id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.093 Rolnummer: A. 226202/XII-8618 Zaak: Arrest 248093 - Wegverkeer van goederen - 29/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-04 Raadplegingen: 169 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.093 van 29 juli 2020 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 248.093 van 29 juli 2020 in de zaak A. 226.202/XII-8618 In zake: de BVBA CLAEYS EN ZONEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 10 juli 2018, waarbij aan de bvba Claeys en Zonen een administratieve geldboete wordt opgelegd van 2.000 euro. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. XII-8618-1/10 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Er is toepassing gemaakt van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend schriftelijk advies gegeven dat aan de partijen met een e-mailbericht ter kennis werd gebracht. Het debat is gesloten op 15 mei 2020. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 19 juli 2017 wordt een vrachtwagen met oplegger, die wordt bestuurd door Paul Ceuppens, rijdend voor rekening van de verzoekende partij, door de federale politie gecontroleerd op de autosnelweg Ring 0 rond Brussel, ter hoogte van Ruisbroek. Bij de controle wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op de tweede as van de trekker bedraagt de overlading 1.881 kg, hetzij 15,7 %. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op onder meer artikel 3, lid 1 en 2, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport). 3.2. Op 3 november 2017 beslist de procureur des Konings te Halle- Vilvoorde geen vervolging in te stellen. Deze beslissing wordt door de wegeninspectie ontvangen op 8 november 2017. XII-8618-2/10 3.3. Op 12 december 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen. 3.4. Op 5 januari 2018 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing. Op 22 februari 2018 vindt een hoorzitting plaats waarop de verzoekende partij besluiten neerlegt. 3.5. Op 16 maart 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen. 3.6. Op 22 maart 2018 stelt de verzoekende partij tegen deze beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Op 24 mei 2018 vindt een hoorzitting plaats. 3.7. Op 10 juli 2018 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt met een ter post aangetekend schrijven dezelfde dag aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. XII-8618-3/10 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6 van het Europees verdrag van 4 november 1950 ‘tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden’ (hierna: EVRM) in zoverre in de bestreden beslissing wordt geweigerd om getuigen te horen. De verzoekende partij stelt dat de verbalisering van de overladingsinbreuk gebeurde door twee agenten van de federale politie. Deze verbalisering is sterk geautomatiseerd aangezien het proces-verbaal voor dergelijke overladingsinbreuken wordt afgedrukt rechtstreeks op grond van het weegprogramma van de weegbrug waarbij de verbalisanten enkel een reeks gegevens invullen. Alle processen-verbaal inzake overlading in het Vlaamse Gewest worden op dezelfde wijze vastgesteld, ongeacht of zij door wegeninspecteurs of andere verbalisanten werden getekend. In die omstandigheden lijkt het de verzoekende partij onontbeerlijk om de betrokken verbalisanten te kunnen horen als getuigen omtrent de concrete omstandigheden van het beweerde misdrijf en de interceptie van het voertuig. Zo wenst zij verduidelijking omtrent de juiste omstandigheden en plaats van onderschepping van het voertuig, de overbrenging ervan naar de weegbrug, de uiterlijke staat van het voertuig, de eigenlijke weegverrichtingen waarbij niet is geweten of er dynamisch dan wel statisch werd gewogen en of er bij dynamische bewegingen meerdere wegingen plaatsvonden. De ondervraging zou net dienen om eventuele problemen bij de weging aan het licht te brengen. Aangezien de administratieve geldboete te dezen beschouwd dient te worden als een straf in de zin van artikel 6 EVRM, beschikt de verzoekende partij op grond van artikel 6.3 EVRM over het recht om getuigen XII-8618-4/10 à décharge te doen oproepen en te ondervragen. De motivering in de bestreden beslissing om het verzoek af te wijzen voldoet niet. Het is niet omdat het getuigenverhoor enige organisatie vergt, dat het verzoek ter zijde kan worden geschoven, ook niet omwille van de korte termijnen waaraan de procedure voor het opleggen van een administratieve geldboete onderworpen is. Bovendien was er tussen de hoorzitting en de bestreden beslissing nog ruim anderhalve maand, wat meer dan voldoende tijd was om een getuigenverhoor te organiseren. 5. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij erop dat het recht om getuigen te ondervragen op grond van artikel 6, § 3, (d), EVRM onverkort geldt, ongeacht de complexiteit van de inbreuk. 6. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat de eerbiediging van de rechten van verdediging reeds tijdens de bestuurlijke fase is vereist omdat ze anders illusoir zouden worden ten tijde van de procedure bij de rechterlijke instantie met volle rechtsmacht. In ondergeschikte orde herhaalt zij haar verzoek tot ondervraging van de verbalisanten. Beoordeling 7. Het door de verzoekende partij geschonden geachte artikel 6, § 3, (d), EVRM luidt: “Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: […] (
- d)de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.” 8. Het recht om getuigen te ondervragen, betreft geen absoluut recht. Een aangevoerde schending van het recht op getuigenverhoor moet dan ook steeds worden onderzocht vanuit de vraag of de eventuele weigering van een XII-8618-5/10 getuigenverhoor ook effectief heeft geleid tot een schending van het recht op een eerlijk proces. Het komt aan de nationale rechter toe om te beoordelen in een concrete procedure of het ondervragen van een getuige kan bijdragen aan de waarheidsvinding. De verzoekende partij geeft op geen enkele wijze in concreto aan hoe het feit dat de verbalisanten niet als getuige werden opgeroepen, de waarheidsvinding in de weg zou kunnen hebben gestaan. In de eerste plaats hebben de verklaringen van de verbalisanten in het proces-verbaal bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel overeenkomstig artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport. De verbalisanten zijn als het ware officiële getuigen van de vaststellingen die zij opnemen in het proces-verbaal. De verzoekende partij geeft geen enkele concrete reden aan waarom er te dezen zou moeten worden getwijfeld aan de vaststellingen van de verbalisanten en hoe een getuigenverhoor hierover duidelijkheid zou kunnen brengen. Zoals de verzoekende partij zelf vaststelt gaat het te dezen om een eenvoudige inbreuk. Alle inlichtingen met betrekking tot de inbreuk en de omstandigheden van de overlading worden in het proces-verbaal vastgesteld. De verzoekende partij geeft ook geenszins aan welke concrete omstandigheden met betrekking tot de interceptie van het voertuig of de uiterlijke staat van het voertuig zouden kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de vaststellingen zoals weergegeven in het proces-verbaal. In dat verband moet ook worden opgemerkt dat deze gegevens werden opgenomen in het proces-verbaal dat binnen de drie dagen werd meegedeeld aan de verzoekende partij met de vraag mogelijke opmerkingen met betrekking tot de in het proces- verbaal gedane vaststellingen mee te delen. Het contradictoir karakter van de vaststellingen en de uitgevoerde metingen werd dan ook verzekerd door het feit dat een afschrift van het proces-verbaal, opgesteld door de met het toezicht belaste wegeninspecteur, in overeenstemming met artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport binnen veertien dagen na de vaststelling van de overlading aan de verzoekende partij werd bezorgd, zodat vanaf dat ogenblik de betrouwbaarheid of de geldigheid van de uitgevoerde metingen door de verzoekende partij kon worden betwist. De verzoekende partij heeft tijdens de XII-8618-6/10 bestuurlijke procedure op geen enkel ogenblik enige concrete opmerking gemaakt omtrent de materiële juistheid van de in het proces-verbaal gedane vaststellingen. In die omstandigheden valt niet in te zien hoe de verwerende partij, door te oordelen dat het horen van getuigen niet noodzakelijk was omdat alle inlichtingen aangaande de inbreuk werden opgenomen in het proces-verbaal en omdat de verzoekende partij geen specifieke omstandigheden aanhaalde aangaande de overlading waardoor hieromtrent twijfel zou kunnen ontstaan, een inbreuk zou hebben gepleegd op de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces in hoofde van de verzoekende partij. 9. Op het in ondergeschikte orde gevraagde verzoek tot het horen van getuigen hoeft om dezelfde redenen niet te worden ingegaan. 10. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. In een tweede middel voert de verzoekende partij aan dat “het moreel element der inbreuk […] niet [is] aangetoond”. De verzoekende partij stelt, onder verwijzing naar interne richtlijnen van de verwerende partij, dat opdat het misdrijf kan worden aangerekend aan de rechtspersoon, er niet enkel een intrinsieke band tussen het misdrijf en de rechtspersoon moet zijn, maar er ook een moreel element in hoofde van de rechtspersoon aanwezig moet zijn. Het moreel element bestaat bij overladingsmisdrijven in hoofde van de rechtspersoon onder meer uit het nalaten om maatregelen te nemen die de naleving van de geldende regelgeving inzake toegelaten massa’s van voertuigen mogelijk maken. Indien het moreel element door de overtreder wordt betwist, moet in de beslissing tot het opleggen van een XII-8618-7/10 administratieve geldboete worden nagegaan of de vrachtwagenbestuurder middelen ter beschikking had om de massa onder de assen van zijn voertuig te controleren dan wel of de overtreder op enige andere wijze aannemelijk maakt dat er afdoende maatregelen genomen waren om een inbreuk op het decreet te vermijden. In dit verband betoogt de verzoekende partij dat de verlading van het voertuig gebeurde bij een externe verlader. Zij was niet aanwezig bij de verlading en niet bij machte om ter zake op te treden. De lading betrof een volle vracht waarbij de verlader de zwaarste lading vooraan plaatste. De verlader weet als enige de individuele gewichten van de laadelementen en dient daarbij conform artikel 45bis van de wegcode de lading juist te plaatsen, wat voor de verzoekende partij oncontroleerbaar is. De verzoekende partij kan enkel het voertuig wegen en ervoor zorgen dat een marge wordt gelaten, wat zij heeft gedaan. Er werd een marge gelaten van twee ton. Beoordeling 12. Wat de inbreuk bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport betreft, is niet vereist dat zij wetens en willens werd begaan. De schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten. Wat het moreel bestanddeel van het misdrijf betreft, blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat dit aanwezig wordt geacht omwille van de omstandigheid dat de verzoekende partij niet de nodige maatregelen heeft genomen om de inbreuk te voorkomen. Van een normale, voorzichtige rechtspersoon mag immers worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het voertuig niet overladen op de openbare weg wordt gebracht. XII-8618-8/10 De omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading doordat hij het verladen niet zelf heeft uitgevoerd, maakt niet dat de betrokken vervoersonderneming geen enkel verwijt meer zou treffen noch kan deze omstandigheid worden aangemerkt als onoverkomelijk. Van een professionele vervoersonderneming mag worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de vrachtwagens die zij in geladen toestand op de openbare weg brengt, voldoen aan de wettelijk toegestane maxima wat de asdrukken betreft, ook al heeft zijzelf of de vrachtwagenbestuurder het voertuig niet geladen. Het verzuim daaraan te voldoen, kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken, vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass. 2 november 2004, AR P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8). 13. In de mate dat de verzoekende partij aanvoert dat zij het voertuig zou hebben laten wegen alvorens het in het verkeer te brengen, blijkt niet dat zij hiervan in de loop van de bestuurlijke procedure enig bewijs heeft bijgebracht. In het kader van de onderhavige procedure brengt zij hiervan evenmin enig bewijs bij. Bovendien blijkt deze weging in ieder geval niet op afdoende wijze te zijn gebeurd aangezien zij of de vrachtwagenbestuurder, blijkens haar eigen relaas, niet heeft opgemerkt dat de lading verkeerd zou zijn verdeeld over de assen van de vrachtwagen. Van een professionele vervoerder mag worden verwacht dat hij ervan op de hoogte is dat zelfs het voorzien van een marge van twee ton op het totale gewicht van de sleep niet uitsluit dat er toch sprake kan zijn van een overlading op één van de assen wanneer de lading onvoldoende wordt verdeeld. De verzoekende partij toont aldus niet aan dat zij de nodige maatregelen heeft genomen om de overlading op één van de assen van de vrachtwagen te vermijden. 14. De verzoekende partij toont derhalve niet aan dat de beslissing waarbij tot de aanwezigheid van het moreel element in hoofde van de verzoekende partij werd besloten niet op in feite dan wel in rechte draagkrachtige motieven zou steunen. XII-8618-9/10 15. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8618-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.093 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div