← België

Arrest 248072 - Sluitingen van vestigingen - 22/07/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.072 Rolnummer: A. 231293/X-17756 Zaak: Arrest 248072 - Sluitingen van vestigingen - 22/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-23 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 248.072 van 22 juli 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.072 van 22 juli 2020 in de zaak A. 231.293/X-17.756 In zake: de BV PANCAKES ANTWERP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Maes kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 271 - 8° verdieping bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A, bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 16 juli 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de burgemeester van de Stad Antwerpen van 13 juli 2020 dat verbiedt “in de publiek toegankelijke inrichting gekend als en/of genoemd „Stacks‟, gelegen aan de Volkstraat 36 te 2000 Antwerpen, enige vorm van uitbating of activiteit uit te oefenen gedurende de periode van minstens één maand van 18 juli 2020 tot en met 17 augustus 2020” en ook “na deze periode […] tot cumulatief voldaan is” aan de gestelde voorwaarden. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. X-17.756-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juli 2020, om 14.00 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Henri Berkmoes, die loco advocaat John Maes verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Christope Coen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 5 december 2019 wordt de besloten vennootschap Pancakes Antwerp opgericht door de heer Abdoladim El Hajoui met een aanvangsvermogen van 4.000 euro. De “uitbating van een pannenkoekzaak, lekkernijen verbruikssalon” wordt vermeld in het zeer ruime “voorwerp” van de vennootschap. 3.2. De partijen bevestigen dat de eetgelegenheid “Stacks” aan de Volkstraat 36 te Antwerpen op 13 juni 2020 geopend wordt. De verzoekende partij is er de uitbater van. 3.3. In de nacht van maandag op dinsdag 30 juni 2020 doet zich ter hoogte van de eetgelegenheid een ontploffing voor. Het parket van Antwerpen zou vermoeden dat het om een handgranaat gaat. Er zou schade zijn aan de voordeur van de eetgelegenheid, aan twee aldaar geparkeerde voertuigen en aan een raam op de tweede verdieping aan de voorzijde van het gebouw schuin over de inkom van de eetgelegenheid. X-17.756-2/16 3.4. De politie maakt naar aanleiding van deze gebeurtenis op 30 juni 2020 de administratieve akte nr. 16913/20 op. De akte bevat informatie met betrekking tot de verzoekende partij en het pand. Er wordt verwezen naar een politietussenkomst op 20 juni 2020 in de eetgelegenheid. Er wordt in verband met de ontploffing op 30 juni 2020 gewag gemaakt van persartikels waarin wordt opgemerkt “dat minstens één van de zonen van de familie in het verleden werd veroordeeld voor drugsfeiten”. Er wordt melding gemaakt van de ontploffing op 21 september 2019 van een handgranaat in de Deken De Winterstraat ter hoogte van het pand nr. 15, eigendom en bewoond door Abdoladim El Hajoui, zijn echtgenote Fatima El Hajouti en twee van hun drie zonen, Ilias en Faisal El Hajoui. Uit deze informatie leidt de politie vervolgens af “dat de familie El Hajoui reeds tweemaal het slachtoffer is geworden van een ontploffing” en dat één van de drie zonen, Naim El Hajoui, gekend is voor een aantal feiten en voor een veroordeling “voor verdovende middelen”. Op basis van dit alles stelt de politie aan de burgemeester voor een bestuurlijke maatregel te nemen lastens de verzoekende partij omdat “er een ernstig risico [bestaat] dat zich in de nabije toekomst gelijkaardige geweldgerelateerde feiten voordoen in en rond” de eetgelegenheid die “‟s middags meteen na de vrijgave van het plaats delict weer geopend [is] nadat ze de schade hadden opgeruimd”. 3.5. Op “10 april 2020” (1 juli 2020 volgens het bestreden besluit) wordt de uitbater van de verzoekende partij, de heer Abdoladim El Hajoui, door de stedelijke “dienst Bestuurlijke Handhaving” uitgenodigd om gehoord te worden op 3 juli 2020. De administratie akte nr. 16913/20 van 30 juni 2020 met twee krantenartikels als bijlage, die het administratief dossier vormen, wordt bij de uitnodiging gevoegd. In de uitnodiging wordt toegelicht dat de politie ernstige feiten heeft vastgesteld die een gevaar vormen voor de openbare veiligheid en dat de burgemeester overweegt om maatregelen te nemen op grond van de artikelen 133 en 135 van de Nieuwe Gemeentewet. 3.6. Een politionele “controleactie algemene bedrijfsvoering” heeft plaats op 1 juli 2020 in de eetgelegenheid en geeft aanleiding tot de administratieve akte nr. 17080/20 van 2 juli 2020 waarin informatie met betrekking tot de X-17.756-3/16 verzoekende partij, het pand en de locatie wordt opgenomen. Er wordt melding gemaakt van het feit dat twee daar aangetroffen werknemers politioneel gekend zijn voor bepaalde feiten. Op basis van de administratieve akte nr. 16913/20 en “de bijkomende vaststellingen” in de administratieve akte nr. 17080/20 wordt geconcludeerd dat “er, gezien de omgevingsfactoren, gezien de bedrijfsvoering, de locatie en het repetitief karakter van de twee aanslagen die duidelijk gericht zijn op een- en hetzelfde doelwit, een ernstig risico [is] voor de openbare orde, openbare veiligheid en openbare gezondheid in de stad Antwerpen”. De burgemeester wordt opnieuw verzocht om een bestuurlijke maatregel te nemen lastens de verzoekende partij. 3.7. De verzoekende partij, vertegenwoordigd door Abdoladim El Hajoui en Fatima El Hajouti, bijgestaan door een advocaat, wordt gehoord op 3 juli 2020 na inzage van het volledige administratief dossier. De eigenaars van het pand waarin de eetgelegenheid is gevestigd, worden vooraf gehoord. 3.8. De burgemeester neemt op 13 juli 2020 de bestreden beslissing. Hij verbiedt in artikel 1 in de eetgelegenheid “enige vorm van uitbating of activiteit uit te oefenen van 18 juli tot en met 17 augustus 2020. Het verbod blijft na die laatste datum gelden “tot cumulatief voldaan is aan de volgende voorwaarden”: – de verzoekende partij verklaart dat zij, haar organen, aandeelhouders, vertegenwoordigers en de natuurlijke personen die in feite belast zijn met of betrokken zijn bij de uitbating niet eerder veroordeeld werden voor inbreuken op de drugwetgeving, wapenwetgeving en/of wetgeving in verband met criminele organisaties en “niet politioneel gekend zijn” voor dergelijke feiten “indien de uitbaatster dit weet of geacht wordt te weten”; – de eetgelegenheid is ontdaan van elke formele en feitelijke verbondenheid met personen die veroordeeld werden voor inbreuken op de drugwetgeving, wapenwetgeving en/of wetgeving in verband met criminele organisaties of daarvoor “politioneel gekend zijn” “indien de uitbaatster dit weet of geacht wordt te weten”; X-17.756-4/16 – de verzoekende partij beschikt over een personeelsregister en een schriftelijk verslag over het gesprek met elk nieuw personeelslid waaruit blijkt dat een uittreksel uit het strafregister werd getoond en dat voldaan is aan de eerste voorwaarde; – er is een feitelijke verantwoordelijke aanwezig tijdens de uitbating zoals bedoeld in artikel 710ter van de Code van politiereglementen van de stad Antwerpen. De ernstige verstoring van de openbare orde die aanleiding geeft tot deze maatregel, wordt samengevat verantwoord door – het incident op 30 juni 2020 “omstreeks 03.58 uur waarbij een handgranaat tot ontploffing werd gebracht aan de voorgevel van de eetgelegenheid”, “in een gesloten bebouwing in een zeer druk bezochte winkelstraat” met “veel bewoning” in de omgeving, dat “gericht was tegen de officiële en/of feitelijke verantwoordelijken, zijnde de bestuurder van” de verzoekende partij, “en/of diens familieleden”, te weten zijn echtgenote en hun drie zonen; – “ernstige aanwijzingen dat de aanslag gelinkt is aan banden met het criminele drugmilieu” aangezien de “familie […] eerder al geviseerd [werd] toen een handgranaat tot ontploffing gebracht werd aan de Deken De Winterstraat 15 te Berchem in de nacht van 20 op 21 september 2019”, zijnde de gezinswoning “die eigendom is van Abdoladim El Hajoui en Fatima El Hajouti” waar zij samen met hun zonen Ilias en Faisal El Hajoui wonen; – het administratief dossier dat, spijts de verklaringen van het echtpaar El Hajoui-El Hajouti, doet aannemen dat “Naim El Hajoui instaat voor de dagelijkse leiding en zich gedraagt als feitelijk bestuurder” van de verzoekende partij, “minstens dat hij zeer nauw betrokken is bij en verbonden met de bedrijfsvoering ervan”; – het feit dat Naim El Hajoui “politioneel gekend is voor verschillende druggerelateerde en andere feiten” en in 2013 werd “veroordeeld voor het bezit van en de handel in verdovende middelen”; – de politionele vaststellingen dat beide granaataanslagen “bewust gericht waren tegen Naim Hajoui en diens familieleden”; – het feit dat twee “andere werknemers van de eetgelegenheid [...] politioneel gekend [zijn] voor druggerelateerde en andere feiten”. De burgemeester leidt hieruit af dat X-17.756-5/16 - er “een ernstig risico [bestaat] dat er nogmaals een granaataanslag zal gepleegd worden of dat er zich een gelijkaardig geweld gerelateerd incident kan voordoen en/of rond de eetgelegenheid […] waardoor de openbare orde en meer specifiek de openbare veiligheid opnieuw ernstig in het gedrang komen”, en dat - “er toch ernstige aanwijzingen [zijn] dat het om een afrekening binnen het criminele milieu gaat” ook “al wordt de reden van deze aanslagen door de betrokken familie mogelijkerwijze toegeschreven aan andere redenen dan druggerelateerde feiten”. De maatregel wordt samengevat als volgt verantwoord: – de eetgelegenheid is op 30 juni 2020 na vrijgave van het pand opnieuw geopend en fungeert bijgevolg opnieuw “als aantrekkingspool voor geweldincidenten”; – “de ernstige aanwijzingen dat deze feiten gelinkt zijn met het criminele drugmilieu”; – de verzoekende partij heeft verklaard “dat de personen die gekend zijn voor politionele feiten, waaronder Naim El Hajoui, ontslagen zullen worden” maar heeft daartoe nog geen concrete stappen ondernomen; – de voorgestelde maatregel is “onvoldoende concreet en niet afdoende om de openbare orde te vrijwaren” en ontneemt de eetgelegenheid “niet van haar karakter als mogelijk aantrekkingspool voor nieuwe geweldincidenten” omdat “er nog steeds een schijn van verbondenheid is” met Naim El Hajoui en het risico bestaat “dat er opnieuw personen tewerkgesteld kunnen worden die banden hebben met het criminele drugmilieu”; – “het bevelen van een tijdelijke sluiting van de betrokken inrichting voor een bepaalde termijn is noodzakelijk” om “eventuele rivaliserende bendes of actoren ervan [te] weerhouden opnieuw publiekelijk geweld te gebruiken om de familie El Hajoui – El Hajouti te viseren” en “de aantrekkingspool van het geweld, zijnde de eetgelegenheid” te neutraliseren; – de sluiting van één maand stelt de verzoekende partij “in staat om zich te heroriënteren en te reorganiseren door de nodige aanpassingen uit te voeren aan de bedrijfsvoering, evenals de nodige maatregelen te nemen om te voldoen aan de opgelegde voorwaarden” waarna zij “haar activiteiten opnieuw [kan] hervatten indien voldaan is aan de hiernavolgende voorwaarden”. X-17.756-6/16 Deze voorwaarden worden als volgt toegelicht: – de verzoekende partij moet zich sterk maken dat geen van haar personeelsleden, noch personen die op enige andere wijze in feite of in rechte betrokken zijn bij de uitbating van de inrichting eerder veroordeeld werden voor druggerelateerde feiten, voor feiten inzake de wapenwetgeving of feiten inzake criminele organisatie, – er mogen geen personen in feite of in rechte belast worden met of betrokken zijn bij de uitbating van wie de verzoekende partij weet of geacht wordt te weten dat deze politioneel gekend zijn voor één of meerdere van voormelde feiten, – de eetgelegenheid moet ontdaan zijn van elke schijn van verbondenheid, zowel formeel als feitelijk, met één of meerdere personen die veroordeeld werden voor voormelde feiten of daarvoor politioneel gekend zijn. Artikel 2 van het bestreden besluit vermeldt dat de burgemeester opdracht geeft aan de Politiezone Antwerpen om de maatregel in artikel 1 op te heffen nadat werd vastgesteld dat voldaan is aan de gestelde voorwaarden. De Politiezone Antwerpen gaat in voorkomend geval over tot de controle van de naleving van de voorwaarden na schriftelijk bewijs van de verzoekende partij en vervolgens tot bevestiging van de vervulling van de voorwaarden in een administratieve akte. In dat geval wordt de opheffing van het verbod in artikel 1 betekend aan de verzoekende partij. Artikel 3 van het bestreden besluit vermeldt dat de opheffing van het verbod in artikel 1 gedurende zes maanden kan herroepen worden indien één van de voorwaarden in artikel 1 niet worden nageleefd. V. Grondvoorwaarden voor een schorsing

  1. a)Algemeen 4. Volgens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende X-17.756-7/16 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
  2. b)Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen 5. De verzoekende partij voert aan dat zij door de sluiting waarvoor “de facto […] geen enkel „einddatum‟ [wordt] vooropgesteld” een “belangrijk verlies aan cliënteel en omzet” zal lijden dat niet of nauwelijks (cliënteelverlies) of “nog enigszins” (omzetverlies) “vergoedbaar is”. Door het onmiddellijk effect van de maatregel is “de zaak te spoedeisend […] om via een gewone procedure tot nietigverklaring te behandelen”. Zij wijst nog op de “onmiddellijke en significante financiële impact op de uitbating” door de sluiting die “quasi onmiddellijk van kracht” is en legt de omzetcijfers vanaf de opening t.e.m. 14 juli 2020 voor. De verzoekende partij schat het omzetverlies van een kwartaal op “om en bij de 100.000 €”. Ze stelt dat de onmiddellijke en significante financiële impact op de uitbating onverenigbaar is met de behandelingstermijn, die volgens haar gemiddeld genomen 115 dagen bedraagt, van een gewone vordering tot schorsing. Ze argumenteert nog dat “het reële risico op (blijvend) cliënteelverlies en vooral ook van reputatieschade van een nieuw opgestarte zaak […] een behandeling bij uiterst dringende noodzaak” rechtvaardigt. 6. De verwerende partij betwist dat voldaan is aan deze grondvoorwaarde voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Zij werpt op dat de verzoekende partij niet bewijst dat “haar cliënteel gelet op de sluiting niet meer zal terugkeren naar de inrichting” terwijl de vraagt rijst of er kan worden gesproken van vast cliënteel gezien de recente opening van de eetgelegenheid. Voorts betoogt zij dat “het geopperde financieel nadeel dat de tijdelijke sluiting teweeg zou brengen […] in beginsel steeds kan worden gekeerd”. De verzoekende partij toont ook niet aan dat “het voortbestaan van de onderneming zeer ernstig in het gedrang komt”. Zij stelt dat uit de administratieve aktes, de bestreden beslissing en het verzoekschrift blijkt “dat de verzoekende partij en haar zaakvoerder over meer dan voldoende financiële X-17.756-8/16 middelen beschikken”. Zij argumenteert dat het ingeroepen moreel belang “in principe steeds afdoende genoegdoening krijgt in een eventueel annulatiearrest”, betwijfelt of er “reeds sprake zou zijn van een zekere naam en faam van de uitbating” en meent dat “afbreuk aan reputatie en faam van de inrichting eerder door de persartikelen omtrent de ontploffing van een handgranaat […] wordt veroorzaakt dan door de bestreden maatregel” die “de reputatie en faam van de inrichting net ten goede” komt. Beoordeling 7. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan alleen worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen. Het komt aan een verzoekende partij toe om op heldere en overtuigende wijze de feiten en omstandigheden, die tot gevolg hebben dat de zaak niet verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, uiteen te zetten, ze aannemelijk te maken en ze in de tijd te situeren. 8. De verwerende partij komt niet verder dan het aangevoerde financieel en klantenverlies van de verzoekende partij door het bestreden besluit te nuanceren door te willen doen aannemen dat de verzoekende partij het klantenverlies door het bestreden besluit niet aantoont, dat het financieel nadeel “in beginsel steeds kan worden gekeerd”, dat de verzoekende partij niet aantoont dat het voortbestaan van de eetgelegenheid ernstig in het gedrang zou komen, dat de verzoekende partij en haar zaakvoerder over voldoende financiële middelen beschikken, dat het moreel belang – i.c. de reputatie en de naam en faam van de inrichting – steeds afdoende genoegdoening krijgt in een eventueel vernietigingsarrest en dat de afbreuk aan reputatie en faam van de inrichting die nog maar één maand geopend is eerder voortvloeit uit de aangehaalde persartikelen dan uit de bestreden maatregel. Ook is het een misvatting dat er voor een rechtspersoon alleen sprake kan zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid ingeval zijn voortbestaan op het spel staat. De omstandigheid dat er na één maand een einde aan X-17.756-9/16 kan komen aan de sluiting, is op vandaag ook niet meer dan een theoretische mogelijkheid. De verwerende partij betwist overigens niet dat de eetgelegenheid door de “coronamaatregelen” pas geopend werd op 13 juni 2020. Zij erkent in haar nota zelfs dat de verzoekende partij geïnvesteerd heeft in de eetgelegenheid. Zij betwist evenmin de omzetcijfers van de periode 13 juni tot 15 juli 2020 die de verzoekende partij voorlegt. In de gegeven omstandigheden neemt de Raad van State aan dat de schorsing van de bestreden sluiting voor minstens één maand van haar nog maar op 13 juni 2020 gestarte zaak, voor de verzoekende partij een uiterst dringende noodzakelijkheid vertoont die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing. 9. Deze grondvoorwaarde voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is bijgevolg vervuld.
  3. c)Ernstig middel Standpunten van de partijen 10. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 133 en 135 van de nieuwe Gemeentewet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (motiveringswet), “de vrijheid van handel en nijverheid, het beginsel van vrijheid van ondernemen, boek II, titel III van het Wetboek van Economisch recht van 28 februari 2013, het gelijkheids-, materiële motiverings-, redelijkheids-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. “Doordat, eerste onderdeel, de bestreden beslissing niet op voldoende vaststaande en deugdelijke grond berust, minstens dat niet uit de bestreden beslissing zelf blijkt Terwijl, een maatregel die wordt opgelegd op grond van artikel 133 en 135 nieuwe Gemeentewet om wettig te zijn moet steunen op deugdelijke motieven die tot uitdrukking worden gebracht in de beslissing zelf. X-17.756-10/16 En doordat, tweede onderdeel, de bestreden beslissing gebaseerd is op een kennelijk foutieve inschatting van het gevaarrisico en van wat als preventieve maatregel passend is om dat risico tegen te gaan. Terwijl, opdat een maatregel die wordt opgelegd op grond van artikel 133 en 135 nieuwe Gemeentewet naar recht verantwoord zou zijn, er genoegzaam aangetoonde, concrete ordehandhavingsbehoeften voorhanden moeten zijn waarmee de maatregel een redelijk verband van evenredigheid vertoont. En doordat, derde onderdeel, de bestreden beslissing niet met een minimum aan concrete gegevens aannemelijk maakt te maken dat de bestreden beperking van de vrijheid van handel en nijverheid steun vindt in de beweerde ordeningsbehoeften, en er in redelijke verhouding mee staat. Terwijl, een maatregel die wordt opgelegd op grond van artikel 133 en 135 nieuwe Gemeentewet geen onevenredige verregaande beperkingen mag opleggen aan de vrijheid van handel en nijverheid. En doordat, vierde onderdeel, andere handelszaken in de stad Antwerpen het voorbije jaar het slachtoffer zijn geworden van „aanslagen‟, maar er voor die handelszaken blijkbaar geen bestuurlijke maatregel werden getroffen. Terwijl, een uitoefening door een overheid van haar discretionaire bevoegdheid, om niet willekeurig te zijn, moet stroken met de wijze waarop die overheid de kwestieuze bevoegdheid in andere gevallen heeft uitgeoefend, minstens moet er voor een eventueel verschillende behandeling een toereikende verantwoording voorhanden zijn. En doordat, vijfde onderdeel, op grond van de bestreden beslissing niet kan worden voorzien of, wanneer en onder welke voorwaarden de opgelegde maatregel een einde zal nemen. Terwijl, een maatregel die wordt opgelegd op grond van de artikelen 133 en 135 nieuwe Gemeentewet voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen er van kan voorzien. En doordat, zesde onderdeel, een aantal opgelegde voorwaarden waaraan moet voldaan worden op opnieuw te mogen opstarten, volstrekt onwettelijk en/of onmogelijk zijn om door verzoekende partij nageleefd te worden zodat de facto een permanente sluiting ontstaat. Terwijl, een maatregel die wordt opgelegd op grond van de artikelen 133 en 135 nieuwe Gemeentewet uiteraard het legaliteitsprincipe moeten respecteren.” In een tweede middelonderdeel doet de verzoekende partij gelden dat de opgelegde maatregel disproportioneel en kennelijk onredelijk is. Zo wordt onder meer uiteengezet dat uit artikel 2 van het bestreden besluit blijkt dat de sluiting kan worden opgeheven nadat de verzoekende partij heeft aangetoond de opgelegde voorwaarden te hebben nageleefd. Er wordt echter nergens verduidelijkt binnen welke termijn dient te worden overgegaan tot het opheffen van de sluiting zodat de maatregel dan ook te beschouwen is als een maatregel die niet in tijd is beperkt. De verzoekende partij blijft op deze manier volledig afhankelijk van de X-17.756-11/16 discretionaire beoordeling van het bestuur. De maatregel gaat het nagestreefde doel compleet voorbij omdat het doorknippen van de familiebanden tussen Naim El Hajoui en zijn ouders en broers niet mogelijk is. Bij de uiteenzetting van een vijfde middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat de maatregel niet voorzienbaar en onduidelijk is. Het bestreden besluit bepaalt immers dat de sluiting pas zal worden opgeheven nadat de verzoekende partij heeft aangetoond dat de aandeelhouders, personeel en dergelijke geen eerdere veroordeling opliepen voor bepaalde feiten en niet politioneel gekend zijn voor welomschreven feiten voor zover de verzoekende partij dit wist of geacht wordt te weten. Hoe dit alles – het weten en het geacht wordt te weten – zal worden beoordeeld is onduidelijk. Door dergelijke onduidelijke voorwaarden op te leggen is niet te voorzien, wanneer of onder welke voorwaarden de opgelegde maatregel een einde zal nemen. In een zesde en laatste middelonderdeel argumenteert de verzoekende partij dat de opgelegde maatregel niet uitvoerbaar is. Het niet veroordeeld zijn, een vereiste zoals opgelegd in artikel 1.1 van het thans bestreden besluit moet blijken uit een uittreksel uit het strafregister. Het is de verzoekende partij echter niet toegelaten een dergelijk uittreksel te vragen. Hetzelfde geldt nog meer voor de voorwaarde dat de verzoekende partij geen personeelsleden mag aannemen of houden die politioneel gekend zijn Dit valt nog moeilijker te controleren en zou neerkomen op een screening door de werkgever die op geen enkele wettelijke basis is gesteund. 11. De verwerende partij repliceert met betrekking tot het tweede middelonderdeel dat uit artikel 3 van het bestreden besluit blijkt dat de sluiting “maximaal 6 maanden kan duren” en dat zodra de verzoekende partij het bewijs van naleving van de opgelegde voorwaarden levert “de burgemeester aan de politiezone Antwerpen meteen de opdracht [zal] geven de tijdelijke sluiting op te heffen”. Omtrent het vijfde middelonderdeel verwijst de verwerende partij “naar de duidelijke uiteenzetting van de voorwaarden zoals uiteengezet in X-17.756-12/16 artikel 1 van de bestreden beslissing” en naar haar repliek op het zesde middelonderdeel. Op het zesde middelonderdeel antwoordt de verwerende partij dat het de verzoekende partij als werkgever “allerminst verboden [is] om een sollicitant te verzoeken een uittreksel uit zijn eigen strafregister te tonen”. Beoordeling 12. Het bestreden besluit sluit de eetgelegenheid van de verzoekende partij voor minstens 1 maand. Nadien kan de sluiting opgeheven worden indien aan een aantal oomschreven voorwaarden is voldaan. Reden voor deze maatregel is het incident dat op 30 juni ll. voor de eetgelegenheid van de verzoekende partij heeft plaatsgevonden. Omdat volgens hem dit incident een tweede aanslag zou zijn tegen de familie van Abdoladim El Hajoui en hij aanneemt dat deze aanslagen een link vertonen met het drugsmilieu, meer bepaald met het drugsverleden van één van de drie zonen, Naim El Hajoui, heeft de burgemeester geoordeeld dat ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid de eetgelegenheid slechts opnieuw kan worden geopend dan nadat alle banden met het drugsmilieu zijn doorgeknipt. Dat kan volgens het bestreden besluit worden bewerkstelligd door de zaak te ontdoen van aandeelhouders; vertegenwoordigers, personeel enz. die ooit veroordeeld zijn voor drug- of wapenfeiten of feiten van criminele organisaties of die daarvoor “politioneel gekend” zijn. Op het eerste gezicht merkt de verzoekende partij bijgevolg terecht op dat de sluiting permanent blijft indien aan de opgelegde voorwaarden niet wordt voldaan. Zelfs indien aan de voorwaarden zou worden voldaan dan nog kan de opheffing van de sluiting herroepen worden binnen de zes maanden indien één van de voorwaarden niet wordt nageleefd. Nog aangenomen dat het incident van 30 juni ll. daadwerkelijk gericht zou zijn tegen de familie El Hajoui – El Hajouti, dat dit incident een X-17.756-13/16 verband heeft met het eerdere incident aan de privé-woning van deze familie en dat deze incidenten verband houden met het drugsverleden van één van de drie zonen, Naim El Hajoui, van de familie en/of het politioneel gekend zijn van sommige (twee) personeelsleden van de verzoekende partij, dan nog dient de maatregel evenredig te zijn. Zoals reeds besproken, zal de bestreden sluiting pas opgeheven worden indien aan een aantal voorwaarden is voldaan, zo niet is de sluiting definitief. Het onderzoek van de opgelegde voorwaarden is op het eerste gezicht van belang om de door de verzoekende partijen geschonden geachte evenredigheid en redelijkheid van de maatregel te beoordelen. De cumulatieve voorwaarden worden opgelegd in artikel 1 van het bestreden besluit en bepalen dat de uitbaatster van de verzoekende partij verklaart dat haar organen, aandeelhouders en/of vertegenwoordigers en de natuurlijke personen die in feite belast zijn met de uitbating niet eerder veroordeeld werden voor inbreuken op de drug- of wapenwetgeving of wetgeving in verband met criminelke organisaties, noch, “indien de uitbaatster dit weet of geacht wordt [dit] te weten”, politioneel gekend zijn voor dergelijke feiten. Ook moet de eetgelegenheid Stacks zich ontdoen van elke formele en feitelijke verbondenheid met één of meerdere personen die eerder veroordeeld werden voor voormelde inbreuken of, “indien de uitbaatster dit weet of geacht wordt [dit] te weten”, daarvoor politioneel gekend zijn. Om dat aan te tonen wordt de verzoekende partij opgelegd over een personeelsregister te beschikken en over een verslag waaruit blijkt dat met elk nieuw personeelslid een gesprek werd gevoerd waarop een uittreksel uit het strafregister is getoond. Met de verzoekende partij kan op het eerste gezicht worden aangenomen dat deze voorwaarden onmogelijk uit te voeren zijn, minstens zijn ze onduidelijk. Zelfs als een uittreksel uit het strafregister wordt getoond dan nog wordt vereist dat de eetgelegenheid geen enkele link vertoont met of ontdaan is van personen die politioneel gekend zijn voor bedoelde inbreuken indien de uitbaatster dit weet of geacht wordt dit te weten. Het lijkt op het eerste gezicht niet onwaarschijnlijk dat men niet weet niet dat men (niet) politioneel gekend is voor bepaalde feiten en dat de verzoekende partij dat dan evenmin kan weten. Het X-17.756-14/16 bestreden besluit lijkt zelfs nog een stap verder te gaan door de vervulling van deze specifieke voorwaarde bovendien nog te laten afhangen van het oordeel dat de verzoekende partij zou kunnen geacht worden te weten dat deze personen “politioneel gekend zijn” voor dergelijke inbreuken. De verwerende partij bewaart in haar nota over de voorwaarde van het politioneel gekend zijn van personen en hoe de verzoekende partij dit dient te weten of geacht wordt dit te weten, het stilzwijgen. Ter zitting erkent de verwerende partij dat dit een moeilijke voorwaarde is. De conclusie is dan ook dat op het eerste gezicht deze voorwaarden voor de opheffing van het verbod neerkomen op een permanente sluiting die niet in een redelijk verband van evenredigheid staat tot de motieven voor de maatregel. Het tweede, vijfde en zesde middelonderdeel zijn ernstig. 13. Ook aan de tweede grondvoorwaarde voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de burgemeester van de Stad Antwerpen van 13 juli 2020 dat verbiedt “in de publiek toegankelijke inrichting gekend als en/of genoemd „Stacks‟, gelegen aan de Volkstraat 36 te 2000 Antwerpen, enige vorm van uitbating of activiteit uit te oefenen gedurende de periode van minstens één maand van 18 juli 2020 tot en met 17 augustus 2020” en ook “na deze periode […] tot cumulatief voldaan is” aan de gestelde voorwaarden. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van X-17.756-15/16 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Pierre Lefranc X-17.756-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.072 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.240 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.