangetekende brieven van 3 januari 2020 en 28 februari 2020 in herinnering brengt, wordt verwezen naar de toepassing van artikel 14, § 3, van de RvS-Wet, zodat enkel die brief van 26 maart 2020 mogelijk als een aanmaning in de zin van artikel 14, § 3, zou kunnen worden begrepen die de termijn van vier maanden doet lopen. Deze laattijdige verwijzing naar artikel 14, § 3, RvS-Wet kan evenwel niet tot gevolg hebben dat de brief van 28 februari 2020 met terugwerkende kracht kan worden beschouwd als een aanmaning in de zin van artikel 14, §
  26. Bovendien moet, indien de brief van 26 maart 2020 mogelijk als een aanmaning in de zin van XIV-38.406-7/11 artikel 14, § 3, zou kunnen worden begrepen, worden vastgesteld dat de termijn van vier maanden nog niet verstreken is en dat bijgevolg het beroep voorbarig en onontvankelijk ratione materiae is. Beoordeling
  27. Artikel 14, § 3, van de RvS-Wet luidt als volgt: “Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden.” Luidens artikel 3, 2°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ dient de verzoekende partij bij het verzoekschrift “in het geval bedoeld in artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten, een afschrift van de aanmaning” te voegen. Uit het verzoekschrift en de inventaris van de stukken die gevoegd is bij dat verzoekschrift, blijkt dat verzoeker zijn aangetekende brief van 28 februari 2020 aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken beschouwt als de aanmaning bedoeld in artikel 14, § 3, van de RvS-Wet.
  28. Verzoeker vordert de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de stilzwijgende beslissing om verzoeker niet te benoemen in het mandaat van korpschef van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke. Dergelijke stilzwijgende afwijzende beslissing is een juridische constructie die is uitgewerkt in artikel 14, § 3, van de RvS-Wet en die erop neerkomt dat het verzuim van de overheid om een beslissing te nemen onder bepaalde voorwaarden gelijkgesteld wordt met een afwijzende beslissing die vatbaar is voor een annulatieberoep. Opdat dergelijke fictieve beslissing zou tot stand komen, vereist voornoemd artikel 14, § 3, dat de betrokkene eerst de overheid aanmaant om een welbepaalde beslissing te nemen, waarbij hij uitdrukkelijk artikel 14, § 3, moet XIV-38.406-8/11 vermelden. Uit de bedoelde aanmaning moet met andere woorden duidelijk blijk worden gegeven van de bedoeling van de betrokkene om het stilzwijgen van het bestuur, overeenkomstig artikel 14, § 3, te beschouwen als een afwijzende beslissing en hiertegen beroep in te stellen bij de Raad van State. De aanmaning moet precies en duidelijk zijn en moet de overheid een termijn van vier maanden laten. Een schrijven waarin expliciet noch impliciet wordt verwezen naar artikel 14, § 3, RvS-Wet en waaruit evenmin op een andere manier de bedoeling van verzoeker blijkt om aan het stilzwijgen van het bestuur de in de wet omschreven gevolgen te verbinden, kan niet als de door de voormelde wetsbepaling opgelegde aanmaning worden beschouwd.
  29. In zijn verzoekschrift verwijst verzoeker naar de aangetekende brief van 28 februari 2020 gericht aan de verwerende partij, waarvan hij stelt dat het een aanmaning is met toepassing van artikel 14, § 3, van de RvS-Wet. In die brief verwijst hij vooreerst naar zijn eerdere brief van 3 januari 2020 die zonder gevolg is gebleven en voegt hij ter vervollediging van het dossier een kopie van een aangetekende brief toe aan de voorzitter van het politiecollege in verband met de beslissing om hem uit zijn ambt van waarnemend korpschef te ontheffen. Voorts stelt verzoeker in die brief nog: “Er dreigt inmiddels een gekwalificeerd stilzitten in hoofde van de overheid.” Dergelijke mededeling volstaat echter niet om artikel 14, § 3, RvS-Wet van toepassing te maken. Ze geeft immers niet duidelijk blijk van de bedoeling van verzoeker om het stilzwijgen van de overheid te beschouwen als een afwijzende beslissing waartegen hij beroep kan instellen. Ze is evenmin precies en duidelijk. Een aangetekende brief waarin expliciet noch impliciet wordt verwezen naar voornoemd artikel 14, § 3, en waaruit evenmin op een andere manier de bedoeling van verzoeker blijkt om aan het stilzwijgen van het bestuur de in de wet omschreven gevolgen te verbinden, kan niet als de door de voormelde wetsbepaling opgelegde aanmaning worden beschouwd.
  30. Die bedoeling blijkt overigens ook niet uit de aangetekende brief van 3 januari 2020 waarnaar in de brief van 28 februari 2020 wordt verwezen. In die XIV-38.406-9/11 brief wordt enkel vermeld dat de Belgische Staat formeel wordt aangemaand om over te gaan tot aanwijzing van de geschikt bevonden kandidaat, zijnde verzoeker en, als dit niet gebeurt, de zaak onverwijld aanhangig zal worden gemaakt bij het daartoe bevoegde rechtscollege. Uit deze bewoordingen kan al evenmin worden afgeleid dat verzoeker toepassing wenst te maken van artikel 14, § 3, RvS-Wet.
  31. Ten slotte wat de aangetekende brief van 26 maart 2020 betreft, moet worden vastgesteld dat daarin wel expliciet wordt verwezen naar artikel 14, § 3, RvS-Wet. Gesteld dat die brief een aanmaning zou zijn in de zin van voornoemd artikel 14, § 3, wordt het stilzwijgen van de overheid slechts geacht een voor beroep vatbare afwijzende beslissing te zijn, nadat een termijn van vier maanden is verstreken sedert de betrokkene die overheid heeft aangemaand uitspraak te doen. In casu is echter de termijn van vier maanden nog niet verstreken, waardoor de vordering van verzoeker voorbarig is.
  32. Uit wat voorafgaat volgt dat de exceptie voldoende ernst vertoont zodat ze in de huidige stand van de procedure wordt bijgevallen.
  33. De vordering is niet ontvankelijk. VI. Dwangsom
  34. Gelet op het verwerpen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient ook de accessoire vordering tot het opleggen van een dwangsom te worden verworpen. Een dwangsom kan krachtens artikel 17, § 8, van de RvS-Wet immers niet worden opgelegd bij een verwerping van de vordering tot schorsing of van de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen. BESLISSING
  35. Het verzoek van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke tot tussenkomst wordt ingewilligd. XIV-38.406-10/11
  36. De Raad van State verwerpt de vordering.
  37. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Bruno Seutin XIV-38.406-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.