id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.063 Rolnummer: A. 231238/VII-40871 Zaak: Arrest 248063 - Milieuvergunningen - 16/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-17 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 01:35 Fiche Arrest nr 248.063 van 16 juli 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.063 van 16 juli 2020 in de zaak A. 231.238/VII-40.871 In zake: 1. de BV VC ENERGY 2. Carlos VAN CROMBRUGGHE VAN LEERNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Vermaercke en Daan Vandenbroucke kantoor houdend te 8200 Brugge Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katia Bouve kantoor houdend te 8420 De Haan Mezenlaan 9 tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Claudine DE CLERCQ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Isabelle Larmuseau en Sofie De Maesschalck kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 10 juli 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van VII-40.871-1/16 de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 1 juli 2020 waarbij – het ministerieel besluit nr. AMV/000143281/1013 van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 7 november 2018 houdende uitspraak over de beroepen tegen het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) van 31 juli 2014 houdende het verlenen van vergunning op proef voor een termijn verstrijkend op 31 juli 2016 aan de verzoekende partijen voor het veranderen van een co-vergistingsinstallatie aan de Moerstraat 30, 9800 Deinze, wordt ingetrokken, – de ontvankelijk bevonden beroepen van genoemde derden tegen voormeld besluit van de deputatie, gegrond worden verklaard, – het ontvankelijk bevonden beroep van verzoekende partijen tegen voormeld besluit van de deputatie ongegrond wordt verklaard, – aan de verzoekende partijen de vergunning voor het veranderen van voormelde co-vergistingsinstallatie wordt geweigerd. De verzoekende partijen vorderen tevens – “bij wijze van voorlopige maatregel aan het Vlaamse Gewest onmiddellijk het verbod op te leggen om op enigerlei wijze (verder) uitvoering te geven aan het bestreden besluit, – “de schorsing bij voorraad en de voorlopige maatregel onmiddellijk te laten ingaan en dit tot betekening van het arrest van [de Raad van State] waarin uitspraak gedaan wordt over de gebeurlijke bevestiging van de bevolen schorsing en over de gebeurlijke handhaving van de opgelegde voorlopige maatregel”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 14 juli 2020 heeft Claudine De Clercq gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. VII-40.871-2/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 juli 2020, om 14.00 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaten Gregory Vanmaercke en Nick De Wint, die verschijnen voor de verzoekende partijen, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Sofie De Maesschalck, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De feiten werden in eerste instantie uiteengezet in arrest nr. 241.727 van 7 juni 2018 en arrest nr. 243.251 van 17 december 2018. 3.2. Bij voormeld arrest nr. 241.727 van 7 juni 2018 vernietigt de Raad van State het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 30 juli 2015 waarbij de bestuurlijke beroepen tegen voormeld besluit van de deputatie van 31 juli 2014 gedeeltelijk gegrond worden verklaard. De vernietiging steunt op volgende motieven: “21. Met de bestreden beslissing wordt vergunning verleend om in de bestaande houtverbrandingsinstallatie, die voorheen vergund was als een inrichting van de tweede klasse, verontreinigd behandeld houtafval te verbranden. Deze activiteit is volgens rubriek 2.3.4.1,
- b)van bijlage 1 bij Vlarem I ingedeeld in de hoogste klasse, ongeacht het nominaal thermisch vermogen van de installatie. De indeling van de inrichtingen in klassen is VII-40.871-3/16 luidens bijlage 1 bij Vlarem I opgesteld „naargelang van de graad waarin zij geacht worden belastend te zijn voor de mens en het leefmilieu‟. [...] 23. Het wordt niet betwist dat de vergunde inrichting overeenkomstig het van toepassing zijnde gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, gelegen is in agrarisch gebied, waarvoor de bestemmingsvoorschriften neergelegd in artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit gelden. [...] 24. Een verbrandingsinstallatie voor behandeld houtafval kan op zich niet worden beschouwd als landbouw in de ruime zin of als para-agrarische bedrijvigheid. Zulks is nog minder het geval voor de in het geding zijnde installatie van de [verzoekende] partijen die ontegensprekelijk een grootschalig karakter heeft. De bestreden beslissing leidt de overeenstemming met de bestemming af uit de functionaliteit ten dienste van de vergistingsinstallatie. De verwerende partij overweegt in dit verband dat „de verbranding van het houtafval in functie staat van de co-vergistingsinstallatie en geen verwerking op zich betreft‟, dat „de geproduceerde warmte wordt gebruikt voor het drogen van het digestaat‟ en dat „slechts de restwarmte van de verbranding van het houtafval wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit‟. 25. Bij de stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag dient in principe te worden uitgegaan van de volledige inrichting die in de regel bestaat uit onlosmakelijke onderdelen. Daaruit volgt evenwel niet, zoals de [verzoekende] partijen suggereren, dat de planologische onverenigbaarheid van de inrichting niet kan voortvloeien uit de omstandigheid dat één welbepaald onderdeel van de inrichting indruist tegen de vigerende bestemmingsvoorschriften. In voorliggend geval geldt bovendien dat voor het verbranden van afvalstoffen een aparte indelingsrubriek 2.3 geldt „ook als die handeling als een nuttige toepassing (terugwinning van energie en/of stoffen) wordt beschouwd. Het enkele feit dat de houtverbrandingsinstallatie „in functie‟ staat van de co-vergistingsinstallatie, volstaat bijgevolg niet om het besluit te schragen dat de vergunningsaanvraag verenigbaar is met een agrarisch gebied. 26. In de milieuvergunningsaanvraag wordt gesteld dat van de door de verbranding van het houtafval geproduceerde energie „ongeveer 21,6 % [wordt] omgezet in elektriciteit door middel van een turbine‟ en dat die elektriciteit „voor 100% [wordt] geïnjecteerd op het openbare middenspanningsnet‟. Bij de beschrijving van de energiehuishouding is zelfs sprake van de omzetting van 23,6 % van de door verbranding opgewekte energie in elektriciteit die aan een erkende elektriciteitsleverancier wordt verkocht. Uit diverse gegevens van het aanvraagdossier blijkt dus dat meer dan 20 % van de door de verbranding van afvalstoffen opgewekte energie niet „in functie‟ staat van de co-vergistingsinstallatie. Uit de bestreden beslissing noch uit enig stuk van het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij dit feit heeft betrokken bij de beoordeling van het para-agrarisch karakter van het bedrijf.” VII-40.871-4/16 3.3. Na herneming van de bestuurlijke beroepsprocedure waarbij opnieuw verschillende adviezen worden verleend, neemt de verwerende partij op 7 november 2018 de met het bestreden besluit ingetrokken beslissing, waarbij, mits het opleggen van voorwaarden, de milieuvergunning aan de verzoekende partijen wordt verleend. De verwerende partij overweegt: “Overwegende dat de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; dat behoudens bijzondere bepalingen, de agrarische gebieden alleen de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, mogen bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, evenals para-agrarische bedrijven; […] Overwegende dat onderstaande een nadere duiding geeft over de werking van de gehele co-vergistingsinstallatie, wat essentieel is ten einde een antwoord te kunnen bieden op het vonnis van arrest 241.727 van de Raad van State van 7 juni 2018; Overwegende dat de houtverbrandingsinstallatie qua warmte-output afgestemd is op zowel het vergistingsproces als het nabehandelingsproces en hier volledig ten dienste van staat; dat het één geheel vormt; dat tegendrukstoomturbines echter geen op maat gemaakte installaties zijn; dat het feit dat de geassocieerde elektriciteitsproductie niet volledig overeenstemt met de plaatselijke elektriciteitsvraag, zowel naar zonevreemdheid als naar milieu, geen probleem mag zijn, aangezien deze extra energie volledig nuttig wordt aangewend door ze op het net te plaatsen als groene stroom; dat de turbine bijgevolg voor een vergroening van het elektrisch verbruik zorgt in het omliggend agrarisch gebied, aangezien de eerst aangesloten verbruikers deze groene stroom fysiek zullen verbruiken; Overwegende dat het digestaat van het vergistingsproces in een nabehandelingsproces gedroogd wordt tot een organisch bodemverbeterend middel dat wordt gebruikt in de landbouw; dat daarvoor gebruik gemaakt wordt van banddrogers; dat banddrogers een specifieke lage temperatuurswarmtevraag hebben om een minimale hinder te veroorzaken naar de omgeving; dat het droogproces een aanzienlijke hoeveelheid warmte vraagt die geleverd wordt door de drie WKK-motoren enerzijds en de houtverbrandingsinstallatie anderzijds; Overwegende dat tijdens het vergistingsproces biogas vrijkomt dat integraal wordt verbrand in de biogasmotoren of de WKK‟s; dat dit twee soorten energie met zich meebrengt; dat enerzijds elektriciteit geproduceerd wordt die deels aangewend wordt voor eigen gebruik en deels op het net wordt gebracht; dat anderzijds warmte vrijkomt die gebruikt wordt voor het opwarmen van de vergisters, hygiënisatie en droging; dat via de rookgassen van de WKK‟s zelfs nog een beperkt aandeel omgezet wordt in stoom door VII-40.871-5/16 middel van een afgasketel; dat deze stoom vervolgens naar de turbine gaat die bij de houtverbrandingsinstallatie hoort; Overwegende dat met de verbrandingswarmte van het houtafval stoom geproduceerd wordt [die] vervolgens (samen met de stoom uit de afgasketel) met behulp van een stoomturbine omgezet wordt in twee soorten energie: elektriciteit en warmte; dat de simultane productie van elektriciteit en warmte gekend staat als warmtekrachtkoppeling (WKK) en een veel hogere totale energie-efficiëntie heeft in vergelijking met de gescheiden productie van elektriciteit en warmte: dat, aangezien er niet enkel een warmte- maar ook een elektriciteitsvraag verbonden is aan de verwerking van digestaat, het niet meer dan normaal is dat de exploitant voor een WKK gekozen heeft, zodat de energie-inhoud van het houtafval optimaal benut wordt; dat bovendien de drooginstallatie gebouwd is als een lage temperatuursdroging, met de specifieke bedoeling om geur en emissies vanuit de droging tot een absoluut minimum te beperken; dat de warmte die vrijkomt bij de verbranding van houtafval op hoge temperatuur is; dat de verwerking van de hoge temperatuurswarmte (stoom) in de stoomturbine er voor zorgt dat warmte op lagere temperatuur kan gerecupereerd worden en een optimale werking van de drooginstaliatie op lage temperatuur kan verzekerd worden; Overwegende dat uit bovenstaande blijkt dat de simultane opwekking van elektriciteit en warmte om verschillende redenen de beste keuze is voor de invulling van de plaatselijke energievraag; dat het bovendien in voorliggend geval zeer duidelijk is dat de houtverbrandingsinstallatie aansluit bij en afgestemd is op de co-vergistingsinstallatie of -nabehandeling; dat de houtverbrandingsinstallatie zelfs cruciaal is om aan de warmtevraag van de co-vergistingsinstallatie of de nabehandeling te kunnen voldoen; dat de warmte niet alleen geleverd kan worden door de biogasmotoren maar bovendien noodzakelijk is voor het te bekomen eindproduct, namelijk een organisch bodemverbeterende korrel voor landbouwgebruik; Overwegende dat dit des te meer het geval is sinds de exploitant in 2017 een procesoptimalisatie doorvoerde door de plaatsing van een digestaatscheiding en bijkomende biologie; dat de aanvrager namelijk een nullozerstatuut heeft en alle terreinwater opvangt met als doel het mee te verwerken; dat er daardoor bij zware en langdurige regenval een warmtetekort is om alle digestaat en alle terreinwater te verwerken; Overwegende dat, afhankelijk van de hoeveelheid te verwerken terreinwater (weersafhankelijk) en de beschikbare warmte, een gedeelte van het digestaat gescheiden wordt in een dikke en een dunne fractie; dat de dikke fractie na scheiding nog steeds ingedroogd wordt tot bodemverbeterend middel en een deel van de dunne fractie na scheiding door een biologie gestuurd wordt; dat het effluent van de biologie gebruikt wordt voor de wasser en maximaal ingedampt wordt met de restwarmte van de biogas-WKK‟s en de turbine-WKK; dat om dit mogelijk te maken één van de vergisters omgebouwd werd tot een open biologische reactortank; dat de totale warmtevraag hiermee niet gewijzigd is; dat in principe de warmteproductie de warmtevraag niet overschrijdt; Overwegende dat het vanuit milieutechnisch standpunt beter is om effluent van de dunne fractie in te dampen, omdat de ammoniakemissies zo VII-40.871-6/16 tot een minimum herleid worden; dat bovendien het effluent ook ingezet kan worden in de luchtwasser en het zo bijdraagt aan de verwijdering van geur en de verlaging van emissies; dat de scheiding en de biologie dus voor een optimalisatie zorgen van de naverwerking van het digestaat en allebei een niet te verwaarlozen elektriciteitsverbruik hebben; dat de door de turbine opgewekte elektriciteit dus een toegenomen lokaal verbruik kent; Overwegende dat de houtverbrandingsinstallatie geenszins kan losgekoppeld worden van het vergistingsproces; dat de geproduceerde warmte gebruikt wordt voor de nabehandeling van het digestaat en het op temperatuur houden van vergisting, hygiënisatie en droging; dat de elektriciteit gebruikt wordt voor de drooginstallatie, de biologie, de scheider, de voorbehandeling van houtafval en andere plaatselijke verbruiken gerelateerd aan vergisting en houtverbranding; dat de houtverbrandingsinstallatie een onmisbare schakel is binnen de lokale bedrijfsvoering voor de productie van hernieuwbare energie en organische meststof; dat de houtverbrandingsinstallatie niet uitsluitend aangewend wordt voor de productie van elektriciteit om op het net te injecteren; dat het lokaal elektrisch verbruik afkomstig is van de door de turbine en de WKK‟s geproduceerde elektriciteit; Overwegende dat de elektriciteitsproductie door de turbine substantieel ondergeschikt is aan het aandeel nuttige groene warmte; dat deze volledige elektriciteitsproductie onlosmakelijk verbonden is aan de gehele procesvoering, Overwegende dat, gelet op bovenstaande overwegingen, de exploitatie van de integrale co-vergistingsinstallatie in overeenstemming is met de vigerende bestemmingsvoorschriften voor het agrarisch gebied […]”. 3.4. De tussenkomende partij stelt tegen het ministerieel besluit van 7 november 2018 een annulatieberoep in bij de Raad van State. Haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van dat bestreden besluit wordt verworpen bij voormeld arrest nr. 243.251 van 17 december 2018. Het annulatieberoep is hangende (rolnummer A.226.845/VII-40.446). 3.5. Met de thans bestreden beslissing van 1 juli 2020 trekt de verwerende partij voormelde bestreden beslissing van 7 november 2018 in en weigert ze de door verzoekende partijen aangevraagde milieuvergunning. De verwerende partij overweegt: VII-40.871-7/16 “Overwegende dat in het arrest van de Raad van State van 7 juni 2018, houdende vernietiging van het ministerieel besluit van 30 januari 2015, werd geoordeeld dat alle onderdelen van de inrichting samenhangen en dat de bestemmingsconformiteit van de inrichting in zijn geheel moet worden beoordeeld [...] Overwegende dat bij ministerieel besluit nummer AMV/000143281/1013 van 7 november 2018, naar aanleiding van de vernietiging van [het] ministerieel besluit nummer AMV/143281/1008 van 30 januari 2015 door de Raad van State opnieuw uitspraak werd gedaan over de beroepen die werden aangetekend tegen het bestreden besluit. Dat deze beroepen gedeeltelijk gegrond verklaard werden en het bestreden besluit werd gewijzigd; dat meer bepaald, - de opslag van 30m³ OBA buiten werd geweigerd; - de vergunning werd verleend voor een termijn verstrijkend op 11 juli 2027; - bijkomende bijzondere voorwaarden werden opgelegd met betrekking tot geluid, de exploitatie-uren, de houtverbrandingsinstallatie en de afkomst van de extern te verwerken mest en energiegewassen; Overwegende dat tegen dit besluit opnieuw een verzoek tot vernietiging is ingediend bij de Raad van State; dat in deze procedure opnieuw de strijdigheid van de inrichting met de gewestplanbestemming „agrarisch gebied‟ wordt ingeroepen; dat eveneens wordt opgeworpen dat het ministerieel besluit van 7 november 2018 (de “herstelbeslissing”) werd genomen in strijd met het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State van 7 juni 2018; Overwegende dat wordt opgemerkt dat de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op 3 september 2019 het vonnis nummer 1019/2427 heeft uitgesproken waarin wordt geoordeeld dat het ministerieel besluit van 7 november 2018 in strijd is met het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest van de Raad van state van 7 juni 2018 daar de Raad van State oordeelde dat een houtverbrandingsinstallatie voor behandeld houtafval op zich niet kan beschouwd worden als landbouw in ruime zin of als para-agrarische bedrijvigheid; dat de rechtbank van eerste aanleg in haar vonnis het ministerieel besluit van 7 november 2018 buiten toepassing laat wegens onwettigheid in toepassing van artikel 159 van de Grondwet; dat de exploitant in dit vonnis ook werd veroordeeld voor talrijke milieumisdrijven; dat tegen dit vonnis weliswaar hoger beroep is aangetekend; Overwegende dat ook wordt opgemerkt [dat] de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen op 26 oktober 2017 een stedenbouwkundige vergunning had afgeleverd voor een „as built regularisatie en procesoptimalisatie‟ bij de covergistingsinstallatie; dat deze stedenbouwkundige vergunning werd vernietigd door de Raad voor Vergunningsbetwistingen in een arrest van 22 oktober 2019 [...] Overwegende dat het arrest van de Raad van State van 7 juni 2018, nr. 241.727, behept is met gezag van gewijsde; dat […] de Raad van State duidelijk oordeelde dat bij de beoordeling van de bestemmingsconformiteit van de inrichting moet worden uitgegaan van alle onderdelen van deze inrichting, dat door de Raad van State werd geoordeeld dat de aanwezige VII-40.871-8/16 houtverbrandingsinstallatie in strijd is met de planologische bestemming en dat hierdoor niet kan worden geoordeeld dat de volledige installatie conform de gewestplanbestemming agrarisch gebied zou zijn; Overwegende dat in de „herstelbeslissing‟ van 7 november 2018 werd „geantwoord‟ op het arrest van de Raad van State van 7 juni 2018 en werd gemotiveerd waarom de milieuvergunning opnieuw zou kunnen worden afgeleverd; dat in de milieuvergunning d.d. 7 november 2018 de vermeende bestemmingsconformiteit van de houtverbrandingsinstallatie wordt „afgeleid‟ uit het gegeven dat deze ten dienste zou staan van het vergistingsproces, waarbij dit proces uitgebreid wordt beschreven; Dat de Raad van State in het arrest van 7 juni 2018 nochtans uitdrukkelijk had geoordeeld dat de houtverbrandingsinstallatie – waarvan duidelijk was dat deze al dan niet volledig ten dienste stond van het vergistingsproces – NIET kan „worden beschouwd ais landbouw in de ruime zin of als para-agrarische bedrijvigheid‟; dat uit de „herstelbeslissing‟ van 7 november 2018 allerminst het tegendeel blijkt; Overwegende dat de beslissing d.d. 7 november 2018 wordt bestreden met een nieuw beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State; Dat moet worden vastgesteld dat in deze procedure terecht wordt opgeworpen dat de beslissing d.d. 7 november 2018 strijdt met het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State van 7 juni 2018; dat deze beslissing derhalve is behept met een manifeste onwettigheid en dat er derhalve reden is om deze beslissing in te trekken; Overwegende dat er derhalve aanleiding bestaat om het ministerieel besluit van 7 november 2018 in te trekken en een nieuwe beslissing te nemen; dat ingeval van een manifeste onwettigheid en lopende een vernietigingsprocedure bij de Raad van State een bestreden beslissing kan worden ingetrokken (tot aan de sluiting van de debatten); Dat in het arrest van 7 juni 2018 – behept met gezag van gewijsde – werd geoordeeld dat de bestemmingsconformiteit van de inrichting afhangt van alle onderdelen van deze inrichting; dat volgens de Raad van State de houtverbrandingsinstallatie strijdig is met de gewestplanbestemming, zodat thans wordt geoordeeld dat de inrichting niet conform de gewestplanbestemming agrarisch gebied kan worden aanzien; dat uit de uitgebrachte adviezen niet blijkt waarom geen rekening zou moeten worden gehouden met het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State; Dat de administratieve beroepen dienaangaande gegrond zijn; dat de milieuvergunning derhalve moet worden geweigerd; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen van omwonenden gegrond te verklaren, het beroep van de exploitant ongegrond te verklaren en het bestreden besluit op te heffen en de vergunning te weigeren […]”. IV. Tussenkomst VII-40.871-9/16 4. Met een op 14 juli 2020 ingediend verzoekschrift vraagt Claudine De Clercq om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen. V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- a)Algemeen 5. Volgens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
- b)Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen 6. De verzoekende partijen betogen dat de bestreden beslissing onmiddellijk uitvoerbare kracht heeft. Zij verliezen “per direct en met onmiddellijke ingang een bestaande vergunning die intussen op het terrein integraal gerealiseerd is en dus in volle uitbating is […] sedert 30 januari 2015”. Het bestreden besluit bestempelt de integrale inrichting “in één pennentrek als zonevreemd, zonder […] enige tijdelijke rechtszekerheid te bieden om zich dan desgevallend te herlokaliseren”. Door de bestreden beslissing komt “de vergunningstoestand […] plotsklaps op losse schroeven […] te staan”. Uit de aangevoerde middelen blijkt “de grove onwettigheid van het bestreden besluit”. Uit dat alles volgt dat “de gewone schorsingsprocedure […] onmiskenbaar te laat [zou] komen om enig nuttig effect te sorteren”. De verzoekende partijen vrezen bovendien “dat het bestreden besluit intussen integraal zal doorgewerkt zijn in tal van andere lopende procedures en discussies”. Zij wijzen erop dat die doorwerking VII-40.871-10/16 zich reeds heeft voorgedaan met een tweede ministerieel besluit dat op 1 juli 2020 werd genomen en dat “een aangevraagde omgevingsvergunning […] plotsklaps weigert” en zij vrezen die doorwerking in de hangende beroepsprocedure tegen de door deputatie “verleende omgevingsvergunning […] voor wat betreft IIOA – grondwaterwinning, in de vernietigingsprocedures bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) “inzake de door de deputatie geweigerde omgevingsvergunningen voor ophogingswerken”, in de bij de deputatie hangende procedure “inzake een aangevraagde stedenbouwkundige vergunning betreffende as built regularisatie en procesoptimalisatie” na vernietiging door de RvVb van de “eerder verleende vergunning”, in de voor het hof van beroep hangende strafprocedure nadat de eerste strafrechter “ten onrechte […] de milieuvergunning dd. 7 november 2018 onwettig verklaard heeft”, in de twee voor de Raad van State hangende vernietigingsprocedures tegen de “milieuvergunning […] voor beperkte wijzigingen aan de exploitatie” verleend op 23 augustus 2017. Zij vrezen ook dat de Afdeling Milieu-inspectie “op zeer korte termijn verdere initiatieven tot drastische beperking – of zelfs sluiting – van de inrichting zal nemen”. De verzoekende partijen voeren aan dat hen bezwaarlijk enig gebrek aan diligentie en/of spoed verweten kan worden. Zij hebben kennis gekregen van het bestreden besluit op 7 juli 2020 en het verzoekschrift werd drie dagen later ingediend. Zij betogen verder dat het bijzonder reëel is dat zij onherroepelijke schade zullen lijden, minstens “bijzonder aanzienlijke ongemakken” zullen hebben. Het staat volgens hen vast dat die “nadelige gevolgen in oorzakelijk verband staan met de bestreden beslissing”. De werking van de inrichting wordt door het bestreden besluit fundamenteel verstoord. Het bestreden besluit ontneemt “elke bestaanszekerheid aan de inrichting […] door deze in één pennentrek integraal als zonevreemd te bestempelen”.. Het bestreden besluit brengt mee dat de inrichting “actueel niet meer vergund [is] voor de onderstaande zaken en rubrieken, die op vandaag allemaal aanwezig zijn en in uitbating zijn [...]” waardoor “de kans zeer reëel [is] dat dit aanleiding geeft tot een gehele sluiting van de inrichting op zeer korte termijn, hetgeen het regelrechte faillissement met zich brengt”. Het bestreden besluit is “een absolute game changer [...]voor alle lopende VII-40.871-11/16 dossiers van de verzoekende partijen” waarin “telkens de conformiteit met de bestemming” het twistpunt is. Zij vrezen “een cascade van negatieve vergunningsbesluiten”, “tal van verdere procedureslagen” en een sluiting “- al dan niet in het kader van de strafprocedure en/of op instructie van de toezichthoudende milieu-inspectie – hetgeen al helemaal niet meer hersteld zal kunnen worden bij een latere schorsing en/of nietigverklaring”. Een effectieve sluiting van de exploitatie betekent niet alleen het faillissement van VC Energy maar brengt bovendien met zich mee dat de heer Van Crombrugghe zelf al zijn persoonlijke middelen (circa € 6.000.000) teloor ziet gaan”. 7. De verwerende partij stelt dat de verzoekende partijen nalaten om in concreto aan te tonen dat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan. Zij houdt voor dat na een vernietiging van de bestreden intrekkingsbeslissing de vaststelling blijft dat de milieuvergunning van 7 november 2018 door de Gentse strafrechter bij vonnis van 3 september 2019 onwettig werd verklaard en dat de exploitatie bijgevolg wederrechtelijk is. Zij stelt dat de verzoekende partijen er reeds geruime tijd van op de hoogte zijn dat de exploitatie van de houtverbrandingsinstallatie strijdig is met de gewestplanbestemming en dat zij nagelaten hebben om zelf tijdig te anticiperen op deze toestand zodat zij zelf verantwoordelijk zijn voor de gevolgen die zij thans inroepen. De bestreden beslissing betekent enkel dat de aanvraag van de verzoekende partijen “geweigerd werd en doet voor het overige geen afbreuk aan de bestaande vergunningstoestand van de inrichting op stedenbouwkundig en milieutechnisch vlak”. De door de verzoekende partijen gevreesde doorwerking in ander procedures is hypothetisch. De verzoekende partijen bewijzen het ingeroepen financieel nadeel niet en tonen evenmin aan dat dit nadeel van aard is “dat het een gebruik van de UDN-procedure kan rechtvaardigen”. Wat betreft de aangevoerde financiële gevolgen gaan de verzoekende partijen er “aan voorbij dat het voorwerp van de bestreden beslissing beperkt is tot de vergunningsaanvraag waarover uitspraak gedaan wordt en voor het overige geen uitspraak gedaan wordt over de vergunningstoestand”. VII-40.871-12/16 8. De tussenkomende partij betwist eveneens het voorhanden zijn van uiterst dringende noodzakelijkheid. Zij voert vooreerst aan dat geen bewijs voorligt van ernstige schadelijke gevolgen die in causaal verband staan met de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Zij wijst erop dat de uiterst dringende noodzakelijkheid in het voorliggende verzoekschrift identiek is aan de in het verzoekschrift van de verzoekende partijen omschreven uiterst dringende noodzakelijkheid waarin zij de schorsing door de RvVb vorderen van het ministerieel besluit van 1 juli 2020 waarbij “de omgevingsvergunning voor de regularisatie van o.m. de aanleg van de effluentenlagune en infiltratievijver” wordt geweigerd. Zij betoogt dat de verzoekende partijen allerminst aannemelijk maken dat de impact van de bestreden beslissing op zich dermate groot zal zijn dat de inrichting in haar voortbestaan wordt bedreigd. De beweringen in dit verband van de verzoekende partijen zijn “compleet in tegenspraak met de eigen standpunten van de verzoekende partijen in de hangende correctionele procedure” waarin wordt gesteld dat de inrichting verder zou kunnen exploiteren “op basis van de vorige vergunningen”. De tussenkomende partij betoogt nog dat de “gevreesde doorwerking” van de bestreden beslissing op de andere lopende procedures “misplaatst en onterecht is”. De eventuele negatieve uitkomst van de andere vergunningsprocedures zal niet te wijten zijn aan de bestreden beslissing op zich, maar wel aan de reeds tussengekomen vernietigingsarresten. Zij argumenteert verder dat de beweerde uiterst dringende noodzakelijkheid door de verzoekende partijen zelf is gecreëerd. De problematiek van de bestemmingsconformiteit is de verzoekende partijen minstens 5 jaar gekend en moet hen “al zeker 2 jaar, sinds het vernietigingsarrest van 7 juni 2018, absoluut duidelijk” zijn. De verzoekende partijen blijven desondanks verder exploiteren en nieuwe vergunningsaanvragen indienen tot verandering en uitbreiding van de inrichting. Zij hebben aldus zelf het risico genomen om op basis van de bijzonder precaire milieuvergunning van 7 november 2018 verder te exploiteren. Beoordeling VII-40.871-13/16 9. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan alleen worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen. Het komt aan een verzoekende partij toe om op heldere en overtuigende wijze de feiten en omstandigheden, die tot gevolg hebben dat de zaak niet verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, uiteen te zetten, ze aannemelijk te maken en ze in de tijd te situeren. 10. De aangevoerde “grove onwettigheid” in de bestreden beslissing kan op zichzelf niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering uiterst dringend is. De schorsingsvoorwaarde van het uiterst dringende karakter van de vordering is immers een op zichzelf staande voorwaarde, die moet worden onderzocht los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. 11. In casu is de bestreden vergunningsbeslissing van 7 november 2018 ingetrokken en werd de milieuvergunningsaanvraag van de verzoekende partijen voor het veranderen van voormelde co-vergistingsinstallatie geweigerd. De weigering enkel heeft betrekking op de aangevraagde wijziging (vervanging voorhakselaar, stopzetting lozing bedrijfsafvalwater, vermindering van 4 transformatoren, verplaatsing wasplaats, schrapping 3 WKK-motoren) en uitbreiding (voorhakselaar met twee motoren, opslag OBA, een hamermolen van 30 kW, opslag, behandeling en verbranding van ongevaarlijk verontreinigd behandeld houtafval, biologische behandeling van OBA, voorbehandeling en verbranding afvalhout, uitbreiding met een transformator, de productie van biogas, opslag H2, calciumoxiden mest, verduidelijking vermogens gasmotoren, stookinstallatie) en toevoeging van percelen. De verzoekende partijen gaan hieraan in hun uiteenzetting van deze schorsingsvoorwaarde geheel voorbij door eenvoudig voor te houden dat “de vergunningstoestand” van de inrichting “op losse schroeven” zou komen te staan. Zij maken dan ook niet aannemelijk dat “de vergunningstoestand” van de inrichting “op losse schroeven” is komen te staan. Het feit dat deze wijzigingen en uitbreidingen intussen door de verzoekende VII-40.871-14/16 partijen gerealiseerd werden, is een risico dat zij zelf hebben genomen ondanks de beroepen die tegen de vergunningen hiervoor werden ingediend. 12. Het feit dat de bestreden beslissing de integrale inrichting zonevreemd zou verklaren, bewijst op zichzelf nog niet dat de vordering uiterst dringend is. Evenmin toont de door de verzoekende partijen gevreesde “doorwerking” van de bestreden beslissing in de door hen aangehaalde hangende procedures op zichzelf aan dat de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen. Overigens indien er gesproken moet worden in termen van doorwerking, dan gaat het veeleer om de doorwerking van de door de verzoekende partijen aangehaalde vernietigingsarresten zoals voormeld arrest nr. 241.727 van 7 juni 2018 van de Raad van State dat de verwerende partij heeft gebracht tot de bestreden beslissing van 7 november 2018 en de thans bestreden intrekking van deze beslissing en de weigering van de aangevraagde verandering van de co-vergistingsinstallatie. 13. Ook de door de verzoekende partijen ingeroepen schade die zij zouden lijden door het bestreden besluit en die onherroepelijk zou zijn of minstens tot bijzonder aanzienlijke ongemakken zou leiden, kan de Raad van State er niet van overtuigen dat aan de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. De fundamentele verstoring van de werking van de inrichting is er immers niet in gelegen in het feit dat de verwerende partij de bestreden beslissing heeft genomen maar in het feit dat de verzoekende partijen de eerder vergunde wijzigingen en uitbreidingen intussen hebben gerealiseerd ondanks de beroepen die tegen die vergunningen hiervoor werden ingediend. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat door de bestreden weigering van de gevraagde wijzigingen en uitbreidingen elke bestaanszekerheid van de inrichting wordt ontnomen te meer omdat de inrichting enkel voor de geweigerde wijzigingen en uitbreidingen niet meer vergund is. De volgens de verzoekende partijen zeer reële kans op een gehele sluiting van de inrichting op zeer korte termijn met een faillissement en financiële nadelen voor de verzoekende partijen tot gevolg, is een hypothese die overigens niet kan worden toegeschreven aan de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit maar wel aan de wijze waarop de inrichting wordt geëxploiteerd door de verzoekende partijen. VII-40.871-15/16 14. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de grondvoorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing of een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. Die vaststelling volstaat om de vorderingen af te wijzen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vorderingen. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 20 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Pierre Lefranc VII-40.871-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.063 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.361 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.587 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div